Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4849

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-07-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
16.659749-14 en 14.810541-10 (vtvv) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659749-14 en 14.810541-10 (vtvv) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 juli 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats] (Somalië),

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 17 juni 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.L.A.M. Pluymakers, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr.

J. Zeilstra en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [aangever 1] vanaf een balkon/raam op de tweede verdieping van een appartementencomplex naar beneden heeft gegooid/geduwd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

1. Subsidiair

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 1] vanaf een balkon/raam op de tweede verdieping van een appartementencomplex naar beneden heeft gegooid/geduwd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [aangever 1]

- met beide handen de keel heeft vastgepakt en/of in de keel heeft geknepen en/of

- een mes tegen de keel heeft gezet en/of (vervolgens) met dat mes in de keel heeft gesneden,

waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. primair

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met beide handen de keel van die [aangever 2] heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of (terwijl die [aangever 2] op de grond lag) meermalen tegen het hoofd heeft geschopt/ getrapt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3. Subsidiair

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te A1mere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [aangever 2]

- met beide handen de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

- (terwijl die [aangever 2] op de grond lag) meermalen tegen het hoofd, althans tegen het lichaam, heeft geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of

- een oorbel uit het oor heeft getrokken en/of

- met een mes in/tegen het lichaam is gesneden/geslagen,

waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 08 augustus 2014 te Almere, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [A] (agent politie Midden-Nederland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het overbrengen van verdachte naar een politiebureau, meermalen in/tegen diens gezicht heeft gespuugd, althans handelingen van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair):

Het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde kan niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Gelet op de verklaring van de beide aangevers, in samenhang bezien met het letsel en de verklaring van getuige [getuige 1], acht de officier van justitie de feiten 2 en 3 primair wettig en overtuigend bewezen. Dat de aangevers niet gelijkluidend verklaren over het moment waarop het mes werd gepakt door verdachte, is verklaarbaar door de heftigheid van de gebeurtenis en het drankgebruik van alle betrokkenen en doet geen afbreuk aan de bruikbaarheid van hun verklaringen als bewijsmiddel.

Ten aanzien van feit 4:

Het onder 4 tenlastegelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair):

Het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde kan niet wettig en overtuigend worden bewezen en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 gezamenlijk:

[aangever 2] en [aangever 1] verklaren over door verdachte aangewend geweld, welk geweld hij, gelet op zijn medische situatie, niet had kunnen aanwenden. Verdachte kon zijn rechterhand niet gebruiken vanwege -nadien bij hem gediagnosticeerde- ‘bullae’.

De raadsman heeft voorts gewezen op diverse tegenstrijdigheden in de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] en de dronken toestand van alle betrokkenen. Voornoemde verklaringen zijn daarom onbetrouwbaar en dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van [aangever 1] het enige bewijsmiddel is. Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit dat er geen sprake is van overtuigend bewijs.

Ten aanzien van feit 3:

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het trappen tegen het hoofd en het snijden / slaan met een mes. Het bij [aangever 2] geconstateerde letsel past niet bij haar verklaring, maar meer bij de verklaring van verdachte over de toedracht.

Verdachte had niet het opzet om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door de keel dicht te knijpen. Het letsel past niet bij het met enige tijd dichtdrukken van de keel. Met betrekking tot het schoppen tegen het hoofd blijkt onvoldoende van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient van het onder 3 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het slaan van die [aangever 2] en het trekken van een oorbel uit haar oor.

Ten aanzien van feit 4:

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank1

Ten aanzien van feit 1 (primair en subsidiair):

De rechtbank acht het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van de feiten 2 en 3:

De verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1] zijn niet gelijkluidend, hetgeen onder meer kan worden verklaard door het gebruik van alcohol kort voor het tijdstip waarop de tenlastegelegde feiten gepleegd zouden zijn. Echter, op essentiële onderdelen ondersteunen de verklaringen van die [aangever 2] en [aangever 1] elkaar. Uit beide verklaringen volgt dat verdachte de agressor is geweest en dat verdachte op enig moment een mes heeft gehad2. Dat verdachte dat mes heeft gebruikt, zoals door [aangever 2] en [aangever 1] is verklaard, wordt ondersteund door de medische gegevens betreffende het letsel van die [aangever 2] en [aangever 1]3. Verder verklaren voornoemde personen beiden dat de deur op slot zat en dat verdachte de sleutel had. Dat volgt bovendien uit de verklaring van getuige [getuige 1], die de woning op enig moment heeft kunnen verlaten met een andere sleutel4.

De rechtbank acht de verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1], gelet op het voorgaande, betrouwbaar en die verklaringen kunnen daarom voor het bewijs worden gebezigd.

Ten aanzien van feit 2:

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat verdachte met beide handen zijn keel heeft vastgepakt en dat verdachte in zijn keel heeft geknepen. Voorts heeft verdachte een mes op zijn keel gezet, waardoor hij een wond heeft opgelopen. Aangever heeft het mes vastgepakt, waardoor hij snijwonden aan zijn hand heeft bekomen.5

Dat aangever letsel heeft bekomen van het op de keel zetten van het mes en door het vastpakken en in de keel knijpen, wordt ondersteund door foto’s van het letsel.6 Op die foto’s is een kras/snee in de nek te zien en een verkleuring in de nek die passen bij de aard van de geweldshandelingen. Dat de verwondingen aan de hand veroorzaakt zijn door een mes, wordt ondersteund door hetgeen een verpleegkundige over die verwondingen heeft gezegd (pagina 78 van het dossier) en dat ondersteunt de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] dat verdachte een mes heeft gebruikt. Weliswaar heeft die [aangever 2] niets verklaard over de onder 2 tenlastegelegde handelingen, maar zij heeft wel verklaard dat verdachte –nadat verdachte die [aangever 2] bij de keel had vastgepakt – zijn woede richtte op [aangever 1] en dat hij op een gegeven moment op die [aangever 1] zat.7

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [aangever 1]. Het verweer van de raadsman dat verdachte het geweld, gelet op zijn medische situatie, niet had kunnen aanwenden, wordt weerlegd door de hiervoor opgenomen verklaringen. De medische gegevens bieden hiervoor ook geen aanknopingspunten. Hieruit blijkt niet van zodanige beperkingen aan de hand van verdachte dat hij het door de aangevers genoemde op hen op 8 augustus 2014 toegepaste geweld niet heeft kunnen aanwenden. De overige verweren van de raadsman vinden hun verwerping in de inhoud van de hiervoor omschreven bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 3 primair:

I. [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte met beide handen haar keel heeft dichtgeknepen, dat zij dacht dat zij dood ging en dat zij voelde dat zij niet kon ademhalen. Verdachte riep ‘ik vermoord jou’. Die andere man in de woning (de rechtbank begrijpt dat hiermee [aangever 1] wordt bedoeld) probeerde de handen van verdachte bij haar keel weg te krijgen, waarna verdachte zijn woede op die [aangever 1] richtte.8 Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring van die [aangever 1], die heeft verklaard dat hij zag dat verdachte die [aangever 2] bij haar nek pakte met twee handen en er in kneep.9

Voornoemde verklaringen worden bovendien ondersteund door het door verbalisant waargenomen letsel, welk letsel onder meer bestond uit rode verkleuringen in de nek. Die verkleuringen zijn op de foto’s in het dossier te zien.10

Gelet op het letsel, zoals zichtbaar is op de foto’s die zich in het dossier bevinden, heeft verdachte met kracht geknepen in de keel/nek.

Door [aangever 2] met twee handen bij de keel te grijpen en vervolgens met twee handen met kracht in haar keel te knijpen ontstond de aanmerkelijke kans dat die [aangever 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Laatstgenoemde heeft verdachte horen roepen dat hij haar zou vermoorden, maar – mede omdat verdachte zich op dat punt niets meer kan herinneren – blijft de bedoeling die verdachte met dit geweld had schimmig. Door aldus te handelen heeft verdachte echter op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 2] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Door het ingrijpen van [aangever 1] werd het knijpen in de keel gestopt en kon het intreden van een dergelijk gevolg worden voorkomen.

De rechtbank acht weliswaar bewezen dat verdachte tegen het hoofd van die [aangever 2] heeft geschopt, maar niet dat die handeling heeft bijgedragen aan de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu de toedracht van het schoppen tegen het hoofd onvoldoende duidelijk uit het dossier volgt.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel van [aangever 2]. De overige verweren van de raadsman vinden hun verwerping in de inhoud van de hiervoor omschreven bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op het proces-verbaal van bevindingen (waarin de omstandigheden omtrent de aanhouding van verdachte worden omschreven)11 en de bekennende verklaring van verdachte.12

Nu verdachte ter terechtzitting van 27 mei 2015 een volledig bekennende verklaring heeft afgelegd, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van voornoemde bewijsmiddelen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

2.

hij op 08 augustus 2014 te Almere opzettelijk mishandelend [aangever 1]

- met beide handen de keel heeft vastgepakt en in de keel heeft geknepen en

- een mes tegen de keel heeft gezet,

waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3. primair

hij op 08 augustus 2014 te Almere, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met beide handen de keel van die [aangever 2] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

hij op 08 augustus 2014 te Almere, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [A] (agent politie Midden-Nederland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het overbrengen van verdachte naar een politiebureau, meermalen in diens gezicht heeft gespuugd;

Van het onder 2, 3 primair en 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 3:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 4:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

7 STRAFBAARHEID

De raadsman heeft een beroep op noodweer gedaan. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Die noodzakelijk verdediging volgt immers alleen uit de verklaring van verdachte, terwijl - zoals hiervoor reeds aangeven is - uit de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2] af te leiden is dat verdachte jegens hen geweld gebruikt heeft waartegen zij zich moesten verdedigen.

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf primair verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, de voorlopige hechtenis op te heffen en over te gaan tot onmiddellijke invrijheidstelling bij vonnis.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een poging tot zware mishandeling, waarbij verdachte fors geweld heeft toegepast tegen een tweetal personen in de woning van één van die twee personen waar hij te gast was. Verdachte heeft daarbij bovendien een mes gebruikt waardoor verwondingen zijn ontstaan. Dit moet voor de slachtoffers een zeer angstige situatie zijn geweest. Eén van de slachtoffers is de woning uit gevlucht en heeft zich kennelijk via het balkon laten vallen van de tweede verdieping. Geweldsdelicten als de onderhavige maken een grove inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit van hen die daarvan het slachtoffer worden. Naast de angst en het leed die dergelijke feiten toebrengen aan slachtoffers, vormen die feiten tevens een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken deze gevoelens van onrust en onveiligheid.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor geweldsdelicten en delicten met een geweldscomponent;

- een (dubbel) Pro Justitia rapport betreffende een psychiatrisch onderzoek, opgemaakt door psychiater D.C.W.H. Naus d.d. 16 november 2014 en een psychologisch onderzoek, opgemaakt door gz-psycholoog R. Bout d.d. 24 november 2014. Beide deskundigen hebben geconcludeerd dat er sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van alcoholmisbruik en cannabisafhankelijkheid. Verdachte weigerde na het eerste gesprek bij de psychiater verder mee te werken. Verdachte heeft wel meegewerkt aan het onderzoek bij de psycholoog, maar de informatie die hij heeft gegeven komt niet overeen met informatie die hij in het verleden aan anderen, zoals zijn behandelaren, heeft gegeven. Hierdoor is er te weinig zicht verkregen op de al dan niet aanwezige pathologie;

- een Reclasseringsadvies, opgemaakt door Tactus Verslavingszorg d.d. 24 november 2014;

- een rapport van het NIFP d.d. 27 mei 2015 naar aanleiding van een observatie in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek grotendeels geweigerd. Er is onvoldoende duidelijkheid ontstaan over de psychische conditie van verdachte door het gebrek aan medewerking en de onduidelijkheid over zijn levensgeschiedenis.

Gelet op het gebrek aan openheid aan de zijde van verdachte kunnen diverse voorliggende vragen met betrekking tot zijn persoonlijkheid en de mate waarin de strafbare feiten aan hem kunnen worden toegerekend, niet worden beantwoord.

De rechtbank acht het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op de aard en de ernst van de feiten en gelet op het strafblad van verdachte, op zijn plaats. De rechtbank is echter wel van oordeel dat verdachte op het moment dat het vonnis wordt gewezen zijn straf voor onderhavige bewezenverklaarde feiten reeds heeft uitgezeten. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis op het moment van de uitspraak van dit vonnis op 1 juli 2015.

10 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [aangever 1] – daartoe vertegenwoordigd door mr. A. Wijsman-van Veen – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.696,84.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de vordering van de benadeelde partij met name is gestoeld op de val van het balkon, hetgeen ziet op hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd. Verdachte is echter integraal vrijgesproken van hetgeen hem onder 1 ten laste is gelegd. Het vaststellen van de schade die is ontstaan ten gevolge van hetgeen de rechtbank onder 2 bewezen heeft verklaard, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

11 DE VORDERING TENUITVOERLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen. Het is niet proportioneel om verdachte nog zes maanden in detentie te laten zitten, alvorens hij de vreemdelingenbewaring ingaat. Verdachte wil terugkeren naar Somalië. De raadsman heeft de rechtbank verzocht coulant te zijn in deze.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande en het in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht gestelde acht de rechtbank termen aanwezig de vordering tot tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer van de rechtbank Alkmaar bij vonnis d.d. 26 april 2011 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes maanden toe te wijzen.

12 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14g, 14h, 14i, 14j, 27, 45, 57, 266, 267, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen onder 1 (primair en subsidiair) aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar, zodanig als hierboven onder 6 is gekwalificeerd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 327 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [aangever 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 14.810541-10 door de meervoudige kamer van de rechtbank Alkmaar bij vonnis d.d. 26 april 2011 voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van

6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. B. Fijnheer en

K.G. van de Streek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J. Laanstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2014217929, doorgenummerd 1 tot en met 234.

2 Pagina 35 tot en met 37 en 91

3 Pagina 94, 95, 132 en 137

4 Pagina 175

5 Pagina 91, de eerste alinea.

6 Pagina 95, foto nummer 4. Pagina 97, foto nummer 9.

7 Pagina

8 Pagina 35, de laatste alinea. Pagina 37, de tweede alinea. Pagina 38, de tweede alinea.

9 Pagina 91, de eerste alinea.

10 Pagina 121, de derde alinea. Pagina’s 128-129 (foto’s).

11 Pagina 65, alinea’s 10, 11, 13-15.

12 De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 17 juni 2015.