Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4384

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
392796 HA RK 15-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer 392796 HA RK 15-116

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van: Emballage Services Nederland B.V.

gevestigd te Hamburg, verder te noemen ‘Anker’.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Ter zitting van 21 mei 2015 heeft Anker bij de rechtbank het verzoek gedaan tot wraking van mr. D.J. van Maanen, rechter in de Afdeling Civiel recht van deze rechtbank (hierna: de rechter). De rechter is belast met de behandeling van de procedure in kort geding, geregistreerd onder het zaaknummer C/16/390066/ KG/ ZA 15-243, met de vennootschap naar Duits recht Warburg-HIH Invest Real Estate GmbH Warburg-Henderson (hierna: Henderson) als eiseres en Anker als gedaagde. Van het wrakingsverzoek is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Hij heeft schriftelijk zijn standpunt weergegeven.

1.3.

De griffier van deze rechtbank heeft Anker en de rechter opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 2 juni 2015. Henderson is in haar hoedanigheid van belanghebbende van de behandeling in kennis gesteld.

1.4.

Het wrakingsverzoek is op 2 juni 2015 in het openbaar behandeld. Daarbij is Anker verschenen. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen. Namens Henderson was aanwezig mr. A. van der Hilst. .

1.5.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

2.1.

Anker legt aan haar verzoek ten grondslag dat de rechter het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door haar niet in de gelegenheid te stellen te reageren op de repliek van Henderson.

2.2.

De rechter heeft naar voren gebracht dat beide partijen in gelijke mate hebben kunnen reageren op elkaars standpunten. De rechter wijst er op dat Anker voorafgaand aan de zitting een conclusie van antwoord met producties had ingediend en hij heeft de gang van zaken ter zitting als volgt toegelicht. Eerst heeft Henderson haar pleitnota voorgedragen. Daarna heeft Anker haar pleitnota voorgedragen en zij heeft aansluitend daarop nog gereageerd op de pleitnota van Henderson. Daarna heeft de rechter één vraag gesteld. Vervolgens heeft de rechter Henderson in de gelegenheid gesteld om te reageren op de pleitnota van Anker, van welke gelegenheid Henderson gebruik heeft gemaakt. Na de reactie van Henderson op de pleitnota achtte de rechter zich voldoende geïnformeerd om tot een beslissing te kunnen komen en heeft hij geen vragen meer gesteld. Toen de rechter de behandeling wilde sluiten onderbrak de advocaat van Anker hem en verzocht om nogmaals het woord te mogen voeren. Na de weigering van de rechter om het woord te voeren heeft Anker de rechter gewraakt. De rechter stelt dat partijen hebben kunnen reageren op elkaars pleitnota en ter zitting in gelijke mate aan het woord zijn geweest en dat hij zich voldoende geïnformeerd voelde. Volgens de rechter valt niet in te zien dat Anker nog recht had op een extra termijn. Indien hij Anker nogmaals het woord had gegeven, zou dit betekenen dat Anker, anders dan Henderson een tweede extra ronde zou krijgen en dat zij zodoende zou worden bevoordeeld.

3 De beoordeling

3.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

3.2.

De door Anker aangevoerde feiten en/of omstandigheden houden niet in dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens haar. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of naar objectieve maatstaven sprake is van feiten en omstandigheden die Anker grond hebben gegeven voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid heeft ontbroken.

3.3.

Het hier aan de orde zijnde beginsel van hoor en wederhoor is een fundamenteel rechtsbeginsel. Indien bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing dit beginsel van hoor en wederhoor is veronachtzaamd kan niet worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

3.4.

Uitgangspunt is dat de behandelend rechter de regie heeft van de zitting en het is aan de behandelend rechter om te beoordelen of in de gegeven omstandigheden aan het beginsel van hoor en wederhoor is voldaan. De beslissing om een partij de gelegenheid te bieden om het woord te voeren is dan ook een procesbeslissing die zich in beginsel niet leent voor een oordeel door de wrakingskamer. Dit is slechts anders, indien die beslissing in de gegeven situatie zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat het de rechter aan de vereiste onpartijdigheid ontbreekt, of dat de rechter vooringenomen is, objectief gerechtvaardigd is.

3.5.

Anker heeft de volgorde van de gebeurtenissen op de zitting zoals weergegeven door de rechter, niet betwist, zodat ook de rechtbank daarvan uitgaat. Dat betekent dat ter zitting van het kort geding Henderson als eisende partij, als eerste het woord heeft gevoerd, dat daarna Anker het woord heeft gevoerd en dat vervolgens - nadat de rechter een vraag had gesteld - Henderson heeft mogen reageren op Anker.

Uit de toelichting van de rechter in het kader van het wrakingsverzoek wordt duidelijk dat de rechter geen reden zag om Anker daarna het woord te geven, omdat zij reeds in de conclusie van antwoord, die voorafgaand aan de zitting was overgelegd, een reactie had gegeven op het standpunt van Henderson, zodat in zijn optiek partijen in gelijke mate de gelegenheid hebben gehad om op elkaars standpunten te reageren. Met dit oordeel strookt evenwel niet dat vervolgens Henderson nog wel een termijn wordt gegund en Anker niet.

Anker ging er vanuit - en in beginsel mocht zij daar gelet op het beginsel van hoor en wederhoor ook op vertrouwen - dat zij als gedaagde partij als laatste aan het woord zou komen en dus nog de gelegenheid zou krijgen om te reageren op hetgeen Henderson naar voren had gebracht in reactie op haar pleitnota. De wrakingskamer is zich ervan bewust dat de nodige situaties denkbaar zijn waarin van dit beginsel kan worden afgeweken. De rechter heeft echter in zijn schriftelijke toelichting voor de wrakingskamer onvoldoende duidelijk gemaakt waarom daar in dit geval een grond voor was. Het enkele feit dat ieder al een ronde heeft gehad kan daarvoor als eerder overwogen geen grond zijn nu Henderson een extra termijn is gegund. Nu de rechter niet ter zitting is verschenen, kan de wrakingskamer op grond van de schriftelijke toelichting geen verklaring voor dit verschil in behandeling vinden. De wrakingskamer betrekt bij haar beslissing voorts het volgende. Anker heeft ter zitting van de wrakingkamer naar voren gebracht dat Henderson eerst in haar reactie op de pleitnota van Anker een essentieel punt naar voren had gebracht en dat het voor haar van groot belang was haar reactie daarop nog onder de aandacht van de rechter te kunnen brengen. Dat die mogelijkheid door de rechter onder ogen is gezien volgt niet uit het proces verbaal van de zitting in het kort geding noch uit de toelichting van de rechter. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden de beslissing van de rechter, waarbij hij ter zitting in kort geding niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom naar zijn oordeel partijen reeds in gelijke mate het woord hadden gevoerd zodanig onbegrijpelijk, dat dit bij Anker de gerechtvaardigde vrees heeft kunnen oproepen dat deze beslissing was ingegeven door vooringenomenheid. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij slechts heeft geoordeeld dat door het handelen van de rechter de schijn daarvoor is opgewekt, maar dat daarbij geen oordeel is gegeven over de vraag of daadwerkelijk sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

3.6.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot wraking gegrond verklaren.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking gegrond,

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan Anker en aan de rechter alsmede aan de voorzitter van de Afdeling Civiel recht en de president van deze rechtbank,

4.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer voorts op deze beslissing te zenden aan de belanghebbende Henderson.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Slootweg, voorzitter, mr. L. Verschoor-Bergsma en mr. I.P.H.M. Severeijns als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. S. Meurs, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.