Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4344

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
16/661117-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden voor diefstal, bedreiging met zware mishandeling en handelen in wapens en munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661117-15 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 mei 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1995],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. B.J. Polman, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: op 31 januari 2015, al dan niet samen met anderen, heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te [woonplaats].

Feit 1 subsidiair: op 31 januari 2015, al dan niet samen met anderen, spullen heeft geheeld die toebehoren aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2].

Feit 2 primair: op 31 januari 2015 heeft geprobeerd verbalisant [verbalisant 1] zwaar te mishandelen met een ploertendoder.

Feit 2 subsidiair: op 31 januari 2015 verbalisant [verbalisant 1] heeft bedreigd.

Feit 3: op 31 januari 2015 een verboden wapen in zijn bezit heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair, 2 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman onder meer het volgende aangevoerd:

Ten aanzien van feit 1:

Verdachte ontkent hetgeen hem ten laste wordt gelegd. Uit het dossier volgt op geen enkele wijze dat verdachte in de woning is geweest en goederen heeft weggenomen. Ook ten aanzien van het medeplegen ontbreekt elk bewijs.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de verdachten gezien. Verbalisant [verbalisant 2] geeft echter een hele andere looproute van de verdachten weer dan verbalisant [verbalisant 1]. Niet is uitgesloten dat er sprake is van een persoonsverwisseling. Verdachte dient van het aan hem onder 1 ten laste gelegde feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

Verdachte ontkent dat hij een ploertendoder in zijn bezit heeft gehad. Er bestaat een zekere twijfel of het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] naar de werkelijkheid is opgemaakt. Zo heeft verbalisant [verbalisant 1] zijn aangifte naderhand gewijzigd. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad dient er in een dergelijk geval steunbewijs te zijn voor de op ambtseed opgemaakte verklaring van een verbalisant. Dit steunbewijs ontbreekt. Om die reden is er onvoldoende bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Daarnaast kan het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet bewezen worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

De vrijspraak van feit 2 primair

Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel, dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft geprobeerd [verbalisant 1] zwaar te mishandelen. De enkele omstandigheid dat verdachte tweemaal met een ploertendoder in de richting van [verbalisant 1] heeft geslagen, is onvoldoende voor het oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [verbalisant 1] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Onduidelijk is immers gebleven of er een reële kans heeft bestaan dat verdachte met de ploertendoder [verbalisant 1] had kunnen raken, hetgeen wel nodig is om tot bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het aan hem onder 2 primair ten laste gelegde feit.

4.3.2

Het bewijs ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 31 januari 2015 omstreeks 19.55 uur fietste hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland [verbalisant 1] op de [adres] in [woonplaats] ter hoogte van perceel [nummer]. Dit betreft een boerderij. Op de oprit zag hij een persoon lopen. Hij hoorde een geluid van vallende goederen en zag een persoon wegrennen. Vervolgens zag verbalisant [verbalisant 1] twee personen vanaf de oprit aan de [adres] [nummer] wegrennen. Hij merkte alle drie aan als verdachten van een woninginbraak en volgde de verdachten. Twee verdachten is hij niet uit het oog verloren en heeft hij gevolgd totdat zij aangehouden waren. Hij zag dat de verdachten goederen van zich af gooiden. Hij zag kans om de achterste verdachte te pakken.2 Hij herkende de verdachte als [medeverdachte]. De tweede verdachte liep de kant van [verbalisant 1] op. Hij hield een zwart voorwerp vast en schreeuwde: ‘Laat los, of ik ga je slaan’. Hij zag dat de verdachte met een snelle beweging zijn hand omhoog hief en dat het zwarte voorwerp uitschoof. [verbalisant 1] zag dat het een lang metaal voorwerp was wat hij herkende onder de naam ploertendoder. Hij zag dat de verdachte naar hem uithaalde. Het slaan met de ploertendoder herhaalde hij twee keer.3 De slag begon boven het hoofd van [verbalisant 1] en zwaaide langs zijn hoofd naar de onderkant van zijn lichaam. 4 [medeverdachte] rukte zich los. [verbalisant 1] rende achter de verdachten aan. Hij zag dat ze een achtertuin binnengingen. Dit bleek aan de [adres] te zijn. Verbalisant [verbalisant 1] hield de verdachte aan die bleek te zijn genaamd [verdachte]. Verbalisant [verbalisant 3] hield de verdachte aan genaamd [medeverdachte].5

Verbalisant [verbalisant 3] heeft op zijn beurt verklaard dat in de tuin van [adres] een ploertendoder lag. Hij zag dat de ploertendoder op een afstand van ongeveer een meter van de verdachten lag.6 De ploertendoder is een wapen als bedoeld in artikel 2, categorie I, onder 3 van de Wet wapens en munitie.7

[benadeelde 1] deed op 31 januari omstreeks 20.45 uur aangifte, mede namens [benadeelde 2] en [aangever], als eigenaar van een boerderij aan de [adres] te [woonplaats].8 Er was ingebroken in de boerderij.9 Verdachten van de inbraak zijn op hun vlucht aangehouden en verschillende goederen zijn op de vluchtroute aangetroffen. De volgende goederen werden weggenomen:

- fotocamera10

- Sony Ps-4 (de rechtbank begrijp Sony Playstation 4)11

- 1 briefje van € 5,00

- geld € 10,0012

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij samen met [medeverdachte] in de wijk was. Iemand viel [medeverdachte] aan, waarna verdachte probeerde hem los te krijgen. Vervolgens renden ze samen weg en werden ze aangehouden.13

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.3

Aanvullende overwegingen

De vermeende persoonsverwisseling

Door de raadsman is aangevoerd dat het, gelet op de verschillen in de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1], niet is uitgesloten dat er sprake is van een persoonsverwisseling.

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verbalisant [verbalisant 2] iets anders heeft gezien, niets afdoet aan de verklaring van verbalisant [verbalisant 1].

Verbalisant [verbalisant 4] heeft verklaard (zie pagina’s 143-144 van het dossier) dat hij op 31 januari 2015 rond 18.00 uur twee personen in de richting van het [adres] zag lopen. Een persoon herkende hij als verdachte, de andere persoon herkende hij als [X]. De jongens liepen naar de woning van verdachte, alwaar de broer van verdachte voor de deur stond. Omstreeks 18.55 uur liepen drie personen weg vanuit de woning van verdachte. Een van de personen werd herkend als [Y]. Verbalisant [verbalisant 4] zag dat het drietal steeds aandachtig keek in de richting van luxe vrijstaande woningen en dat ze in de richting van de [adres] liepen. Omstreeks 19.10 uur hoorde hij van verbalisant [verbalisant 5] dat er zich een vierde persoon bij de jongens had gevoegd.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft op zijn beurt verklaard (zie pagina’s 71-72 van het dossier) dat hij tussen 19.00 uur en 19.30 uur drie verschillende personen zag lopen die opvallend veel interesse hadden in woningen waar geen licht brandde. Hij zag dat deze personen meerdere malen omhoog sprongen om over een heg te kunnen kijken. Hij verloor het zicht op deze drie personen toen zij de [adres] in liepen.

Eerder die middag, omstreeks 16.00 uur, was er bij de meldkamer een melding binnengekomen van een verdachte situatie in de omgeving van het [adres] te [woonplaats] (zie pagina 141 van het dossier betreffende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]). Een drietal personen zou zich verdacht ophouden bij een woning. De melder had een van de jongens herkend als bewoner van het [adres], te weten [X] en een ander als bewoner van de [adres]. Op dat adres is onder andere [Y] woonachtig. Naar aanleiding van het opgegeven signalement voldeed een van de andere jongens aan het signalement van [medeverdachte].

Getuige [getuige] heeft verklaard (zie pagina’s 126-127 van het dossier) dat hij op 31 januari 2015 omstreeks 19.50 uur op de [adres] te [woonplaats], tussen perceel [nummer] en [nummer], was. Hij zag vier personen vanuit de richting van perceel [nummer] de [adres] op lopen. Achter hen kwam iemand aanfietsen die zei: ‘Politie’. De jongens renden hard weg. Hij zag 2 of 3 jongens het voetpad op rennen en 1 of 2 jongens in de richting van de hoge nummers aan de [adres] rennen.

Gelet op voornoemde verklaringen in het dossier is het mogelijk dat verbalisant [verbalisant 2] kort na 19:50 uur niet verdachte heeft gezien, maar een andere persoon uit de groep waarvan verdachte deel uitmaakte. Te meer nu uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] duidelijk volgt dat hij de twee aangehouden verdachten vanaf de [adres] te Utrecht heeft gevolgd en hen niet uit het oog is verloren.

Het medeplegen

Door de verdediging is aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen, omdat uit het dossier niet volgt dat er op enig moment sprake was van enige samenwerking tussen verdachte en de verdachten van de woninginbraak.

Zoals uit de bewijsmiddelen volgt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een van de plegers van de inbraak was. Ook volgt uit het dossier dat de groep waarmee verdachte was, voordat de inbraak plaatsvond, door de wijk liep en bijzondere interesse toonde in woningen waar geen licht brandde. Hieruit kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededaders op voorverkenning waren en er een gezamenlijk plan was om een woninginbraak te gaan plegen. Voor een veroordeling wegens medeplegen is niet vereist dat vast wordt gesteld wie welke rol heeft gespeeld tijdens de uitvoering van het strafbare feit. De rechtbank acht het feit dat verdachte met zijn mededaders op pad was en vanaf de oprit van de [adres] te [woonplaats] samen met zijn mededaders wegvluchtte voor de politie, terwijl daar net was ingebroken, voldoende om verdachte wegens medeplegen van inbraak te veroordelen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 31 januari 2015 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een grote hoeveelheid goederen/geld, waaronder een playstation en een fotocamera en een geldbedrag van in ieder geval 5 euro, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [aangever];

2.

Subsidiair

op 31 januari 2015 te Utrecht, [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend twee maal met een wapen, een zogenaamde ploertendoder, in de richting van het hoofd/het lichaam van die [verbalisant 1] geslagen/gezwaaid;

3.

op 31 januari 2015 te Utrecht, een wapen, van categorie I, onder 3°, te weten: een

ploertendoder, voorhanden heeft gehad en heeft gedragen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft een beroep gedaan op (putatief) noodweer en verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van de noodzakelijk verdediging ten aanzien van het aan verdachte onder feit 2 primair ten laste gelegde. Nu de rechtbank verdachte van dit feit zal vrijspreken, zal op dit verweer niet nader ingegaan worden.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 2 subsidiair: Bedreiging met zware mishandeling.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 primair, 2 primair en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Mocht wel tot strafoplegging overgegaan worden, dan heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn geringe strafblad, stabiele thuissituatie en de motivatie van verdachte om zijn opleiding aan het ROC te vervolgen. Meer specifiek heeft de raadsman verzocht om een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, eventueel met daarnaast een voorwaardelijk gevangenisstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft goederen uit een woning gestolen. Aan het plegen van woningbraken en -insluipingen tilt de rechtbank zwaar. Deze veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is algemeen bekend dat woninginbraken nog lange tijd voor gevoelens van angst en onveiligheid kunnen zorgen bij zowel de bewoners van de betreffende woning, als ook bij buurtbewoners. Verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen en enkel vanuit zijn eigen gewin gehandeld.

Ook heeft verdachte een ambtenaar in functie bedreigd met een verboden wapen, te weten een ploertendoder.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Voor een insluiping in een woning, zonder dat sprake is van recidive, wordt in de oriëntatiepunten uitgegaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het voorhanden hebben van een ploertendoder levert doorgaans bestraffing op met een geldboete. Bedreiging van een ambtenaar in functie met een slagwapen levert doorgaans gevangenisstraf op voor de duur van enkele weken tot een maand.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 11 maart 2015. Uit zijn strafblad volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het door de Reclassering opgestelde advies van 20 april 2015. Omdat verdachte ontkent, is geen delictanalyse opgesteld en heeft de Reclassering zich op de vlakte gehouden ten aanzien van haar advies. Wel staat in het advies beschreven dat er zorgen zijn over het sociale netwerk van verdachte. Verdachte zou deel uitmaken van de zogeheten ‘[bijnaam]’, die in wisselende samenstelling tot delictgedrag komt. Het recidiverisico wordt door de Reclassering als laag gemiddeld ingeschat. De kans op het onttrekken aan voorwaarden wordt hoog ingeschat.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Niet kan worden volstaan met een andere straf dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de feiten zal de rechtbank hiertoe overgaan. Wel ziet de rechtbank, gelet op de aard van de feiten in combinatie met de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken, aanleiding de door de officier van justitie geëiste straf te matigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen als stok achter de deur.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van benadeelde partij [benadeelde 2] betreffende het verlies van de gouden ring toe te wijzen, te weten een bedrag van € 740,00. Ook heeft de officier van justitie ambtshalve gevorderd een bedrag van € 50,00 wegens de geschatte schade aan de kast aan de benadeelde partij te vergoeden.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat die onvoldoende is onderbouwd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [benadeelde 2], levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Ter terechtzitting heeft de benadeelde een bon overlegd betreffende de geschatte waarde van een gouden ring die de benadeelde na de inbraak niet meer heeft kunnen vinden. Ter toelichting heeft de benadeelde verklaard dat er tijdens de inbraak een kast in zijn woning is opengebroken en dat hij pas later heeft geconstateerd dat hij de ring mist. Hij denkt dat hij de ring bewaarde in een doosje in de kast. In de aangifte is deze ring niet opgenomen als goed dat tijdens de inbraak gestolen is.

Gelet op de eigen verklaring van de benadeelde dat hij denkt dat de ring in de kast lag, in relatie tot de aangifte waarin de ring niet is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Om die reden wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het door de officier van justitie geschatte bedrag betreffende schade aan de kast wordt gepasseerd. Deze schade is immers niet door de benadeelde partij gevorderd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 primair: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Feit 2 subsidiair: Bedreiging met zware mishandeling.

Feit 3: Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Benadeelde partij

- Verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en J.G. van Ommeren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Primair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning (gelegen

aan de [adres]) heeft weggenomen een (grote) hoeveelheid goederen/geld,

waaronder een playstation en/of een I-mac en/of een koptelefoon en/of een

fotocamera en/of een geldbedrag (van in ieder geval 5 euro), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2]

en/of [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben

verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik

heeft / hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, in elk geval in het

arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

een (grote) hoeveelheid goederen, waaronder een spelcomputer (merk:

Playstation)(toebehorend aan [benadeelde 3]) en/of een computer (merk: Acer)

en/of een tas (merk: Topshelf)(toebehorend aan [benadeelde 1]) en/of een

e-reader en/of een sleutelbos (toebehorend aan [benadeelde 2]) heeft

verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen wist, in elk geval

redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van strafrecht

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1]

hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen,

met dat opzet twee maal met een wapen, een zogenaamde ploertendoder, althans

een (slag)wapen/voorwerp in de richting van het hoofd/het lichaam van die

[verbalisant 1] heeft geslagen/gezwaaid,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, [verbalisant 1], hoofdagent van politie Eenheid Midden-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend twee maal met een wapen, een zogenaamde ploertendoder, althans een (slag)wapen/voorwerp in de richting van het hoofd/het lichaam van die [verbalisant 1] geslagen/gezwaaid;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 31 januari 2015 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, een wapen, van categorie I, onder 3°, te weten: een

ploertendoder, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 65.

3 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 66.

4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 134.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], p. 66.

6 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3], p. 74.

7 Het proces-verbaal (voorgeleiding) van [verbalisant 6], p. 7.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 46.

9 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 47.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 51.

11 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 52.

12 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1], p. 53.

13 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 mei 2015.