Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:5075

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
UTR 14/7977, UTR 14/8035, UTR 14/8001, UTR 14/7952, UTR 14/8037, UTR 14/7994, UTR 14/7992, UTR 14/8032, UTR 14/8036, UTR 14/8000, UTR 14/7991, UTR 14/7979, UTR 14/7955 en UTR 14/2515
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Baatbelasting op grond van artikel 222 van de Gemeentewet voor aanleg riolering. Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), criterium samenhangende zaken.

Verweerder heeft in het buitengebied van de voormalige gemeente Abcoude riolering aangelegd en dit gebied opgedeeld in tien verschillende clusters. Per cluster heeft verweerder een Verordening baatbelasting vastgesteld. Gemachtigde heeft namens 171 eisers een beroep ingesteld. Voor vijf van de tien clusters wordt de Verordening onverbindend verklaard omdat deze niet uiterlijk twee jaar na het voltooien van de werkzaamheden in het cluster is vastgesteld, zoals artikel 222 van de Gemeentewet voorschrijft. De uitspraak UTR 14/7977 ea betreft één van deze vijf clusters. In de andere vijf clusters komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder wel heeft aangetoond dat de Verordening tijdig is vastgesteld, zodat verweerder een aanslag baatbelasting heeft mogen opleggen. Echter, ook in deze clusters zijn enkele beroepen gegrond, onder meer omdat verweerder zijn gedragslijn om de aanslag te verminderen indien een eigenaar zijn woning heeft gekocht in de periode tussen het bekostigingsbesluit en het vaststellen van de Verordening niet geheel consequent heeft toegepast. Het beroep van diverse eisers op gedane toezeggingen slaagt niet omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Verweerder heeft overigens ook zelf een onderzoek naar dergelijke toezeggingen verricht. De uitspraak UTR 14/8020 en UTR 14/7894 is een voorbeeld van een dergelijke zaak.

In totaal zijn er 54 beroepen gegrond. De rechtbank merkt deze zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit leidt op grond van het Bpb tot een wegingsfactor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de benodigde specifieke en vaktechnische kennis die door de gemachtigde van eisers is opgedaan, aangemerkt als zeer zwaar (wegingsfactor 2). De rechtbank ziet aanleiding om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de met toepassing van het Bpb vastgestelde vergoeding en deze vast te stellen op € 10.000,-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2015/348
V-N Vandaag 2015/1504
FutD 2015-1745
FutD 2015-1746
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 14/7977, UTR 14/8035, UTR 14/8001, UTR 14/7952, UTR 14/8037, UTR 14/7994, UTR 14/7992, UTR 14/8032, UTR 14/8036, UTR 14/8000, UTR 14/7991, UTR 14/7979, UTR 14/7955 en UTR 14/2515

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2015 in de zaak tussen

[eiser 1], te [woonplaats], en anderen volgens bijlage, eiser

(gemachtigde: mr. R.A.A. Maat),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente], verweerder

(gemachtigde: mr. R.T. Wiegerink)

Procesverloop

Bij beschikking van 28 februari 2014 heeft verweerder aan eiser voor het object [adres] te [woonplaats] een aanslag baatbelasting aanleg riolering opgelegd van € 3.100,-. Bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2014 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het door eiser daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.


Eiser heeft bij brief van 19 maart 2015 te kennen gegeven dat hij zestien getuigen voor de zitting heeft opgeroepen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met 171 soortgelijke zaken, plaatsgevonden op 9 april 2015. [A], [B], [C], [D], [E], [F], [G], [H], [I], zoon van [J], [K], directeur van [bedrijf] bv, en [L], directeur van [bedrijf 2] bv, zijn in persoon verschenen.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [M] en [N], beiden werkzaam bij de gemeente [gemeente], bijgestaan door de gemachtigde.


Ter zitting heeft de rechtbank de volgende personen als getuige gehoord:
- [getuige 1], account manager bij [bedrijf 3] bv ([bedrijf 3]), destijds projectleider bij [bedrijf 4] bv ([bedrijf 4]), onder aflegging van de belofte;
- [getuige 2], werkzaam bij [bedrijf 3], destijds radiuscoördinator bij [bedrijf 4];
- [getuige 3], destijds werkzaam bij [bedrijf 5] bv ([bedrijf 5]);
- [getuige 4], destijds werkzaam bij [bedrijf 5].


Alle door de gemachtigde vertegenwoordigde eisers en verweerder hebben ermee ingestemd dat in vergelijkbare zaken door de rechtbank meerdere uitspraken in één geschrift worden verenigd.

Overwegingen

  1. Op 22 februari 2001 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] besloten een gedeelte van de kosten van de aanleg van de riolering in het buitengebied te verhalen door middel van baatbelasting.

  2. Op 7 juli 2005 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente] een aangevuld bekostigingsbesluit aanleg riolering genomen voor het buitengebied [buitengebied], cluster [cluster] en [cluster] (het cluster). Het cluster bestaat uit de objecten [adres] tot en met [adres]. Het object [adres] is gelegen in het cluster.

  3. Op 7 januari 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente [gemeente], per 1 januari 2011 de rechtsopvolger van de gemeente [gemeente], de Verordening op de heffing en invordering van de baatbelasting cluster [cluster] + [cluster] (de Verordening) vastgesteld.

  4. Artikel 222 van de Gemeentewet luidt:
    1. Ter zake van de in een bepaald gedeelte van de gemeente gelegen onroerende zaak die gebaat is door voorzieningen die tot stand worden of zijn gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan van degenen die van die onroerende zaak het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, een baatbelasting worden geheven, waarbij de aan de voorzieningen verbonden lasten geheel of gedeeltelijk worden omgeslagen. Indien de aan de voorzieningen verbonden lasten ter zake van een onroerende zaak krachtens overeenkomst zijn of worden voldaan, of met toepassing van artikel 6.17, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening zijn of behoren te worden voldaan, wordt de baatbelasting ter zake van die onroerende zaak niet geheven.

2. Voordat met het treffen van voorzieningen wordt aangevangen, wordt door de raad besloten in welke mate de aan die voorzieningen verbonden lasten door middel van een baatbelasting zullen worden verhaald. Een besluit als bedoeld in de eerste volzin bevat een aanduiding van het gebied waarbinnen de gebate onroerende zaak is gelegen. Het besluit wordt bekend gemaakt overeenkomstig artikel 139.

3. Of een onroerende zaak is gebaat wordt beoordeeld naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip, dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

4. Tot invoering van de belasting wordt besloten uiterlijk twee jaren nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid.

5. De belasting wordt ineens geheven, met dien verstande dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven gedurende ten hoogste dertig jaren, een en ander volgens in de verordening vast te stellen regelen.

5. Eiser betoogt dat de Verordening niet uiterlijk twee jaar na het voltooien van de voorzieningen is vastgesteld, zodat de Verordening om die reden onverbindend moet worden verklaard.

De omvang van de voorzieningen

6. De rechtbank ziet zich in dit verband in de eerste plaats gesteld voor de vraag welke voorzieningen in dit geval precies moeten zijn voltooid voordat de in artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet gestelde termijn van twee jaar aanvangt. Eiser heeft in dit verband betoogd dat de aansluiting op de elektriciteit en de installatie van H2gO (in de stukken ook aangeduid met de naam van het identieke systeem Mous Aquaweb) niet tot de voorzieningen behoren. De rechtbank volgt dit standpunt niet en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft toegelicht dat de aangelegde riolering voor het grootste gedeelte een drukriolering is, die niet functioneert door het op afschot liggen, maar door pompen (aangeduid als (mini)gemalen). Het drukriool kan pas functioneren als de pompen van spanning zijn voorzien.
Uit het Programma van Eisen betreffende de mechanische en elektrotechnische installatie drukrioleringspompunits gemeente [gemeente] van 3 maart 2004 (het Programma van Eisen) blijkt verder dat ook het installeren en het werkend opleveren van het radiografische beheerssysteem, fabrikaat Mous type Radius, tot de te verrichten werkzaamheden behoorde. [getuige 1] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat Radius, inmiddels Radius Pro, kan worden beschouwd als de hardware in het rioolgemaal. Om het beheerssysteem te laten functioneren, verzamelt de apparatuur gegevens en zendt het een eventuele storingsmelding naar een centrale storingsdienst. Het softwareprogramma dat dit mogelijk maakt, heet thans H2gO/Mous Aquaweb. Dit programma zorgt er voor dat de gegevens uit de (mini)gemalen webbased (en niet meer zoals voorzien in het Programma van Eisen via GSM) kunnen worden geraadpleegd, zodat storingen kunnen worden gesignaleerd. Dit uitwisselen van gegevens heet telemetrie. Het voorgaande betekent dat er eerst met het voltooien en in werking (kunnen) hebben van het telemetriesysteem voor de riolering sprake van was dat de voorzieningen waren voltooid als bedoeld in artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet. Hierbij geldt dat het telemetriesysteem pas kan functioneren als er spanning op staat. Het was dus, zowel voor het kunnen functioneren van het drukriool als voor het kunnen functioneren van het telemetriesysteem, noodzakelijk dat de (mini)gemalen (met Radius) waren aangesloten op het elektriciteitsnet. In het Programma van Eisen is onder punt 4.1. in dit verband het volgende vermeld:

‘Alle voedingskabels worden door derden geleverd en geïnstalleerd. Het aansluiten van deze voedingskabels op de daarvoor bestemde aansluitklemmen in de CVK’s en P.U.’s behoort tot de werkzaamheden van de aannemer.’

De rechtbank is verder van oordeel dat, anders dan eiser stelt, bij de beoordeling van het al dan niet voltooid zijn moet worden uitgegaan van de laatste versie van het telemetriesysteem, die op het moment van installatie gangbaar is.

De voltooiing van de voorzieningen

7. De belasting wordt geheven op basis van de Verordening. Nu verweerder per cluster een afzonderlijke (belasting)verordening heeft vastgesteld, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat per cluster, dus in dit geval voor het cluster, moet worden beoordeeld of de Verordening tijdig, dat wil zeggen binnen twee jaar na het voltooien van de voorzieningen, is vastgesteld. Dit volgt uit artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet.

8. Bij de beoordeling of de voorzieningen in het cluster zijn voltooid, geldt verder dat hiervan pas sprake is als de gehele riolering in het cluster, inclusief de onder rechtsoverweging 6 genoemde voorzieningen, is voltooid. Het feit dat de uitvoering van de werkzaamheden een periode stil heeft gelegen, betekent niet dat de Verordening eerder dan twee jaar na het voltooien van de voorzieningen moest worden vastgesteld.

9. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast of de Verordening tijdig is vastgesteld op verweerder rust. Aangezien de Verordening op 7 januari 2013 is vastgesteld, dient verweerder aannemelijk te maken dat de voorzieningen in het cluster niet eerder dan op 7 januari 2011 zijn voltooid.

10. Verweerder heeft toegelicht dat de aanleg van de riolering gefaseerd heeft plaatsgevonden en dat het gebied vanwege deze fasering in clusters is verdeeld. De aanleg van de leidingen van de riolering is destijds uitbesteed aan de firma [firma] en de aanleg van het telemetriesysteem aan [bedrijf 4] (thans [bedrijf 3]). Omdat de riolering vanwege de dijken in het gebied veelal niet onder de openbare weg kon worden aangelegd, was verweerder voor de aanleg van de riolering in veel gevallen afhankelijk van de toestemming van particulieren. Om afspraken met deze particulieren te maken heeft verweerder [bedrijf 5] ingeschakeld. Verweerder heeft gesteld dat er, doordat de aanleg van de riolering op sommige plaatsen langer heeft geduurd door problemen met het verkrijgen van toestemming en het realiseren van de aansluitpunten voor elektriciteit, geen duidelijk moment van oplevering is geweest. Naar aanleiding van het verzoek van eiser om de gegevens omtrent de oplevering van de riolering openbaar te maken, heeft verweerder een door Deloitte Belastingadviseurs bv (Deloitte) opgesteld rapport van 20 januari 2014 overgelegd. Hierin wordt per cluster de datum genoemd waarop de voorzieningen waren voltooid. In de bijlagen bij dit rapport zitten de stukken waarop Deloitte deze data heeft gebaseerd.

10. Verweerder stelt dat uit het rapport van Deloitte blijkt dat de voorzieningen in het cluster eerst op 14 januari 2011 volledig waren voltooid. In het rapport wordt in dit verband gewezen op bijlage 4 en 7. Bijlage 4 is een e-mail van 14 januari 2011 van [getuige 2], radiuscoördinator in dienst van [bedrijf 4], aan [N], projectleider in dienst van de gemeente. In deze e-mail staat het volgende:

‘Voor in Mous Aquaweb hebben we wat enkele gegevens nodig.
Hierbij ontvangt u de lijst met Radiusgemalen.
Ons verzoek is om de gegevens te controleren en aan te vullen.
Enkele aandachtspunten:
- Voor weergave van de gemalen in de GIS-viewer zijn alle GPS-coördinaten benodigd.
- NAW-gegevens welke niet kloppen graag corrigeren in de kolommen onder correctie NAW-gegevens.
Sub 4, 5 en 6 hebben de gemalen nog geen spanning die zijn dus nog niet Radius in bedrijf gesteld.’

Als bijlagen bij deze e-mail zijn vier lijsten, genummerd 1, 2, 3 en 7, met minigemalen meegestuurd.

Bijlage 7 is een e-mail van 7 januari 2014 van [getuige 1] aan [N]. In deze mail staat dat de datum van de e-mail van 14 januari 2011 kan worden beschouwd als opleverdatum van het cluster.

12. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de voorzieningen reeds vóór 7 januari 2011 waren voltooid allereerst gewezen op een brief van 22 december 2009 van de gemeente [gemeente] aan het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht omtrent de subsidieverstrekking voor de aanleg van de riolering. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

‘Het gehele stelsel is inmiddels aangelegd en opgeleverd.’

‘De twee eindafrekeningen gaan, elk vergezeld van een accountantsverklaring, hierbij.’

‘Voor de goede orde en ook om volledige transparantie te geven zij vermeld dat het stelsel evenwel nog niet in gebruik kan worden genomen. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de nodige elektriciteit voorzieningen niet dan wel niet geheel zijn aangelegd, waardoor de aanwezige pompinstallaties voor de drukriolering niet functioneren.’

13. Anders dan eiser leidt de rechtbank uit deze brief niet af dat de voorzieningen op het moment van het verzenden van deze brief volledig waren voltooid. De rechtbank verwijst daarvoor naar rechtsoverweging 6. Wel leidt zij uit deze brief het vermoeden af dat voor voltooiing van de voorzieningen kon worden volstaan met aansluiting op het elektriciteitsnet. Het is aan verweerder dit vermoeden te weerleggen.

13. Eiser heeft voorts een brief van 8 april 2009 van de gemeente [gemeente], gericht aan de bewoners van [adres] en [adres], overgelegd. In deze brief staat onder meer het volgende:

‘Het is inmiddels al een hele tijd geleden dat er bij u riolering is aangelegd. Het heeft helaas extra lang geduurd voordat Eneco elektra in de kasten heeft gebracht, maar dat is bij u gebeurd. Inmiddels heeft de aannemer ook de pompen afgeregeld, zodat de installatie bij u gereed is voor gebruik.’

Eiser heeft ook brieven van 2 december 2010 van de gemeente [gemeente], gericht aan de bewoners van [adres], [adres] en [adres], overgelegd. In deze brieven staat onder meer het volgende:

‘Het is inmiddels enige tijd geleden dat er bij uw woning een nieuw rioleringstelsel is aangelegd. Door omstandigheden heeft het erg lang geduurd voor het nieuwe stelsel in gebruik genomen kan worden. Het verheugd ons dan ook u te kunnen meedelen dat het stelsel inmiddels gereed is en dat u gebruik kan gaan maken van het nieuwe rioleringssysteem.’

Zowel in de brief van 8 april 2009 als in de brieven van 2 december 2010 wordt de bewoners verzocht om binnen twee maanden na ontvangst van de brief een aansluiting op het rioleringssysteem te realiseren. Eiser stelt dat een dergelijke brief is verstuurd aan alle bewoners van het cluster, zodat aan deze brieven de conclusie kan worden verbonden dat de riolering in het gehele cluster op 2 december 2010 gereed was. Indien verweerder betwist dat hij een dergelijke brief naar alle adressen heeft verstuurd, is het aan hem dit nader te onderbouwen.

15. Verweerder heeft in reactie op de door eiser overgelegde brieven gesteld dat deze brieven niet naar alle adressen in het cluster zijn gestuurd omdat het rioleringsstelsel nog niet in het hele cluster was voltooid. Hij heeft toegelicht dat alleen aan de adressen waar dit al kon, de mogelijkheid is geboden om aan te sluiten op de openbare riolering. De riolering op deze adressen is volgens verweerder na aansluiting in gebruik genomen. Dit was mogelijk door de gedeeltes van de riolering die nog niet waren voltooid, tijdelijk af te sluiten.

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen brieven van een latere datum, of een overzicht van de door hem verzonden brieven heeft overgelegd. Zij acht het desondanks niet zonder meer aannemelijk dat de door eiser overgelegde brieven zijn verzonden naar alle adressen in het cluster waarvoor een aanslag is opgelegd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het door verweerder overgelegde overzicht van de adressen waarvoor baatbelasting is opgelegd, blijkt dat hij in het cluster voor 26 adressen een aanslag heeft opgelegd. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het technisch mogelijk is dat bepaalde adressen in het cluster wel al konden aansluiten, terwijl dit op andere adressen nog niet mogelijk was.
Daarnaast heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat het realiseren van de aansluitmogelijkheid in bepaalde gevallen, door specifieke omstandigheden op de betreffende locatie, langer heeft geduurd. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat de brieven die eiser heeft overgelegd op een verschillende datum zijn verstuurd.De door eiser overgelegde brieven maken echter wel dat het des te meer aan verweerder is aannemelijk te maken dat de voorzieningen in het cluster pas na 2 december 2010 zijn voltooid.

17. Voor de beantwoording van de vraag of de voorzieningen in het cluster niet eerder dan op 7 januari 2011 zijn voltooid, stelt de rechtbank vast dat in het procesdossier een duidelijke datum van oplevering of gereedmelding ontbreekt. Dat leidt ertoe dat de rechtbank zal uitgaan van informatie die wel beschikbaar is. Uit het voorgaande volgt dat op 22 december 2009 het gehele stelsel was aangelegd en opgeleverd, uitsluitend nog de aansluiting op de elektriciteit plaats zou moeten vinden en dat de brieven aan bewoners dateren van op zijn laatst 2 december 2010. Het standpunt van verweerder dat de voorzieningen in het cluster voor het eerst op 14 januari 2011 zijn voltooid, volgt uitsluitend uit de hierboven genoemde e-mails. Andersluidende informatie over het cluster is niet voorhanden.
Dan is de volgende vraag of uit de e-mail van 14 januari 2011 de conclusie kan worden getrokken dat de voorzieningen in het cluster eerst op 14 januari 2011 waren voltooid. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Zij overweegt daartoe het volgende. De in deze e-mail vermelde, door verweerder te verrichten, activiteiten (het aanvullen en controleren van gegevens) behoren naar het oordeel van de rechtbank niet tot de voor de voltooiing van de voorzieningen noodzakelijke activiteiten. Verweerder heeft dit ook niet gesteld. Uit de vermelding dat de (mini)gemalen op de lijsten sub 4, 5 en 6 nog geen spanning hebben, leidt de rechtbank voorts het vermoeden af dat de voor het cluster functionerende gemalen op de lijst sub 3 wél spanning hadden.
Anders dan verweerder stelt, volgt uit de tekst van de e-mail van 14 januari 2011, ook als deze wordt gelezen in samenhang met de e-mail van 7 januari 2014 en de genoemde bijlagen, niet dat deze als een gereedmelding voor het cluster kan worden aangemerkt. Zelfs indien deze e-mail wel als zodanig zou kunnen worden gelezen, geldt dat eiser terecht heeft gesteld dat uit niets blijkt dat de in de bijlagen bij de e-mail van 14 januari 2011 genoemde minigemalen eerst op die datum gereed zijn gekomen. Deze e-mail laat immers de mogelijkheid open dat deze minigemalen, waaronder de minigemalen in het cluster, al vóór 7 januari 2011 gereed waren.
Resumerend is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de voorzieningen in het cluster pas na 7 januari 2011 zijn voltooid.

17. Nu niet is komen vast te staan dat de Verordening uiterlijk twee jaar na het voltooien van de werkzaamheden in het cluster is vastgesteld, is het besluit tot invoering van de baatbelasting te laat genomen. De Verordening is dus in strijd met artikel 222, vierde lid, van de Gemeentewet en mist om die reden verbindende kracht. De daarop gebaseerde beschikking van 28 februari 2014 moet worden vernietigd.

17. Het beroep is gegrond en de bestreden uitspraak wordt vernietigd. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en ook de beschikking van 28 februari 2014 te vernietigen. Dit betekent dat verweerder op grond van artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.
Proceskostenvergoeding in alle zaken

17. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers in alle 54 zaken waarin het beroep gegrond is en die, met mr. Maat als gemachtigde, zijn behandeld op de zitting van 9 april 2015. Op grond van artikel 8:75 in samenhang met artikel 7:15 van de Awb komen de proceskosten die eisers in bezwaar en beroep redelijkerwijs hebben moeten maken voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten moeten op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden vastgesteld.

17. Tussen partijen is in geschil of de zaken kunnen worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

17. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb, zoals dat per 1 januari 2015 luidt, zijn samenhangende zaken: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Artikel II van het Besluit van 27 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met een verruiming van de regeling voor samenhangende zaken (hierna: het wijzigingsbesluit) (Stb. 2014, 411) bevat de volgende overgangsbepaling:


‘Het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat luidde voor 1 januari 2015 blijft van toepassing op een voor die datum bekendgemaakte beslissing op een bezwaar of administratief beroep en op een voor die datum bekendgemaakte uitspraak van een bestuursrechter. In afwijking van de eerste volzin geldt het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals het ingevolge dit besluit is komen te luiden indien de bestuursrechter een beslissing op bezwaar of administratief beroep of een uitspraak van een bestuursrechter vernietigt en daarbij een partij veroordeelt in de kosten van bezwaar, administratief beroep of beroep bij de bestuursrechter waarop vóór 1 januari 2015 is beslist of uitspraak is gedaan.’

De Nota van toelichting bij dit wijzigingsbesluit bevat de volgende passages:


‘Dit besluit strekt ertoe om in het Bpb de regeling voor samenhangende zaken in het bestuursrecht te verruimen. Hierdoor zal sneller sprake zijn van samenhangende zaken, hetgeen gevolgen heeft voor het bedrag van de vergoeding van onderscheidenlijk veroordeling in proceskosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij bezwaar of administratief beroep onderscheidenlijk beroep bij de bestuursrechter (artikelen 7:15, vierde lid, en 7:28, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 8:75, van de Awb).

De kostenveroordeling is in het Bpb op twee manieren begrensd. Artikel 1 somt limitatief op welke kostenposten onder de kostenveroordeling kunnen worden gevat. Artikel 2, eerste lid, van het Bpb geeft voorts aan hoe de hoogte van de toegewezen posten door de rechter en het bestuursorgaan wordt vastgesteld. De kostenberekening voor verlening van rechtsbijstand is uitgewerkt in de bijlage bij het Bpb, op basis een systeem van puntentoekenning voor verschillende proceshandelingen en daaraan gekoppelde waarden per punt en wegingsfactoren. (…)

De kostenvergoeding en kostenveroordeling zijn niet bedoeld als een volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten.


Toch komt het, ondanks de dubbele begrenzing, voor dat de kostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die op basis van het Bpb wordt vastgesteld, onevenredig hoog is. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan het karakter van de kostenvergoeding, zijnde een tegemoetkoming in de werkelijke kosten. Dit besluit strekt ertoe dit effect weg te nemen.’

23. Eisers betogen dat het feit dat hun gemachtigde de motivering van de beroepen heeft gebundeld en dat de rechtbank heeft besloten de beroepen tezamen op zitting te behandelen niet betekent dat de zaken samenhangend zijn. Volgens eisers zijn zaken dit alleen voor zover er niet individueel of groepsgewijs argumenten opgang doen.
De rechtbank volgt dit betoog niet. Zij is van oordeel dat in het in artikel 3, tweede lid, van het Bpb genoemde criterium ‘werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn’ besloten ligt dat de samenhang niet moet worden beoordeeld op basis van de concrete werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht, maar dat een meer abstracte toets moet worden aangelegd. Deze interpretatie ligt in de rede omdat uit de toelichting bij het wijzigingsbesluit blijkt dat de besluitgever het begrip ‘samenhangende zaken’ wenste te verruimen. De rechtbank is van oordeel dat op basis van overeenkomsten in de wijze waarop verweerder de baatbelasting in de verschillende clusters heeft opgelegd, moet worden beoordeeld of sprake is van werkzaamheden die nagenoeg identiek zijn.

23. Uitgaande van dit criterium is naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase sprake van 53 samenhangende zaken, die, gelet op artikel 3, eerste lid, van het Bpb, voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb als één zaak moeten worden aangemerkt. Het oordeel dat sprake is van 53 samenhangende zaken, is mede gebaseerd op de omstandigheid dat de primaire beschikking in alle zaken is genomen op 28 februari 2014 en dat alle zaken, uitgezonderd de zaak UTR 14/2515, gelijktijdig op de hoorzitting in bezwaar van 18 september 2014 zijn behandeld en dat in alle zaken, uitgezonderd UTR 14/2515, op

24 november 2014 een uitspraak op bezwaar is gedaan.

In de beroepsfase is naar het oordeel van de rechtbank sprake van 54 samenhangende zaken. Gemachtigde van eisers heeft één gezamenlijk beroepschrift ingediend, met daarin gebundeld de al dan niet individuele gronden. In de zaak UTR 14/2515 is een (vrijwel) gelijkluidend beroepschrift ingediend. De behandeling door de rechtbank heeft (incl. UTR 14/2515) gelijktijdig plaatsgevonden.

Dit betekent dat eisers in de bezwaar- en de beroepsfase in aanmerking komen voor een proceskostenvergoeding met toepassing van een wegingsfactor 1,5, vanwege vier of meer samenhangende zaken.

25. Ten aanzien van het gewicht van de onder rechtsoverweging 24 genoemde samenhangende zaken is de rechtbank met eisers van oordeel dat dit kan worden aangemerkt als zeer zwaar aangezien het voldoende aannemelijk is dat specifieke en vaktechnische kennis nodig is en door de gemachtigde ook is opgedaan om deze zaken adequaat te kunnen behandelen. Dit betekent dat eisers in deze zaken in aanmerking komen voor een proceskostenvergoeding met toepassing van een wegingsfactor 2.

25. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eisers met toepassing van het Bpb voor de bezwaarfase in aanmerking komen voor een vergoeding van € 1.464,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, toepassing van een wegingsfactor 1,5 en een wegingsfactor 2, waarde per punt € 244,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. In de zaak UTR 14/2515 is de rechtbank niet gebleken van in de bezwaarfase voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

27. Voor de beroepsfase komen eisers met toepassing van het Bpb in aanmerking voor een vergoeding van € 2.940,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, toepassing van een wegingsfactor 1,5 en een wegingsfactor 2, waarde per punt € 490,-).

27. De totale vergoeding met toepassing van het Bpb bedraagt derhalve € 4.404,-. De rechtbank is van oordeel dat deze kostenvergoeding, gelet op de redelijkerwijs noodzakelijke inspanningen van de gemachtigde van eisers, in dit geval onevenredig laag is. Zij overweegt daartoe dat het aantal gegronde beroepen ruim meer dan vier bedraagt en dat de behandeling ter zitting in de beroepsfase een hele dag heeft geduurd. De rechtbank ziet daarom aanleiding op de voet van artikel 2, derde lid, van het Bpb af te wijken van de met toepassing van het Bpb vastgestelde vergoeding en deze vast te stellen op € 10.000,-. Dit is dus de totale vergoeding voor de 54 samenhangende zaken die de rechtbank bij uitspraken van heden gegrond heeft verklaard. Om pragmatische redenen veroordeelt de rechtbank verweerder in deze zaak in de totale proceskosten in alle 54 samenhangende zaken. In de overige uitspraken volstaat de rechtbank met een verwijzing naar deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de zaak UTR 14/7977 en de overige in de aanhef van deze uitspraak genoemde zaken:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar van 24 november 2014;

  • -

    vernietigt de beschikking van 28 februari 2014;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Ten aanzien van alle zaken waarin het beroep gegrond is en die met mr. Maat als gemachtigde zijn behandeld op de zitting van 9 april 2015:

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaal bedrag van € 10.000,-


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. drs. P.M.J.H. Muijlaert en mr. M.E. Heinemann, leden, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Bijlage:

Zaaknummer Eiser Object

UTR 14/8035 [eiser 2] [adres], [adres] en [adres]

UTR 14/8001 [eiser 3]
UTR 14/7952 [eiser 4]
UTR 14/8037 [eiser 5]
UTR 14/7994 erven [eiser 6]
UTR 14/7992 [eiser 7]
UTR 14/8032 [eiser 8]
UTR 14/8036 [eiser 9]
UTR 14/8000 [eiser 10]
UTR 14/7991 [eiser 11]
UTR 14/7979 [eiser 12]
UTR 14/7955 [eiser 13]

UTR 14/2515 [eiser 14] [adres]