Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4488

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
23-06-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 252
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft een nieuw besluit genomen, dat moet toepassing van artikel 6:19 Awb bij de beoordeling wordt betrokken. Bij dit besluit heeft verweerder eisers een maatwerkmodule ter hoogte van 39 uur op jaarbasis toegekend, zodat het totaal aantal toegekende uren hulp bij het huishouden 117 uur op jaarbasis is.

Eisers hebben na de tussenuitspraak een aantal nieuwe beroepsgronden naar voren gebracht. De rechtbank laat deze beroepsgronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.

Ook hebben eisers eerder aangevoerde beroepsgronden, zij het in andere bewoordingen en uitgebreider, herhaald. De rechtbank heeft zich hierover al in de tussenuitspraak uitgelaten en ziet geen reden om hierop terug te komen.

De rechtbank is van oordeel dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag of eisers in aanmerking kunnen komen voor de maatwerkmodule ‘beschikken over schone kleding’. Niet is gebleken dat dit is besproken tijdens het huisbezoek en evenmin is gebleken dat verweerder de eerder afgegeven indicaties bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met betrekking tot de wasvoorziening daarom niet hersteld.

Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 12 maart 2015. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat aan eisers op jaarbasis naast de door verweerder reeds toegekende 117 uur hulp bij het huishouden, ook hulp bij het huishouden op grond van de maatwerkmodule ‘beschikken over schone kleding’ voor 39 uur op jaarbasis wordt toegekend.

ECLI:NL:RBMNE:2015:1395 Datum tussenuitspraak:09-03-2015 Zaaknummer(s):UTR 15/252-T

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/252

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser], eiser en [eiseres ], eiseres,

te [woonplaats], gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: C. van den Bergh).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres over de periode van 1 januari 2015 tot en met 22 maart 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) op basis van 5,5 uur per week voor hulp bij het huishouden toegekend en over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 een pgb op basis van 78 uur per jaar (gemiddeld 1,5 uur per week) voor hulp bij het huishouden.

Bij besluit van 2 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is verschenen de dochter van eisers,
[dochter]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen [A], [B] en [C].

Bij tussenuitspraak van 9 maart 2015 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.

Eisers hebben hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans relevant, geoordeeld dat verweerder in redelijkheid het beleid waarin is vastgelegd dat de collectieve voorziening schoon huis maximaal 78 uur per jaar bedraagt heeft kunnen vaststellen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat verweerder niet nader heeft onderzocht of eisers vanwege incontinentieklachten in aanmerking zouden kunnen komen voor een maatwerkwerkmodule in aanvulling op de collectieve voorziening. Daarnaast heeft verweerder evenmin zorgvuldig onderzoek gedaan naar de noodzaak van een wasvoorziening voor eisers.

3. Verweerder heeft bij brief van 31 maart 2015 gereageerd op de tussenuitspraak. Uit deze brief blijkt dat op 5 februari 2015 een huisbezoek bij eisers heeft plaatsgevonden, naar aanleiding waarvan een verslag is gemaakt op 5 februari 2015 en een rapportage is opgesteld op 12 maart 2015. Verweerder heeft op 12 maart 2015 een besluit genomen, waarbij het primaire besluit van 29 oktober 2014 wordt herzien. Nu het besluit van 12 maart 2015 het primaire besluit en het bestreden besluit wijzigt, heeft het beroep van eisers op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op het besluit van 12 maart 2015.

Met het besluit van 12 maart 2015 wordt aan eisers over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 naast de reeds toegekende collectieve voorziening van 78 uur op jaarbasis, de maatwerkmodule ‘een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren’ toegekend ter hoogte van 39 uur op jaarbasis. Hoewel in de reactie van verweerder van 31 maart 2015 staat dat aan eisers in het kader van voormelde maatwerkmodule 26 uur op jaarbasis wordt toegekend, gaat de rechtbank uit van wat in het besluit van 12 maart 2015 staat. Aan eisers wordt derhalve met het besluit van 12 maart 2015 hulp bij het huishouden voor totaal 117 uur op jaarbasis toegekend.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om daarnaast tevens de maatwerkmodule ‘beschikken over schone kleding’ te verstrekken. Niet is gebleken van de noodzaak van maatwerk op dit punt en daar komt bij dat de extra wasbeurten als gevolg van de incontinentieproblemen door middel van de toegekende maatwerkmodule worden ondervangen, aldus verweerder.

4. Eisers voeren in de zienswijze aan dat sprake is van strijd met de Wet maatschappelijk ondersteuning 2015 (Wmo 2015), nu verweerder de maatwerkmodules alleen toepast ingeval een medische indicatie daartoe aanleiding geeft.

5. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond gericht is tegen het beleid zelf. Op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan hiertegen echter geen beroep worden ingesteld. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

6. Eisers voeren in de zienswijze vervolgens aan dat de norm van 78 uur op jaarbasis (hierna: de 78-uursnorm) die verweerder in zijn beleid heeft opgenomen geen maatwerkvoorziening is, omdat deze niet is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en de mogelijkheden van eisers. Eisers verwijzen in dit verband naar artikel 1.1.1 van de Wmo 2015.

Daarnaast voeren eisers aan dat verweerder in zijn beleid een te beperkte definitie van ‘schoon en leefbaar huis’ hanteert, gelet op de voor verweerder geldende wettelijke verplichtingen op grond van de Wmo 2015. Verweerder heeft met de door hem gehanteerde definitie van ‘schoon en leefbaar huis’ de nog altijd op hem rustende compensatieplicht beperkt, waardoor hij in strijd handelt met de Wmo 2015.

Eisers hebben tevens aangevoerd dat hun dochter dagelijks bij hen aanwezig is om te helpen. Zij heeft hiervoor ook ontslag genomen. Kennelijk gaat verweerder er van uit dat de dochter de uren die door het bestreden besluit niet meer vergoed worden als mantelzorger gaat verlenen. Er is echter op geen enkele wijze rekenschap gegeven van het feit dat de dochter daarmee overbelast zou kunnen worden, aldus eisers.

7. Zoals onder 1. is overwogen blijft de rechtbank bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het geding, zoals dat nu na de tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft daarom in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die eerder zijn aangevoerd. De rechtbank acht het in beginsel in strijd met de goede procesorde als na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden ingebracht. Met de beroepsgronden zoals hiervoor weergegeven onder 6. voeren eisers juist wel zulke geheel nieuwe gronden aan. Verweerders reactie op de tussenuitspraak geeft geen aanleiding voor het nu aanvoeren van deze nieuwe beroepsgronden. Ook verder ziet de rechtbank in wat eisers in de zienswijze hebben aangevoerd geen aanleiding af te wijken van het in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. De rechtbank bespreekt daarom deze beroepsgronden niet inhoudelijk.

8. Eisers voeren in de zienswijze verder aan dat ook de maatwerkmodules geen maatwerk zijn, omdat deze zijn genormeerd op een maximum aantal uren per jaar. Dat systeem laat geen ruimte voor specifieke behoeftes, persoonskenmerken en mogelijkheden van de betrokkene. Juist in de boven de 78-uursnorm te indiceren uren zou ruimte moeten zijn voor maatwerk. Voor eisers is het voorts een raadsel waar deze normen vandaan komen. Eisers voeren in dit kader verder aan dat het toegekende aantal uren hulp bij het huishouden niet kan worden aangemerkt als maatwerkvoorziening, waardoor sprake is van strijd met de Wmo 2015.

9. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de Wmo 2015 is dat de betrokkene voldoende maatschappelijk wordt ondersteund. Dit betekent dat het maximeren van maatwerkmodules er niet toe mag leiden dat iemand onvoldoende ondersteuning ontvangt. In dit geval hebben eisers niet nader onderbouwd waarom zij met de toegekende uren hulp onvoldoende zouden worden ondersteund. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

10. Vervolgens hebben eisers in de zienswijze – verkort weergegeven – aangevoerd dat verweerder niet heeft onderbouwd dat de 78 uur hulp bij het huishouden voldoende zijn voor de wettelijk bepaalde ondersteuning in de zelfredzaamheid. De stelling van verweerder dat de 78-uursnorm is gebaseerd op overleg met zorgaanbieders is volgens eisers onjuist. Eisers voeren verder aan dat de Cliëntenraad Wmo geen advies heeft kunnen geven, hetgeen blijkt uit de verklaringen van de voorzitter van de Cliëntenraad Wmo en de stukken van de gemeente. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat verweerder het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ niet kan garanderen, nu er geen objectieve en verifieerbare grondslag voor is. Het beleid biedt onvoldoende grondslag voor het bestreden besluit.

11. De rechtbank stelt vast dat eisers hiermee, zij het in andere bewoordingen en uitgebreider, hebben herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren hebben gebracht. De kern van dit betoog is dat verweerder dient te onderbouwen waar de 78‑uursnorm op is gebaseerd en dient te onderbouwen dat dit voldoende is om het resultaat ‘schoon en leefbaar huis’ te realiseren. Hierover heeft de rechtbank zich echter al uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan, zoals al overwogen onder 1. en anders dan eisers kennelijk menen, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Uit wat eisers in dit verband hebben opgemerkt in de zienswijze volgt niet dat zich hier zo'n zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar oordeel in de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

12. Voor zover eisers met de verwijzing naar het beleid van andere gemeenten beogen een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep niet kan slagen, nu is gesteld noch gebleken dat sprake is van een gelijk geval. De Wmo 2015 is een kaderwet waaraan elke gemeente zelf invulling moet geven, zodat reeds om die reden geen sprake is van gelijke vallen. De rechtbank wijst hierbij ook op hetgeen onder 11. in de tussenuitspraak is overwogen.

13. Over de stelling van eisers dat bij het gesprek geen cliëntondersteuner aanwezig is geweest terwijl verweerder hiervoor wel moet zorgen, overweegt de rechtbank dat de verplichte aanwezigheid van een cliëntondersteuner bij een gesprek niet volgt uit artikel 1.1.1, eerst lid, en/of artikel 2.2.4, eerste lid, van de Wmo 2015. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

14. Eisers hebben in de zienswijze verder aangevoerd dat uit het verslag van 5 februari 2015 blijkt dat de incontinentieklachten alleen leiden tot het toekennen van extra uren in verband met extra bewassing. Niet is gevraagd of dit en de andere beperkingen leiden tot het extra wassen van kleding, terwijl dit wel voor de hand ligt. Ook is sprake van een hogere vervuilingsgraad, omdat de wc meerdere keren per week moet worden schoongemaakt. Bovendien is niet alleen sprake van incontinentie, maar wordt tevens de warme maaltijd dagelijks opgewarmd en klaargezet. Dit alles moet leiden tot het toekennen van extra uren, aldus eisers.

15. De beroepsgrond dat voor eisers dagelijks de warme maaltijd wordt bereid en klaargezet, laat de rechtbank buiten beschouwing. Deze beroepsgrond is nieuw en de rechtbank ziet, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 1. en 7., geen aanleiding tot een inhoudelijke beoordeling daarvan.

16. De rechtbank is van oordeel dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de vraag of eisers in aanmerking kunnen komen voor de maatwerkmodule ‘beschikken over schone kleding’. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat dit onderwerp is besproken tijdens het huisbezoek op 5 februari 2015 en evenmin is gebleken dat verweerder de eerder aan eisers afgegeven indicaties bij zijn beoordeling heeft betrokken. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder niet heeft onderzocht waarom een wasvoorziening voor eisers inmiddels niet meer nodig zou zijn, terwijl zij deze eerder wel ontvingen. Dat eisers al maatwerkmodule A ‘een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren’ toegekend hebben gekregen vanwege de incontinentieklachten, maakt niet dat eisers niet ook in aanmerking zouden kunnen komen voor maatwerkmodule C ‘beschikken over schone kleding’. Maatwerkmodule A ziet immers op het wassen van linnen- en beddengoed, terwijl maatwerkmodule C ziet op het wassen van kleding. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met betrekking tot de wasvoorziening niet heeft hersteld.

17. Gelet op de in de tussenuitspraak en de in rechtsoverweging 16. geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en het besluit van 12 maart 2015 wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de omvang van de hulp bij het huishouden over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017. De rechtbank stelt vast dat eisers eerder wel beschikten over een indicatie voor het wassen van de kleding, en dat verweerder – ondanks het bepaalde in de tussenuitspraak – geen onderzoek heeft gedaan naar de noodzaak van een wasvoorziening voor eisers. Nu de rechtbank niet is gebleken waarom de eerdere indicatie voor de wasvoorziening zou moeten komen te vervallen, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat aan eisers op jaarbasis voor de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 naast de door verweerder bij het besluit van 12 maart 2015 reeds toegekende 117 uur hulp bij het huishouden, ook hulp bij het huishouden op grond van maatwerkmodule C ‘beschikken over schone kleding’ voor 39 uur wordt toegekend. Aan eisers wordt gelet op het voorgaande in totaal 156 uur op jaarbasis (gemiddeld 3 uur per week) aan hulp bij het huishouden toegekend.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betreft de omvang van de hulp bij het huishouden over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017, en vernietigt het besluit van 12 maart 2015;

- bepaalt dat aan eisers over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 in totaal 156 uur op jaarbasis aan hulp bij het huishouden wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit en het vernietigde besluit van 12 maart 2015;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.225,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, voorzitter, en mr. G.P. Loman en mr. M.E. Falkmann, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.