Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4842

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-07-2015
Zaaknummer
UTR 15/2387
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening tegen verleende ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet voor werkzaamheden bij Fort Uitermeer te Weesp afgewezen.

Voorlopige voorzieningenprocedure leent zich naar haar aard niet voor een grondige waardering van de bewijskracht van de in deze procedure overgelegde ecologische rapporten. Daarvoor is plaats in de bodemprocedure, die gepland staat op de MK van 10 september aanstaande. Voor de ter zitting besproken werkzaamheden waarvoor ontheffing is verleend en die op korte termijn uitgevoerd zullen worden, bestaat gelet op de aard en beperkte omvang daarvan geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/2387

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Flora & Faunabescherming Weesp, te Weesp, verzoekster,

(gemachtigden: C.T. de Graaf en B. de Graaf-Both),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. den Haan).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Uiteraard Uitermeer, te Weesp,

(gemachtigde: A.J.R. Roosken).

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2015, kenmerk FF/75C/2014/0472 (het bestreden besluit), heeft verweerder aan Stichting Uiteraard Uitermeer een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (Ffw) verleend.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij faxbericht van 20 mei 2015 heeft Stichting Uiteraard Uitermeer de voorzieningenrechter bericht welke in het Activiteitenplan Herinrichting Fort Uitermeer (Activiteitenplan) genoemde werkzaamheden wel en welke werkzaamheden niet zullen worden opgepakt.

Bij brief van 10 juni 2015 heeft verzoekster gronden ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Namens verzoekster zijn haar gemachtigden verschenen, vergezeld van [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens derde-partij is haar gemachtigde verschenen, vergezeld van [B], [C] en [D].

Overwegingen

1.1.

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Fort Uitermeer en het omliggende terrein worden heringericht met als doel het fort toegankelijk en bruikbaar te maken voor een breder publiek met behoud van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden en met behoud van het militaire karakter. Het Fort Uitermeer is onder meer gelegen nabij het Naardermeer en de rivier de Vecht en grenst aan Natura 2000-gebied en de Ecologische Hoofdstructuur.

De ontwikkeling van Fort Uitermeer en directe omgeving is bij de actualisatie van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Weesp” positief bestemd.

1.3.

De Stichting Uiteraard Uitermeer heeft een inrichtingsplan opgesteld, op grond waarvan aan haar de herontwikkeling door de provincie Noord-Holland en het recreatieschap Noord-Holland is gegund. Het plan voorziet onder meer in de realisatie van een restaurant, congresruimte, een openluchttheater, een informatiecentrum, een beheerderswoning, bed & breakfast, groepsaccommodatie, aanlegsteiger, parkeergelegenheid en een sloepenhaven.

Een deel van deze plannen is reeds, al dan niet in tijdelijke vorm, gerealiseerd, waartoe ook werkzaamheden hebben plaatsgevonden. In 2006 heeft een grootschalige kap van bomen rondom het fort door de provincie Noord-Holland plaatsgevonden. De werkzaamheden worden door de Stichting Uiteraard Uitermeer gefaseerd uitgevoerd, waartoe het bijeenkrijgen van de telkens benodigde financiering leidend is.

1.4.

Verzoekster heeft verweerder bij brief van 1 oktober 2013 verzocht om handhavend op te treden tegen de voorgenomen werkzaamheden op en rond Fort Uitermeer in verband met dreigende overtredingen van verbodsbepalingen uit de Ffw. Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 27 november 2013 afgewezen en daartoe overwogen dat geen sprake is van overtreding van de Ffw. Bij besluit van 16 april 2014 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/3158 en het verzoek om voorlopige voorziening onder zaaknummer UTR 14/3845.

1.5.

Bij uitspraak van 21 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter in de zaak UTR 14/3845 een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat door of in opdracht van Stichting Uiteraard Uitermeer geen werkzaamheden (waaronder ook voorbereidende werkzaamheden moeten worden begrepen) mogen plaatsvinden ter realisering van het parkeerterrein op het “restpoldertje” en de sloepenhaven totdat de rechtbank op het beroep dat is geregistreerd onder zaaknummer UTR 14/3158 heeft beslist. Dit beroep staat gepland op de zitting van de meervoudige kamer van 10 september 2015.

1.6.

Op 18 november 2014 heeft Stichting Uiteraard Uitermeer op grond van de Ffw bij verweerder een ontheffing gevraagd van de verbodsbepalingen uit artikel 11 van de Ffw (beschadiging, vernieling en verstoring van nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen) voor exemplaren van de baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de waterspitsmuis, de watervleermuis, de heikikker, de ringslang, de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad.

De ontheffing heeft betrekking op de volgende werkzaamheden:

(1) het verplaatsen van de parkeerplaats buiten het fortterrein;

(2) de aanleg van een sloepenhaven in het zuidwestelijk deel van de buitengracht;

(3) het verbouwen en amoveren van plofhuisjes;

(4) het behoud en versterken van het bestaande vleermuizen biotoop inclusief aanwezige voortplantings- of vast rust- of verblijfplaatsen;

(5) het herstellen van de oorspronkelijke fortificatie met integratie van een restaurant en realisatie van een congresruimte;

(6) het inrichten van natuurvriendelijke oevers van de buitengracht;

(7) het opruimen van aanwezig puin;

(8) het aanpassen van de verlichting op het terrein.

De ontheffing is aangevraagd op grond van het belang: “dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.”

1.7.

Verweerder heeft in het primaire besluit ontheffing verleend van de in artikel 11 van de Ffw opgenomen verboden voor de baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de waterspitsmuis, de watervleermuis, de heikikker, de bittervoorn, de grote modderkruiper, de kleine modderkruiper en de rivierdonderpad. Verweerder heeft de aanvraag om ontheffing van de in artikel 11 van de Ffw neergelegde verbodsbepalingen wat betreft de ringslang afgewezen.

2. Verzoekster vreest dat Stichting Uiteraard Uitermeer, nu de ontheffing is verkregen en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2014 alleen op de sloepenhaven en het parkeerterrein betrekking heeft, binnenkort zal starten met de overige werkzaamheden genoemd in de ontheffing en met andere werkzaamheden op het terrein waarvoor geen ontheffing is verleend terwijl dat volgens verzoekster wel is vereist.

Ter zitting heeft Stichting Uiteraard Uitermeer desgevraagd toegelicht dat zij voor de zitting van de meervoudige kamer van 10 september 2015 wil beginnen met het verbouwen van één van de plofhuisjes tot cultuurhuis, het amoveren van het dak van het plofhuisje dat ook wel wordt aangeduid als “het manschappenverblijf”, het opruimen van het op het perceel aanwezige puin en tot slot het weghalen van een straatlamp bij plofhuisje 9. Tevens wil zij werkzaamheden verrichten die vallen onder het normale beheer en onderhoud van het terrein.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij haar verzoek om voorlopige voorziening.

3. Verzoekster voert in de kern aan dat de werkzaamheden van Stichting Uiteraard Uitermeer zullen leiden tot overtreding van de Ffw. Voor een deel van deze werkzaamheden is geen ontheffing verleend, terwijl dat wel had gemoeten. Voor de werkzaamheden waarvoor wel ontheffing is verleend, is dat volgens verzoekster ten onrechte gebeurd. In dat verband betoogt verzoekster dat de beoordeling van de werkzaamheden door verweerder gebrekkig is en dat er geen afdoend en gebiedsdekkend onderzoek naar de beschermde dier- en plantensoorten op en rond het fortterrein is gedaan. Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op de zich in het dossier bevindende rapportages van [naam] & [A] en Stichting RAVON.

4.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarfase in beginsel alleen dan aanleiding is wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven en de betrokken belangen het treffen van een voorlopige maatregel vereisen. Dat laatste kan onder meer het geval zijn wanneer het niet treffen van een voorziening tot een mogelijk onomkeerbare situatie leidt dan wel anderszins verstrekkende gevolgen heeft of kan hebben die moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

4.2.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven niet te zullen instemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter in de onderhavige procedure, zoals verzoekster in haar bezwaarschrift gericht tegen de verleende ontheffing heeft verzocht. Verweerder wil een besluit op het bezwaar van verzoekster nemen. Vervolgens is met partijen de mogelijkheid besproken om het eventuele beroep tegen het door verweerder te nemen besluit op bezwaar te behandelen ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 10 september aanstaande. Partijen hebben daarmee ingestemd. Verweerder heeft toegezegd binnen zes weken na de zitting in deze voorlopige voorzieningenprocedure een besluit op bezwaar te nemen. Verzoekster heeft dan voldoende tijd om desgewenst een beroepschrift in te dienen tegen het besluit om bezwaar.

4.3.

De voorzieningenrechter merkt op dat de onderhavige voorzieningenprocedure zich naar haar aard niet leent voor een grondige waardering van de bewijskracht van de door verzoekster en verweerder overgelegde rapporten. Daarvoor is plaats in de bodemprocedure. Gelet op hetgeen onder 4.1. en 4.2. is overwogen, zal de voorzieningenrechter zich in deze uitspraak beperken tot de vraag of de betrokken belangen het treffen van een voorlopige maatregel vereisen. Concreet betekent dit dat de voorzieningenrechter zal beoordelen of de door de Stichting Uiteraard Uitermeer genoemde en onder rechtsoverweging 2 weergegeven, op korte termijn, uit te voeren werkzaamheden en de daartegen door verzoekster ter zitting aangevoerde gronden aanleiding geven tot het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Op grond van artikel 11 van de Ffw is het verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

Op grond van artikel 75, derde lid, van de Ffw kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a.

Op grond van het vijfde lid worden ontheffingen slechts verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Op grond van het zesde lid, onderdeel c, worden onverminderd het vijfde lid, voor soorten genoemd in bijlage IV van de Habitatrichtlijn, voor soorten vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, en voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen beschermde inheemse dier- of plantensoorten vrijstelling of ontheffing slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op andere, bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen, belangen.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (het Vrijstellingsbesluit), zijn als beschermde inheemse dier- en plantensoorten als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, van de wet aangewezen de dier- en plantensoorten, genoemd in bijlage 1 bij dit besluit.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder e, zijn als andere belangen als bedoeld in artikel 75, vijfde (lees: zesde) lid, onderdeel c, van de wet aangewezen dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.

6.1.

Ter zitting heeft Stichting Uiteraard Uitermeer aan de hand van een luchtfoto en foto’s toegelicht dat het plofhuisje van 10 bij 10 meter dat in het midden van het terrein is gelegen wordt omgebouwd tot een cultuurhuis. De concrete werkzaamheden die zullen worden uitgevoerd, bestaan uit het vervangen van de op de foto zichtbare rechterdeur in een oorspronkelijke deur vergelijkbaar met de deur die links op de foto zichtbaar is, het repareren van de lekkage van het dak ter hoogte van de op de foto zichtbare rechter regenpijp en het verwijderen van de bedrading aan de buitenkant van het huisje. Ten aanzien van het plofhuisje dat ook wel wordt aangeduid als “het manschappenverblijf” heeft Stichting Uiteraard Uitermeer aan de hand van een luchtfoto en foto’s toegelicht dat dit manschappenverblijf een nieuw dak nodig heeft. Het oude mastiek zal worden verwijderd en er zal nieuw mastiek op het dak worden gelegd. Ten aanzien van het puin heeft Stichting Uiteraard Uitermeer ter zitting toegelicht dat op drie of vier plekken op het terrein resten puin liggen van werkzaamheden die in 2006 door de provincie Noord-Holland zijn verricht. Ten aanzien van het aanpassen van de verlichting op het terrein heeft Stichting Uiteraard Uitermeer ter zitting toegelicht dat de aanwezige straatlamp op plofhuisje 9 zal worden verwijderd, juist ten behoeve van de vleermuizen.

6.2.

De heer [A] ([naam] & [A] B.V.) heeft ter zitting namens verzoekster betoogd dat vleermuizen het plofhuisje en het manschappenverblijf mogelijk als paarverblijf gebruiken. Ringslangen gebruiken het plofhuisje en het manschappenverblijf mogelijk als winterverblijf. De heer [A] heeft ter zitting namens verzoekster toegelicht dat in de hopen puin mogelijk broeinesten en winterverblijven van de ringslang zitten. De tweede helft van september is volgens hem de beste periode om die hopen puin op te ruimen. Met betrekking tot de verlichting heeft verzoekster ter zitting aangevoerd dat er sinds 2013 op het gehele fortterrein sprake is van zeer felle verlichting. Alle verlichting, ook de zogenoemde amber verlichting, is slecht voor vleermuizen. Dit geldt volgens verzoekster ook voor de uilen en broedvolgels in het gebied.

6.3.

Namens de Stichting Uiteraard Uitermeer heeft de heer [B] (adviseur ecologie en natuurwetgeving bij Arcadis) ter zitting toegelicht dat het plofhuisje feitelijk niet geschikt is als paarverblijf voor vleermuizen, omdat het huisje geen holtes bevat, geen spouw, maar een enkelwandige muur heeft en bovendien hermetisch is afgesloten. Het plofhuisje is evenmin geschikt als winterverblijf voor ringslagen, omdat het geen kelder heeft, een kale betonnen vloer heeft en helemaal leeg is. Met betrekking tot het manschappenverblijf is namens de Stichting Uiteraard Uitermeer toegelicht dat als het dak nu niet wordt vervangen, het manschappenverblijf binnenkort zal instorten. Daar komt bij dat het mastiek 1,5 jaar moet drogen. Als de renovatie van het dak gereed is, is het manschappenverblijf meer geschikt voor vleermuizen. Stichting Uiteraard Uitermeer heeft ter zitting verklaard bereid te zijn om de hopen puin niet eerder dan half september 2015 op te ruimen en dit bovendien in aanwezigheid van een ecoloog te doen.

6.4.

Gelet op de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden aan het plofhuisje en het manschappenverblijf en de op het perceel andere aanwezige plofhuisjes ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat deze werkzaamheden zullen leiden tot afbreuk aan een gunstige staat van instandhouding van de door verzoekster genoemde vleermuizen als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, van de Ffw. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat niet aannemelijk is dat met de werkzaamheden aan het plofhuisje en het manschappenverblijf overtreding van de Ffw zal plaatsvinden voor zover het gaat om bescherming van de ringslang. Verzoekster heeft het standpunt van de Stichting Uiteraard Uitermeer dat deze plaatsen feitelijk ongeschikt zijn voor overwintering van ringslang onvoldoende gemotiveerd weersproken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van deze werkzaamheden. Met betrekking tot het puin gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat Stichting Uiteraard Uitermeer niet voor half september 2015 zal starten met het weghalen van de drie of vier hopen puin op het perceel en dat dit bovendien in aanwezigheid van een ecoloog zal gebeuren. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om ten aanzien van deze werkzaamheden een voorlopige voorziening te treffen. Dit geldt ook voor de weg te halen lamp aan plofhuisje met nummer 9. De voorzieningenrechter ziet niet in dat het verwijderen van een straatlamp nadelige gevolgen kan hebben voor vleermuizen, uilen en broedvogels.

6.5.

Met betrekking tot de werkzaamheden die kwalificeren als normaal beheer en onderhoud stelt de voorzieningenrechter vast dat hiervoor geen ontheffing is verleend. Hier is ook niet om verzocht. Nu deze werkzaamheden niet binnen de reikwijdte van het bestreden besluit vallen, kan de voorzieningenrechter om die reden ten aanzien van deze werkzaamheden geen voorlopige voorziening treffen, nog daargelaten of daartoe aanleiding bestaat. Gelet hierop is er ook ten aanzien van deze werkzaamheden geen reden om een voorlopige voorziening te treffen.

7.1.

Verzoekster is van mening dat er in dit geval geen sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit. Het werkgelegenheidsbelang is niet kenbaar afgewogen tegen het belang van het behoud van het leefgebied van – in dit geval – de groene glazenmaker en de waterspitsmuis. Het aantal arbeidsplaatsen (8) kan volgens verzoekster niet worden aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) blijkt dat dit pas bij een aantal van 76 FTE het geval is. Dit geldt overigens ook voor de uitbreiding van het restaurant, het realiseren van een bed & breakfast en het realiseren van een congrescentrum.

7.2.

Indien artikel 11 van de Ffw wordt overtreden, vloeit, zoals de ABRvS eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 13 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3701), uit artikel 75 van de Ffw voort dat bij de beoordeling of ontheffing kan worden verleend, een dwingend en beperkt beoordelingskader wordt gehanteerd. Ontheffing kan slechts worden verleend indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de betrokken soort. Voor de soorten genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, voor alle van nature op het Europese grondgebied voorkomende vogels en voor soorten genoemd in bijlage 1 bij het Vrijstellingsbesluit geldt als aanvullende voorwaarde dat ontheffing slechts kan worden verleend, indien geen andere bevredigende oplossing bestaat met het oog op de in artikel 75 van de Ffw en in het krachtens die bepaling vastgestelde Vrijstellingsbesluit nader aangeduide belangen.

7.3.

De baardvleermuis, de gewone grootoorvleermuis, de watervleermuis en de heikikker zijn opgenomen in bijlage IV, onder a, van de Habitatrichtlijn. De waterspitsmuis, de ringslang, de bittervoorn en de grote modderkruiper zijn opgenomen in bijlage I bij het Vrijstellingsbesluit. Gelet hierop heeft verweerder de aanvraag beoordeeld met in achtneming van artikel 75, zesde lid, van de Ffw in samenhang met artikel 2, derde lid, onder e, van het Vrijstellingsbesluit. In dit verband heeft verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Stichting Uiteraard Uitermeer heeft aangetoond dat geen bevredigend alternatief voor het project voorhanden is en een groot openbaar belang bestaat om het project te realiseren.

7.4.

Nu de Stichting Uiteraard Uitermeer ter zitting heeft toegezegd zich te zullen beperken tot de onder 2 genoemde werkzaamheden waarvoor ontheffing is verleend en nu het voor deze werkzaamheden niet nodig is een ordemaatregel te treffen, ziet de voorzieningenrechter nu geen aanleiding om inhoudelijk op dit argument van verzoekster in te gaan. Dit punt leent zich meer voor een inhoudelijke bespreking in een eventuele bodemprocedure. Verweerder zal zich over dit argument van verzoekster moeten uitlaten in het besluit op bezwaar.

8. Gelet op hetgeen de voorzieningenrechter onder 6.4., 6.5, en 7.4. heeft overwogen, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S. Lanshage, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.