Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4394

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
C-16-371203 - FA RK 14-3998 + 385530 - FA RK 15-704
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verdeling van de gemeenschap naar Afghaans recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/371203 / FA RK 14-3998 + 385530 / FA RK 15-704

echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 19 juni 2015

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. M.S. Haas,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw.

1 Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het op 18 juni 2014 ter griffie ingediende verzoekschrift en het ingediende verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, nog gevolgd door een verweerschrift.

Bij de rechtbank zijn vervolgens nog de volgende stukken binnengekomen:

- een F-formulier van 4 december 2014 van de zijde van de man met productie;

- een aanvullend zelfstandig verzoek van 9 december 2014 van de zijde van de vrouw;

- een F-formulier van 23 februari 2015 van de zijde van de man met productie;

- een aanvullend zelfstandig verzoek van 3 maart 2015 van de zijde van de vrouw;

- een F-formulier van 9 april 2015 en van 10 april 2015 van de zijde van de man, beide met producties;

- een viertal faxberichten van 13 april 2015 van de zijde van de vrouw, alle met producties.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 april 2015, waar beide partijen zijn verschenen, elk bijgestaan door de eigen advocaat. Voorts zijn verschenen

mw. [A] namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna: de Raad, en W.M. Mamik, tolk Urdu.

Na de terechtzitting heeft mr. A.M.B. Leerkotte, de advocaat van de vrouw, zich voor haar onttrokken.

2 Vaststaande feiten

Partijen zijn op [2001] te [woonplaats] (Pakistan) met elkaar gehuwd.

Hun huwelijk is duurzaam ontwricht.

Zij hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. De man heeft daarnaast de Afghaanse nationaliteit. Volgens de gemeentelijke basisadministratie heeft de vrouw daarnaast een onbekende nationaliteit. De vrouw woont sinds 1995 in Nederland.

Het minderjarige kind van partijen is:

[B] , geboren op [2012] te [geboorteplaats].

Bij beschikking van deze rechtbank van 2 april 2015 is het kind voor de duur van een jaar onder toezicht geplaatst van Samen Veilig Midden-Nederland.

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

Echtscheiding

Nu beide partijen in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben en de Nederlandse nationaliteit bezitten, is de Nederlandse rechter bevoegd te oordelen over de gevraagde echtscheiding.

De rechtbank ziet zich vervolgens ambtshalve geplaatst voor de vraag naar het bestaan en de geldigheid van het in Pakistan gesloten huwelijk.

De rechtbank stelt allereerst vast dat Pakistan niet is aangesloten bij het Haags Huwelijksverdrag 1978. Deze zogenoemde voorvraag dient daarom te worden beantwoord aan de hand van de artikelen 10:31, eerste en vierde lid en 10:32 jo. 10:29 van het BW.

Er is (door de man, als de verzoekende partij) geen originele huwelijksakte overgelegd. Beide partijen stellen niet in het bezit te zijn van die akte. In beginsel ontbreekt dus een deugdelijk bewijs van hun huwelijk.

De rechtbank gaat er niettemin vanuit dat het huwelijk voldoende vaststaat en dat aan het rechtsvermoeden van een geldig huwelijk is voldaan. Daarvoor knoopt de rechtbank aan bij

door beiden in het geding gebrachte kopieën van die akte, een door de man overgelegde vertaling ervan in het Nederlands door een beëdigd vertaler Urdu, en bij de registratie van partijen als gehuwd in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie.

Op grond van artikel 10:56, eerste lid BW is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek tot ontbinding van het huwelijk.

Partijen hebben geen ouderschapsplan overgelegd. Zij hebben daarover ook geen overleg gevoerd. Hieromtrent is het volgende naar voren gekomen.

Naar aanleiding van een aangifte van huiselijk geweld door de vrouw is de man in bewaring gesteld. Deze inbewaringstelling is op 10 december 2013 geschorst onder de voorwaarde dat de man op geen enkele wijze contact zou hebben met zijn echtgenote. Na seponering van de strafzaak tegen de man, waarbij de schorsingsvoorwaarden zijn komen te vervallen, is het overleg tussen partijen niet alsnog van de grond gekomen doordat de vrouw, naar de rechtbank begrijpt: uit angst, elk contact met de man uit de weg gaat. In het raadsrapport van 6 maart 2015, dat ten grondslag heeft gelegen aan de ondertoezichtstelling, is van de complexe achtergrond van een en ander uitvoerig verslag gedaan.

Vaststaat dat de onderlinge verhoudingen zeer gespannen zijn en de communicatie tussen partijen ernstig verstoord is geraakt.

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de conclusie dat een ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd en zal op een andere wijze in de zaak voorzien.

Op grond van de vaststaande feiten kan het verzoek tot echtscheiding worden toegewezen.

Ten aanzien van de gevraagde nevenvoorzieningen overweegt de rechtbank als volgt.

3.2.

Nu het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en (ook) de Nederlandse nationaliteit bezit, is de Nederlandse rechter bevoegd ten aanzien van de verzoeken omtrent verblijfplaats van het kind, het gezag en de omgang, en daarom Nederlands recht toepasselijk.

Nu partijen het eens zijn over de hoofdverblijfplaats van het kind bij de vrouw, zal de rechtbank dit op de wet gegronde verzoek toewijzen.

Partijen hebben wel debat gevoerd over de verdeling van de zorg voor het kind en over de vraag of er voldoende reden is voor eenhoofdig gezag, zoals de vrouw heeft verzocht maar de man betwist.

Wat de zorg betreft heeft de man, zoals nadien aangevuld, verzocht te bepalen dat het eind 2013 verbroken contact tussen hem en het kind wordt hersteld, onder oplegging van de verplichting aan partijen om zich te melden bij Tussenthuis dan wel een soortgelijke instantie binnen een week na de te wijzen beschikking, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag(deel) dat de vrouw niet meewerkt aan de (begeleide) contacten tussen de man en het kind en tot een maximum van € 5.000,-.

De vrouw op haar beurt heeft verzocht het contact met het kind aan de man te ontzeggen.

Ter zitting is door de vrouw een notitie van [C], gedragswetenschapper bij Samen Veilig Midden-Nederland, overgelegd. Ook de man is daarmee bekend.

Uit die notitie blijkt dat Samen Veilig van mening is dat alvorens sprake zal kunnen zijn van een duurzaam, veilig en stabiel contact tussen de man en het kind, eerst aan daarin genoemde voorwaarden moet zijn voldaan. Die voorwaarden behelzen een onderzoek naar de draagkracht van zowel de vrouw als het kind ten einde vast te stellen wat ervoor nodig is om het contactherstel mogelijk te maken, en naar de pedagogische vaardigheden (en benodigde ondersteuning daarbij) van de man. Pas daarna is aan de orde of contactherstel in gang kan worden gezet. Maar ook dan, aldus Samen Veilig, binnen de kaders van een veiligheidsplan, met opbouw naar frequentie en duur.

De Raad heeft zich ter zitting achter dit onderzoek geschaard. Het kind is inzet van de strijd tussen de ouders. Daarmee is sowieso sprake van een zorgelijke situatie, ook los van het bestaan van een trauma bij de vrouw en/of het kind.

Met de inmiddels betrokken hulpverlening en de Raad is de rechtbank van oordeel dat in dit geval nader onderzoek is vereist naar, onder meer, de belastbaarheid van het kind alvorens op de voorliggende verzoeken kan worden beslist. Dit onderzoek, zo begrijpt de rechtbank, is inmiddels gaande. Daarom zal de rechtbank de beslissing op beide verzoeken aanhouden voor de duur van 4 maanden. Dit behoeft partijen, in samenspraak met de jeugdhulpverlener, er uiteraard niet van te weerhouden begeleide omgang eerder op te starten als de omstandigheden

daartoe aanleiding geven.

3.3.

Nu zowel de (alimentatieplichtige) man als de (onderhoudsgerechtigde) vrouw gewone verblijfplaats heeft in Nederland, is de Nederlandse rechter bevoegd en het Nederlands recht van toepassing ten aanzien van de door de vrouw gevraagde kinder- en partneralimentatie.

De vrouw heeft gevraagd de door de man te betalen bijdragen voor haar en het kind vast te stellen op respectievelijk € 300,- en € 400,- per maand.

De man voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing.

kinderalimentatie

3.4.

Partijen verschillen van mening over zowel de behoefte als de draagkracht.

Voor de vaststelling van het netto gezinsinkomen, aan de hand waarvan de behoefte van het kind moet worden bepaald, gaat de rechtbank ervan uit dat de samenleving van partijen feitelijk in december 2013 is verbroken.

Vaststaat immers dat de man in het najaar van 2013, met achterlating van de vrouw en het kind, voor familiebezoek naar Pakistan is gereisd, en na terugkomst in Nederland in december 2013 door de politie is aangehouden naar aanleiding van vorengenoemde aangifte.

Mede gelet op de omstandigheid dat de man vervolgens, naar eigen zeggen, ergens anders is gaan wonen, is er geen enkele reden aan te knopen bij een latere datum in 2014. Dit standpunt van de man volgt de rechtbank dan ook niet.

Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat zijn inkomen niet maatgevend is geweest voor de behoefte van het kind omdat het niet is aangewend voor de kosten van het gezin.

In dit verband heeft de man naar voren gebracht dat hij zijn volledige inkomen steeds moest afdragen aan zijn schoonvader, en dit inkomen werd gestort op een rekening waar alleen zijn vrouw en schoonvader het beheer over hadden.

Wat daar ook van zij, de omstandigheid dat de man niet zelf zou hebben kunnen beschikken over zijn inkomen sluit niet uit dat het is besteed aan het gezin.

Partijen zijn het erover eens dat in 2013 het bruto jaarinkomen van de man € 18.818,- bedroeg, en dat van de vrouw € 27.097,-.

Aan de hand hiervan becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (nbi) van de vrouw ten tijde van het huwelijk op een bedrag van € 1.701,- per maand en van de man op een bedrag van € 1.298,- per maand.

Wegens een te hoog gezamenlijk inkomen bestond er geen aanspraak op kindgebonden budget op het moment dat partijen uit elkaar gingen.

Het hier toepasselijke aantal van 4 kinderbijslagpunten levert dan een tabelbedrag op van

€ 450,- per maand.

Niet in geschil is dat de vrouw in 2015 aanspraak maakt op een kindgebonden budget van

€ 340,- per maand. In beginsel strekt dit budget in mindering op de behoefte.

De vrouw bepleit echter daarmee geen rekening te houden omdat een eerder ontstane schuld jegens de belastingdienst door middel van een periodieke aflossing wordt verrekend met genoemde aanspraak. Daarover is een afspraak gemaakt met de schuldeiser. De man heeft dit niet betwist.

Het budget beïnvloedt daarom in dit geval, en voor de duur van de afbetalingsregeling, niet de behoefte van het kind.

Ter voorlichting van partijen wijst de rechtbank in dit verband wel nog op de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 3 juni 2015, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nr. 2015/1288, waarin naar aanleiding van het met de inwerkingtreding van de Wet Hervorming Kindregelingen gewijzigde stelsel aan de Hoge Raad rechtsvragen zijn voorgelegd, waarvan de beantwoording rechtstreeks van invloed is dan wel kan zijn op de behoefte van het kind of de draagkracht van de onderhoudsgerechtigde.

Het eigen aandeel in de kosten van het kind wordt overeenkomstig de daarbij gehanteerde landelijke richtlijn verdeeld naar rato van de draagkracht van de ouders.

Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [nbi – (0,3 nbi + 875)]. Voor de lagere inkomens (beneden een nbi van € 1.525,-) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

Met in aanmerkingneming van het loon uit huidige dienstbetrekking voor 30 uur per week bedraagt het besteedbaar inkomen van de man thans € 1.257,- per maand.

Dit betekent dat de rechtbank met in aanmerkingneming van de draagkrachttabel 2015 voor de man zal uitgaan van een minimumdraagkracht van € 25,- per maand.

De vrouw ontvangt thans een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 630,- bruto per maand, en heeft dus geen financiële draagkracht.

Van een zorgkorting, waarop de man aanspraak maakt, kan geen sprake zijn. Vooralsnog ontbreekt immers een zorgregeling, maar bovendien zou die aanspraak alsdan, uitgaande van ieders huidige inkomensgegevens, komen te vervallen omdat de draagkracht van beide ouders tezamen ruim onvoldoende is om volledig in de behoefte van het kind te voorzien.

Aan de man dient daarom in beginsel een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind van € 25,- per maand te worden opgelegd. Verder verwijst de rechtbank op deze plaats naar het slot van rechtsoverweging 3.5.

partneralimentatie

3.5.

Volgens de vrouw is zij vanwege haar gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en het daaruit ontvangen lage inkomen niet in staat in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De man stelt in de eerste plaats dat van hem, gelet op alle feiten en omstandigheden, niet kan worden gevergd bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

Hij heeft daartoe een beroep gedaan op niet-financiële, subjectieve factoren. In het kort gaat het om de hiervoor genoemde gedwongen afdracht van zijn loon, die hem in financieel opzicht ernstig benadeelde, de ontzegging aan hem om samen met de vrouw apart van de familie te gaan wonen, de valselijke aangifte door de vrouw, het aan de gedragingen van de vrouw te wijten verbroken contact met het kind, en de klaarblijkelijke poging van de vrouw tot misleiding in de onderhavige procedure door het overleggen van een niet met de oorspronkelijke tekst overeenkomende Engelse vertaling van de huwelijksakte, op basis waarvan de vrouw $ 10.000,- vordert.

De vrouw betwist dit.

Niet op zichzelf noch beschouwd in onderling verband is hier sprake van zodanige gedragingen dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Dit nog los van de vraag of het om (verwijtbare) gedragingen van de vrouw gaat, zoals in het geval van de beweerdelijke afdracht van zijn loon, en van de complicaties en ondoorzichtigheid van het complexe gezinssysteem, zoals beschreven in het raadsrapport, waar ook partijen geruime tijd deel van hebben uitgemaakt.

Mede gelet op het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw (aanvullende) behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud.

Wel is in geschil of zij behoeftig is. In dit verband is door de man aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met wat de vrouw in redelijkheid aan inkomsten kan verwerven. Zij dient haar restverdiencapaciteit te benutten, aldus de man.

De vrouw betwist op zichzelf niet dat zij een inspanningsverplichting heeft om weer (gedeeltelijk) aan het werk te gaan, maar stelt dat zij zich thans -na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst- binnen het re-integratietraject oriënteert op haar arbeidsmogelijkheden, en nog in behandeling is bij een psycholoog.

Naar het oordeel van de rechtbank moet in het algemeen het passend zijn voor de gedeeltelijk arbeidsgeschikte alimentatiegerechtigde van beschikbare arbeidsmogelijkheden niet te hoog worden ingeschat. Dit geldt zeker wanneer spanningen rondom de echtscheiding het (verdere) herstel belemmeren, zoals afdoende blijkt uit de door de vrouw overgelegde verklaring van genoemde psycholoog.

Ook dit verweer van de man faalt dus.

Verder heeft de man aangevoerd dat hij draagkracht mist voor de gevraagde bijdrage.

Bij de vaststelling van diens draagkracht heeft de rechtbank de door de man op 10 april 2015 overgelegde draagkrachtberekening als uitgangspunt genomen, en is bij het onderzoek daarnaar uitgegaan van het huidige niet betwiste bruto arbeidsinkomen van de man en de premie ziektekosten van € 136,- per maand.

Over een drietal posten hebben partijen debat gevoerd. Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.

De man stelt dat hij zijn huidige, op 1 april 2014 betrokken, huurwoning deelt met twee broers. Samen met een van hen betaalt hij de huurprijs, de andere broer betaalt naar zijn zeggen de boodschappen. Voor zijn aandeel in de huur heeft de man een bedrag van € 300,- per maand meegenomen.

Gegeven de woonsituatie acht de vrouw deze onderlinge afspraak discutabel, althans onduidelijk.

Met de vrouw komt de rechtbank genoemd aandeel te hoog voor. Gelet op de huurprijs, met inbegrip van een geschat bedrag aan gemaakte kosten voor gemeenschappelijke ruimten, stelt de rechtbank de huurlast daarom in redelijkheid vast op 750 : 3 = € 250,- per maand.

Met de kosten van herinrichting van degene die aan zijn ex-partner de inboedel heeft gelaten kan, afhankelijk van de omstandigheden, geheel of ten dele rekening worden gehouden.

Wel moet de noodzaak van herinrichting vaststaan en aannemelijk zijn dat deze kosten daadwerkelijk zijn of moeten worden gemaakt.

Volgens de man rust op hem een maandelijkse verplichting van € 125,- ter zake van herinrichtingskosten. Naar de rechtbank begrijpt stelt de man dat een van zijn broers ten behoeve van de inrichting van het gezamenlijk gehuurde een schuld is aangegaan van

€ 5.000,-. De vrouw betwist dat.

Nu het op de weg van de man had gelegen om zijn betwiste stelling nader te onderbouwen, hetgeen is nagelaten, laat de rechtbank deze last buiten beschouwing.

Hetzelfde geldt voor de maandelijkse aflossing van € 150,- van een lening van € 3.000,-, die de man naar eigen zeggen bij vrienden en kennissen heeft afgesloten.

Op grond van het bovenstaande resteert voor partneralimentatie vóór berekening van het belastingvoordeel een bedrag van € 85,- per maand.

In de wet is echter bepaald dat kinderen voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden als de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen.

De man heeft een voor levensonderhoud beschikbare draagkracht van in totaal € 110,- per maand. Dit is ruim onvoldoende om volledig te kunnen voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man dient daarom zijn volledige draagkracht van € 110,- per maand te gebruiken voor het kind, zodat ter hoogte van dit bedrag een kinderalimentatie zal worden opgelegd.

Verdeling

3.6.

De vrouw heeft, onder bijvoeging van een voorstel ter zake, verzocht de verdeling van de gemeenschap aldus vast te stellen dat:

a. a) het bed en de kledingkast alsmede de goederen ten behoeve van het kind van partijen aan de vrouw worden toebedeeld zonder verrekening;

b) de sieraden, die tijdens het huwelijk aan de vrouw zijn gegeven, aan de man worden toebedeeld, onder verrekening van de totale waarde ervan in die zin dat de man een bedrag van € 6.250,- aan de vrouw dient te voldoen;

c) partijen dienen over te gaan tot opheffing van de gezamenlijke ABN/AMRO-rekening met nr. [rekeningnummer], waarbij hetzij het creditsaldo bij helfte door partijen wordt gedeeld dan wel het debetsaldo door beide partijen, ieder voor de helft, wordt voldaan, met bepaling dat de man zijn medewerking dient te verlenen aan de opheffing van die bankrekening en dat bij gebreke daarvan binnen vijf dagen na de beschikking, de noodzakelijke, vervangende toestemming daarbij geacht is te zijn gegeven;

d) de ABN/AMRO-rekening met nr. [rekeningnummer] aan de vrouw wordt toebedeeld zonder verrekening van het saldo;

e) de op naam van de man staande bankrekening aan de man wordt toebedeeld onder verrekening van het saldo bij helfte;

f) de man aan de vrouw voldoet een bedrag van $ 10.000,-, zoals partijen zijn overeengekomen in de huwelijksakte in geval van beëindiging van hun huwelijk;

g) de man aan de vrouw een perceel grond ter grootte van 126 m² overdraagt, zoals partijen zijn overeengekomen in de huwelijksakte;

h) de vrouw zorgdraagt voor aflossing van de studieschuld, en de man in verband hiermee een bedrag van € 1.888,79 aan de vrouw moet voldoen;

i. i) de vrouw zorgdraagt voor aflossing van de belastingschuld ter zake van teveel ontvangen kindgebonden budget en zorgtoeslag, en de man in verband hiermee een bedrag van

€ 1.230,50 aan de vrouw moet voldoen;

j) de vrouw zorgdraagt voor aflossing van de schuld aan haar broer in verband met de kosten van de bruiloft van partijen, en de man in verband hiermee een bedrag van € 6.250,- aan de vrouw moet voldoen;

k) partijen gehouden zijn de belastingschulden te voldoen in verband met teveel ontvangen toeslagen of tegemoetkomingen gedurende het huwelijk, ieder voor de helft van het totale

bedrag.

De man voert verweer, waarop hierna voor zover nodig wordt teruggekomen.

3.7.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot verdeling.

Ten aanzien van het recht dat op het huwelijksvermogensregime van toepassing is, overweegt de rechtbank als volgt.

Op grond van artikel 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 (hierna: het verdrag) wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht dat de echtgenoten vóór het huwelijk hebben aangewezen. Van een dergelijke, expliciete aanwijzing is hier niet gebleken.

De man heeft nog een beroep gedaan op de Muslim Family Laws Ordinance 1961, waaraan de huwelijksakte (volgens eerdergenoemde vertaling in het Nederlands) is onderworpen, en op grond daarvan betoogd dat een rechtskeuze is gedaan voor dan wel huwelijkse voorwaarden zijn gemaakt naar Pakistaans recht.

Deze, door de vrouw betwiste en niet nader onderbouwde, stelling faalt. In de (vrij toegankelijke) Engelse tekst van deze Ordinance ontbreekt immers elke aanwijzing daarvoor.

Artikel 4, eerste lid, van het verdrag bepaalt vervolgens dat het huwelijksvermogensregime bij gebreke van een rechtskeuze wordt beheerst door het interne recht van de staat op welks grondgebied de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. De vrouw woonde ten tijde van het aangaan van het huwelijk in Nederland, de man in Pakistan. Naar onweersproken is en blijkt uit de gemeentelijke basisadministratie heeft de man zich in maart 2005 in Nederland gevestigd. Er was dus geen sprake van een zogeheten eerste huwelijksdomicilie.

Op grond van artikel 4, tweede lid, voor zover hier van belang, van het verdrag is dan het interne recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen van toepassing.

Dat de man de Afghaanse nationaliteit bezit is niet meer in geschil.

De vrouw stelt eveneens die nationaliteit te bezitten, maar heeft dit niet met stukken onderbouwd. Dit sluit ook aan bij het feit dat de gba haar nationaliteit van een andere staat niet heeft kunnen vaststellen.

Uit de stukken en het verhandelde te zitting is echter naar voren gekomen, ten eerste, dat partijen een volle neef en nicht van elkaar zijn, ten tweede, dat de man zelf ervan is uitgegaan dat partijen beiden de Afghaanse nationaliteit bezitten, en ten derde, dat de vrouw is geboren in Polen toen haar vader aldaar de functie bekleedde van diplomatiek vertegenwoordiger van Afghanistan. Daarmee is voor de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat beiden Afghaan zijn.

Gelet hierop zal de rechtbank, en voor zover nodig onder toepassing van artikel 10:16, tweede lid van het BW, voor het huwelijksvermogensregime van partijen bij aanvang van het huwelijk aanknopen bij het Afghaans recht.

Ten slotte is van belang artikel 7, tweede lid van het verdrag.

Voor zover hier van belang is daarin bepaald dat indien de echtgenoten noch het toepasselijke recht hebben aangewezen noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen, het interne recht van de staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben toepasselijk wordt vanaf het tijdstip waarop zij beiden de nationaliteit van deze staat verkrijgen.

Alsdan is dit recht van het woonland van toepassing vanaf het moment waarop ook de andere echtgenoot, hier: de man, de nationaliteit van het woonland verkreeg. De man is genaturaliseerd tot Nederlander op 8 februari 2012.

Op grond van dit artikel is dus vanaf die datum Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Op grond van Nederlands recht zijn partijen in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, nu zij geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen.

Het hiervóór in het kort beschreven “wagonstelsel” van het verdrag houdt in dat de wijziging van het huwelijksvermogensregime slechts gevolg heeft voor de toekomst. De algehele gemeenschap van goederen omvat daarom slechts de activa die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan na 8 februari 2012. Op hetgeen ieder van de partijen voordien heeft verworven en op de daarvoor aangegane schulden blijft het Afghaanse huwelijksvermogensregime van toepassing. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid van het verdrag.

3.8.

De rechtbank zal zich eerst een oordeel vormen over de goederen waarop het Afghaans recht in elk geval van toepassing is, te weten het verzochte sub f) en g), hierna ook te noemen: de bruidsschat.

Wat het verzochte sub f) betreft, heeft de vrouw zich beroepen op een vertaling in het Engels van de in het Urdu opgemaakte huwelijksakte. Volgens de vrouw is de Engelse tekst opgemaakt bij het opstellen van de huwelijksakte zelf.

De man betwist de juistheid ervan.

Nu andersluidende wettelijke vermoedens of regels over de verdeling van de bewijslast als bedoeld in artikel 10:13 BW in het toepasselijke Afghaans recht zijn gesteld noch gebleken,

rust naar het oordeel van de rechtbank op de vrouw de bewijslast voor haar stelling.

De rechtbank stelt allereerst vast dat van de stukken waarop de vrouw zich beroept slechts afschriften zijn overgelegd, zodat hun ondersteunende bewijsrechtelijke functie betrekkelijk is.

Daartegenover heeft de man zich beroepen op de vertaling in het Nederlands van die huwelijksakte door een beëdigd tolk, waarvan de juistheid is bevestigd door de ter zitting aanwezige tolk. De rechtbank houdt het er daarom voor dat in de in het Urdu opgemaakte huwelijksakte geen aanknopingspunt kan worden gevonden voor de stelling van de vrouw. Aan de op dit punt afwijkende vertaling in het Engels komt daarom niet de betekenis toe die de vrouw daaraan gehecht wil zien. Aan het ter zitting door de vrouw gedane bewijsaanbod gaat de rechtbank voorbij, nu zij dit op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

3.9.

De aanspraak van de vrouw op het perceel grond sub g) staat wel vast.

Gelet op het verhandelde ter zitting zijn partijen het erover eens dat in de huwelijksakte staat dat de (feitelijke) overdracht al bij de huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden.

De vrouw stelt zich echter op het standpunt dat het perceel nog niet op haar naam staat.

Aan het door Bergmann/Ferid uitgegeven deel over Afghanistan onder de titel “Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht” ontleent de rechtbank het volgende.

Artikel 110 van het desbetreffende onderdeel luidt: “Die ehefrau kann über ihre Morgengabe kraft ihres Eigentums auf jede Art verfügen”.

De vrouw is kennelijk van mening dat zij nog niet het eigendom heeft verkregen.

Of de overdracht rechtens is gebeurd, kan thans niet worden vastgesteld. De man was hierover ter zitting niet (geheel) duidelijk. Nu de aanspraak vaststaat, ligt het in dit geval op de weg van de man te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat het perceel grond ook rechtens is overgedragen, en daarmee voor de vrouw een belang bij het verzochte is komen te ontvallen, zoals hij stelt.

Aan de man zal daarom gelegenheid wordt geboden zich hierover nader uit te laten.

3.10.

Wat betreft het verzochte sub b) stelt de rechtbank in de eerste plaats vast dat uit de huwelijksakte volgt dat er bij het huwelijk sieraden zijn gegeven aan de vrouw. Dat betekent dat op die sieraden het Afghaans huwelijksvermogensregime van toepassing is. De vrouw heeft ook gesteld dat zij die sieraden heeft ontvangen, maar niet meer in haar bezit heeft.

De vrouw dient zich uit te laten of, waarom en tot welk bedrag zij een vordering stelt op de man in verband met de sieraden, uitgaande van de toepasselijkheid van Afghaans recht.

3.11.

Wat het verzochte sub h) en j) betreft staat ook vast dat daarop het Afghaans recht van toepassing is, nu ter zitting onweersproken is gebleven dat de studieschuld is gemaakt vóór 2012 en het huwelijksfeest is gegeven in 2007.

Over de consequenties daarvan dienen partijen zich nog uit te laten, en in het bijzonder of partijen een regeling voorstaan die afwijkt van de in het Nederlandse recht gebruikelijke afwikkeling van een schuld.

3.12.

Op het verzochte sub a), i) en k) is Nederlands recht van toepassing. Uit hetgeen door de vrouw onbetwist naar voren is gebracht blijkt voldoende dat de desbetreffende belastingschulden zijn ontstaan na de datum waarop ingevolge het “wagonstelsel” het huwelijksvermogensregime is gewijzigd.

Voor een beslissing daarop acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht.

Het verzochte sub a) is toewijsbaar; de man heeft zich daartegen niet verzet, en bovendien geldt in het algemeen dat een inboedel geen geldelijke waarde vertegenwoordigt. De rechtbank houdt het er daarom voor dat de vrouw daarbij niet zal worden overbedeeld, zodat er geen aanleiding is voor een verrekening.

Wat de schulden betreft overweegt de rechtbank dat toedeling van schulden niet aan de orde kan zijn; een beslissing daarover kan niet meer kan behelzen dan de mate waarin ieder draagplichtig is.

Nu niet is gebleken dat partijen hebben willen afwijken van de hoofdregel dat ieder de helft van die totale last voor zijn rekening neemt, zal de rechtbank aldus beslissen. Voor zover door een van beiden meer dan de helft wordt gedragen, bestaat voor dat meerdere verhaal op de ander.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat voor wat betreft de schuld sub i) de eerdere overweging onder 3.4. dat de rechtbank geen rekening zal houden met een vermindering van de behoefte van het minderjarige kind van partijen met het kindgebonden budget, omdat de belastingdienst die aanspraak verrekent met de onderhavige schuld van partijen aan de belastingdienst, voormeld uitgangspunt niet anders maakt. Dat wil zeggen dat ook als de vrouw middels verrekening meer dan de helft van deze schuld voor haar rekening neemt, zij het meerdere kan verhalen op de man. Daarvoor is redengevend dat de hogere behoefte van het kind doordat met het kindgebonden budget geen rekening wordt gehouden, niet resulteert in een hogere door de man te betalen kinderalimentatie.

3.13.

Ten aanzien van het verzochte sub c) tot en met e) geldt, uit de aard der zaak, dat daarop Nederlands recht van toepassing is. Voor de peildatum van de waardering sluit de rechtbank aan bij die voor de omvang van de gemeenschap, en dus bij 18 juni 2014.

Ook daarover moet partijen, zo mogelijk met bewijsstukken, zich nog uitlaten.

Beslist wordt als volgt.

4 Beslissing

4.1.

De rechtbank spreekt uit de echtscheiding tussen partijen.

4.2.

Het minderjarige kind [B] zal zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben.

4.3.

De rechtbank bepaalt het bedrag dat de man aan de vrouw zal verstrekken tot verzorging en opvoeding van het minderjarige kind op € 110,- per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.4.

De rechtbank bepaalt dat het bed en de kledingkast alsmede de goederen ten behoeve van het kind van partijen aan de vrouw worden toebedeeld zonder verrekening.

4.5.

De rechtbank bepaalt dat ieder van partijen in hun onderlinge rechtsverhouding de helft van de gemeenschappelijke schulden als bedoeld in rechtsoverweging 3.12 voor zijn rekening neemt.

4.6.

Deze beslissing is tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het gedeelte onder 4.1.

4.7.

De rechtbank houdt de behandeling van de zaak voor het overige pro forma aan tot 20 oktober 2015 met het hierboven onder punt 3.2 respectievelijk 3.9 tot en met 3.11 en 3.13 omschreven doel.

4.8.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2015, in tegenwoordigheid van J.D. Koteris als griffier.