Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4387

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
391545 HA RK 15-98
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer 391545 HA RK 15-98

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van: [verzoeker]

wonende te [woonplaats], verder te noemen verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Ter zitting van 30 april 2015 heeft verzoeker mr. W.S. Ludwig, rechter in de afdeling familierecht van deze rechtbank (hierna: de rechter), gewraakt. De rechter is belast met de behandeling van de zaken in het kader van de echtscheidingsprocedure tussen verzoeker en [A], die zijn geregistreerd onder zaaknummers C/16/373111/FL RK 14-1535 en C/16/378390/ FL RK 14-2168. Van de wraking is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft schriftelijk zijn standpunt weergegeven.

1.3.

De griffier van deze rechtbank heeft verzoeker en de rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 2 juni 2015. De belanghebbenden [A] en de Raad voor de Kinderbescherming zijn van de behandeling in kennis gesteld.

1.4.

Het wrakingsverzoek is op 2 juni 2015 in het openbaar behandeld. Daarbij is verzoeker verschenen. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen. De belanghebbenden hebben van de geboden mogelijkheid om bij de zitting aanwezig te zijn geen gebruik gemaakt.

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Verzoeker legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de rechter reeds een beslissing heeft genomen omtrent voorlopige voorzieningen tussen partijen. Het verzoek om de bodemprocedure door een andere rechter te laten behandelen heeft de rechter tweemaal ongemotiveerd afgewezen. Verzoeker twijfelt of zijn zaak door de rechter eerlijk en onbevooroordeeld zal worden behandeld. In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechter essentiële informatie die door verzoeker was aangeleverd genegeerd. Als gevolg van de beslissing van de rechter zijn hij en zijn wederpartij in een onmogelijke financiële wurgconstructie terechtgekomen. Door nu ook de bodemprocedure te behandelen, moet de rechter in feite zijn eigen beschikking toetsen.

2.2.

De rechter heeft naar voren gebracht dat de omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de genomen beslissingen omtrent de voorlopige voorzieningen, geen grond kan zijn voor wraking. Naar aanleiding van het bezwaar van verzoeker dat de rechter zijn eigen beslissing moet gaan toetsen, die hij in het kader van de voorlopige voorziening heeft gegeven, heeft de rechter naar voren gebracht dat in de bodemprocedure de zaak geheel opnieuw wordt beoordeeld, waarbij ook gekeken wordt naar nieuwe ontwikkelingen. Hij heeft toegelicht dat de bodemprocedure een heel ander karakter en een ander toetsingskader heeft dan de voorlopige voorzieningenprocedure, die naar zijn aard (die van een ordemaatregel) minder diepgaand is. Over de afwijzing van het verzoek van verzoeker om een andere rechter de zaak te laten behandelen heeft de rechter opgemerkt dat de afwijzingsbrieven door de griffie zijn geschreven, na overleg met de teamleider van de rechter en dat deze afwijzingen geheel in lijn zijn met de dagelijkse praktijk in de Afdeling familierecht van deze rechtbank.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij vooringenomenheid is, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

De door verzoeker aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens hem. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat een rechter in een eerder stadium van de procedure reeds bemoeienis heeft gehad met de zaak op zichzelf niet de vrees voor partijdigheid (EHRM 24 mei 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0800, Hauschildt/ Denemarken) en HR 16 januari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG4012). Dit kan anders zijn indien de rechter bij de eerdere bemoeienis een zodanig oordeel over de zaak heeft uitgesproken, dat hij reeds op de einduitspraak in de zaak is vooruitgelopen (EHRM 15 februari 2007, ECLI:NL:XX: Mathony/Luxemburg).

3.4.

Bij de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure treft de rechter een tijdelijke ordemaatregel voor de duur van het echtscheidingsgeding. In de bodemprocedure wordt geoordeeld over het eigenlijke echtscheidingsverzoek met eventuele nevenvorderingen. Daarbij wordt, zoals de rechter ook naar voren heeft gebracht, de zaak in zijn geheel opnieuw bekeken, waarbij alle relevante omstandigheden van het geval worden meegewogen. In de bodemprocedure wordt dan ook een ander toetsingskader gehanteerd dan in de voorlopige voorzieningenprocedure. Het gegeven van deze twee verschillende toetsingskaders brengt per definitie met zich dat in beginsel geen sprake kan zijn van een situatie waarbij de rechter in zijn uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure reeds is vooruitgelopen op de uitspraak in de bodemprocedure. Anders dan verzoeker betoogt is daarom evenmin aan de orde dat de rechter in de bodemprocedure de juistheid van de beschikking in de voorlopige voorziening procedure toetst.

3.5.

Gelet op het voorgaande staat het feit dat de rechter reeds een beschikking heeft genomen in de voorlopige voorzieningenprocedure er in beginsel niet aan in de weg dat hij ook het geschil in de bodemprocedure behandelt. Verzoeker heeft in zijn schriftelijke verzoek om behandeling door een andere rechter geen andere feiten en omstandigheden genoemd die zijn vrees voor het ontbreken van onpartijdigheid kunnen onderbouwen, dan zijn stelling dat de rechter reeds een beschikking heeft gegeven in de voorlopige voorzieningenprocedure. Onder deze omstandigheden kon worden volstaan met een afwijzing van dit verzoek, onder verwijzing naar de gebruikelijke gang van zake dat geen rekening wordt gehouden met de behandeling door dezelfde rechter in een eerdere zaak tussen dezelfde partijen.

3.6.

Het verwijt dat de rechter in de voorlopige voorzieningenprocedure is voorbijgegaan aan essentiële informatie, betreft de inhoud van de beschikking in die voorlopige voorziening, die niet ter beoordeling van de wrakingskamer staat. Een beslissing ten nadele van verzoeker rechtvaardigt op zichzelf niet de vrees voor partijdigheid. Dit zou slechts anders zijn indien verzoeker feiten en omstandigheden naar voren zou hebben gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat vooringenomenheid en/of partijdigheid van de rechter er klaarblijkelijk toe hebben geleid dat van belang zijnde informatie ter zijde is geschoven. Dit heeft verzoeker echter niet gedaan. De enkele stelling van verzoeker dat er bij aanvang van de zitting in de voorlopige voorzieningenprocedure een "ons kent ons" sfeer hing tussen de rechter en de advocaat van de wederpartij is onvoldoende om vooringenomenheid van de rechter aan te nemen. Daar komt bij dat de beschikking, in het kader van een nadien door verzoeker ingestelde wijzigingsprocedure, de marginale toets door een andere rechter heeft doorstaan, zodat in ieder geval geen grond bestaat voor het oordeel dat de beschikking in de voorlopige voorziening dermate onjuist was dat reeds daaruit een vrees van voorningenomenheid gerechtvaardigd is.

3.7.

De voor het overige door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden geven evenmin grond te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt of dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt. Het verzoek tot wraking zal daarom ongegrond worden verklaard.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker en aan de rechter, alsmede aan de voorzitter van de Afdeling familierecht en de president van deze rechtbank;

4.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer voorts op deze beslissing te zenden aan de belanghebbenden [A] en de Raad voor de Kinderbescherming.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Slootweg, voorzitter, mr. L. Verschoor-Bergsma en

mr. I.P.H.M. Severeijns als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.