Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4249

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
C-16-382402 - HA ZA 14-941
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:9126, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opschorting looptijd dwangsom in verband met tijdelijke onmogelijkheid om aandelen te leveren (artikel 611d Rv).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1483

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/382402 / HA ZA 14-941

Vonnis van 15 juli 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. drs. M.H.G. Plieger te Nieuwegein,

tegen

de vennootschap naar Chileens recht

CHILEAN LUMBER COMPANY S.A.,

gevestigd te San Bernardo,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.H.N. van Spanje te Wageningen.

Partijen zullen hierna [eiser] en CLC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 18 maart 2015

  • -

    het vonnis van 15 april 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sinds 2006 exporteerde CLC hout naar Nederland in samenwerking met en door tussenkomst van [bedrijf] Limited, een in Nederland gevestigde vennootschap die naar het recht van het Verenigd Koninkrijk is opgericht (hierna: [bedrijf] ). CLC kocht het hout bij derden in en leverde het aan [bedrijf] . [bedrijf] verkocht het hout door aan derden. De enige bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] is [eiser] . Directeur van CLC is de heer [A] (hierna: [A] ).

2.2.

Bij overeenkomst van 16 maart 2006 heeft [eiser] 75% van de aandelen in [bedrijf] aan CLC verkocht. CLC heeft de koopsom voor de aandelen aan [eiser] voldaan. [eiser] heeft de aandelen niet geleverd aan CLC.

2.3.

De houtaankopen door CLC werden in rekening-courant met [bedrijf] geboekt. Volgens de jaarrekening van [bedrijf] over 2008 bedroeg de rekening-courantvordering van CLC op [bedrijf] eind 2008 € 266.306,-.

2.4.

In het najaar van 2010 heeft CLC de samenwerking met [bedrijf] beëindigd.

2.5.

Bij vonnis van 20 februari 2013 van de rechtbank Midden-Nederland is [bedrijf] veroordeeld tot betaling aan CLC van € 211.000,-. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. CLC heeft slechts enkele tienduizenden euro’s op [bedrijf] kunnen verhalen.

2.6.

Bij vonnis van eveneens 20 februari 2013 van de rechtbank Midden-Nederland, gewezen tussen CLC als eisende partij en [eiser] , heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] onrechtmatig jegens CLC heeft gehandeld door in augustus 2010 ruim

€ 48.000,- van een bankrekening van [bedrijf] ten eigen bate aan [bedrijf] te onttrekken en daarmee te bewerkstelligen dat [bedrijf] in strijd handelde met haar afspraken met CLC om niet zonder toestemming van [A] betalingen van deze rekening te doen. De rechtbank heeft [eiser] in verband hiermee veroordeeld tot betaling aan CLC van

€ 16.112,58, te vermeerderen met een vergoeding voor proceskosten en de beslagkosten.

2.7.

In het tussen CLC en [eiser] gewezen vonnis van 20 februari 2013 is [eiser] ook veroordeeld tot het volgende:

“[…]

3.2

gebiedt [eiser] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis alle (rechts-)handelingen te verrichten, teneinde te komen tot (registratie van) de levering van 75 gewone (75% van de) aandelen van ieder 1 GBP in [bedrijf] aan CLC door:

a. aan CLC te verstrekken een door een Engelse advocaat of notaris gewaarmerkte kopie van het originele statutaire register van aandeelhouders van [bedrijf] waarop CLC als aandeelhouder van 75 gewone (75% van de) aandelen van ieder 1 GBP in [bedrijf] staat geregistreerd, dan wel

b. aan CLC de legale titel te leveren (“transfer of legal rights”) door:

( i) volledig en correct in te vullen en te ondertekenen een aandelenoverdrachtformulier (“stock transfer form”) ten behoeve van de levering;

(ii) af te geven zijn aandeelbewijs (“sharecertificate”) aan [bedrijf] ;

(iii) de levering te registreren in het originele statutaire register van aandeelhouders van [bedrijf] ,

en voor a. en b:

( i) af te geven aan CLC een aandeelbewijs waaruit blijkt dat CLC 75 gewone aandelen van 1 GBP houdt;

(ii) alle formulieren in te vullen voor het Companies House met betrekking tot de levering en kopieën daarvan aan CLC af te geven,

3.3

veroordeelt [eiser] om aan CLC een dwangsom te betalen van € 1.000,-- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft gaan het onder 3.2 a en/of 3.2. b bepaalde te voldoen, tot een maximum van € 100.000,-- is bereikt, […]”.

2.8.

De veroordeling tot levering van de aandelen en de daaraan gekoppelde dwangsom is door de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.9.

Het tussen CLC en [eiser] gewezen vonnis is op 8 maart 2013 aan [eiser] betekend. Op 11 maart 2013 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 21 oktober 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis voor wat betreft de veroordeling tot levering van de aandelen [bedrijf] bekrachtigd. De veroordeling tot betaling van € 16.112,58 is door het hof vernietigd. In plaats daarvan heeft het hof [eiser] gelast om binnen 14 dagen na betekening van dat arrest aan Van Lanschot Bankiers opdracht te geven € 16.112,58 over te maken op een bankrekening ten name van [bedrijf] . De als gevolg daarvan door [eiser] aan Van Lanschot verstrekte opdracht is niet door Van Lanschot uitgevoerd in verband met een executoriaal beslag dat was gelegd door de advocaat van [eiser] in verband met advocatendeclaraties die door [eiser] onbetaald zijn gelaten.

2.10.

[eiser] heeft tegen het arrest van 21 oktober 2014 cassatie ingesteld. Het cassatieberoep richt zich niet tegen de veroordeling tot levering van de aandelen en de daaraan gekoppelde dwangsom.

2.11.

In opdracht van [eiser] voerde [B] Juristen BV uit Den Haag (hierna: [B] ) diverse administratieve handelingen voor [bedrijf] uit. Voor zover het ging om administratieve handelingen in het Verenigd Koninkrijk had [B] een derde in Engeland ingeschakeld.

2.12.

Op 14 maart 2014 is [B] failliet verklaard.

2.13.

Bij brief van 20 mei 2014 van de Companies House (vergelijkbaar met de Kamer van Koophandel) in Cardiff, Groot-Brittannië (hierna: de Companies House), gericht aan de directie van [bedrijf] op een adres in Engeland, is meegedeeld dat [bedrijf] uit het register zal worden verwijderd en zal worden ‘dissolved’, tenzij binnen drie maanden een reden wordt aangevoerd om dat niet te doen. Op 9 september 2014 heeft de Companies House [bedrijf] ‘dissolved’ (hierna aan te duiden met de term ‘opgeheven’).

2.14.

Op 24 oktober 2014 is het arrest van het hof aan [eiser] betekend. Bij e-mail van 31 oktober 2014 heeft de advocaat van CLC voorgesteld dat [eiser] 100% van de aandelen door tussenkomst van een notaris overdraagt aan CLC, waarbij CLC de kosten van de notaris voor haar rekening zou nemen. Per e-mail van 4 november 2014 heeft [eiser] (de advocaat van) CLC meegedeeld dat hij met dit voorstel akkoord ging. Vervolgens is namens CLC aan [eiser] meegedeeld dat hij vanaf 8 november 2014 (14 dagen na de dag van betekening van het arrest) dwangsommen zal verbeuren. Hierna is gebleken dat de Companies House [bedrijf] had opgeheven. Partijen hebben vervolgens met elkaar onderhandeld over een door CLC voorgesteld alternatief voor de levering van de aandelen in [bedrijf] , hieruit bestaande dat [eiser] het faillissement van [bedrijf] aanvraagt. Dit heeft niet geleid tot een schikking en CLC heeft [eiser] meegedeeld dat hij vanaf 18 november om 24.00 uur (dus feitelijk met ingang van 19 november 2014) dwangsommen zal verbeuren. [eiser] heeft vervolgens een executie kort geding tegen CLC aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem.

2.15.

Op 17 november 2014 heeft de Companies House in een e-mail aan de advocaat van [eiser] bevestigd dat het niet mogelijk is om aandelen in [bedrijf] over te dragen aangezien deze vennootschap is opgeheven.

2.16.

De zitting bij de voorzieningenrechter in Arnhem heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Bij vonnis van 19 november 2014 heeft die voorzieningenrechter als volgt beslist (randnummer 5.1):

“[…] schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2013, met zaaknummer 29.57.43 HA ZA 10-2342, voor wat betreft de veroordeling van [eiser] tot levering van 75 aandelen [bedrijf] aan CLC binnen veertien dagen na betekening op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag, onder de voorwaarde dat [eiser] , binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, door middel van het uitbrengen van een dagvaarding waarin [eiser] tegen CLC een vordering als bedoeld in artikel 611d lid 1 Rv aanhangig maakt bij de rechter die de dwangsom in het vonnis van 20 februari 2013 heeft opgelegd, in welk geval de tenuitvoerlegging geschorst blijft totdat in die procedure uitspraak is gedaan, […].”

2.17.

De opheffing van [bedrijf] door de Companies House kan ongedaan worden gemaakt. Hiervoor is in ieder geval vereist dat [eiser] als voormalig directeur van [bedrijf] bij de Companies House een aanvraag indient voor ‘administrative restoration’ van [bedrijf] . Dit moet door middel van het invullen en indienen van een daartoe bestemd formulier met een aantal bijlagen. De Companies House brengt hiervoor een fee van £ 100 in rekening. Ook aan het verkrijgen van een of meer formulieren die als bijlagen aan de Companies House moeten worden verstrekt zijn kosten verbonden. Wanneer een Engelse advocaat wordt ingeschakeld om de ‘administrative restoration’ te regelen kost dit ongeveer £ 2.000,- inclusief advocatenfee.

2.18.

Op 2 december 2014 heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Op 28 januari 2015 heeft CLC een eis in reconventie ingesteld. Op vordering van [eiser] is CLC in het vonnis in incident van 18 maart 2015 bevolen om binnen 14 dagen zekerheid te stellen, in de vorm van een onherroepelijk een bankgarantie, voor de proceskosten van de procedure in reconventie tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden. Het bedrag van die zekerheid is door de rechtbank bepaald op € 1.987. CLC heeft geen zekerheid gesteld.

2.19.

De Raad voor Rechtsbijstand heeft aan [eiser] een inkomensverklaring verstrekt. Hierop staat dat [eiser] in het per jaar 2013 een inkomen had van € 1.342,- (belastbaar loon) en is bij ‘heffingsgrondslag/vermogen’ een bedrag van € 0,- vermeld.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser] vordert (samengevat) dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    de in haar vonnis van 20 februari 2013 met zaaknummer 295743 HA ZA 10-2342 aan [eiser] opgelegde dwangsom van € 1.000,- per dag ter zake van de levering door [eiser] van 75 aandelen [bedrijf] aan CLC opheft althans voor onbepaalde tijd schorst en bepaalt dat [eiser] ter zake van de levering van 75 aandelen [bedrijf] aan CLC geen dwangsommen is verbeurd, althans dat deze tot nihil worden verminderd

  • -

    CLC veroordeelt in de kosten van dit geding alsmede in de nakosten, met de bepaling dat daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] in de eerste plaats misbruik van recht door CLC ten grondslag. In verband hiermee betoogt [eiser] dat CLC niet heeft willen meewerken aan een redelijke uitvoering van het vonnis waarbij zij gegarandeerd de 75 aandelen zou hebben gekregen (namelijk via een onherroepelijke, onvoorwaardelijke notariële volmacht), en in plaats daarvan aanspraak wilde maken op dwangsommen. Het belangrijkste doel van CLC is een faillissement van [bedrijf] , zodat pogingen kunnen worden ondernomen om de curator ertoe te bewegen [eiser] aansprakelijk te stellen wegens bestuurdersaansprakelijkheid. Nadat was gebleken dat levering van de aandelen niet mogelijk was omdat [bedrijf] is opgeheven heeft CLC [eiser] gevraagd om het faillissement van [bedrijf] aan te vragen. Omdat [eiser] dit heeft geweigerd stelt CLC dat zij de aandelen [bedrijf] moeten verwerven omdat zij verantwoording moet afleggen aan de Chileense fiscale autoriteiten (zie 3.3). De werkelijke reden is volgens [eiser] echter dat CLC dan zelf het faillissement van [bedrijf] kan aanvragen.

Daarnaast legt [eiser] aan zijn vorderingen artikel 611d Rv ten grondslag. Volgens [eiser] is het voor hem in verband met de opheffing van [bedrijf] en omdat hij geen geld heeft blijvend of in ieder geval tijdelijk onmogelijk om de aandelen [bedrijf] aan CLC te leveren. [eiser] stelt dat de dwangsom haar functie als prikkel tot uitvoering van de hoofdveroordeling heeft verloren omdat hij alle benodigde medewerking heeft willen verlenen waartoe hij in staat was en het onredelijk is om meer inspanning en zorgvuldigheid van hem te verwachten.

3.3.

CLC voert verweer en concludeert tot niet ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans tot ontzegging daarvan. Van misbruik van recht is volgens CLC geen sprake. Haar belang in het verkrijgen van de aandelen is erin gelegen dat zij aan de Chileense fiscale autoriteiten verantwoording moet afleggen. Doet zij dat niet dan kan zij een forse fiscale claim tegemoet zien. Na verwerving van de aandelen zal het faillissement van [bedrijf] worden aangevraagd of zal [bedrijf] worden geliquideerd. Als [bedrijf] wordt geliquideerd zal aan een accountant de opdracht worden gegeven tot een onderzoek naar de deugdelijkheid van het bestuur door [eiser] . Aan de Chileense fiscale autoriteiten kan alleen verantwoording worden afgelegd met een verslag van de curator of van de accountant.

Met betrekking tot artikel 611d Rv betoogt CLC dat de levering van de aandelen niet blijvend onmogelijk is, aangezien de opheffing van [bedrijf] door de Companies House immers ongedaan kan worden gemaakt door de ‘administrative restoration’. Weliswaar is de levering van de aandelen daardoor tijdelijk onmogelijk geweest maar [eiser] heeft voldoende tijd gehad om die onmogelijkheid te herstellen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

CLC vordert (samengevat) dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt:

  • -

    om binnen 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis aan de advocaat van CLC te verstrekken een onherroepelijke schriftelijke verklaring waarbij [eiser] aan (de vereffenaar van) [bedrijf] (in liquidatie) verklaart een bedrag van € 48.000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te verrekenen met de vordering van [eiser] op [bedrijf] (in liquidatie), op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [eiser] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen

  • -

    tot vergoeding van de proceskosten en de nakosten, met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na dagtekening van dit vonnis tot aan betaling.

3.6.

[eiser] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van CLC in haar vorderingen dan wel tot ontzegging daarvan, met veroordeling van CLC in de proceskosten en de nakosten, met bepaling dat indien de proces- en nakosten niet zijn voldaan binnen zeven dagen nadat in reconventie vonnis is gewezen, CLC over de proces- en nakosten wettelijke rente verschuldigd wordt.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Bij arrest van 21 oktober 2014 heeft het hof de - niet uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - veroordeling tot levering van de aandelen [bedrijf] en de daaraan gekoppelde dwangsom bekrachtigd. [eiser] heeft tegen dit arrest cassatie ingesteld maar zijn cassatieberoep richt zich niet tegen de veroordeling tot levering van de aandelen [bedrijf] en de daaraan gekoppelde dwangsom. De rechtbank houdt het er voor dat het cassatieberoep geen schorsende kracht heeft ten aanzien van die veroordeling.

4.2.

Het betoog van [eiser] dat het blijvend onmogelijk is om de aandelen [bedrijf] aan CLC te leveren is ook van belang voor zijn stelling dat CLC misbruik van recht maakt. De rechtbank zal daarom eerst de gestelde blijvende onmogelijkheid behandelen.

4.3.

[eiser] en CLC gaan er allebei vanuit dat de opheffing van [bedrijf] op vrij eenvoudige wijze ongedaan kan worden gemaakt door middel van de ‘administrative restoration’. De rechtbank zal daar ook van uitgaan. CLC stelt zich op het standpunt dat [eiser] de kosten die zijn verbonden aan deze ongedaanmaking voor zijn rekening moet nemen. Dit standpunt is niet onredelijk. De omstandigheid dat de opheffing van [bedrijf] een gevolg lijkt te zijn van het faillissement van [B] , waardoor de door [B] ingeschakelde derde in Engeland kennelijk geen actie meer heeft ondernomen naar aanleiding van de brief van de Companies House van 20 mei 2014, ligt in de risicosfeer van [eiser] . De kosten voor de ‘administrative restoration’ zijn beperkt (zie 2.17). Als een Engelse advocaat moet worden ingeschakeld kost dit ongeveer £ 2.000,-, terwijl niet uitgesloten kan worden dat het inschakelen van een Engels advocaat niet nodig is. Op de site van de Companies House staan alle voorwaarden vermeld waaraan de aanvraag moet voldoen en het aanvraagformulier is op die site te downloaden. Als geen Engelse advocaat nodig is bedragen de kosten nog aanzienlijk minder. Dat [eiser] in de nabije toekomst over onvoldoende middelen zal beschikken om de kosten van de ‘administrative restoration’ te betalen is door [eiser] onvoldoende onderbouwd. De door hem overgelegde inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand heeft als peiljaar 2013 (zie 2.19). Volgens [eiser] probeert hij her en der nog wat geld te verdienen om in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien maar is dit geen succes. Wat de inkomsten van [eiser] zijn blijkt daaruit niet. Bovendien heeft CLC al tijdens de procedure bij het hof de toezegging gedaan dat zij de kosten verbonden aan de overdracht van de aandelen, die kan plaatsvinden na de ‘administrative restoration’, voor haar rekening zal nemen. Dit standpunt is door CLC in de onderhavige procedure herhaald. Onder deze omstandigheden is het voor [eiser] niet blijvend onmogelijk om de aandelen [bedrijf] te leveren.

4.4.

Wat betreft het door CLC gestelde belang bij de verwerving van de aandelen [bedrijf] (de mogelijkheid om verantwoording aan de Chileense fiscale autoriteiten af te leggen) is het weliswaar zo dat CLC dit belang niet met een schriftelijk stuk heeft onderbouwd, maar kan niet worden uitgesloten dat dit een reëel belang is. Ook als er echter veronderstellenderwijs vanuit wordt uitgegaan dat CLC geen verantwoording hoeft af te leggen aan de Chileense fiscale autoriteiten is niet de conclusie gerechtvaardigd dat CLC misbruik van recht maakt door aan te dringen op de levering van de aandelen en, bij gebreke daarvan, aanspraak te maken op de dwangsommen. Zodra CLC de beschikking heeft over 75% van de aandelen zal zij een nieuwe bestuurder van [bedrijf] kunnen benoemen die namens [bedrijf] een verzoek kan indienen om failliet te worden verklaard. Wordt dat verzoek gehonoreerd dan is het aan de curator om grondig onderzoek te doen naar de rol van [eiser] als bestuurder van [bedrijf] . Slechts in het geval dat de curator sterke aanwijzingen vindt voor onbehoorlijk bestuur en na een afweging van alle (financiële) belangen (de kosten en de duur van een eventuele gerechtelijke procedure, de vraag hoeveel er in de boedel zit en de (on)mogelijkheden om een eventuele veroordeling op [eiser] te verhalen) zal de curator kunnen besluiten tot aansprakelijkstelling van [eiser] en, na daartoe toestemming van de rechter-commissaris te hebben gekregen, tot het starten van een gerechtelijke procedure tegen [eiser] . Als schuldeiser van [bedrijf] kan CLC bij dit scenario belang hebben. Dat [eiser] een dergelijke gang van zaken niet wil is begrijpelijk. Van misbruik van recht is onder deze omstandigheden echter niet op voorhand sprake.

4.5.

Aangezien de ‘administrative restoration’ van [bedrijf] nog moet plaatsvinden is de levering van de aandelen [bedrijf] op dit moment onmogelijk. Het verweer van CLC dat [eiser] voldoende tijd heeft gehad om die onmogelijkheid te herstellen en (kennelijk) dat dus geen sprake is van een tijdelijke onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv slaagt niet. De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2013 voor wat betreft de levering van de aandelen en de daaraan gekoppelde dwangsom geschorst op voorwaarde dat [eiser] een vordering als bedoeld in artikel 611d lid 1 Rv tegen CLC aanhangig maakt. In het kader daarvan heeft de voorzieningenrechter overwogen dat een vordering op die grond, bijvoorbeeld tot tijdelijke opschorting van de dwangsom, niet bij voorbaat kansloos is. [eiser] heeft die procedure tijdig aanhangig gemaakt en heeft in dit geding als alternatieve grondslag misbruik van recht door CLC aangevoerd. Laatstgenoemd standpunt was ook niet bij voorbaat kansloos. Onder deze omstandigheden hoefde [eiser] niet alvast de ‘administrative restoration’ aan te vragen en zou het onredelijk zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid van [eiser] te vergen dan hij heeft betracht. Van tijdelijke onmogelijkheid in de zin van artikel 611d Rv is dan ook sprake.

4.6.

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden is opheffing van de dwangsom of een opschorting van de looptijd daarvan voor onbepaalde tijd niet gerechtvaardigd. Wel zal de rechtbank de looptijd van de dwangsom voor bepaalde tijd opschorten. Noch CLC noch [eiser] kan met enige mate van zekerheid zeggen hoelang het duurt voordat de ‘administrative restoration’ van [bedrijf] voltooid is. [eiser] schat in dat hiervoor zeker een maand nodig is, net als voor de handelingen die vervolgens nodig zijn voor de levering van de aandelen. Om te voorkomen dat [eiser] hierdoor onnodig in de problemen komt zal de rechtbank uitgaan van een iets langere termijn en zal zij de looptijd van dwangsom met ingang van de datum van dit vonnis opschorten voor de duur van drie maanden.

4.7.

De vordering tot bepaling dat [eiser] ter zake van de levering van de aandelen [bedrijf] aan CLC geen dwangsommen heeft verbeurd, welke vordering wordt beschouwd als te zijn gericht op een verklaring voor recht, zal worden toegewezen. Het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2013 is op 8 maart 2013 aan [eiser] betekend. Hierdoor was [eiser] in beginsel verplicht om binnen 14 dagen na betekening de aandelen te leveren. [eiser] zou dus pas met ingang van 23 maart 2013 dwangsommen gaan verbeuren. [eiser] is echter van dit vonnis op 11 maart 2013 in hoger beroep gekomen. Omdat dit gedeelte van het vonnis door de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en het hoger beroep de tenuitvoerlegging van het vonnis heeft geschorst (artikel 350 Rv) heeft [eiser] in de periode van 23 maart 2013 tot na de betekening van het arrest van het hof (zie hierna) geen dwangsommen verbeurd. Op 21 oktober 2014 heeft het hof de hier aan de orde zijnde veroordeling bekrachtigd. Dit arrest is op 24 oktober 2014 aan [eiser] betekend. Als gevolg hiervan zou [eiser] in beginsel 14 dagen later, vanaf 8 november 2014, dwangsommen gaan verbeuren maar CLC heeft de termijn waarin [eiser] geen dwangsommen zou verbeuren zelf verlengd tot 18 november 2014 om 24.00 uur. De volgende dag, op 19 november 2014, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de tenuitvoerlegging geschorst. Als gevolg hiervan heeft [eiser] tot heden ook na betekening van het arrest van het hof geen dwangsommen verbeurd.

4.8.

CLC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 77,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.074,80

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. Die veroordeling omvat ook de reconventie. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal op de in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

in reconventie

4.9.

In strijd met het vonnis in incident van 18 maart 2015 heeft CLC geen zekerheid gesteld. Als gevolg daarvan zal zij niet-ontvankelijk in haar vorderingen worden verklaard.

4.10.

CLC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 1.788,-- voor salaris advocaat (2 punten x factor 1 x tarief € 894,-).

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

schort met ingang van de datum van dit vonnis de looptijd van de dwangsom, aan [eiser] opgelegd in het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2013 met zaaknummer 295743 HA ZA 10-2342, op voor de duur van drie maanden,

5.2.

verklaart voor recht dat [eiser] tot heden geen dwangsommen heeft verbeurd met betrekking tot het in 5.1 vermelde vonnis,

5.3.

veroordeelt CLC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.074,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt CLC, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 205,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

verklaart CLC niet-ontvankelijk in haar vorderingen,

5.8.

veroordeelt CLC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.788,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.1

1 type: JvdB/4223 coll: LdW/878