Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4365

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
3821875 MC EXPL 15-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zijn de werknemers die zijn overgenomen door gedaagde van rechtswege of door middel van opvolging in dienst gekomen van gedaagde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 71
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1123
RAR 2015/127
RBP 2015/76
JAR 2015/157
AR-Updates.nl 2015-0560
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer/ rolnummer: 3821875 MC EXPL 15-951

datum : 3 juni 2015

Vonnis in het incident in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKVERENIGING, rechtsopvolger van ABVAKABO FNV,

gevestigd te Amsterdam,

2 [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3 [eiseres sub 3],

wondende te [woonplaats],

4 [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

5 [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

gedaagden in het incident,

gemachtigde mr. A. Simsek en mr. J.H.M. Klerks,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

gedaagde,

eiseres in het incident,

gemachtigde mr. B.F.H. Rumora-Scheltema en mr. H.T. ten Have,

Partijen zullen hierna FNV c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van de kantonrechter

- pleitnota gedaagde van 26 mei 2015

- pleitnota eiseres van 26 mei 2015

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een vennootschap onder firma met beperkte aansprakelijkheid die op 20 juni 2014 is opgericht.

2.2.

Estro Kinderopvang B.V. is op 5 juli 2014 samen met Estro Groep B.V., Estro Services B.V. en Estro Educatie B.V. failliet verklaard. Estro Groep exploiteerde een kinderopvangbedrijf met circa 380 vestigingen in Nederland. Estro Groep had circa 3600 werknemers in dienst. [gedaagde] heeft per datum faillissement circa 250 vestigingen en 2600 werknemers overgenomen van Estro Groep. De overige werknemers zijn door de curator in het faillissement van Estro Groep ontslagen, waaronder eiseressen 2 tot en met 4. Deze overname is gerealiseerd op basis van het project Butterfly, inhoudende dat het gezonde deel van Estro Groep middels een pre-pack faillissement is overgenomen en direct is voortgezet door de nieuwe eigenaar.

3 Het geschil

3.1.

FNV stelt zich (in de hoofdzaak) primair op het standpunt dat op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ) van de EG de pre-pack niet is gericht op liquidatie maar op doorstart en aldus de Richtlijn 2011/23/EG van toepassing is, zodat alle werknemers van de overgenomen vestigingen, inclusief eiseressen 2 tot en met 5, op basis van een richtlijn conforme interpretatie van de artikelen 7:662 e.v. BW van rechtswege met behoud van al hun arbeidsvoorwaarden, in dienst zijn gekomen bij [gedaagde]. Subsidiair stelt FNV zich op het standpunt dat indien de Richtlijn 2011/23/EG niet van toepassing zou zijn bij een pre-pack en/of de tekst van artikel 7:666 BW een richtlijnconforme interpretatie uitsluit, desondanks de artikelen 7:662 e.v. BW van toepassing zijn nu het tijdstip waarop de overgang van de onderneming plaatsvond vóór de datum van het faillissement ligt. Aldus zijn de werknemers van de overgenomen vestigingen van rechtswege in dienst getreden bij [gedaagde]. Meer subsidiair stelt FNV zich op het standpunt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap op grond van artikel 7:668a tweede lid BW.

3.2.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter onbevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil met het verzoek de zaak op de voet van artikel 71 lid 1 Rv te verwijzen naar een (meervoudige) kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Zij voert daartoe aan dat het geschil geen waardezaak of aardzaak betreft in de zin van artikel 93 Rv. De kernvraag in onderhavige procedure is volgens [gedaagde] of in een faillissement bij toepassing van een pre-pack, de uitzondering op de Europeesrechtelijke en nationale regels inzake overgang van onderneming van toepassing zijn. Dit ziet op het faillissementsrecht en in wezen niet op de arbeidsovereenkomsten van eiseressen 2 t/m 5. Het gaat immers niet om de inhoud, interpretatie, toepassing of uitleg van de arbeidsovereenkomsten. Daarbij komt dat afdoening van onderhavige zaak meer geschikt wordt geacht door een meervoudige kamer dan door de enkelvoudige kantonrechter, vanwege de complexiteit van de te beantwoorden rechtsvraag.

3.3.

FNV stelt dat voor de bevoegdheid van de kantonrechter bepalend is de grondslag van de vordering. De kernvraag is volgens FNV of de werknemers in dienst zijn getreden van [gedaagde] en of tussen betrokkenen een arbeidsovereenkomst bestaat. De vorderingen gaan om behoud van werk en behoud van loon.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

Op grond van art. 71 lid 3 Rv geldt dat de rechter (hier de kantonrechter) aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil, moet beoordelen of verwijzing naar een andere kamer (waarin geen kantonzaken worden behandeld) nodig is. De kantonrechter moet zich dus een voorlopig oordeel vormen over de rechtsverhouding waarop de vordering is gebaseerd. Met het FNV is de kantonrechter van oordeel dat de grondslag van de vordering bepalend is voor de vraag of de kantonrechter ex artikel 93 Rv bevoegd is van het geschil tussen partijen kennis te nemen. In weerwil van hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd is de kantonrechter van oordeel dat de grondslag van de vorderingen ligt in het arbeidsrecht. De vraag die voorligt, komt er samengevat op neer of de werknemers die in dienst waren bij Estro Groep op de locaties die zijn overgenomen door [gedaagde] van rechtswege of door middel van opvolging in dienst zijn gekomen van [gedaagde]. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het hier een aardzaak betreft in de zin van artikel 93 sub c Rv. De kantonrechter acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van het geschil.

4.3.

De vordering tot verwijzing naar de meervoudige kamer ex artikel 71 lid 1 Rv wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten in het incident te begroten op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

4.4.

De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 juli 2015 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde].

De beslissing in het incident

De kantonrechter:

wijst de vordering in het incident af;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 1 juli 2015 te 11.00 uur voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde];

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten in het incident aan de zijde van FNV c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.