Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4452

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6600
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

weigering verhuiskosten in strijd met de WMO; beroep gegrond, zelf in de zaak voorzien

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/6600

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.C. van den Heuvel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: drs. E.H. Siemeling).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), zoals die gold tot 1 januari 2015, voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten afgewezen.

Bij besluit van 1 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2015. Zowel eiser als verweerder zijn verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiser is 75 jaar en heeft de ziekte van Alzheimer. Zijn echtgenote is 72 jaar. Zij krijgen ondersteuning op grond van de Wmo voor de huishoudelijke taken. Op 28 februari 2014 heeft het echtpaar op eigen initiatief een huurovereenkomst ondertekend voor een gelijkvloerse seniorenwoning in de buurt. Op 18 maart 2014 heeft eiser een aanvraag voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten bij verweerder ingediend. Op 24 maart 2014 is het echtpaar verhuisd naar de nieuwe woning. De consulent van SCIO, een ergonomisch adviseur, heeft op 30 april 2014 een advies opgemaakt. Ten behoeve van het advies heeft de SCIO-consulent een gesprek gevoerd met eiser, zijn echtgenote en een kennis die als tolk optrad, Verder heeft de SCIO-consulent schriftelijke gegevens ontvangen van diverse specialisten over de medische situatie van eiser en zijn echtgenote. De SCIO-consulent heeft in het rapport aan verweerder meegegeven te “overwegen de verhuiskosten te vergoeden”. Op pagina 2 van het advies staat: “Ze zijn verhuisd en hebben hiervoor geld moeten lenen omdat ze het niet konden betalen. Huidige woning is volgens eigen zeggen adequaat. Ze hebben alles moeten verven en behangen, toonbaar maken. Ook heeft men een nieuw bed aangeschaft. (daar heeft de Wmo natuurlijk niets mee van doen). Men claimt dat er een medische reden is waardoor men moest verhuizen. Ondergetekende erkent dat er een noodzaak is om te verhuizen, maar dat geldt voor heel veel mensen die ouder worden en beperkingen krijgen. De verhuizing is vooral nodig voor de klachten van dhr, niet voor die van cliënt. Ik laat het graag aan de gemeente hoe coulant men wil zijn in deze aanvraag.”

2. De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of tijdig bezwaar is gemaakt en of het bezwaarschrift terecht ontvankelijk is verklaard. Het besluit in primo is verzonden op 13 mei 2014. Dat betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op 14 mei 2014. De laatste dag waarop een bezwaarschrift ingediend kon worden was 24 juni 2014. Uit de stukken blijkt dat eiser op 24 juni 2014 digitaal bezwaar heeft gemaakt. Op 24 juni 2014 om 22:15 uur heeft eiser per e-mail een ontvangstbevestiging ontvangen. Daarin staat dat de melding is ontvangen en geregistreerd. Het systeem heeft de melding op 25 juni 2014 om 00:18 uur, buiten de bezwaartermijn, doorgestuurd aan verweerder. Uit de toelichting op artikel 2:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat het tijdstip waarop het bericht het systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt, bepalend is. De rechtbank is van oordeel dat uit de ontvangstbevestiging volgt dat het bericht binnen de bezwaartermijn het systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Het bezwaarschrift is daarom binnen de termijn ingediend en is terecht ontvankelijk verklaard door verweerder.

3. In geschil is de weigering van verweerder om aan eiser een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo toe te kennen.

4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de verhuizing niet onverwacht en onvoorzienbaar was. Verweerder wijst er op dat ouderdomsklachten niet onverwacht en onvoorzienbaar zijn. Volgens verweerder heeft de SCIO-consulent aangegeven dat er geen plotseling optredende noodzaak was. Bovendien stond het echtpaar al lang ingeschreven bij Woningnet, op grond waarvan verweerder concludeert dat reeds geruime tijd de wens bestond om te verhuizen.

Daarnaast heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiser al was verhuisd voordat was beschikt op de aanvraag, waardoor verweerder voor een voldongen feit werd geplaatst. Hierdoor heeft eiser bovendien zelf in de kosten weten te voorzien, door middel van eigen of geleend geld, aldus verweerder. Verweerder heeft daarbij onder verwijzing naar artikel 4 van de Wmo overwogen dat het uitgangspunt binnen de Wmo is dat bij het verstrekken van voorzieningen rekening gehouden mag worden met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in de maatregelen te voorzien.

5. Eiser heeft het volgende aangevoerd. De ziekte van Alzheimer is een onverwachte en onvoorziene gebeurtenis, waarbij het ziekteverloop niet is te voorspellen. Anders dan verweerder in het bestreden besluit schrijft, heeft de SCIO-consulent aangegeven dat er wel een noodzaak is om te verhuizen. Eiser is niet bekend met een rapport waarin staat dat er geen plotseling optredende noodzaak is om te verhuizen. Eiser en zijn vrouw waren gedwongen om te verhuizen, omdat de situatie niet meer houdbaar was en leidde tot gevaarlijke situaties. Het ging om een grote eengezinswoning met woon- slaap- en douchevertrekken op verschillende verdiepingen. Eiser dwaalde constant, raakte in paniek en was vervreemd in zijn eigen huis. Daarnaast was hij versuft door de bijwerkingen van de medicijnen, waardoor hij slechter ging lopen en meerdere keren van de trap viel. In zijn eigen huis moest hij constant begeleid worden door zijn vrouw die dit niet meer kon bijbenen. Eiser en zijn vrouw zijn naar een gelijkvloerse woning verhuisd, omdat de zorg daar praktischer is te organiseren. Zij waren gezonde gepensioneerden die nooit van plan waren om hun ruime woonhuis te verlaten. Uit de lange inschrijfduur bij Woningnet kan niet worden afgeleid dat er al geruime tijd de wens was om te verhuizen, aldus eiser.

6. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon (…) ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

  1. een huishouden te voerden;

  2. zich te verplaatsen in en om de woning;

(…)

Artikel 4, tweede lid, van de Wmo bepaalt dat bij het bepalen van de voorzieningen rekening wordt gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Op grond van artikel 4 van de Verordening kan het college besluiten geen voorziening toe te kennen als

- de voorziening algemeen gebruikelijk is (sub a)

- de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende heeft gemaakt voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken en niet meer is na te gaan of de voorziening de goedkoopst compenserende oplossing is (sub d).

In de beleidsregels WMO Voorzieningen 2013 van de gemeente Utrecht is onder “resultaat 2, wonen in een geschikt huis” bepaalt dat indien verhuizen als een meer adequate oplossing wordt gezien dan het aanpassen van de huidige woning, de kosten voor verhuizing en herinrichting in principe voor eigen rekening van de belanghebbende komen. Alleen wanneer de verhuizing onverwacht en onvoorzien is kan hierop een uitzondering worden gemaakt. Daarbij is van belang of de belanghebbende redelijkerwijs heeft kunnen sparen om in de kosten te voorzien.

7. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft het advies van SCIO aan zijn beslissing ten grondslag gelegd. De rechtbank is van oordeel dat in het advies, anders dan verweerder in het bestreden besluit heeft geschreven, niet staat dat er geen plotseling optredende noodzaak was om te verhuizen en dat dit er ook niet uit volgt. Daarentegen staat juist in het rapport dat de SCIO-consulent erkent dat er een noodzaak is om te verhuizen en dat de verhuizing vooral nodig is voor de klachten van de heer. De rechtbank stelt op basis van dit advies dan ook vast dat er een medische noodzaak was om te verhuizen. Dat eiser en zijn vrouw op leeftijd zijn en een verhuizing bij ouderdomsklachten niet onverwacht en onvoorzienbaar is, zoals de SCIO-consulent in het advies en verweerder in het bestreden besluit hebben overwogen, kan op zichzelf geen reden vormen voor de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank wijst op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8856. De CRvB oordeelde daarin dat bij een verhuizing te veel (individuele) factoren een rol spelen om deze uitsluitend op basis van (onder meer) de leeftijd als algemeen gebruikelijk te kwalificeren. De keuze om voor personen de stap om te verhuizen als algemeen gebruikelijk te kwalificeren in verband met de overgang naar een volgende levensfase, berust op een niet in de wet genoemde uitsluitingsgrond en leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen van de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo, aldus de CRvB. De beroepsgrond van eiser slaagt.

8. Eiser heeft verder ter zitting aangevoerd dat de noodzaak bestond om snel te verhuizen en dat de beslissing op de aanvraag niet kon worden afgewacht. Met name de trap speelde daarbij een rol, omdat eiser in de woning dwaalde en de trap een gevaar vormde. Verder heeft eiser gesteld dat hij niet de financiële middelen had om in de kosten van de verhuizing te kunnen voorzien. Zij hebben geld moeten lenen.

9. De rechtbank stelt vast dat uit artikel 4, aanhef en onder d van de Verordening volgt dat een aanvraag voor een voorziening kan worden afgewezen indien de kosten zijn gemaakt voorafgaande aan het moment dat op de aanvraag is beslist. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser eerder is verhuisd dan dat op de aanvraag is beslist. In de Verordening wordt echter ook aan de afwijzing van de aanvraag de voorwaarde gesteld dat niet meer is na te gaan of de voorziening de goedkoopst compenserende oplossing is. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat eiser reeds voorafgaande aan de beschikking is verhuisd, in dit geval niet maakt dat niet meer kan worden onderzocht of een verhuizing de goedkoopst compenserende oplossing is. De rechtbank ziet niet in welke onderzoek nog nader had moeten plaatsvinden, nu de SCIO-consulent reeds in het rapport heeft overwogen dat een verhuizing noodzakelijk was (met name) in verband met de klachten van eiser. Bovendien is in het advies opgenomen dat in de oude woning vooral de trap een probleem was, omdat eiser de instructies voor het traplopen niet snapt. Van een mogelijkheid tot aanpassing van de oude woning in verband met de beperkingen van eiser blijkt niet uit het SCIO-advies. Ook verweerder heeft niet aangedragen op welke goedkopere wijze eiser gecompenseerd zou kunnen worden.

De rechtbank oordeelt verder dat verweerder de aanvraag niet heeft mogen afwijzen, omdat eiser zelf in de kosten zou hebben weten te voorzien. Verweerder heeft een onjuiste invulling gegeven aan het bepaalde in artikel 4 van de Wmo dat bij het verstrekken van voorzieningen rekening gehouden mag worden met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in de maatregelen te voorzien. Uit jurisprudentie van de CRvB (o.a. uitspraak van 19 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU7263 en uitspraak van 25 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2394) volgt dat de eigen verantwoordelijkheid van de burger in het kader van de Wmo niet zover reikt dat een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk aan de aanvrager wordt onthouden op grond van diens inkomen of vermogen. Dat in artikel 4, tweede lid, van de Wmo is bepaald dat rekening wordt gehouden met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, ziet op het vaststellen van de eigen bijdrage (artikel 15 en 19 van de Wmo). De beroepsgrond van eiser slaagt.

10. Uit het voorgaande volgt dat het college de aangevraagde financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten in strijd met de wet heeft geweigerd, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 13 mei 2014 te herroepen en door te bepalen dat eiser in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding zoals in de periode in geding gebruikelijk.

11. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener, zijnde eisers gemachtigde.

12. Tevens zal verweerder het griffierecht van € 45,- dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 oktober 2014;

- herroept het besluit van 13 mei 2014;

- voorziet zelf in de zaak als overwogen onder punt 10;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-, te betalen aan de gemachtigde van eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Falkmann, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.J.M. Moison, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.