Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4364

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
UTR 15/2609
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van RTL Nieuws om openbaarmaking van een notitie van een gesprek tussen oud-staatssecretaris Teeven met een ambtenaar van het ministerie van Veiligheid en Justitie over de schikking met een persoon af.

Het gaat hier om een voorlopige voorziening. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal de voorzieningenrechter in zo’n situatie een voorlopige voorziening treffen. Openbaarmaking van een document is namelijk naar haar aard niet voorlopig. Als buiten twijfel is dat een bepaald document openbaar moet worden gemaakt, kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

Van zo’n uitzonderlijke situatie is hier geen sprake.

Juist vanwege het strenge criterium voor het treffen van een voorlopige voorziening, wil het afwijzen van het verzoek nog niet zeggen dat in de bodemzaak het weigeren van openbaarmaking stand kan houden. De motivering van het primaire besluit schiet in ieder geval tekort. Daarom heeft de voorzieningenrechter enkele aandachtspunten geformuleerd als verweerder wil vasthouden aan de weigeringsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/2609

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2015 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

RTL Nieuws, als onderdeel van RTL Nederland B.V., te Hilversum, verzoekster

(gemachtigden: R.J.E. Vleugels en P.C. Klein),

en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J. Daalder).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekster om openbaarmaking van een notitie van een gesprek op 25 april 2014 tussen de oud-staatssecretaris van Justitie mr. F. Teeven (Teeven) en de Directeur-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving (DG) over de schikking met [A] afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M.S. van Muiswinkel.

Overwegingen

1. Het karakter van een voorlopige voorziening in het bestuursrecht is, zoals het woord al aanduidt, dat het moet gaan om een tussenmaatregel, dus met een voorlopig karakter, in afwachting van de bodembeslissing, dat wil zeggen de beslissing op bezwaar of de uitspraak op het beroep. Wat verzoekster in deze zaak vraagt, is naar haar aard een definitieve voorziening, want het gaat om openbaarmaking en die kan niet worden teruggedraaid, althans de feitelijke openbaarheid kan niet ongedaan worden gemaakt. Daarom is de voorzieningenrechter over het algemeen heel terughoudend met het treffen van een voorlopige voorziening in zaken waarin openbaarmaking op grond van Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is geweigerd. Vanuit dit beoordelingskader beoordeelt de voorzieningenrechter of er zwaarwegende belangen zijn die tot openbaarmaking in het kader van deze voorlopige-voorzieningprocedure nopen. Als buiten twijfel is dat een bepaald document of deel daarvan openbaar moet worden gemaakt, kan er aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Verzoekster heeft betoogd dat er een zwaarwegend belang is bij openbaarheid in deze procedure. De schikking met [A] keert al jaren telkens terug op de politieke agenda. Er is gelet op het onderwerp een zwaarwegend politiek en maatschappelijk belang bij helderheid. Niet-openbaarheid roept indringende vragen op over de waarachtigheid en kwaliteit van de informatievoorziening aan parlement en aan het publiek en schaadt het aanzien van de politiek.

Er zal door een commissie (commissie Oosting) onderzoek worden gedaan naar de schikking met [A], maar het beoogde tijdstip waarop een rapport zal worden uitgebracht is pas in december 2015. Het is volgens verzoekster ondenkbaar dat de gespreksnotitie of de gegevens daaruit in dat kader niet op enig moment openbaar zou worden. Volgens verzoekster kan echter niet gewacht worden tot december 2015. Van belang is hierbij dat Teeven, één van de hoofdrolspelers in deze kwestie, in het dagblad Het Parool van 19 mei 2015 uitlatingen heeft gedaan over de inhoud van het gesprek met de DG en dat het publiek hiermee nu op een onacceptabele informatieachterstand terecht komt. Het op dit moment niet openbaar maken van het document levert daarmee strijd op met een goede en democratische bestuursvoering.

3. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat in zijn optiek een zwaarwegend belang bij openbaarheid in deze voorlopige-voorzieningprocedure ontbreekt. De openbaarmaking van het document is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob. Verweerder heeft toegelicht dat het document een fragment is van een grotere discussie die gaat over de precieze afwikkeling van de schikking met [A] Wat in het document is vermeld zijn de herinneringen van één persoon, vele jaren na het sluiten van de schikking. Het is de vraag of deze herinneringen juist zijn. Als dit fragment op dit moment openbaar zou worden, raakt dit veel verschillende personen, zoals leden van het OM, het College van Procureurs-Generaal, bewindslieden, zoals de voormalige ministers Opstelten en Korthals, maar ook Teeven zelf. Er zijn mensen, zowel aan de kant van [A] als aan de kant van de Staat, op verschillende manieren betrokken geweest bij de totstandkoming en feitelijke uitvoering van de schikking. Al deze mensen worden benadeeld als er uit de grote stapel van feiten een klein deeltje wordt getrokken, waarvan niet duidelijk is of het juist is en waarbij de context van het gehele verhaal ontbreekt. Deze mensen kunnen zich hiertegen niet verweren, omdat simpelweg geen duidelijkheid bestaat over de feiten. Er moet dan ook eerst duidelijkheid komen over de feitelijke gang van zaken en daar is de commissie Oosting voor aangesteld. Het openbaar maken van dit documenten in dit stadium van de procedure levert daarmee voor de betrokkenen onevenredige benadeling op.

Verder heeft verweerder toegelicht dat het document is opgesteld voor intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen. Het gaat hier om een gesprek dat de DG op verzoek van de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie heeft gevoerd ten behoeve van het onderzoek naar de schikking door mr. H. van Brummen. De DG heeft op basis van zijn kennis van de feiten en omstandigheden vragen gesteld naar de herinneringen van Teeven over de schikking. Zowel door zijn keuze van de vragen als zijn verslaglegging van de herinneringen van Teeven, heeft hij blijk gegeven van zijn persoonlijke beleidsopvattingen over dit onderwerp. De notitie is niet gemaakt om gepubliceerd te worden, maar is alleen bedoeld voor intern beraad. Verweerder heeft tot slot gesteld dat de feiten die in het document zijn opgenomen teveel verweven zijn met deze persoonlijke beleidsopvattingen om ze te kunnen splitsen en deze alsnog in het kader van deze procedure openbaar te maken.

4. Met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter kennis genomen van de gespreksnotitie. Verzoekster heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

5. In dat wat verzoekster heeft betoogd en dat wat verweerder daartegenover heeft gezet, ziet de voorzieningenrechter geen zwaarwegend belang zoals nodig is om in het kader van deze voorlopige-voorzieningprocedure tot openbaarmaking over te gaan. Aan de zware toets die hiervoor in rechtsoverweging 1 is uiteengezet wordt niet voldaan. Van een situatie waarin met zekerheid kan worden gezegd dat dit document op enig moment in deze vorm openbaar zal worden gemaakt, is anders dan verzoekster aanneemt geen sprake. Wat verzoekster eigenlijk zegt is dat het logisch zou zijn dat dit via het rapport Oosting openbaar wordt. Die gedachte is voorstelbaar, maar zeker is het daarmee niet. Er is ook geen sprake van een situatie waarin buiten twijfel is dat de weigeringsgronden die verweerder heeft aangedragen met een aanvullende motivering in bezwaar zijn besluit om openbaarmaking te weigeren niet zullen kunnen dragen. Evenmin levert het gegeven dat Teeven zich publiekelijk heeft uitgelaten over zijn gesprek met de DG een situatie op waarin het publiek direct helderheid moet krijgen over de inhoud van dit gesprek, zodat dat een reden voor het treffen van een voorlopige voorziening zou zijn. Hierdoor is wel wat ophef en extra onduidelijkheid ontstaan, maar niet zo erg dat daardoor directe openbaarmaking niet langer achterwege kan blijven. Ter zitting is aan de orde gekomen de wens van verschillende Tweede-Kamerleden om nu kennis te kunnen nemen van de inhoud van dit document. In het kader van deze procedure vindt de voorzieningenrechter dit niet relevant: leden van de Tweede Kamer hebben immers hun eigen middelen om documenten te verkrijgen om parlementaire controle uit te kunnen oefenen. De Wob is daarmee niet voor het politieke bedrijf bedoeld en hun instemming met het voorliggende Wob-verzoek maakt voor de afweging van de vraag of er in deze voorlopige-voorzieningprocedure een zwaarwegend belang is bij openbaarmaking, dus niet uit. Het standpunt ter zitting van verzoekster dat deze Kamerleden daarmee de belangen van het publiek vertegenwoordigen, geeft geen extra gewicht aan het al door verzoekster genoemde belang van het publiek.

Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst.

6. Juist vanwege het strenge criterium voor het treffen van een voorlopige voorziening, wil het afwijzen van het verzoek nog niet zeggen dat in de bodemzaak het weigeren van openbaarmaking stand kan houden; het primaire besluit zoals dat er nu ligt schiet in ieder geval tekort. Daarom maakt de voorzieningenrechter hierna enige opmerkingen over de bij het nemen van de beslissing op bezwaar te betrekken aandachtspunten.

7.
Het betoog van verweerder ter zitting komt erop neer dat als gevolg van de openbaarmaking van de gespreksnotitie personen van hoog tot laag die betrokken waren bij de schikking (dus van bewindslieden tot de ambtenaren die de schikking feitelijk hebben uitgevoerd) onevenredig geraakt worden. Bestudering van de gespreksnotitie maakt niet op voorhand duidelijk dat daarvan sprake zou zijn, omdat in deze gespreksnotitie maar een beperkt aantal tot concrete personen te herleiden gegevens staat vermeld. Het door verweerder geschetste nadeel lijkt zich vooral uit te strekken tot personen die op hogere posities werken, zoals bewindspersonen, de voorzitter van het College van Procureurs etc. Voor die functionarissen lijkt het met naam of met een tot de persoon herleidbare functieaanduiding genoemd worden in documenten of op enige andere wijze gerelateerd worden aan deze bestuurlijke kwestie onderdeel van hun functie te zijn, waarmee de motivering van het standpunt dat openbaarmaking van de gespreksnotitie onevenredige benadeling oplevert, niet zonder nadere uitleg duidelijk is. Dus als verweerder deze weigeringsgrond in de te nemen beslissing op bezwaar wil handhaven, behoeft dit nadere aandacht.

8. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de feiten die zijn vermeld in de gespreksnotitie zo verweven zijn met de persoonlijke beleidsopvattingen van de DG dat ook een gedeeltelijke openbaarmaking van deze feiten niet mogelijk is. Bij lezing van de notitie plaatst de voorzieningenrechter hier vraagtekens bij. Zo valt die verwevenheid niet op het eerste gezicht in te zien bij bijvoorbeeld dat wat is opgenomen achter het dertiende gedachtestreepje en achter het laatste gedachtestreepje. Deze voorbeelden zijn niet limitatief. Het ziet er daarmee niet naar uit dat verweerder met de stofkam door dit document is gegaan en dat vergt een Wob-verzoek zoals dit wel. Ook de motivering van deze weigeringsgrond, als verweerder die in de te nemen beslissing op bezwaar wil handhaven, behoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar dus nog nadere aandacht.

9. Het verzoek van verzoekster om in deze uitspraak te bepalen dat verweerder spoedig op het bezwaar moet beslissen, gaat het bestek van deze procedure te buiten. Hoe begrijpelijk de wens ook is, zo’n oordeel is naar zijn aard geen voorlopige voorziening.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.