Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4232

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
C/16/393917 / KG ZA / 15-403 LH/1040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Collectieve acties in de ambulancezorg. Essentiële en, in de letterlijke betekenis van het woord vitale, dienst. Verbod op het door de vakbonden gebruikte actiemiddel van het niet of beperkt ‘statussen’ door ambulancepersoneel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1092
RAR 2015/140
GJ 2015/117
JAR 2015/165 met annotatie van mr. dr. A. Stege
AR-Updates.nl 2015-0545
GZR-Updates.nl 2015-0253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/393917 / KG ZA / 15-403 LH/1040

Kort geding vonnis van 10 juni 2015

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Vereniging Ambulancezorg Nederland,

gevestigd te Zwolle,

verder ook te noemen AZN,

eisende partij,

advocaten: mr. M.J.J. Rutten en mr. G.H. Boelens,

tegen:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV Connectief,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen CNV,

verwerende partij,

advocaat: mr. H. Aydemir,

en

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Federatie Nederlandse Vakbeweging,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen FNV,

verwerende partij,

advocaat: mr. M.J. Klinkert.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

  • -

    de concept dagvaarding en de aanvulling daarop van 9 juni 2015, en de daarbij behorende producties A tot en met C en de producties 1 tot en met 15;

  • -

    de op 9 juni 2015 door FNV, mede namens CNV, toegezonden producties 1 tot en met 14;

  • -

    de mondelinge behandeling van 10 juni 2015, alwaar CNV en FNV vrijwillig zijn verschenen en waarvan aantekening is gehouden;

  • -

    de pleitaantekeningen van mr. Rutten, mr. Klinkert en mr. Aydemir.

1.2.

Na sluiting van de mondelinge behandeling is op 10 juni 2015 omstreeks 17.05 uur mondeling vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de schriftelijke uitwerking en is op 12 juni 2015 vastgesteld en aan partijen verzonden.

2. De feiten

2.1.

AZN is een vereniging van werkgevers in de branche van de ambulancezorg, die zich ten doel stelt om de kwaliteit van de ambulancezorg in Nederland te bevorderen en om de gezamenlijke bedrijfsbelangen te behartigen van ambulancediensten, -voorzieningen en meldkamers. AZN pleegt daartoe met de betreffende vakverenigingen periodiek een collectieve arbeidsovereenkomst, de CAO Ambulancezorg, af te sluiten, laatstelijk is dit gebeurd voor de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2015.

2.2.

CNV en FNV zijn vakverenigingen die zich onder meer ten doel stellen de belangen van de werknemers (daaronder begrepen ambtenaren) in de branche van het ambulancevervoer te behartigen. Zij zijn - toen nog genaamd CNV Publieke Zaak en AbvaKabo FNV - aan werknemerszijde partij bij de CAO Ambulancezorg 2013-2014.

2.3.

Eind oktober 2014 zijn partijen de onderhandelingen gestart over een nieuwe CAO Ambulancezorg. Op 30 maart 2015 zijn de besprekingen afgebroken, nadat CNV en FNV het bod van AZN hadden afgewezen. Bij brief van 21 april 2015 hebben de vakbonden AZN tot 28 april 2015 te 12.00 uur de gelegenheid gegeven om aan hun CAO-eisen tegemoet te komen, bij gebreke waarvan tot collectieve acties zou worden overgegaan. AZN is op dit ultimatum niet ingegaan.

2.4.

Bij brieven van 6 mei 2015, gericht aan de werkgevers in de ambulancezorg, hebben CNV en FNV collectieve acties aangezegd voor de periode van maandag 11 mei 2015 te 08.00 uur tot maandag 18 mei 2015 te 08.00 uur, waarbij - zo vermeldden die brieven - ‘het ambulancepersoneel protocollen, brancherichtlijnen, wetgeving en de cao Ambulancezorg strikter zal naleven. Er wordt geen prioriteit gegeven aan digitale administratie. De acute zorgverlening blijft gegarandeerd. Bovendien zal er in dezelfde periode binnen uw organisatie een collectieve actie plaatsvinden waarbij de huidige cao-afspraak over de standplaats zal worden gehandhaafd. De reis zal binnen werktijd plaatsvinden, indien er gereisd zal moeten worden naar een andere standplaats dan in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen. En er zal een collectieve actie plaatsvinden (-) waarbij geen overwerk en geen extra diensten meer worden verricht.’ De vakbonden hebben draaiboeken opgesteld en verstrekt, en de (17) regionale actiecomités hebben met de directies van de betrokken werkgevers in de regio’s afspraken gemaakt, teneinde de acties zorgvuldig te laten verlopen en de acute ambulancezorg te waarborgen. CNV en FNV, alsook de actiecomités, hebben zich beschikbaar gehouden voor overleg over onvoorziene situaties.

2.5.

Bij brieven van 12 mei 2015 hebben CNV en FNV aan de werkgevers in de ambulancezorg aangezegd dat de collectieve acties zouden worden verlengd tot maandag 25 mei 2015 te 08.00 uur. Daarna zijn de - tot dan toe gehouden - collectieve acties verlengd tot maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur.

2.6.

In de periode van maandag 11 mei 2015 te 08.00 uur tot maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur hebben zich geen situaties voorgedaan waarin de acute ambulancezorg (daaronder mede begrepen het ambulancevervoer) ten gevolge van de collectieve acties in gevaar is gekomen. Ook omdat overigens de dienstverlening, zij het met beperking en vertraging in de verwerking van het geregelde ambulancevervoer, op een aanvaardbaar peil kon worden gehouden, hebben de werkgevers - en heeft AZN - de collectieve acties geduld.

2.7.

Omdat de gehouden collectieve acties niet leidden tot bereidheid aan de zijde van AZN om de CAO-eisen van de vakbonden alsnog in te willigen, hebben CNV en FNV bij brieven van 3 juni 2015 aan de werkgevers in de branche aangezegd dat de collectieve acties in de periode van maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur tot maandag 22 juni 2015 te 08.00 uur zullen worden uitgebreid, in die zin dat het ambulancepersoneel ook ‘geen prioriteit’ meer zal geven ‘aan het ‘statussen’’. Tevens werd aangezegd dat er ‘(n)a elke rit wordt teruggekeerd naar de standplaats’ en dat ‘(p)auzes (-) strikter (zullen) worden gehandhaafd.’ Ook in deze periode zou, zo vermeldden de aanzeggingsbrieven, ‘de acute zorgverlening (-) gegarandeerd’ blijven. Er werden opnieuw draaiboeken opgesteld en aan de werkgevers verstrekt. De bereidheid tot overleg over ontstane situaties bleef onveranderd.

2.8.

Het genoemde ‘statussen’ houdt in dat het ambulancepersoneel tijdens hun ritten statusberichten invoert in een geautomatiseerd systeem dat deze informatie (ook bij overbelasting van het netwerk) doorgeleidt naar de betreffende meldkamer. Hierdoor is de ‘status’ van de ambulances op de weg steeds bekend bij de meldkamer. Er worden landelijk zes statussen onderscheiden (vgl. Handboek C2000 Ambulancezorg, hoofdstuk 2.8):

‘1. Status vertrek: wordt gegeven op het moment dat het ambulanceteam compleet is en uitrukt naar het opgegeven adres (wielen in beweging).

2. Status aankomst: wordt gegeven op het moment waarop de ambulance arriveert op het opgegeven adres, zo dicht mogelijk bij de patiënt, waar de ambulance nog kan komen (wielen uit beweging).

3. Status vertrek patiënt: wordt gegeven wanneer de ambulance met een patiënt vertrekt naar de bestemming.

4. Status aankomst bestemming: wordt gegeven op het moment dat de ambulance met patiënt het bestemmingsadres bereikt.

5. Status vrijmelding: wordt gegeven wanneer het ambulanceteam gereed is om een nieuwe opdracht te ontvangen.

6. Status einde rit/op post: wordt gegeven wanneer de ambulance teruggekeerd is op de standplaats (voertuig wordt verlaten).’

In de meldkamer wordt bij een (spoed)melding, door het geautomatiseerde systeem en op basis van de statusgegeven van de ambulances in de buurt, een inzetvoorstel gegenereerd van de drie ambulances die op dat moment nog geen patiënt of geen patiënt meer hebben en die zich het dichtst bevinden bij de plaats waar de (acute) zorg moet worden verleend. De dienstdoende centralist bepaalt vervolgens welke ambulance zich het snelst naar die plaats kan begeven. Dat is veelal de eerste ambulance van de drie die het geautomatiseerde systeem voorstelt.

Het bedoelde ‘statussen’ is enkele jaren geleden ingevoerd om ambulances effectiever te kunnen inzetten en om de tijd tussen het moment dat de meldkamer een (spoed)melding ontvangt en het moment waarop de dichtstbijzijnde beschikbare ambulance opdracht wordt gegeven en - daarmee - de aanrijdtijd zo kort mogelijk te maken. Het ‘statussen’ wordt door de werkgevers in de ambulancezorg eveneens gebruikt om aan derden verantwoording af te leggen over de geleverde zorgprestaties (waarvan de aanrijdtijden deel uitmaken).

2.9.

Het bedoelde ‘statussen’ is niet de enige wijze waarop het ambulancepersoneel onderweg contact met de meldkamer onderhoudt. De ambulances zijn ook voorzien van een zogenoemd ‘track and trace’-systeem, waardoor de meldkamer op een beeldscherm de positie en beweging van de ambulances die onderweg zijn kan volgen. Voorts heeft het ambulancepersoneel de beschikking over portofoons waarmee met de meldkamer kan worden gecommuniceerd.

2.10.

Bij brief van 7 juni 2015 heeft de heer [A], voorzitter van AZN, in reactie op de aanzegging door de vakbonden van 3 juni 2015 van de uitbreiding van de collectieve acties per 8 juni 2015, zich op het standpunt gesteld dat met name het aangekondigde niet of beperkt ‘statussen’ vanuit het oogpunt van in het bijzonder de patiëntveiligheid onacceptabel is, omdat de kans bestaat dat, bijvoorbeeld bij een reanimatiemelding, niet tijdig de beschikbare ambulance kan wordt gestuurd die het snelst bij de patiënt kan zijn. AZN kondigde een kort geding aan, indien CNV en FNV niet bereid zouden zijn af te zien van (voor zover in dit kort geding van belang) het actiemiddel van het niet of beperkt ‘statussen.’

2.11.

In twee regio’s hebben de actiecomités vervolgens besloten om vanaf maandag 8 juni 2015, behalve de status 1 (vertrek) en 6 (einde rit), ook de status 4 (aankomst bestemming) of 5 (vrij-melding) in te voeren. In de overige regio’s hebben de actiecomités besloten om, overeenkomstig de aanzegging van de vakbonden, vanaf maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur gedurende twee weken uitsluitend van de status 1 en 6 bericht te geven.

2.12.

Tussen maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur en de aanvang van dit kort geding op woensdag 10 juni 2015 te 14.00 uur hebben zich geen situaties voorgedaan waarin de acute ambulancezorg niet bleek te kunnen worden gewaarborgd.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

AZN vordert in dit kort geding dat de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- CNV en FNV beveelt om de oproepen tot het voeren van acties inzake het ‘statussen’ bij de leden van AZN in te trekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per uur of gedeelte daarvan dat CNV en FNV aan dat bevel niet voldoen;

- CNV en FNV beveelt om de oproepen tot het voeren van acties inzake het ‘statussen’ bij de leden van AZN binnen een uur na het wijzen van dit vonnis aan hun leden bekend te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per uur of gedeelte daarvan dat CNV en FNV aan dat bevel niet voldoen;

- met veroordeling van CNV en FNV in de proceskosten.

3.2.

AZN legt aan haar vordering ten grondslag dat CNV en FNV onrechtmatig handelen door hun leden, als ambulancepersoneel werkzaam bij de leden van AZN, op te roepen om vanaf maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur tot maandag 22 juni 2015 te 08.00 uur geen prioriteit te geven aan het ‘statussen.’ AZN betwist niet dat, nu de collectieve acties verband houden met de afgebroken onderhandelingen over een nieuwe CAO Ambulancezorg, sprake is van een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), maar stelt zich op het standpunt dat het actiemiddel van het niet of beperkt ‘statussen’ een onaanvaardbare inbreuk maakt op de belangen van derden - te weten patiënten - en de volksgezondheid, zoals bedoeld in artikel G van het ESH. Volgens AZN hebben de vakbonden in redelijkheid niet tot de collectieve actie, inhoudende het niet of beperkt ‘statussen’, kunnen komen, omdat daardoor in zodanige mate inbreuk wordt gemaakt op deze in artikel G ESH genoemde belangen dat een beperking op het door artikel 6 lid 4 ESH beschermde recht op collectief optreden maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is.

Ten gevolge van het niet of beperkt ‘statussen’ door het ambulancepersoneel functioneert het geautomatiseerde toewijzingssysteem niet en ontberen de meldkamers de voor een spoedinzet vereiste vitale informatie. Hierdoor lopen patiënten in levensbedreigende situaties het gevaar dat zij - mogelijk onherstelbare - schade lijden, omdat spoedeisend onderzoek en behandeling door de vertraagde respons op de melding te lang uitblijven, aldus AZN.

3.3.

CNV en FNV voeren verweer. Zij beroepen zich op de bescherming die artikel 6 lid 4 ESH werknemers en vakbonden bij hun collectief optreden in het geval van een belangenschil, zoals in dit geding aan de orde, biedt. De collectieve acties van het ambulancepersoneel, daaronder begrepen het niet of beperkt ‘statussen’, vallen onder die bescherming en zijn daarmee in beginsel rechtmatig. Het niet of beperkt ‘statussen’ maakt geen inbreuk op de rechten van patiënten of de volksgezondheid, als bedoeld in artikel G ESH. Dat vanaf 8 tot en met 22 juni 2015 alleen nog de status 1 en 6, en in sommige regio’s ook de status 4 of 5, worden doorgegeven, heeft slechts tot gevolg dat de centralisten van de meldkamers in een spoedgeval geen automatisch gegenereerd inzetvoorstel krijgen, maar zelf contact moeten opnemen met de ambulances in de buurt van de plek waar acute zorg verlangd wordt. De collectieve actie in de vorm van het niet of beperkt ‘statussen’ maakt aldus weliswaar in een voorkomend spoedgeval extra inzet van meldkamerpersoneel noodzakelijk, maar dat is hinder of schade die (net als de vertraging in het geregelde vervoer) inherent is aan de uitoefening van het grondrecht op collectieve actie. Van enig gevaar voor de patiënt is hierbij geen sprake, omdat de meldkamer door middel van het ‘track and trace’-systeem bekend is met de positie en beweging van de ambulances in de buurt. Door zich ingeval van een spoedmelding met het personeel op deze ambulances in verbinding te stellen, kan de meldkamer onverwijld verifiëren of zij beschikbaar zijn voor de gevraagde spoedinzet. Overigens is gegarandeerd dat de ambulances - volgens de geldende norm - ook tijdens de collectieve acties in tenminste 95% van de spoedritten binnen 15 minuten na de melding bij de patiënt zijn. In voorkomende gevallen zijn ook de betrokken vakbondsbestuurders en de regionale actiecomités bereikbaar voor onmiddellijk overleg over onvoorziene situaties. Sinds maandag 8 juni 2015 is aldus, net als in de daaraan voorafgegane periode, de acute ambulancezorg gewaarborgd. De eerste drie dagen van de uitgebreide acties zijn zonder problemen verlopen, aldus CNV en FNV.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover dat voor de beoordeling van het geschil van belang is, nader ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

Beoordelingskader

4.1.

De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Het recht op het voeren van collectieve acties van werknemers of de hen vertegenwoordigende vakbonden, waaronder begrepen het stakingsrecht, wordt in beginsel beheerst door de bepalingen van het Europees Sociaal Handvest, dat in Nederland in zijn oorspronkelijke vorm sinds 1980 van kracht is en in de herziene vorm sinds 1 juli 2006. In artikel 6, aanhef en onder lid 4, ESH wordt het recht van werknemers of de hen vertegenwoordigende vakbonden op collectief optreden erkend in gevallen van belangengeschillen met werkgevers, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Wordt een collectieve actie gedekt door artikel 6 lid 4 ESH, dan brengt dat mee dat deze in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht, ondanks de met haar beoogde en op de koop toe te nemen schadelijke gevolgen voor de bestaakte werkgever en derden.

4.2.

Bij een onder de dekking van artikel 6 lid 4 ESH vallende staking moet de rechter ervan uitgaan dat de bij de uitoefening van het betreffende grondrecht betrokken belangen voor de vakbond en haar leden zwaarwegend zijn. Behoudens bijzondere omstandigheden heeft de rechter dan ook niet te treden in de beoordeling van de vraag of de ene dan wel de andere partij meer of minder gelijk heeft in het arbeidsconflict dat ten grondslag ligt aan de staking. Voor het oordeel dat de staking niettemin onrechtmatig is, is slechts dan plaats indien zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) zijn veronachtzaamd dan wel indien - met inachtneming van de door artikel G ESH gestelde beperkingen - moet worden geoordeeld dat de bonden en hun leden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen.

4.3.

Met betrekking tot de in artikel G ESH gestelde beperkingen aan de rechtmatige uitoefening van het in artikel 6 lid 4 ESH erkende grondrecht geldt dat moet kunnen worden vastgesteld dat het collectief optreden, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens artikel 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in artikel G ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen, daaronder dat van de volksgezondheid, dat beperkingen - maatschappelijk gezien - dringend noodzakelijk zijn. Onbeperkte uitoefening van het grondrecht is dan jegens allen, die daarvan schade ondervinden, onrechtmatig. Of dit het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in onderling verband, de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.

Toespitsing op dit geschil

4.4.

In dit kort geding verschillen partijen er niet over van mening dat aan het collectieve optreden van werknemers en vakbonden een belangengeschil in de zin van artikel 6 lid 4 ESH ten grondslag ligt. De voorzieningenrechter volgt partijen hierin, nu het gaat om collectieve acties die van de zijde van CNV en FNV bedoeld zijn om het machtsevenwicht te herstellen tussen werkgevers en werknemers in de ambulancezorg bij de onderhandeling over in een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst op te nemen arbeidsvoorwaarden. Onder het door artikel 6 lid 4 ESH beschermde recht op collectief optreden ingeval van belangengeschillen valt ook het actiemiddel van het niet of beperkt ‘statussen’, zoals dat in dit kort geding tussen partijen in geschil is. Voor zover AZN bedoeld heeft dit te betwisten, wordt overwogen dat een werknemersorganisatie in beginsel vrij is in de keuze van de middelen om haar doel te bereiken en dat het er bij de beantwoording de vraag of (nog) sprake is van een collectieve actie in de zin van artikel 6 lid 4 ESH op aan komt of de actie redelijkerwijs kan bijdragen tot de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen (vgl. HR 31 oktober 2014 JAR 2014/298). Dat laatste is hier het geval.

4.5.

Nu de vakbonden terecht de bescherming van artikel 6 lid 4 ESH hebben ingeroepen en zij de spelregels (zoals tijdige aanzegging) - naar AZN niet heeft weersproken - in acht hebben genomen, dient bij de beantwoording van de vraag of het actiemiddel van het niet of beperkt ‘statussen’ niettemin onrechtmatig jegens AZN is te worden beoordeeld of - met inachtneming van de hiervoor bedoelde, in artikel G ESH voorziene beperkingen - op grond van alle relevante omstandigheden van het geval de vakbonden in redelijkheid niet tot dit actiemiddel hebben kunnen besluiten en een verbod of beperking van dat actiemiddel maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. Aangenomen moet worden dat zich dit voordoet, indien dit actiemiddel leidt tot een vermindering van de mogelijkheid tot medische verzorging, in die zin dat patiënten daardoor komen bloot te staan aan het gevaar dat zij - mogelijk onherstelbare - schade lijden doordat onderzoek en behandeling te lang uitblijven (vgl. HR 22 november 1991 NJ 1992, 508). In zoverre gaat dit kort geding in de kern om de vraag of van de vakbonden kan worden gevergd dat zij de voortgang van een essentiële, en in de letterlijke zin van het woord vitale, dienst die de ambulancezorg is hebben te respecteren.

4.6.

Ter zitting heeft de heer [X], hoofd ambulancezorg te Amsterdam, namens AZN toegelicht dat het door haar gestelde gevaar voor de patiëntveiligheid ontstaat doordat de centralisten van de meldkamers weliswaar op een beeldscherm de positie en beweging van de ambulances kunnen volgen, maar sinds maandag 8 juni 2015 te 08.00 uur - bij gebreke van volledige statusberichten van de ambulances - geen gebruik meer kunnen maken van de door het communicatiesysteem automatisch gegenereerde inzetvoorstellen en daarom niet weten welke van de dichtstbijzijnde ambulances (leeg en) beschikbaar zijn om voor een spoedgeval te worden ingezet. Aan de hand van de uit het volgsysteem beschikbare, en op een beeldscherm zichtbare, informatie moet daarom nu eerst contact worden gezocht met elke afzonderlijke ambulance in de buurt om te vragen of deze voor een spoedinzet beschikbaar is. Volgens [X] leidt dit tot een vertraging in de verwerking van spoedmeldingen, die in grotere meldkamers kan oplopen tot minuten.

4.7.

Daartegenover is ter zitting van de zijde van de vakbonden gesteld dat de informatie uit het volgsysteem met het oog op de patiëntveiligheid volstaat, omdat daarmee ingeval van een spoedmelding bij de meldkamers reeds bekend is waar zich de dichtstbijzijnde ambulances bevinden. Dat de centralist na een spoedmelding met die ambulances contact moet opnemen om de mogelijkheid van een spoedinzet te bespreken, levert volgens CNV en FNV geen noemenswaardige vertraging op, omdat met behulp van C2000 ook groepsgesprekken kunnen worden opgebouwd (en de dichtstbijzijnde ambulances dus niet apart hoeven te worden benaderd, zoals AZN stelt). Voorts is bij monde van enkele ambulancemedewerkers in de zittingszaal naar voren gebracht dat vanaf maandag 8 juni 2015 weliswaar tijdelijk niet via het geautomatiseerde systeem wordt ‘gestatust’, maar dat wél mondeling, met behulp van de portofoons, de status - óók de status 2 (aankomst) tot en met 5 (vrij-melding) - aan de meldkamer wordt doorgeven, zodat daar bekend is waar het personeel van de (gelet op hun positie voor een spoedinzet in aanmerking komende) ambulances mee bezig is.

4.8.

De voorzieningenrechter komt op grond van deze standpunten over en weer tot het oordeel dat thans de kans bestaat dat een meldkamer ingeval van een spoedmelding, bij gebreke van geautomatiseerde informatie over de status van de ambulances, niet zodanig snel kan zorgdragen voor de inzet van de meest in aanmerking komende ambulance dat de veiligheid van degene die de gevraagde acute zorg behoeft zoveel mogelijk is verzekerd. In een situatie waarin elke seconde telt, zoals zich in het bijzonder laat denken in het geval een patiënt gereanimeerd moet worden, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet verantwoord dat de meldkamer geen gebruik kan maken van een op basis van volledige statusgegevens automatisch gegenereerd inzetvoorstel. In die situatie, waarin het leven van een patiënt in acuut gevaar is, kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat de meldkamer eerst contact opneemt met de zich in de buurt bevindende ambulances, óók niet als die oproep aan deze ambulances in één keer kan worden gedaan. Dan kan ook niet worden vertrouwd op eerder mondeling, per portofoon, aan de meldkamer doorgegeven statusberichten, omdat dat een aparte registratie van die gegevens vergt waarop bij een levensbedreigende situatie in de voorstelbare hectiek van het moment niet kan worden vertrouwd. De kans op fouten is dan te groot. Dat zich een dergelijke situatie tot nog toe niet heeft voorgedaan, betekent niet dat die in de periode tot 22 juni 2015 te 08.00 uur zal uitblijven. In het menselijk bestaan is nu eenmaal, met het leven, de kans op een abrupt levenseinde gegeven. Juist omdat de gevolgen van een niet zo snel als mogelijk medisch ingrijpen, zoals een reanimatie, ernstig en onherroepelijk kunnen zijn, geeft hier niet de doorslag dat de statistische kans dat zich tijdens de onderhavige collectieve acties een dergelijke noodsituatie, waarin alles aankomt op onmiddellijk medisch ingrijpen, mogelijk gering is. De voorzieningenrechter, die ambtshalve in deze en eerdere zaken de werkers in de ambulancezorg heeft leren kennen als buitengewoon consciëntieuze zorgverleners, heeft hierbij ook de belangen in aanmerking te nemen van het meldkamer- en ambulancepersoneel dat zich geconfronteerd ziet met een situatie waarin de hulp aan een patiënt mogelijk door een vertraging in de responstijd - hoe gering ook - net te laat komt.

4.9.

Hiertegen weegt het grondrecht van de werknemers en de hen vertegenwoordigende vakbonden, hoe zwaarwegend ook, niet op. Dit alles rechtvaardigt een verbod op het oproepen tot het niet of beperkt ‘statussen’. Met een enkele beperking van dat actiemiddel, bijvoorbeeld inhoudende dat wél het doorgeven van de status 2 en 3 achterwege mag blijven, is het hiervoor bedoelde gevaar voor de patiëntveiligheid in acute noodsituaties niet voldoende weggenomen.

4.10.

Deze afweging wordt niet anders doordat - zoals CNV en FNV hebben benadrukt - ook tijdens de collectieve acties wordt voldaan aan de norm dat in tenminste 95% van de spoedritten de patiënt binnen 15 minuten wordt bereikt. Als het binnen die tijd technisch gezien mogelijk is om de vereiste medische hulp eerder bij de levensbedreigende situatie te doen arriveren, mag daaraan niet in de weg staan dat vakbonden hun leden ertoe hebben opgeroepen om niet of beperkt te ‘statussen’. Datzelfde geldt voor het verweer van de vakbonden dat het ‘statussen’ nog maar een paar jaren geleden is ingevoerd en de meldkamer tot die tijd bij elke (spoed)melding contact moest opnemen met de dichtstbijzijnde ambulances. Nu die technische voorziening inmiddels beschikbaar is, moet daarvan in situaties die onmiddellijk ingrijpen vergen gebruik kunnen worden gemaakt. Ook het verweer van de vakbonden dat veelal niet het ambulancepersoneel, maar bedrijfshulpverlening (bij bedrijfsongevallen), politie of omstanders als eerste bij een noodsituatie arriveren, kan hen niet baten. Het gaat bij de afweging die de voorzieningenrechter in dit kort geding heeft te maken nu juist om die, mogelijk spaarzame, gevallen dat hulp van anderen dan ambulancepersoneel niet eerder beschikbaar is.

4.11.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van AZN wordt toegewezen, zoals hierna omschreven. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat geen aanleiding, nu de vakbonden ter zitting hebben toegezegd naar het oordeel van de voorzieningenrechter te zullen handelen. CNV en FNV worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt CNV en FNV om hun leden nog langer op te roepen om geen prioriteit te geven aan het ‘statussen’,

5.2.

beveelt CNV en FNV om het onder 5.1. genoemde verbod vóór woensdag 10 juni 2015 te 18.30 uur aan hun leden bekend te maken,

5.2.

veroordeelt CNV en FNV in de proceskosten, aan de zijde van AZN tot op heden begroot op € 1.429,--, waarvan € 613,-- aan griffierecht en € 816,-- voor salaris advocaat.

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.1

1 type: LH/1040 coll: