Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4346

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
16/661118-15; 16/053645-14(TUL) & 16/661316-14(TUL) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden voor een diefstal en een diefstal met braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661118-15; 16/053645-14(TUL) & 16/661316-14(TUL) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1996],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring Nieuwegein, locatie Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 31 januari 2015, al dan niet samen met anderen, heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te [woonplaats].

Feit 1 subsidiair: op 31 januari 2015, al dan niet samen met anderen, spullen heeft geheeld die toebehoren aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2].

Feit 2: op 1 januari 2015, al dan niet samen met anderen, heeft ingebroken in een woning aan de [adres].

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1:

De inbraak kan niet aan verdachte worden toegerekend. Verdachte heeft een verklaring afgelegd die overeenkomt met de verklaring van zijn medeverdachte. Ze waren sneeuwballen aan het gooien en toen kwam er een boze man achter hen aan. Verdachte is niet betrokken geweest bij de inbraak aan de [adres] in [woonplaats].

Niet kan worden vastgesteld of verdachte een rol heeft gehad bij de inbraak en wat die rol dan geweest is. De weggenomen goederen zijn niet onder verdachte aangetroffen. Evenmin kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die gestolen goederen van zich af heeft gegooid, dan wel dat de goederen die zijn teruggevonden van verdachte afkomstig zijn. Een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Er is geen sprake van medeplegen. Ook de heling van de goederen kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, nu niet vaststaat van wie de goederen die op de vluchtroute gevonden zijn, afkomstig zijn. Verdachte dient van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad geprobeerd heeft om in te breken in de woning. Dit was op 31 december 2014 vóór 00.00 uur. Hierbij is verdachte gewond geraakt. Vanwege zijn verwonding is hij direct naar het Antoniusziekenhuis gegaan, waar hij ongeveer twee uur geweest is. Hiervan is door de verdediging een bewijsstuk overlegd. De uiteindelijke inbraak is op 1 januari 2015 om 01.38 uur gepleegd. Verdachte was toen in het ziekenhuis. Aan verdachte is enkel de voltooide inbraak ten laste gelegd, terwijl er van een poging sprake is geweest. Om die reden dient verdachte ook van het aan hem onder 2 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Op 31 januari 2015 omstreeks 19.55 uur fietste verbalisant [verbalisant 1] op de [adres] in [woonplaats] ter hoogte van perceel [nummer]. Dit betreft een boerderij. Op de oprit zag hij een persoon lopen. Hij hoorde een geluid van vallende goederen en zag een persoon wegrennen. Vervolgens zag verbalisant [verbalisant 1] twee personen vanaf de oprit aan de [adres] wegrennen. Hij merkte alle drie aan als verdachten van een woninginbraak en volgde de verdachten. Twee verdachten is hij niet uit het oog verloren en heeft hij gevolgd totdat zij aangehouden waren. Hij zag dat de verdachten goederen van zich af gooiden.2 Verbalisant [verbalisant 1] hield de verdachte aan die bleek te zijn genaamd [medeverdachte]. [verbalisant 2] hield de verdachte aan genaamd [verdachte].3

[benadeelde 1] deed op 31 januari omstreeks 20.45 uur aangifte, mede namens [benadeelde 2] en [benadeelde 3], als eigenaar van een boerderij aan de [adres] te [woonplaats].4 Er was ingebroken in de boerderij.5 Verdachten van de inbraak zijn op hun vlucht aangehouden en verschillende goederen zijn op de vluchtroute aangetroffen. De volgende goederen werden weggenomen:

- fotocamera6

- Sony Ps-4 (de rechtbank begrijp Sony Playstation 4)7

- 1 briefje van € 5,00

- geld € 10,008

4.3.2

Aanvullende bewijsoverweging

Het medeplegen

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, omdat uit het dossier niet volgt dat er een actieve betrokkenheid van verdachte was bij de planning en de uitvoering van de inbraak dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken.

Zoals uit de bewijsmiddelen volgt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een van de plegers van de inbraak was. Ook volgt uit het dossier dat de groep waarmee verdachte was, voordat de inbraak plaatsvond, door de wijk liep en bijzondere interesse toonde in woningen waar geen licht brandde (zie pagina 144 en pagina 71 van het dossier). Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededaders op voorverkenning waren en er een gezamenlijk plan was om een woninginbraak te gaan plegen. Voor een veroordeling wegens medeplegen is niet vereist dat vast wordt gesteld wie welke rol heeft gespeeld tijdens de uitvoering van het strafbare feit. De rechtbank acht het feit dat verdachte met zijn mededaders op pad was en vanaf de oprit van de [adres] te [woonplaats] samen met zijn mededaders wegvluchtte voor de politie, terwijl daar net was ingebroken, voldoende om verdachte wegens medeplegen van inbraak te veroordelen.

4.3.3

Overweging vooraf ten aanzien van feit 2

De verklaring van verdachte

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 6 mei 2015 niet geloofwaardig. Bij de politie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij destijds niet wist waarover de politie hem ondervroeg en dat hij zich daarom op zijn zwijgrecht beriep. Uit de vraagstelling van de politie volgt echter duidelijk dat zij verdachte vragen hebben gesteld over bloed dat was aangetroffen bij een woning aan de [adres], nadat daar was ingebroken, welk bloed van verdachte afkomstig leek te zijn.

Vervolgens heeft verdachte ter terechtzitting, nadat hij, zoals hij zelf heeft verklaard, het gehele dossier had bestudeerd een verklaring afgelegd. Deze verklaring lijkt volledig te zijn afgestemd op de bevindingen in het dossier. Immers, uit de aangifte volgt dat op 31 december 2014 omstreeks 23.50 uur de daders voor het eerst bij de woning zijn geweest en dat zij pas op 1 januari 2015 omstreeks 01.36 uur de woning binnen zijn gegaan. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wel bij de woning is geweest, maar dat dit voor 00.00 uur was. Hij heeft toen geprobeerd in te breken en heeft daarbij zijn hand verwond. Nadat hij zijn hand verwondde, is hij direct naar het ziekenhuis gegaan en is daar ongeveer twee uur geweest. Verdachte is, naar eigen zeggen, niet in de woning geweest. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting een medische verklaring overlegd. Deze medische verklaring is afkomstig van de spoedeisende hulp van het St. Antoniusziekenhuis Utrecht. Hieruit volgt dat verdachte inderdaad op 1 januari 2015 met een handverwoning op de spoedeisende hulp is geweest. Met pen is op het stuk het ’00.20’ geschreven. Volgens de raadsman van verdachte is dit het tijdstip waarop verdachte bij de spoedeisende hulp is aangekomen. Dit tijdstip zou door de behandelend arts zijn genoteerd. De rechtbank acht dit volstrekt onaannemelijk. Het noteren van een tijdstip met pen op een uitdraai van medische gegevens is geen normale gang van zaken. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat het vaak zeer druk en hectisch is op de spoedeisende hulp. Artsen en verpleging zullen doorgaans niet, zonder dat daarvoor een goede reden is, extra handelingen verrichten die niet direct noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun vak. Ook blijkt nergens uit dat de opgeschreven getallen een tijdstip aanduiden.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien en gelet op het tijdstip waarop verdachte met deze verklaring is gekomen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte, zoals ter terechtzitting afgelegd, ongeloofwaardig en zal deze terzijde stellen.

4.3.4

Het bewijs ten aanzien van feit 2

[benadeelde 4], adres [adres], heeft verklaard dat er op 1 januari 2015 in zijn woning is ingebroken. De woning is voorzien van camera’s. Via deze beelden is te zien hoe de daders te werk zijn gegaan. Op 1 januari 2015 om 01.36 uur hebben ze de woning betreden.9 Door middel van een steen is een ruit ingegooid. Via het ontstane gat zijn de daders de woning binnen gekomen. De volgende goederen zijn weggenomen tijdens de inbraak:

- Iphone 4S

- Samsung Galaxy

- Horloge Patek Philippe

- Horloge Patek Philippe10

Er is onderzoek verricht aan de woning aan de [adres].11 Er was een ruit vernield. Op enkele glasscherven zaten diverse bloeddruppels. Er werden monsters van het bloed veiliggesteld. AAHV8369NL betreft bloed veiliggesteld van een glasscherf.12 AAHV#8369NL levert een macht op het DNA-profiel 27794 van kleiner dan één op één miljard. Het DNA-profielcluster 27794 hoort bij [verdachte] (geboren op [1996]).13

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 31 januari 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een grote hoeveelheid goederen/geld, waaronder een playstation en een fotocamera en een geldbedrag van in ieder geval 5 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3];

2.

op 1 januari 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een mobiele telefoon merk: iphone 4 S en een mobiele telefoon merk: Samsung Galaxy en twee horloges van het merk Patek Philippe, toebehorende aan [benadeelde 4], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Mocht wel tot strafoplegging overgegaan worden, dan heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, het feit dat dit de eerste keer is dat verdachte in detentie zit en dit hem zwaar valt, als ook met het feit dat verdachte lijdt aan de Ziekte van Crohn. Meer specifiek heeft de raadsman verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, met daarnaast een voorwaardelijk gevangenisstraf als stok achter de deur.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in korte tijd twee woninginbraken gepleegd. Aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning, als ook bij buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen en enkel vanuit zijn eigen gewin gehandeld.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Voor een insluiping resp. inbraak in een woning, waarbij sprake is van recidive, wordt in de oriëntatiepunten uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie resp. vijf maanden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 11 maart 2015. Uit zijn strafblad volgt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens diefstal. Zijn laatste veroordelingen zijn van 6 mei 2014. Door de kinderrechter zijn toen voorwaardelijke gevangenisstraffen aan verdachte opgelegd. De tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke gevangenisstraffen is door de officier van justitie gevorderd.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het door Victas opgestelde reclasseringsadvies van 15 april 2015. Hieruit volgt dat er ten aanzien van meerdere leefgebieden zorgen bestaan over verdachte. Zo maakt hij onderdeel uit van een overlastgevende jongerengroep en bestaan er aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk. Het recidiverisico wordt door de Reclassering als hoog ingeschat. Er wordt voorgesteld een toezicht met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen. De voorgestelde bijzondere voorwaarden zijn -kort gezegd-: een meldplicht, een drugsverbod, een locatiegebod, medewerking verlenen aan verdiepingsdiagnostiek en (indien geïndiceerd) een ambulante behandeling, als ook het verlenen van medewerking aan dagbesteding en een re-integratietraject bij Stichting Gids of een soortgelijke instelling. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard akkoord te gaan met de voorwaarden die de Reclassering voorstelt, met uitzondering van de ambulante behandeling. Verdachte heeft toegezegd zijn medewerking te verlenen als de bijzondere voorwaarden aan hem opgelegd zouden worden.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Niet kan worden volstaan met een andere straf dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de feiten, alsmede het feit dat verdachte in 2014 twee keer tot voorwaardelijke gevangenisstraffen is veroordeeld wegens soortgelijke feiten, zal de rechtbank hiertoe overgaan. Wel ziet de rechtbank, gelet op de jeugdige leeftijd van verdachte, aanleiding de door de officier van justitie geëiste straf enigszins te matigen en een deels voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur. Rekening houdend met het advies van Victas van 15 april 2015 bestaat ook aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden waaraan verdachte zich tijdens de proeftijd moet houden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] betreffende het verlies van de gouden ring toe te wijzen, te weten een bedrag van € 740,00. Ook heeft de officier van justitie ambtshalve gevorderd een bedrag van € 50,00 wegens de geschatte schade aan de kast aan de benadeelde partij te vergoeden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat die onvoldoende is onderbouwd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [benadeelde 2], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde een bon overlegd betreffende de geschatte waarde van een gouden ring die de benadeelde na de inbraak niet meer heeft kunnen vinden. Ter toelichting heeft de benadeelde verklaard dat er tijdens de inbraak een kast in zijn woning is opengebroken en dat hij pas later heeft geconstateerd dat hij de ring mist. Hij denkt dat hij de ring bewaarde in een doosje in de kast. In de aangifte is deze ring niet opgenomen als goed dat tijdens de inbraak gestolen is.

Gelet op de eigen verklaring van de benadeelde dat hij denkt dat de ring in de kast lag, in relatie tot de aangifte waarin de ring niet is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Om die reden wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het door de officier van justitie geschatte bedrag betreffende schade aan de kast wordt gepasseerd. Deze schade is immers niet door de benadeelde partij gevorderd.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van parketnummer 16/053645-14

Bij de stukken bevindt zich de op 10 februari 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/053645-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 mei 2014 van de Kinderrechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. In de vordering is vermeld dat op 6 mei 2014 onder genoemd parketnummer twee weken gevangenisstraf zou zijn opgelegd, terwijl dit jeugddetentie moet zijn. De rechtbank begrijpt de vordering aldus dat de officier van justitie beoogt de omzetting te vorderen in gevangenisstraf van de indertijd opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in artikel 366a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, op 28 mei 2014 aan verdachte is verzonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf te gelasten, met dien verstande dat de jeugddetentie zal worden omgezet in gevangenisstraf.

Ten aanzien van parketnummer 16/661316-14

Bij de stukken bevindt zich de op 10 februari 2015 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/661316-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 mei 2014 van de Kinderrechter te Utrecht, waarbij verdachte volgens de vordering is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Blijkens het extract vonnis behorende bij parketnummer blijkt echter dat verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Omdat de rechtbank slechts kan beslissen op de vordering van de officier van justitie, zal de rechtbank bij haar beslissing uitgaan van een vordering van twee weken en niet van drie maanden, met als gevolg dat de opgelegde voorwaardelijke straf slechts gedeeltelijk, voor een periode van twee weken, kan worden ten uitvoer gelegd. Daarnaast begrijpt de rechtbank de vordering zo dat de officier van justitie heeft bedoeld de omzetting van voorwaardelijke jeugddetentie in gevangenisstraf (ex artikel 77k Sr) te vorderen.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in artikel 366a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, op 2 juni 2014 aan verdachte is verzonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, zoals gevorderd op de vordering van de officier van justitie te gelasten, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 47, 57, 77k en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

- Bepaalt dat een gedeelte, te weten 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis, dan wel – voor het geval veroordeelde zich dan nog in detentie bevindt – binnen drie dagen volgend op zijn ontslag uit de penitentiaire inrichting, meldt bij de afdeling van de Reclassering van Victas, op het adres A.B.C.-straat 5 te Utrecht. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland/Victas blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat, gedurende de proeftijd, nodig vindt;

5. geen drugs gebruikt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. De controle op de naleving van deze bijzondere voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urinecontroles indien de reclassering dit noodzakelijk acht;

6. verplicht meewerkt aan dagbesteding en aan een re-integratietraject bij Stichting Gids of een soortgelijke instelling.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland/Victas om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

- Verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Vordering tenuitvoerlegging

- Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van de kinderrechter van 6 mei 2014 (parketnummer 16/053645-14) opgelegde voorwaardelijke straf, omgezet in een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

- Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van de kinderrechter van 6 mei 2014 (parketnummer 16/16/661316-14) opgelegde voorwaardelijke straf, omgezet in een gevangenisstraf van 2 (twee) weken.

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk is aan de duur van de in deze zaak onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen

aan de [adres]) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid goederen/geld,

waaronder een playstation en/of een I-mac en/of een koptelefoon en/of een

fotocamera en/of een geldbedrag (van in ieder geval 5 euro), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]

en/of [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, in elk geval in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

een (grote) hoeveelheid goederen, waaronder een spelcomputer (merk:

Playstation)(toebehorend aan [benadeelde 5]) en/of een computer (merk: Acer)

en/of een tas (merk: Topshelf)(toebehorend aan [benadeelde 1]) en/of een

e-reader en/of een sleutelbos (toebehorend aan [benadeelde 2]) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen wist, in elk geval

redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van strafrecht

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen

aan de [adres]) heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk:

iphone 4 S) en/of een mobiele telefoon (merk: Samsung Galaxy) en/of twee

horloges (van het merk Patek Philippe), in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [benadeelde 4], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 65.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 66.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 46.

5 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 47.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 51.

7 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 52.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 53.

9 Het proces-verbaal van aangifte van aangever [benadeelde 4], p. 88.

10 Het proces-verbaal van aangifte van aangever [benadeelde 4], p. 89.

11 Het proces-verbaal sporenonderzoek van [verbalisant 3], p. 104.

12 Het proces-verbaal sporenonderzoek van [verbalisant 3], p. 105.

13 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door [verbalisant 4], p. 110.