Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4769

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-06-2015
Datum publicatie
29-06-2015
Zaaknummer
16.659922-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het slachtoffer is opgewacht bij zijn woning, in het gezicht is gespoten met traangas en meermalen met kracht is geschopt en geslagen, ook terwijl hij op de grond lag nadat hij ten val was gekomen. Daarbij komt dat het incident zich op de openbare weg heeft afgespeeld en dat meerdere buurtbewoners hiervan getuige zijn geweest. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt hoezeer het handelen van verdachte en zijn mededaders van invloed is geweest op het welbevinden, de bewegingsvrijheid en de persoonlijke ontwikkeling van het slachtoffer. Daarnaast heeft het slachtoffer behoorlijk letsel opgelopen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.659922-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in op [1980] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats], [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 juni 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.P.J. van der Meij, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 september 2014 te Hilversum, ter uitvoering van het

door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid

te beroven en/of beroofd te houden, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

hebbende en/of zijnde hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] vast gepakt en/of vast gehouden en/of (aldus) meegetrokken (in de

richting van een personenauto), en/of

- en hand op de mond en/of neus van die [slachtoffer] gedrukt en/of gedrukt gehouden,

en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd en/of

het lichaam geslagen en/of gestompt, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (ook nadat hij ten val was gekomen, althans

op de grond lag) tegen zijn hoofd en/of zijn lichaam geschopt en/of getrapt en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd, zakelijk weergegeven, dat hij de auto in moest,

althans woorden van soortgelijke strekking, en/of

- een bijtend(e) en/of irriterend(e) gas / vloeistof in het gezicht van die

[slachtoffer] gespoten, en/of

- vervolgens geprobeerd die [slachtoffer] in een personenauto te duwen,

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte en de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4]. Daarnaast wordt de aangifte ondersteund door de letselverklaring, het aantreffen van het busje traangas, het aantreffen van de sleutelbos van aangever in de auto waarmee de verdachte en de medeverdachten ter plaatse kwamen en het aantreffen van het bloed van aangever boven het portier van de auto.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving en daarmee ook niet dat verdachte voornemen daartoe had. Er kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever en de in het dossier aanwezige verklaringen van de broer en de vader van aangever zijn uit dezelfde bron afkomstig. Daarnaast is er voldoende tijd geweest om de verklaringen op elkaar af te stemmen.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

In het dossier bevindt zich een aangifte van [slachtoffer], wonende te Hilversum. Hij verklaarde bij de politie onder meer het volgende:

“Op woensdag 17 september 2014, omstreeks 00.10 uur, ging ik weg bij een

jongerenmoskee ontmoetingscentrum om naar huis te gaan. (...) Toen ik terug liep naar huis hoorde ik een stem zeggen “he he”. Ik draaide mij om en zag twee mannen mijn kant oplopen. Ik zag dat één van de mannen groot was en de andere man erg dun. De grote man was de grootste van de drie. Ik noem hem vanaf nu dader 1. De man die erg dun was noem ik vanaf nu dader 2. (…)

Plotseling zag en voelde ik dat de mannen mij vastpakten. Dat waren zowel dader 1 als

dader 2. Ik voelde dat dader 1 mij bij mijn jas vastpakte en dader 2 zijn handen voor

mijn mond en ogen hield. Hierbij kneep hij mijn neus dicht waardoor adem halen

moeilijk ging. Ik zag dat de mannen mij richting een auto voortbewogen. Ik voelde dat

de mannen mijn sloegen en schopten. Ik voelde pijn, maar ik had zoveel adrenaline dat

ik tegenstribbelde en de pijn niet voelde. 2 (…)

Ik zag dat ze mij steeds dichter bij een grijze Alfa Romeo kregen. Ik hoorde dat ze zeiden dat ik de auto in moest. Al die tijd had dader 1 zijn hand op mijn mond om te voorkomen dat

iemand mij zou horen roepen. (…)

Ik zag dat een deur van de Alfa Romeo openging. Ik zag dat dit aan de bestuurderszijde was. Ik zag een klein mannetje uit de auto stappen, ik noem hem dader 3, en deur achter de bestuurdersdeur opendeed. Ik voelde nog steeds overal klappen en schoppen. Ze sloegen me meerdere malen met gebalde de vuisten op mijn kaak. Alles met de bedoeling mij zo snel mogelijk de auto in te krijgen. Ik heb nogmaals meerdere malen geschreeuwd ‘Help, bel de politie’. Ik was toen al bij de grijze Alfa Romeo aangekomen. Ik zag alle drie de mannen om mij heen staan. Ik zag dat dader 3 een busje in zijn handen had. Hij spoot in mijn gezicht en ik voelde een bijtende spray in mijn gezicht komen. (…) Ik stribbelde tegen. Ik heb mij aan de bovenkant van de deurstijl van de grijze Alfa Romeo vastgepakt. Mijn voeten stonden tegen de onderzijde aan. Ik heb mezelf echt tegengehouden om te voorkomen dat ik in de auto zou terecht komen. Ik voelde en zag dat er op mij handen werd geslagen door dader 1. Ik zag en voelde dat dader 2 op mijn hoofd sloeg. Dader 3 sloeg me op de zijkant van mijn gezicht. Ondertussen kreeg ik ook diverse trappen. Ze wilde me van de auto aftrekken maar ik verzette me hevig. Ik hoorde ze schreeuwen “in de auto, in de auto”.

Ik heb mij op een gegeven moment kunnen losrukken. Hierop kreeg ik weer klappen van

alle drie de daders en kwam ik uiteindelijk ten val achter de auto, ter hoogte van de

achterklep. Ik voelde dat ze mij omhoog wilden trekken. Ik heb mij hierop aan de

stoeprand vastgepakt. Ik voelde en zag dat ze mij een zogenaamde voetbal trap gaven.

Daarmee bedoel ik dat er met de punt van de schoenen met volle kracht tegen mijn

hoofd werd getrapt. Dat werd gedaan door dader 3. Ik voelde dat hij me aan de

linkerkant van mijn hoofd trapte. Ik zag en voelde dat dader 2 mij aan de rechterkant

van mijn hoofd raakte. Uiteindelijk trapten en stampten alle drie de daders mij tegen

mijn hoofd. Ik heb mijn handen en armen voor mijn hoofd gedaan om me te beschermen.

Ondertussen bleef ik om hulp roepen. Ik voelde en zag dat dader 3 mij aan mijn voeten

naar achteren en omhoog probeerde te trekken, nog steeds met de bedoeling mij in de

auto te krijgen. (...) Toen de auto wegreed heb ik het kenteken van de auto gelezen en direct doorgegeven aan mijn broer die de politie aan de telefoon had. Het kenteken was de [kenteken]. 3 (...)

Ik zag tussen de twee politiewagens een grijze Alfa Romeo staan, voorzien van kenteken

[kenteken]. Ik zag drie mannen bij de politiewagens en de Alfa Romeo staan. Ik stond op een afstand van ongeveer 5 meter. Ik herkende de drie mannen voor de volle 100%, als zijnde de mannen die mij probeerden te ontvoeren en mij hebben mishandeld. Ik zag dat dader 3 ter hoogte van de bestuurderskant stond, dader 2 stond links van hem en dader 1 daar weer naast.” 4

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie onder meer het volgende:

“Omstreeks 00.30 uur op woensdag 17 september 2014, werd ik door mijn zoon, [getuige 2]

gewekt. (…) Ik was gelijk wakker en hoorde van buiten, ongeveer voor de woning, mijn zoon

[slachtoffer] roepen: ”Help, help ze willen me ontvoeren”. (...) Vervolgens zag ik dat mijn zoon op ongeveer 20 meter van de voordeur af, op de grond lag. Ik zag ook een personenauto bij de 2 mannen en mijn zoon staan. (...) Ik zag een manspersoon achter het stuur zitten.

Mijn zoon lag op de stoep, naast deze auto. 5 Ik zag dat 2 mannen hem schoppen. Ik zag dat een van de mannen een busje in zijn hand had. Later zag ik dit busje op de grond liggen en zag ik dat het pepperspray was. Ik zag dat er dus een auto te hoogte van mijn zoon en de mannen stond en de mannen mijn zoon probeerden in de auto te duwen en te schoppen.” 6

[getuige 3] werd als getuige gehoord en verklaarde bij de politie onder meer het volgende:

“U vraagt mij naar dinsdagavond 16 september 2014.

Ik was die avond thuis. Omstreeks 23.30 a 23.45 uur ging ik naar boven 7 (…)

Het volgende moment hoorde ik hard geschreeuw buiten. Ik keek weer uit

mijn raam en zag en hoorde dat de motor van de Alfa Romeo was gestart. Ik zag twee

jongens die probeerden een derde jongen in de auto te duwen. Ik zag dat de

achterdeur aan de bestuurderskant open stond. In de opening van de deur stond een

jongen die zich probeerde te verzetten om in de auto geduwd te worden. Ik zag twee

jongens die hem probeerden de auto in te duwen. (…) Ze duwden hem echt. De jongen had zich vast aan de auto en riep constant “laat me los, help me!” 8

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte en de medeverdachten hebben gepoogd om aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangifte wordt verder ondersteund door het aantreffen van het traangas ter plaatse en door het aantreffen van aangevers bloed op de dakstijl boven het linker portier van de Alfa Romeo.9

De rechtbank is van oordeel dat in de uiterlijke verschijningsvorm van het proberen te duwen van aangever in de auto, waarover niet alleen door aangever en getuige [getuige 1], maar ook door getuige [getuige 3] nadrukkelijk is verklaard, zowel het opzet op als een begin van uitvoering van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan worden gezien.

Het ten laste gelegde kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 17 september 2014 te Hilversum, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

hebbende en/of zijnde hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] vast gepakt en vast gehouden en (aldus) meegetrokken in de richting van een personenauto, en

- een hand op de mond en neus van die [slachtoffer] gedrukt en gedrukt gehouden, en

- die [slachtoffer] meermalen, met kracht tegen het hoofd en het lichaam geslagen en gestompt, en

- die [slachtoffer] meermalen, ook nadat hij ten val was gekomen, tegen zijn hoofd en zijn lichaam geschopt en getrapt en

- tegen die [slachtoffer] gezegd, zakelijk weergegeven, dat hij de auto in moest en

- een bijtende vloeistof in het gezicht van die [slachtoffer] gespoten, en

- vervolgens geprobeerd die [slachtoffer] in een personenauto te duwen,

zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

De rechtbank verbetert bij de bewezenverklaring in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Medeplegen van poging tot het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod ten aanzien van aangever en zijn familie.

Daarnaast heeft de officier van justitie de gevangenhouding van verdachte gevorderd met schorsing van de voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden zoals deze door de rechter-commissaris zijn bevolen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een eventueel op te leggen straf verzocht om rekening te houden met het feit dat het om een poging van een strafbaar feit gaat en om niet tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf over te gaan nu verdachte voor zijn baan een verklaring omtrent gedrag nodig heeft.

De raadsman heeft verzocht de vordering gevangenhouding af te wijzen en de geschorste voorlopige hechtenis op te heffen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het slachtoffer is opgewacht bij zijn woning, in het gezicht is gespoten met traangas en meermalen met kracht is geschopt en geslagen, ook terwijl hij op de grond lag nadat hij ten val was gekomen. Daarbij komt dat het incident zich op de openbare weg heeft afgespeeld en dat meerdere buurtbewoners hiervan getuige zijn geweest. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt hoezeer het handelen van verdachte en zijn mededaders van invloed is geweest op het welbevinden, de bewegingsvrijheid en de persoonlijke ontwikkeling van het slachtoffer. Daarnaast heeft het slachtoffer behoorlijk letsel opgelopen. De rechtbank rekent verdachte dit alles ernstig aan.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het uittreksel uit het justitieel documentatieregister betreffende verdachte

d.d. 30 april 2015 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Alles afwegende acht de rechtbank de oplegging noodzakelijk van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod ten aanzien van aangever en diens familie. Nu tot deze voorwaarden niet de oplegging van een reclasseringstoezicht behoort, zal het meewerken aan een reclasseringstoezicht ook niet als algemene voorwaarde worden opgelegd.

De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om de vordering tot gevangenhouding van verdachte toe te wijzen en zal de geschorste voorlopige hechtenis opheffen.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] – daartoe vertegenwoordigd door

mr. Y. Moszkowicz – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 15.937,42, bestaande uit € 1.474,42 aan materiële schade en € 14.463,- aan immateriële schade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 944,59. Hierbij is rekening gehouden met een afschrijvingspercentage ten aanzien van de jas en de schoenen en is het gevorderde bedrag voor de telefoonkosten gematigd. De immateriële schade dient volgens de officier van justitie te worden toegewezen tot een bedrag van € 8.000,- en het totaal toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding komt zo op € 8.944,59.

Voor de overige gevorderde schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de materiële schade verzocht het gevorderde bedrag voor de jas en de schoenen te matigen vanwege de afschrijving op deze goederen en de gevorderde telefoonkosten af te wijzen nu onvoldoende duidelijk is of deze kosten zijn gemaakt in het kader van deze strafzaak en of ze wel ten laste van het slachtoffer zelf komen. De immateriële schade dient volgens de raadsman aanzienlijk te worden gematigd, omdat niet kan worden vastgesteld dat alle door de aangever aangevoerde lichamelijke en psychische klachten het gevolg zijn van de onderhavige zaak.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 5.924,59, vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade kan worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 924,59. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de jas en de schoenen wordt, rekening houdend met het gebruikelijke afschrijvingspercentage, een bedrag toegekend van € 700,-. De gevorderde telefoonkosten worden afgewezen, omdat het causaal verband tussen deze kosten en het ten laste gelegde feit onvoldoende is komen vast te staan. De kosten voor eigen risico en reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank schat het toe te wijzen bedrag voor de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid op € 5.000,-. Het is voldoende aannemelijk geworden dat de kennelijk al aanwezige posttraumatische stressstoornis bij de benadeelde partij ernstig is verergerd ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

De vordering van de benadeelde partij dient voor het overige te worden afgewezen.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd van 2 jaar:

* op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [slachtoffer] en zijn familie;

* zich niet zal begeven op of in de buurt van het adres [adres], [woonplaats];

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te Hilversum, van een bedrag van € 5.924,59, (zegge: vijfduizend negenhonderdvierentwintig euro en negenenvijftig eurocent), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover verdachtes mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 17 september 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 5.924,59 , te vermeerderen met de wettelijke rente sinds 17 september 2014, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 64 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte en/of zijn mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte en/of zijn mededaders (gedeeltelijk) heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. R.C.J. Hamming en R.D. van Heffen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2014259898, doorgenummerd 1 tot en met 150.

2 Pagina 53.

3 Pagina 54.

4 Pagina 55.

5 Pagina 57.

6 Pagina 58.

7 Pagina 83.

8 Pagina 84.

9 Pagina 70, respectievelijk 102 en 107.