Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
3299514 UC EXPL 14-12477
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet op het Consumentenkrediet. Doorlopend krediet.

De algemene voorwaarden bevatten een beding op grond waarvan de consument na opeising van de kredietsom contractuele vertragingsrente over het openstaande saldo verschuldigd is. De kantonrechter oordeelt dat dit een oneerlijk beding is in de zin van artikel 2 sub a juncto artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13. Toepassing van het beding leidt dat de consument een vertragingsrente moet betalen die de wettelijke rente substantieel te boven gaat terwijl hij geen gebruik meer kan maken van de kredietfaciliteiten. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt hiermee een onevenredig hoge schadevergoeding aan de consument opgelegd. Het beding dient derhalve op grond van artikel 3:40 en 6:233 onder a Burgerlijk Wetboek buiten toepassing te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3299514 UC EXPL 14-12477 LB/1406

Vonnis van 24 juni 2015

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht

Hoist Portfolio Holding Ltd.,

gevestigd te St Helier, Jersey,

verder ook te noemen Hoist Portfolio,

eisende partij,

gemachtigde: AGC Gerechtsdeurwaarders en Incasso,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

De Waarborg van 1990 B.V. q.q. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van de heer [A],

gevestigd te Zwolle

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde sub 2],

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 december 2014;

- de akte van Hoist Portfolio;

- de antwoordakte van [gedaagde sub 2].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter heeft Hoist Portfolio en [gedaagde sub 2] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het vermoeden van de kantonrechter dat het beding dat opgenomen is in artikel 8 juncto 9 van de algemene voorwaarden, een oneerlijk beding is in de zin van artikel 2 sub a juncto artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13. Hoist Portfolio heeft naar aanleiding daarvan betoogd dat geen dat sprake is van een oneerlijk beding en verwezen naar het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch d.d. 18 december 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BY6612) waarin is geoordeeld dat na opeising van het openstaande saldo een vertragingsvergoeding over het gehele uitstaande saldo kan worden berekend die qua percentage gelijk is aan de kredietvergoeding, indien dit is overeengekomen. Volgens Hoist Portfolio blijkt uit dit arrest dat het gerechtshof van oordeel is dat een dergelijk beding niet oneerlijk is.

De kantonrechter oordeelt hierover dat die conclusie op basis van het arrest niet kan worden getrokken. Uit het arrest blijkt immers niet of het Hof aan de Richtlijn oneerlijke bedingen heeft getoetst, nu daaraan geen overwegingen zijn gewijd.

2.2.

Hoist Portfolio heeft voorts aangevoerd dat artikel 8 en 9 van de algemene voorwaarden als een kernbeding moeten aangemerkt omdat de vertragingsvergoeding even hoog is als de kredietvergoeding en de kredietvergoeding in de overeenkomst zelf is opgenomen. Die stelling moet worden verworpen. Het enkele feit dat na beëindiging van de overeenkomst een vertragingsvergoeding wordt berekend die qua percentage en qua berekeningsmethode hetzelfde is als de kredietvergoeding, maakt de vertragingsvergoeding nog niet tot een kernbeding. Uit de overeenkomst zelf volgt immers niet dat na opeising van het saldo een vertragingsvergoeding moet worden betaald.

2.3.

Hoist Portfolio stelt ten slotte dat vernietiging van het beding tot een ongewenste situatie leidt, omdat de consument in dat geval na het sluiten van de lening kan stoppen met betalen waarna deze slechts wettelijke rente verschuldigd is. De kantonrechter overweegt hierover echter dat de toepassing van het beding ertoe leidt dat de consument een vertragingsrente moet betalen die de wettelijke rente substantieel te boven gaat terwijl hij geen gebruik meer kan maken van de kredietfaciliteiten. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt hiermee een onevenredig hoge schadevergoeding aan de consument opgelegd. De conclusie is dat het beding onredelijk bezwarend is. Dit heeft tot gevolg dat het beding op grond van artikel 3:40 en 6:233 onder a Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijft. Alleen een vertragingsvergoeding over de vervallen en niet betaalde termijnbedrag is, als het mindere, toewijsbaar.

2.4.

Ten aanzien van het verweer van [gedaagde sub 2] dat het geregistreerd partnerschap met [A] is ontbonden en dat zij blijkens het echtscheidingsconvenant is gevrijwaard van alle schulden, is de kantonrechter van oordeel dat Hoist Portfolio geen partij is bij het tussen [A] en [gedaagde sub 2] gesloten echtscheidingsconvenant zodat dit niet aan Hoist Portfolio kan worden tegengeworpen. Uit de overeenkomst die [A] en [gedaagde sub 2] met Hoist Portfolio hebben gesloten blijkt namelijk dat [A] en [gedaagde sub 2] de overeenkomst hoofdelijk zijn aangegaan (productie 3 bij dagvaarding). Op grond van deze hoofdelijke verbondenheid kan Hoist Portfolio zowel [A] als [gedaagde sub 2] ieder tot betaling van de gehele vordering aanspreken.

Voorts heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat zij na het vertrek bij [A] bij brief van 18 oktober 2009 Hoist Portfolio heeft verzocht geen verhogingen van de leensom toe te staan zonder dat [A] en [gedaagde sub 2] dit gezamenlijk verzoeken/toestaan. Hoist Portfolio heeft gemotiveerd betwist dat [A] na 20 oktober 2009 nog opnames heeft gedaan. Hoist Portfolio heeft ter onderbouwing van deze stelling een overzicht overgelegd waaruit blijkt dat na 17 september 2009 geen bedragen meer zijn opgenomen. Dit verweer van [gedaagde sub 2] gaat dus niet op.

2.5.

[gedaagde sub 2] heeft ten slotte aangevoerd dat zij de zorg draagt voor een minderjarig kind, dat zij geen alimentatie ontvangt en haar werk niet kan uitoefenen vanwege een rugkwaal. De kantonrechter overweegt hierover dat de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde sub 2] niet afdoen aan haar betalingsverplichting jegens Hoist Portfolio. Deze staan dan ook niet aan toewijzing van de vordering in de weg.

2.6.

Hoist Portfolio stelt dat het uitstaande saldo op 10 juli 2014 € 25.850,78 bedroeg. [A] heeft dit niet betwist zodat voornoemd bedrag zal worden toegewezen.

2.7.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zullen De Waarborg van 1990 en [gedaagde sub 2] in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hoist Portfolio worden begroot op:

- dagvaarding € 190,86

- griffierecht € 923,00

- salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)

Totaal € 1.913,86

2.8.

De Waarborg van 1990 heeft niet geantwoord op de vordering. De kosten die Hoist Portfolio heeft gemaakt voor het nemen van de conclusie van repliek komen derhalve voor rekening van [gedaagde sub 2]. De explootkosten dienen door De Waarborg van 1990 en [gedaagde sub 2] ieder afzonderlijk te worden voldaan. Dit leidt tot de volgende kostenveroordeling:

De Waarborg van 1990

- dagvaarding € 95,43

Totaal € 95,43

[gedaagde sub 2]

- dagvaarding € 95,43

- salaris gemachtigde € 400,00 (1 punt x tarief € 400,00)

Totaal € 495,43

2.9.

Voor de navolgende kosten worden De Waarborg van 1990 en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld:

De Waarborg van 1990 en [gedaagde sub 2]

- griffierecht € 923,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (1 punt x tarief € 400,00)

Totaal € 1.323,00

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt De Waarborg van 1990, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen toebehorend aan [A], en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan Hoist Portfolio tegen bewijs van kwijting te betalen € 25.850,78;

3.2.

veroordeelt De Waarborg van 1990, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen toebehorend [A], en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist Portfolio tot de uitspraak van dit vonnis begroot op
€ 1.323,00;

3.3.

veroordeelt De Waarborg van 1990, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen toebehorend aan [A], tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist Portfolio tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 95,43;

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Hoist Portfolio tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 495,43;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.