Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4228

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
16-06-2015
Zaaknummer
16/997015-11 en 22/004108-07 (tul) [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:336, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:337, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, een voorwaardelijk beroepsverbod van een jaar, een geldboete van 2000 euro en moet een eerder voorwaardelijk opgelegde boete van 10.000 euro betalen. De rechtbank acht verdachte onder meer schuldig aan grootschalige illegale dierenhandel binnen een criminele organisatie, gepleegd tussen 2010 en 2012. De illegale handel betrof allerlei dieren, waaronder veel vogels, katachtigen zoals panters en lynxen en primaten zoals ringstaartmaki’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/997015-11 en 22/004108-07 (tul) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaken tegen:

[verdachte] ,

geboren op [1961] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De inhoudelijke behandeling van deze strafzaak heeft plaatsgevonden op 22 april 2015,

23 april 2015, 24 april 2015 en 28 april 2015. De rechtbank heeft daarbij kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mr. M.C.A. Plantenga en mr. E.C. Visser, alsmede van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. drs. N. Wouters en mr. drs. J. Wouters, advocaten te Middelburg, naar voren hebben gebracht.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld

parketnummer.

De zaken tegen verdachte zijn gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers: 16/997018-11 en 20/003376-09);
[medeverdachte 2] (parketnummer: 16/997017-12) en [medeverdachte 3] (parketnummer: 16/997018-12).

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 13 van de Flora- en faunawet door al dan niet opzettelijk en samen met anderen beschermde diersoorten te bezitten, te vervoeren, ze binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen en ermee te handelen.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 81 van de Flora- en faunawet door zich niet te houden aan de regels over het voeren van een administratie met betrekking tot het onder zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden hebben en afleveren van dieren.


ten aanzien van feit 3, primair:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen dieren in Nederland te brengen, terwijl die dieren vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in de gebieden zijn gebracht waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is.

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen vogels in Nederland te brengen, terwijl die vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag, dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland zijn gebracht, welke vogels bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag.

ten aanzien van feit 3, meer subsidiair:
zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van meerdere vogels.

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft gehandeld in strijd met artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren door al dan niet opzettelijk en samen met anderen als houder van dieren, terwijl hij wist/kon vermoeden dat door zijn handelen/nalaten een besmetting met/verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt, dat handelen niet achterwege heeft gelaten, dan wel niet alle maatregelen heeft genomen om zo’n besmetting of verspreiding te voorkomen.


ten aanzien van feit 5:

zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift door geslachtsbepalings-documenten, leveranciersverklaringen van oorsprong en facturen vals op te maken of

te vervalsen.

ten aanzien van feit 6:

zich in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk gebruikmaken van valse of vervalste Europees Gemeenschappelijke Veterinaire Documenten van binnenkomst.

ten aanzien van feit 7:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

ten aanzien van feit 8:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 al dan niet samen met anderen

A: zonder redelijk doel/met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij dieren pijn/letsel heeft/hebben veroorzaakt en/of de gezondheid/het welzijn van die dieren heeft benadeeld;
B: als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden.

ten aanzien van feit 9:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 1 augustus 2013 al dan niet samen met anderen

A: zonder redelijk doel/met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij dieren pijn/letsel heeft/hebben veroorzaakt en/of de gezondheid/het welzijn van die dieren heeft benadeeld;
B: als houder van dieren aan die dieren de nodige verzorging heeft onthouden.

3 Voorvragen

3.1

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie
De verdediging bepleit dat het openbaar ministerie wegens meerdere ernstige vormverzuimen in het vooronderzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Subsidiair zou dit volgens de verdediging moeten leiden tot bewijsuitsluiting en meer subsidiair tot strafvermindering.

3.1.1

Juridisch kader

Artikel 359a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) luidt als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het

geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op vormverzuimen die zijn begaan in het voorbereidend onderzoek die niet zijn hersteld of alsnog kunnen worden hersteld. Indien binnen deze grenzen sprake is van een vormverzuim en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechtbank beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid genoemde beoordelingsfactoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Bij de beoordeling van de ernst van het verzuim kan de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. Bij de beoordeling van het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie als in artikel 359a Sv voorzien slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is slechts plaats indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 (Zwolsman) en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376). Derhalve dient sprake te zijn van een ernstige en verwijtbare schending van het recht op een eerlijk proces.

3.1.2

Oordeel rechtbank

Onherstelbaar vormverzuim?

In het onderstaande zal de rechtbank eerst beoordelen of sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv bij de door de verdediging gepresenteerde punten, alvorens toe wordt gekomen aan de vraag wat voor rechtsgevolg er aan een eventueel verzuim zou moeten worden gegeven.

Start van het onderzoek

De verdediging heeft aangevoerd dat tot op de dag van vandaag onduidelijk is wat de startdatum van het opsporingsonderzoek tegen verdachte is geweest.

De rechtbank stelt het volgende vast over de start van dat opsporingsonderzoek.

Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer 00.AMB.03 en gedateerd 8 juli 2011 blijkt het volgende.

Er is door de Hongaarse CITES-autoriteit een melding aan de CITES-autoriteit in Nederland gedaan dat er op 17 januari 2011 op de Hongaars-Roemeense grens een zending vogels is gecontroleerd, waarbij de op grond van het CITES-verdrag beschermde vogels uit die zending in beslag zijn genomen. Op de bij de zending behorende documenten is vermeld dat deze door CITES beschermde vogels zijn ingevoerd met als doel ‘Z’ (dierentuinen) en als bestemming een dierentuin in Sofia, Bulgarije.

De Servische chauffeur verklaarde aan de Hongaars-Roemeense grens dat de dieren in december 2010 vanuit Tanzania naar Nederland (Amsterdam) waren gekomen en dat ze naar de dierentuin in Sofia waren getransporteerd. Een dag voor deze controle is de chauffeur vanuit Bulgarije via Servië en Roemenië naar Hongarije gereden om de vogels vervolgens weer terug naar Nederland, naar [verdachte] te [woonplaats], te brengen. Op de bijbehorende factuur en gezondheidscertificaten staat de naam [verdachte] vermeld.

De tien corvus albicollis (witnekraven) en de tien corvus albus (schildraven) van deze zending zijn niet beschermd op grond van het CITES-verdrag en daarom zijn ze vrijgegeven.

Op 9 juni 2011 heeft een verbalisant bij een bezoek aan [A] in [woonplaats] drie witnekraven in een volière gezien. De mede-eigenaar van het bedrijf, [B], heeft verklaard dat hij deze witnekraven heeft gekocht bij [C].

Bij de overdracht van de witnekraven op 2 februari 2011 zijn een overdrachtsverklaring en drie verklaringen van endoscopische geslachtsbepaling van deze witnekraven meegegeven. Uit de verklaringen van endoscopische geslachtsbepaling bleek dat [verdachte] te [woonplaats] eigenaar van de witnekraven was op het moment dat de geslachtsbepaling plaatsvond.

Omstreeks 13 januari 2011 is een koppel Filipijnse dwergvalken te koop aangeboden aan

[B]. De handelaar die hem deze dwergvalken aanbood zou uit Woerden komen.

Omstreeks 13 januari 2011 werden door twee handelaren Brahmaanse Wouwen aangeboden aan een thans onbekende persoon.

De rechtbank stelt verder vast dat in het proces-verbaal 00.AMB.147 uitleg is gegeven over de start van het opsporingsonderzoek en de verschillende startdata die in het dossier naar voren komen. Hieruit valt geen vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv af te leiden.

De rechtbank verwijst voor de start van het onderzoek verder naar het proces-verbaal 00.AMB.03.

Uit de hiervoor vermelde gang van zaken over de start van het onderzoek leidt de rechtbank af dat het openbaar ministerie de informatie over vogels, die bekend was bij verschillende opsporingsambtenaren, pas heeft gebruikt nadat de melding van de Hongaarse CITES-autoriteiten over de grenscontrole van 17 januari 2011 was ontvangen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier om te veronderstellen dat voorafgaand aan die melding al een opsporingsonderzoek tegen verdachte was gestart.

Er is wat dit punt betreft geen sprake van een vormverzuim.

Onduidelijkheden relatie verbalisant [verbalisant 1] met [B] en [D]

De verdediging heeft aangevoerd dat er onduidelijkheden zijn omtrent de relatie tussen verbalisant [verbalisant 1] en de heren [B] en [D].
De rechtbank stelt vast dat in de processen verbaal van bevindingen 03.AMB.05 en 03.AMB.06 is geverbaliseerd hoe de gesprekken tussen verbalisant [verbalisant 1], [B] en [D] zijn verlopen. Hieruit blijkt ook de naam van de in 03.AMB.03 genoemde ‘thans nog onbekende persoon’. Dat verbalisant [verbalisant 1] de heer [B] niet zou kennen, valt hieruit niet af te leiden. Evenmin valt af te leiden uit dat proces-verbaal dat verbalisant [verbalisant 1] een dubieuze rol heeft gespeeld, zoals door de verdediging naar voren is gebracht.

Start inzet BOB-middelen

Volgens de verdediging wordt in het proces-verbaal 00.AMB.147 24 mei 2011 genoemd als datum waarop voor de eerste keer BOB-middelen zijn aangevraagd en toegepast, terwijl dit ook op 6 en 19 mei 2011 reeds is gebeurd.

De rechtbank overweegt dat de verdediging over de genoemde BOB-stukken beschikt, zodat ook hier geen sprake is van een (onherstelbaar) vormverzuim.

Tapbevelen

De verdediging heeft aangevoerd dat tapbevelen zijn afgegeven, zonder dat daarvoor een concrete en met feiten onderbouwde verdenking bestond.

De rechtbank stelt vast dat bij de eerste aanvraag voor een tapbevel de gegevens uit het proces-verbaal 00.AMB.03 zijn vermeld, zoals hiervoor weergegeven. Uit die gegevens heeft het openbaar ministerie een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte kunnen afleiden. In haar betoog is de verdediging voorbij gegaan aan het feit dat bij de overdrachtsverklaring van de witnekraven is gesteld dat zij in Europa in gevangenschap zijn geboren, terwijl uit de door de Hongaarse autoriteiten in beslag genomen documenten blijkt dat de vogels afkomstig zijn uit Tanzania en hieruit een vermoeden van valsheid in geschrift valt af te leiden.

Uit de opeenvolgende tapbevelen blijkt dat de periodes waarvoor deze zijn afgegeven telkens op elkaar aansluiten en dat er dus niet is getapt zonder dat er een bevel aan ten grondslag lag. Uit 00.BOB.51A blijkt dat de officier van justitie heeft verzocht om een tapbevel tot en met 4 november 2011 en anders dan de verdediging stelt, heeft de rechter-commissaris dat toegestaan. Er is geen sprake van een vormverzuim.

Ontlastende stukken

De verdediging heeft aangevoerd dat stukken die ontlastend voor verdachte zijn, door het openbaar ministerie niet zijn overgelegd. Dit naar aanleiding van het proces-verbaal 00.AMB.145, waarin is vermeld dat er geen proces-verbaal van zaken is opgemaakt wanneer daar geen traject uit voort is gekomen.

De rechtbank ziet hierin geen vormverzuim. Verdachte heeft alle stukken in kunnen zien op het politiebureau en kunnen vragen om voeging van die stukken in het dossier. Van deze mogelijkheid heeft verdachte geen dan wel slechts beperkt gebruik gemaakt.

Rechtshulpverzoeken

De verdediging beklaagt zich erover niet betrokken te zijn bij rechtshulpverzoeken.

De rechtbank is van oordeel dat er geen rechtsregel is die dit voorschrijft. Daarbij heeft de verdediging ruimschoots de mogelijkheid gehad te verzoeken getuigen te horen. Er is geen sprake van een vormverzuim.

Onjuiste voorinformatie aan getuigen

De verdediging stelt dat de getuigen onjuiste informatie van verbalisanten hebben gekregen. Daardoor zouden zij voorgeprogrammeerd zijn en aldus hebben verklaard.

De rechtbank acht deze stelling van de verdediging onvoldoende onderbouwd en acht geen vormverzuim aanwezig.

Onverwijld op de hoogte stellen van beschuldigingen en tijdgebrek

De verdediging heeft aangevoerd dat zij niet onverwijld op de hoogte is gesteld van de beschuldigingen, omdat de definitieve dagvaarding pas enkele weken voor de regiezitting op 12 november 2014 aan de verdediging is verstrekt. Daarnaast heeft het bijna drie jaar geduurd voordat de verdediging over de dossierstukken kon beschikken. Dankzij deze minimale bestuderingsmogelijkheden van het dossier is een inequality of arms ontstaan. Het openbaar ministerie was immers al drie jaar met de zaak bezig geweest.

De rechtbank acht het tijdstip waarop de definitieve dagvaarding aan de verdediging is verstrekt niet zodanig laat dat er sprake is van een vormverzuim. Evenmin acht de rechtbank de voorbereidingstijd die beschikbaar was voor de verdediging te weinig. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de definitieve dagvaarding dateert van 24 oktober 2014 en dat er zowel op 12 november 2014 als op 4 maart 2015 een regiezitting in de zaak van verdachte heeft plaatsgevonden. De inhoudelijke behandeling is begonnen op 22 april 2015, bijna een halfjaar nadat verdachte de beschikking over de definitieve dagvaarding had.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte - ondanks het omvangrijke dossier - niet in zijn belangen is geschaad en er geen sprake is van een vormverzuim.

Geluidsfragmenten

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de geluidsfragmenten zoals die op zitting zijn afgespeeld blijkt dat de objectiviteit van het opsporingsonderzoek en de opsporingsambtenaren ver te zoeken is.

Uit het door de verdediging aangehaalde geluidsfragment blijkt volgens de rechtbank dat de betreffende verbalisanten spreken over het niet aantreffen van schildpadden en over de auto van verdachte. Uit het voorgaande leidt de rechtbank niet af dat er zodanig is gerechercheerd dat er sprake is van een vormverzuim.

Betreden zonder huiszoekingsbevel

De verdediging heeft aangevoerd dat door het observatieteam op 19 augustus 2011 bevoegdheden zijn overschreden door binnen te treden in de loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats].

De rechtbank is van oordeel dat het observatieteam op 19 augustus 2011 inderdaad zijn bevoegdheden heeft overschreden door in de loods van verdachte aan de [adres] in [woonplaats] binnen te treden. Er was geen machtiging verleend om dit pand van verdachte binnen te treden. Tegen het lid van het observatieteam is gezegd dat hij buiten moest wachten. Nadat hij toch naar binnen was gelopen en hem nogmaals was gezegd dat hij buiten moest wachten is hij weer naar buiten gegaan. Het binnentreden zonder machtiging en zonder toestemming van verdachte is een onherstelbaar vormverzuim, dat de rechtbank ernstig acht.

De rechtbank acht dit vormverzuim echter, mede gelet op de omstandigheden waaronder het verzuim heeft plaatsgevonden, niet zodanig ernstig dat dit moet leiden tot de niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. De rechtbank is van oordeel dat eventuele bewijsmiddelen die uit dit onrechtmatige binnentreden zijn verkregen van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Krat bier

De verdediging heeft aangevoerd dat het observatieteam zijn bevoegdheden ook op 24 augustus 2011 heeft overschreden door een krat bier aan een minderjarige werknemer van verdachte aan te bieden.

De rechtbank is van oordeel dat het door de verbalisanten overhandigen van een krat bier aan een zeventienjarige medewerker van verdachte op 24 augustus 2011 een ernstig laakbaar feit is. Onduidelijk is wat hiermee is beoogd. Anders dan de verdediging gaat de rechtbank er niet vanuit dat dit op initiatief van de officier van justitie is gebeurd, maar dat doet aan de ernst van het feit niet af. Niet gebleken is dat dit laakbare handelen enig gevolg heeft gehad in de zin van concrete onderzoeksresultaten die ontlastend dan wel belastend voor verdachte zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank laat het daarom bij een constatering van dit vormverzuim.

Te koop aanbieden van een telefoon

De verdediging heeft aangevoerd dat verbalisanten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheden door het aanbieden van mobiele telefoons aan verdachte (pseudokoop).

De rechtbank acht dit aanbieden van telefoons aan verdachte voor een lage prijs laakbaar en ziet dit als een onherstelbaar vormverzuim. Verdachte is echter niet op het aanbod van de verbalisanten ingegaan, zodat de rechtbank het hier laat bij de constatering dat sprake is van een vormverzuim.

Strijd met gelijkheidsbeginsel

Verdachte beroept zich op een strijd met het gelijkheidsbeginsel nu de zaken van andere verdachten zijn geseponeerd.

De rechtbank acht geen strijd met het gelijkheidsbeginsel aanwezig. Gesteld noch gebleken is dat tegen één van die andere verdachten een verdenking bestaat met eenzelfde omvang bij de handel in vogels en andere dieren als de verdenking zoals die tegen verdachte.

Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie?

Gelet op het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

3.2

Overige voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan. Hiertoe hebben de officieren van justitie verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de verdediging verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, maar daarbij uitsluitend ingaan op die standpunten die zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Algemene opmerkingen bewijs

De hierna opgenomen bewijsmiddelen zullen per ten laste gelegd feit en vervolgens per ten laste gelegd zaaksdossier worden weergegeven.

Gelet op de overlap van een aantal bewijsmiddelen voor verschillende feiten wordt nu en dan verwezen naar bewijsmiddelen die onder een ander feit zijn opgenomen.

De weergegeven bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop deze gelet op de inhoud kennelijk betrekking hebben.

4.3.2

Algemene bewijsmiddelen 1

Verdachte heeft verklaard dat hij wereldwijd in diverse diersoorten handelt, waaronder vogels. Hij heeft een eenmanszaak genaamd [bedrijf 1]. Verdachte gebruikt ook de naam van het bedrijf [bedrijf 2] voor zijn dierenhandel. Hij heeft veel contact met [medeverdachte 1] over de handel in dieren. Verdachte maakt gebruik van verschillende panden voor zijn dierenhandel. Dat zijn de panden aan de [adres] te [woonplaats] met de nummers [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer]. Op het adres [adres] nummer [nummer] is een quarantaineruimte gevestigd.2

4.3.3

FEIT 1

4.3.3.1 Juridisch kader feit 1

CITES-verdrag

Ter bescherming van in het wild levende diersoorten tegen – onder meer – overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel is op 18 juli 1984 in Nederland het internationaalrechtelijke CITES-verdrag in werking getreden. CITES staat voor de ‘Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora’.

Basisverordening 338/97

In de EU is het CITES-verdrag geïmplementeerd in de EU basisverordening 338/97 (hierna: de Basisverordening) en bijbehorende Uitvoeringsverordening. Doel van de Basisverordening is in het wild levende diersoorten te beschermen en in stand te houden door controle op het desbetreffende handelsverkeer. De Basisverordening is op 1 juni 1997 in werking getreden en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

De Basisverordening bevat vier bijlagen (A, B, C en D), waarin per type diersoort is omschreven aan welke voorschriften de handel in die soorten moet voldoen.

Flora- en faunawet

Daarnaast zijn in de Nederlandse Flora- en faunawet (verder: Ffw) en de daarop gebaseerde regelgeving verscheidene regels opgenomen ter bescherming van in het wild levende diersoorten.

Het eerste lid van artikel 13 Ffw bevat een algemeen verbod op het te koop vragen, kopen of verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad hebben, verkopen of ten verkoop aanbieden, vervoeren, ten vervoer aanbieden, afleveren, gebruiken voor commercieel gewin, huren of verhuren, ruilen of in ruil aanbieden, uitwisselen of tentoonstellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of onder zich hebben van dieren behorende tot een beschermde inheemse of uitheemse diersoort.

Via de artikelen 4 en 5 Ffw en de onderliggende Regelingen en Besluiten is bepaald wanneer een bepaalde diersoort valt onder de categorie ‘beschermde inheemse diersoort’ respectievelijk ‘beschermde uitheemse diersoort’.

Strafbaarstelling artikel 13 Ffw

Overtreding van artikel 13 FFW is strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (verder: Wed). Volgens artikel 2 Wed betreft dit een misdrijf indien dit opzettelijk is gedaan en een overtreding wanneer van dat opzet geen sprake is.

Uitzonderingen/vrijstellingen/ontheffingen Ffw

De al dan niet van toepassing zijnde uitzonderingen, vrijstellingen en ontheffingen op/van het eerste lid van artikel 13 Ffw zullen hieronder per diersoort worden besproken.

4.3.3.2 Vrijspraken feit 1

Zaaksdossier 04 – Wildvang Bulgarije

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie verwijt verdachte onder het ten laste gelegde deel zaakdossier wildvang Bulgarije dat hij samen met anderen opzettelijk heeft gehandeld in diverse beschermde vogels die uit het wild afkomstig zijn en dat hij samen met anderen die beschermde vogels heeft bezeten, vervoerd en binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Deze handelingen zijn strafbaar gesteld in artikel 13 Ffw.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte voldoet aan alle vereisten om onder een vrijstelling van de verboden handelingen uit artikel 13 Ffw te vallen.


Oordeel rechtbank

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten naar voren gekomen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte niet heeft voldaan aan de vereisten om onder een vrijstelling op het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw te vallen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte een beroep op een vrijstelling toekomt. Het gevolg daarvan is dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verboden handelingen uit artikel 13 lid 1 Ffw.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het deel van de tenlastelegging onder 1 dat ziet op het zaaksdossier wildvang Bulgarije.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute

De verdediging en de officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde met betrekking tot de Brahmaanse wouwen uit het zaaksdossier dierentuinroute.

De rechtbank spreekt verdachte - wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrij van dit deel van de tenlastelegging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige handeling met betrekking tot deze Brahmaanse wouwen heeft verricht.

4.3.3.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 1

Zaaksdossier 05 – Oneigenlijk bezit

Bewijs amoerpanters
De amoerpanter, wetenschappelijke naam: panthera pardus orientalis, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae.3

Verdachte heeft verklaard dat [E] hem op 1 september 2011 voor

€ 6.000,- drie amoerpanters heeft aangeboden, welke amoerpanters afkomstig zijn van het [park] in Duitsland. Zijn chauffeur, [F], heeft deze drie amoerpanters op 20 april 2012 bij het [park] opgehaald en betaald. Verdachte had [F] een geldbedrag van € 5.000,- voor deze amoerpanters meegegeven. [F] heeft de amoerpanters afgeleverd bij [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] en ze zijn vervolgens per vliegtuig naar Dubai verzonden. Verdachte heeft het transport van de amoerpanters geregeld.4

Onder verdachte is een factuur aangetroffen, die afkomstig is van ‘[E] B.V.’ en is gericht aan ‘[bedrijf 2] [adres], [postcode] te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 9 mei 2012 en betreft de levering van ‘3 amur leoparden’ voor het bedrag van

€ 6000,- exclusief € 1.140,- BTW. Derhalve € 7.140,- in totaal.5

[F] heeft verklaard dat hij op 20 april 2012 in opdracht van [verdachte] drie amoerpanters heeft opgehaald in het [park] te [vestigingsplaats] in Duitsland.6 Hij heeft ongeveer € 5.000,- betaald voor deze drie amoerpanters aan het park. Hij had dit geld van [verdachte] gekregen.7

[E] heeft verklaard dat [verdachte] hem nog € 2.140,- contant heeft betaald voor de amoerpanters.8

Gelet op een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 22 april 2012 zijn de luchtvrachtkosten van € 2.016,- en de kosten voor een export document van € 75,- voor ‘live animals’, derhalve € 2.091,- in totaal, voor rekening gekomen van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’9

Op 27 april 2012 is vanaf een rekening van ‘[bedrijf 1], [adres], [postcode] [woonplaats]’ een bedrag van € 2.091,- overgemaakt op een rekening van ‘[bedrijf 11]’.10

In de periode van 1 september 2011 tot en met 17 mei 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]11;

- [E], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]12;

- [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]13.

In een gesprek op 01 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]):

“[E]: Ik heb nog die mensen van die Amoerleopards aan de telefoon gehad, die 3 gecastreerde mannen. Heb jij daar nog klanten voor?

[verdachte]: Ja, in principe wel, Fris me eens op, hoe zat het ook al weer?

[E]: Drie mannen samen 6000 euro, gecastreerde mannen.

[verdachte]: Ik spreek zo de man in Arabie, ze willen wel papier opmaken eventueel, he?

[E]: Ja, ze willen wel de papieren opmaken (…).”14

In een gesprek op 02 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]).

“[medeverdachte 1]: Dag .. [verdachte] kenne gij nie gaan vragen of ie nie toevallig een fotoke van die drie kan krijgen, ik heb wel een klant die serieus geïnteresseerd is voor een goeie ..

[verdachte]: Amoers?

[medeverdachte 1]: Ja voor die Amoers, ik heb 32.000 euro gevraagd ... hij wil een fotoke zien

[verdachte]: Okay, ik zal even vragen of dat gaat eventueel .. Jaaa?”15

In een gesprek op 06 september 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]).

“[verdachte]: Jaaa?

[E]: jaaa ... die eh .. gegevens van die Amoerleoparden ... (…)
[E]: Kun je dat overfaxen, dat ik dat klaar kan maken, die exportcites?

[verdachte]: Jaha dat kan maar dan moet je ze even overfaxen naar me.

[E]: He?

[verdachte]: Wat hebben ze, chipnummers en datum van geboorte.

[E]: Ja .. moet je dat hebben?

[verdachte]: Jahaa anders ... dan kan ik mijn invoervergunning aanvragen.

[E]: Okay, dan ga ik dat morgenvroeg regelen ehhm (…)
: (…) Ehh die Amoerleoparden ehh .. gaan naar een dierentuin?

[verdachte]: Ja, maar wel in Arabië.

[E]: Ja, nee maar dat maakt niet uit.

[verdachte]: Mm

[E]: Zet anders dat adres er maar even op dan vraag ik hem aan op een van die kopieën en dan krijg je die ook wel, dan is het ook klaar. (…)

[verdachte]: Ja, ik moet alleen eh als ik eh de, de ... leeftijd van de geboorte heb en de chipnummers dan zal ik vast een eh een eh cites aanvragen, dan hebben hun al een cites aanvraag of een originele importcites voordat ze aanvragen dat, zo hoort het ook eigenlijk.

[E]: Okay, super.”16


In een gesprek op 14 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]).

“[medeverdachte 1]: Ehh, ja voor de rest zou ik het eigenlijk ook allemaal niet weten, die Lemur, Amoeren, Lemuren, Amoeren ............. amour amour.

[verdachte]: Ehh .. vrijdag .. bij jou.

[medeverdachte 1]: Vrijdag bij mijn okay.

[verdachte]: Donderdagmiddag laden en dan ehh ........... donderdagnacht op Schiphol en dan eh in de nacht gaan ze weg dan eh .. vrijdag bij jou.”17

In een gesprek op 19 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]).
“[verdachte]: Ehm, wat ik zeggen wou was maar ehh ... als je, als ehh we geld mee moeten nemen dan moet ik dat voor morgenochtend voor eh half 8 wel weten want anders eh.

[E]: Ah neem maar eh 5000 euro mee eh doe dat maar, ik heb voor 5000 Euro heb ik ze ervoor gekocht.

[verdachte] : Oh okay, nou dan za'k dat wel meegeven (…).”18

In een gesprek op 17 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]):
“[verdachte]: [verdachte].

[E]: Ja [E] nog eventjes, uh mijn vrouw had uh had die rekening klaar gemaakt van die amoers.

[verdachte]: Hmm.

[E]: Had ze erop geschreven uh 6000 (zesduizend) euro, 5000 (vijfzuidend) uh betaald aan Seregeti uh ex BTW blablabla, ja?

[verdachte]: Ja is goed.

[E]: Okee. Yo.

[verdachte]: Yo.”19

Op de CITES-uitvoervergunningen gedateerd 2 oktober 2012 en 10 oktober 2012 is opgenomen dat in totaal drie amur leopards/panthera pardus door exporteur [park] in Duitsland aan importeur [bedrijf 7] in Dubai worden verzonden.20


Bewijsoverwegingen amoerpanters

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de amoerpanters aangeboden heeft gekregen door [E]. Daarna heeft hij ze door zijn chauffeur [F] laten ophalen, betalen en afleveren bij [bedrijf 11] om ze vervolgens naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de amoerpanters zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft daarnaast in verschillende tapgesprekken met [medeverdachte 1] gesproken over het vinden van klanten voor de amoerpanters in Dubai en het bijbehorende verkoopbedrag. Zodra [medeverdachte 1] een koper had gevonden zijn de exportpapieren opgemaakt, en wel op een zodanige manier dat wordt gesuggereerd dat de dieren rechtstreeks door het [park] in Duitsland naar het [bedrijf 6] in Dubai zijn verzonden.

Overtreding 13 Ffw

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

de amoerpanters heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [E] en [medeverdachte 1].

De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Amoerpanters zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte slechts het transport van de drie amoerpanters heeft verzorgd. Hij is nooit houder of eigenaar van de amoerpanters geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (verder: Regeling vrijstelling). Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening.

In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de drie amoerpanters door/namens verdachte, maar ook van andere, in een nauwe en bewuste samenwerking verrichte, verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling.

Omdat amoerpanters behoren tot de familie van katachtigen kunnen ze bovendien niet vallen onder de vrijstelling van het verbod ze onder zich te houden, aldus artikel 14 lid 4 van de Regeling vrijstelling in samenhang met het eerste lid van artikel 13 Ffw.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie amoerpanters samen en in vereniging opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Bewijs ringstaartmaki’s

De ringstaartmaki, wetenschappelijke naam: lemur catta, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en valt volgens die Basisverordening onder de primaten, wetenschappelijke naam: primates.21

Verdachte heeft verklaard dat [E] op 17 januari 2012 om 18.41 uur vijf ringstaartmaki’s bij hem heeft gebracht. Deze ringstaartmaki’s kwamen uit het dierenpark [dierentuin 2] in Duitsland.

Om 19.42 uur heeft verdachte deze ringstaartmaki’s naar het bedrijf [bedrijf 9] in [vestigingsplaats] gebracht. Verdachte heeft daarover contact gehad met [G] van [bedrijf 9].

De ringstaartmaki’s zijn vervolgens per vliegtuig naar Dubai verzonden. Verdachte heeft het transport van de ringstaartmaki’s naar Dubai geregeld.22

[E] heeft verklaard dat hij vijf lemur catta’s afkomstig uit dierenpark [dierentuin 2] voor € 500,- heeft doorverkocht aan [verdachte].23

In de administratie van [bedrijf 9] is een e-mailbericht van 10 januari 2012 aangetroffen van ‘[verdachte] [[e-mail]@gmail.com]’ gericht aan [G] van [bedrijf 9]. In de e-mail biedt [verdachte] 5 lemur catta’s aan voor [bedrijf 6] in Dubai, welke lemur catta’s afkomstig zijn van [dierentuin 2] in Duitsland. In de e-mail vraagt verdachte aan [G] een boeking te maken en informatie door te sturen die verdachte nodig heeft om een gezondheids cert (de rechtbank begrijpt: gezondheidscertificaat) te maken in Germany.24

Volgens een factuur van [bedrijf 9] gedateerd 18 januari 2012 zijn de airfreightcharges (de rechtbank begrijpt: luchtvrachtkosten) en de kosten voor exporthandling (de rechtbank begrijpt: exportdocumenten), voor ‘5 Pcs live animals’, voor rekening gekomen van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’25

In de periode van 8 november 2011 tot en met 17 januari 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]26;

- [E], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]27;

- [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]28.

In een gesprek op 8 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [E] ([E]):

“[E]: (…) bij mij in de auto ligt al die lijst van die Lemur catta's, hij heeft er 5 zitten en ik meen dat het er 3 waren maar er zitten er 5. En een andere dierentuin heeft er twee maar hij wil één nieuwe dekman beer hebben. (…)

[E]: En dan heb ik nog op een plaats 5 Lemur catta's zitten, dat is 2,3 maar dat hoor ik vandaag ook wat voor citessen er achter liggen. (…)

[verdachte]: Als ik die chipnummers en de datums heb wanneer die geboren is dan vraag ik een invoervergunning in Dubhai aan en dan krijgt hij, dat hebben we met die tijgers ook gedaan, dan krijgt hij gelijk uhh..dan krijgt hij rapper die dingest. (…)”29

In een gesprek op 10 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):

“[verdachte]: Dan heb ik een ander geval. Die 5 Lemur catta, dat is 2,3. (…) Kost 35 meier met z'n vijven.

[medeverdachte 1]: Ja, dat moet wel kenne.

[verdachte]: Als jij zegt: ja, dan ga ik jou de chipnummers en de hele rattaplan doorgeven en dan vraag jij een invoervergunning aan?

[medeverdachte 1]: Ja. Heb je niet toevallig een EEG-certificaatje?

[verdachte]: Ja, die heb ik wel, maar ik denk, als ik die in ga scannen, dat het nog moeilijker wordt.

Maar ze staan op een nederlands certificaat en een duitse dierentuin gaat ze exporteren.

[medeverdachte 1]: Oke, is goed. Geef me maar de dingen door.

[verdachte]: Ze staan op de kasteeltuin in Arcen en ze zitten in [dierentuin 2].

[medeverdachte 1]: Oké. (…)”30

In een gesprek op 17 januari 2012, omstreeks 19.54 uur, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):
“[medeverdachte 1]: Jaa, meneer [verdachte].

[verdachte]: Ehhh .... de Lemur is 1.2 wat bij elkaar kan.

[medeverdachte 1]: Jaa.

[verdachte]: En die zijn gemerkt met een B op de kist.

[medeverdachte 1]: Okay.

[verdachte]: En dan heb je 1 paar dat bij elkaar ken, dat is gemerkt met een A.

[medeverdachte 1]: Ja.

(…)

[verdachte]: Zeker niet ... ehhmm... tsjaaa wat moet ik er dan verder nog van vertellen? .... nee dat is eh, ze staan op Schiphol dus ehhh .... hij brengt ze morgenochtend effe ... aan de .. aan de man enne en is het goed. (…)”31

Bewijsoverwegingen ringstaartmaki’s

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat [E] vijf ringstaartmaki’s bij verdachte heeft gebracht. Deze ringstaartmaki’s hebben op het bedrijf van verdachte gestaan, waarna hij ze bij [bedrijf 9] heeft afgeleverd om ze naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de ringstaartmaki’s zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft daarnaast in verschillende tapgesprekken met [E] en [medeverdachte 1] gesproken over het opmaken van invoervergunningen voor de ringstaartmaki’s in Dubai. Met [medeverdachte 1] heeft verdachte gesproken over het verkoopbedrag van de ringstaartmaki’s.

Overtreding 13 Ffw

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

de vijf ringstaartmaki’s heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [E] en [medeverdachte 1].

De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Ringstaartmaki’s zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?
De verdediging bepleit dat verdachte slechts het transport van de vijf ringstaartmaki’s heeft verzorgd. Hij is nooit houder of eigenaar van de ringstaartmaki’s geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling. Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening.

In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de vijf ringstaartmaki’s door/namens verdachte, maar ook van de andere, in nauwe en bewuste samenwerking verrichte, verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling.

Omdat ringstaartmaki’s primaten zijn, kunnen ze ook niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de vijf ringstaartmaki’s samen en in vereniging opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Bewijs woestijnlinxen/caracals
De Aziatische populatie van de caracal/woestijnlynx, wetenschappelijke naam: caracal caracal, is opgenomen in Bijlage A van de Basisverordening. De andere populaties zijn opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.32

Verder blijkt uit artikel 5 Ffw in samenhang met Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet (verder: Regeling aanwijzing) dat de caracal caracal in Nederland een beschermde uitheemse diersoort is en behoort tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae.33

Verdachte heeft verklaard dat [H] hem op 17 oktober 2011 een caracalwijfje heeft aangeboden. Hij heeft dit caracalwijfje van [H] gekocht en op 13 januari 2012 bij [H] in België opgehaald.
Verdachte heeft ook een andere caracal gekocht. Deze was van [I] en is tijdelijk bij [J] ondergebracht.

Verdachte heeft de beide caracals verkocht aan [K]. [K] heet eigenlijk [K] en komt uit Madrid. [K] heeft voor de caracals een aanbetaling van

€ 2.000,- naar verdachte overgemaakt. [K] heeft de twee caracals op 14 januari 2012 rond 14.00 uur bij verdachte opgehaald.34

Onder verdachte is een factuur gedateerd 15 januari 2012 aangetroffen betreffende de levering van onder andere twee caracals voor € 4.250,-. De factuur is van ‘[bedrijf 2], [adres] te [woonplaats]’ en gericht aan ‘[K] te Madrid’.35

In de periode van 17 oktober 2011 tot en met 14 januari 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]36;

- [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]37;
- [K], die ook wel [K] wordt genoemd38, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]39;

- [I], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]40;

- [J], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]41.

In een gesprek op 17 oktober 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]):
“[H]: ik kan uhh ik had net ook nog contact met die dierentuin van die caracal. Die caracal kan ook meekomen, die jonge caracal als je der klaar voor bent. (…)

[verdachte]: oke en..het was een wijfie he?

[H]: jajaja, een schitterend dier! zo ga jij nog nooit een hebben gezien, een schitterend dier hoor! schitterend!

[verdachte]: ik zal er zo even in duiken zo als ik thuis ben

[H]: hoe zeg je?

[verdachte]: ik gaat er zo effe mee kijken wat ik doen ken, dan zal ik die man effe contacteren.(…)
[H]: is goed.”42

In een gesprek op 22 december 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [K] ([K]):

“(…) [K]: He, [verdachte], denk je dat het mogelijk is, een koppel caracal lynx (don)?

[verdachte]: Caracal?

[K]: Ja.

[verdachte]: Ja, is mogelijk, ja.

[K]: Normale prijs voor het koppel?

[verdachte]: Voor het koppel?

[K]: Ja..

[verdachte]: Mmmm..ik geloof voor het koppel zal de prijs rond 4.000 zijn op het moment.

[K]: Per koppel, 4.000 per koppel?

[verdachte]: Ja.

[K]: Oke, oke, ik ga naar mijn klant, ik geloof morgen zet de betaling in mijn rekening en ik ga jou sturen, oke?

[verdachte]: Oke, geen probleem. (…)

[verdachte]: ..laat het me weten, stuur me de copie en ik zal verzenden.

[K]: Oke, heel goed, [verdachte], heel hartelijk bedankt.43

In een gesprek op 29 december 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]):
“[verdachte]: Ik zou de Caracal ook nog kunnen gebruiken, maar ik weet niet hoe je dat wil doen, als je zegt dat je 495 wil hebben dan wordt dat te duur voor mij..de Caracal zou ik ook nog willen.

[I]: Die kan ik in ieder geval meebrengen...die kan ik desnoods bij..

[verdachte]: Wat?

[I]: Ja, o.k... ik wilde zeggen dat ik die desnoods bij [J] (fon) afgeven, maar ik heb niets voor [J], hij wil nog een paar Lama’s hebben maar dat is nog niet zo ver.

[verdachte]: Heb je die 15 januari?

[I]: Ja, 4 januari kom ik daar naartoe.

[verdachte]: Ja, moet ik even kijken hoe het met de Caracal loopt.

[I]: Dan praten we erover.

[verdachte]: Ja die wilde ik hebben, ik heb iemand die deze wil hebben.

[I]: Ja. (…)

[verdachte]: En de Caracal die wil ik ook hebben en ja, 770 euro provisie kan ik betalen, dat is geen probleem.

[I]: Ja, ok.”44

In een gesprek op 30 december 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]):
“[I]: Donderdagochtend komt de Caracal mee.

[verdachte]: Donderdagmorgen?

[I]: Ja.

[verdachte]: Geen probleem, moeten we kijken waar ik dat vinden kan.

[I]: Hoe we dat doen, dat moeten we nog bespreken.

[verdachte]: Ja, ja.

[I]: Zodra ik weet wat er tot dan nog aankomt, op het moment heb ik niets aan

het rijden. (…)

[verdachte]: Je hebt nog niets om te vervoeren?..heb je alleen de Caracal dan?

[I]: Nee...ik heb..[J] wil de Erdmannchen (fon) hebben en dan kan ik die tegelijk brengen.

[verdachte]: Ah, ja o.k. kan ik dat bij [J] ophalen.

[I]: Misschien gaan we dat zo doen.

[verdachte]: Geen probleem.”45

In een gesprek op 5 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [I] ([I]):
“[I]: Je weet niet...ahh..dat is niet veel...ik rij zometeen naar [J] en neem de kat mee.

[verdachte]: O.k., ja dan haal ik die daar op.

[I]: Ja, maar wanneer kom je daar naartoe?

[verdachte]: Weet ik nog niet precies, hoe laat ben jij daar?

[I]: Ja vandaag..in de ochtend, in elk geval ben ik om 11 uur alweer klaar.

[verdachte]: A..o.k., moet kijken wat ik kan regelen.

[I]: Ja, ok het is ook onbelangrijk.

[verdachte]: Komt goed.

[I]: Hoe doen we dat financieel?

[verdachte]: Ja, hoe doen we dat..

[I]: Ik heb nog een paar mark tegoed.

[verdachte]: De kat is 770?

[I]: Ja.

[verdachte]: En je moet de Aramdilo (fon) nog betalen..

[I]: Ja.

[verdachte]: Hoe regelen we dat met de Armadilo?

[I]: Ja, dat betaal ik, ik reken het af..hoe doen we dat? ieder de helft?..ik

bedoel, helft van die 100 euro.

[verdachte]: Ja, het is goed.

[I]: Jij neemt 50, ik neem 50.

[verdachte]: Ja goed.

[I]: Dat betekent 600 op 770.

[verdachte]: Ja dan krijgt je nog 170.

[I]: En 50.

[verdachte]: Ja, dat is dan 220....als ik nog niet daar ben, betaalt [J] wel, dat is geen probleem. (…)”46

In een gesprek op 5 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [J] ([J]):
“[verdachte]: Ja [verdachte], uhm wat ik zegge wou, ik ben er morgenochtend om acht uur om dat ding op te halen
[J]: ja is goed.”47

In een gesprek op 6 januari 2012, 08.48 uur, gespreknummer [telefoonnummer], zegt verdachte tegen een derde persoon, NNman0924, dat hij net bij [J] wegrijdt.48 Uit de gespreksgegevens blijkt dat hij daarbij de zendmastlocatie op de Kuipersdijk te Apeldoorn aanstraalt. Deze locatie is in de onmiddellijke omgeving van het woonadres van [J], de [adres] te [woonplaats].49
Verder is uit onderzoek naar de bakengegevens van het voertuig van verdachte gebleken dat dit voertuig op 6 januari 2012 naar de [adres] in [woonplaats] is gereden.50

In een gesprek op 9 januari 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [K] ([K]):

“[verdachte]: Ja?

[K]: Hi [verdachte].

[verdachte]: Hi..

[K]: [verdachte] is oke voor je als ik vandaag 2.000 euro doe..

[verdachte]: Ja, oke ik kan..

[K]: ..om het dier te reserveren?

[verdachte]: ..ik kan de caracal blokken, dus het is oke..

[K]: Oke, oke, oke.. (…)
[verdachte]: .. maar eh wanneer ben je.. wanneer ben je van plan om te komen?

[K]: Ik weet het niet, ik denk eh.. ik denk eh..eh.. vrijdag in Holland..

[verdachte]: Vrijdag, oh, oke..

[K]: Ik denk vrij..vrijdag in Holland..

[verdachte]: Mm…(…)
[K]: Oke, [verdachte], eh.. over 1 uur stuur het geld aan je en de rest betaal aan je in contanten , oke?
: Oke, ja, oke..”51

Uit analyse van de mutatieoverzichten van een bankrekening ten name van [bedrijf 1], eenmanszaak van [verdachte], is gebleken dat op 10 januari 2012 een bedrag van € 2.000,- is overgemaakt door [K].52

In een gesprek op 13 januari 2012, 14.59 uur, gespreknummer [telefoonnummer], belt verdachte met [H]. Verdachte is rond half 6 bij [H] met zijn kleine rode autootje. heeft die caracal in een kist van 60 hoog en 60 lang. Dat past volgens [verdachte] wel.53

In een gesprek op 14 januari 2012, 14.07 uur, gespreknummer [telefoonnummer], belt verdachte met [K]. zegt dat hij bij [verdachte] zijn bedrijf is. [verdachte] zegt dat hij er over tien minuten is.54

Bewijsoverweging woestijnlinxen/caracals

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte op 29 december 2011 telefonisch een caracal aangeboden heeft gekregen van [I]. Op 5 januari 2012 zegt [I] tegen verdachte dat hij zo met de kat (de rechtbank begrijpt: de caracal) naar [J] rijdt. Verdachte antwoordt dat hij de kat bij [J] zal ophalen. Verdachte belt op 5 januari 2012 met [J] en zegt dat hij de volgende ochtend om acht uur dat ding (de rechtbank begrijpt: de caracal) op komt halen.
Op 6 januari 2012 geeft verdachte in een telefoongesprek om 8.48 uur aan dat hij net bij [J] (de rechtbank begrijpt: [J]) wegrijdt. Uit de mastgegevens behorende bij dit gesprek, de bakengegevens van de auto van verdachte en de overige bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 6 januari 2012 omstreeks acht uur ’s ochtends bij [J] is geweest om de caracal op te halen die hem door [I] was aangeboden.

Daarnaast heeft verdachte erkent dat hij op 13 januari 2012 een caracalwijfje bij [H] in België heeft gekocht en naar zijn bedrijf in Nederland heeft gebracht.
Op 14 januari 2012 haalt [K] omstreeks 14.00 uur de twee caracals op bij het bedrijf van verdachte. [K] heeft daarvoor een aanbetaling naar verdachte overgemaakt en er is bij verdachte een factuur van 15 januari 2012 voor [K] aangetroffen, waar de beide caracals op staan.

Het verweer van de verdediging dat verdachte beide caracals pas op 13 januari 2012 bij [H] heeft opgehaald acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op genoemde bewijsmiddelen en gegeven het feit dat [H] in het afgetapte telefoongesprek van 13 januari 2012 slechts spreekt over één caracal in een kist.

Overtreding 13 Ffw

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

de beide caracals heeft vervoerd, gekocht en verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden, heeft gebruikt voor commercieel gewin, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [H] en [I]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Caracals zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A respectievelijk B van de Basisverordening) en artikel 5 Ffw in samenhang met Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?
De verdediging bepleit dat verdachte de ten laste gelegde caracals slechts in het kader van doorvoer onder zich heeft gehad. De beide caracals hebben een ochtend op het terrein van verdachte moeten staan, omdat [K] vertraging had. Verdachte kan een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

Doorvoer volgens Basisverordening

Indien en voorzover de verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van ‘doorvoer’ in de zin van de Basisverordening, overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens artikel 1 sub v van de Basisverordening wordt onder ‘doorvoer’ verstaan: “het vervoeren van specimens tussen twee punten buiten de Gemeenschap via het grondgebied van de Gemeenschap (...) zonder andere onderbrekingen van de reis dan die welke bij deze vorm van vervoer onvermijdelijk zijn.”

In casu is geen sprake geweest van ‘doorvoer’ in de zin van de Basisverordening, aangezien het vervoer betrof tussen twee punten binnen het grondgebied van de Gemeenschap en niet buiten de Gemeenschap. Ook heeft verdachte de reis van de caracals onderbroken door ze op zijn terrein te laten staan. Dit kan niet worden opgevat als een ‘onvermijdelijke’ onderbreking van de reis. Het feit dat [K] vertraging zou hebben gehad waardoor de caracals langer op het terrein van verdachte hebben gestaan dan gepland, komt geheel voor rekening en risico van verdachte.

Regeling vrijstelling

Uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat Bijlage A soorten overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod die soorten ten behoeve van intracommunautair verkeer binnen het grondgebied van Nederland te brengen.

In casu is niet uitsluitend sprake geweest van het (intracommunautair) vervoeren van de twee caracals door/namens verdachte, maar ook van de andere verboden handelingen uit artikel 13 Ffw, waardoor geen beroep kan worden gedaan op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling.

Omdat caracals katachtigen zijn, kunnen ze ook niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee caracals opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 Ffw.

Bewijs tigons/Lijgers

Eerste tigon/lijger

Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat waar in het procesdossier gesproken wordt over het transport van een lijger van 9 tot 14 maart 2012, dit in feite een tigon betreft.55

De tigon, wetenschappelijke naam: panthera tigris, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae.56

Verdachte heeft verklaard dat hij op 25 november 2011 telefonisch een tigon/lijger van [H] kreeg aangeboden. Deze tigon/lijger heeft hij op 14 maart 2012 bij [H] in België opgehaald en naar [G] van [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] gebracht. De tigon/lijger is vervolgens naar Dubai verzonden. Hij heeft veel contact met [medeverdachte 1] in Dubai gehad over de tigon/lijger. Wanneer het transport naar Dubai zou zijn gerealiseerd, zou verdachte nog een provisie krijgen van het bedrag dat de tigon/lijger in Dubai zou opbrengen. Verdachte heeft verschillende mensen moeten betalen voor de tigon/lijger, waaronder [H]. Hij heeft ook de transportkosten van [bedrijf 11] voor de tigon/lijger betaald.57

[H] heeft verklaard dat [verdachte] hem € 10.000,- contant heeft betaald voor de lijger, die in feite een tigon was. [verdachte] heeft deze tigon/lijger bij [H] opgehaald.58

Volgens een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 15 maart 2012 komen de luchtvrachtkosten en de kosten voor een export document voor ‘live animals’ voor rekening van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’59

Onder verdachte is een rekenstaat aangetroffen, met daarop geschreven: ‘Liger winst + inkoop 27.666,-.’60 Tevens is een kladberekening aangetroffen, met daarop geschreven: ‘Liger inkoop 14.000 + 13.666,- = 27.666,-.’61 Verdachte heeft verklaard dat dit een verrekening is tussen hem en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft verdachte € 27.666,- voor de tigon/lijger betaald.62

In de periode van 25 november 2011 tot en met 12 maart 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]63;

- [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]64;

- [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]65.

In een gesprek op 25 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]):
“[verdachte]: En dan stond er nog een ding op van 9500, maar ik wist niet wat dat was.

[H]: Ja, een lijger, een kruising tussen tijger en leeuw

[verdachte]: OOhh. (…)

[verdachte]: Dan heb ik daar waarschijnlijk wel een klant voor, maar willen ze daar ook export papieren voor maken?

[H]: Uh, weet ik niet. Ik weet dat [Aw] het ook weer van iemand anders heeft en dan weten we beiden dat je ooit in een vreemde wereld treedt, waar ik niet altijd even gelukkig mee ben. Uuhhh, ik ga het eventueel wel proberen, dussuh.. Met die dingen kom jij toch ook niet zo dadelijk weg zeker, hé?

[verdachte]: Nee, nee. Vraag eens of ze er een exportpermit bij willen maken.

[H]: Uh, is goed. Dan kun jij daar er mee leven... (…)

[verdachte]: Ja, in principe denk ik wel dat ik er een klant voor heb. (…)
[verdachte]: (…) ik ga straks eens een balletje opgooien bij de jongens en ik denk dat er wel wat is. Maar hier in Europa kan ik hem niet verkopen, laat ik het zo zeggen.

[H]: Nee, nee, dat is goed.”66

In een gesprek op 25 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]):
“[verdachte]: Ja, hy. Ik had hier en daar zo even gehengeld, maar zo als die lijger... Jij bent er wel mee in de slag?

[H]: Ja.

[verdachte]: Oké, want de klant heb ik in principe.

[H]: Ja, ik heb gisteravond nog iets teruggezonden, dat het verkocht is, dus dat ik het gezegd heb, dussuh... Enne met de papiertjes en zo kom je er wel mee weg?

[verdachte]: Met de papiertjes?

[H]: Ja, offuh.. dus die kan gewoon geleverd worden of hoe kan dat gaan, met afgiftebewijs of wat moet er nog meer gewerkt worden?

[verdachte]: Ja, nee, op het moment dat die te verkopen is, dan moet ik effe een kopietje hebben van iemand die eigenaar is.

[H]: Ja, ja, dat gaat wel.

[verdachte]: Dan kennen we hem aanvragen voor export.

[H]: Ah, dat is goed. Maar jij kunt met de export weg ja?

[verdachte]: Uuhh, ja met de export zal die in principe weg kunnen ja.

[H]: Nee, dat is goed. (…)”67

In een gesprek op 30 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):

“ [medeverdachte 1]: (…) die jongens zeiden wel dat het een ton zal opbrengen, maar ik heb hem voor 40 rooitjes, aangeboden.

[verdachte]: 40?

[medeverdachte 1]: 40 duizend, euro, dat kunnen we gewoon met zijn tweeën delen.

[verdachte]: Oke, 8 of 9,5 en dan komt er ook nog een beetje bij, en ik denk dat ik nog een rooitjes of 1500 uit moet delen om mensen tevreden te houden.

[medeverdachte 1]: Ja dat ken toch of nie?

[verdachte]: Ja, ja ik heb nog wel wat smerig.

[medeverdachte 1]: Ja ik wil zeggen als je nou een rooitje de man er aan over zou houden, dan... maar euh, maar ik heb 200 duizend dirham heb ik gebruikt.”68

In een gesprek op 12 maart 2012, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):

“[medeverdachte 1]: Hij gaat toch wel komen die liger, want ik ga nu 62.000 euro aannemen.

[verdachte]: Ja, aannemen, maar dat is natuurlijk een aanbetaling, he. Ik heb je ook al een paar foto's gestuurd, he.

[medeverdachte 1]: Ja, je hebt me al een paar foto's gestuurd, ja. (…)

[medeverdachte 1]: Het zit wel allemaal mooi verpakt, zeg.

[verdachte]: Wat?

[medeverdachte 1]: Dat geld.

[verdachte]: Oh, vers van de pers.

[medeverdachte 1]: Vers van de pers, ingesealed en wel. Het zit gewoon nog netjes in plastic verpakt, zo in bundeltjes. Het is vers.69

In een gesprek op 12 maart 2012, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):

[verdachte]: (…) Maar ehh beter nieuws hij staat ehh in de douanehal op ehh Schiphol en hij gaat over

2 uur naar de KLM aangeboden worden dus..

[medeverdachte 1]: Ja.. oke (…)”70

Tweede tigons/lijgers

Verbalisant [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat waar in het procesdossier gesproken wordt over het transport van twee lijgers van 30 september 2012 tot en met 1 oktober 2012, dit in feite tigons betreft.71

De tigon, wetenschappelijke naam: panthera tigris, is in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen en behoort volgens de Basisverordening tot de familie van de katachtigen, wetenschappelijke naam: felidae.72

Verdachte heeft verklaard dat hij op 19 april 2012 telefonisch twee lijgers van [H] kreeg aangeboden. Deze lijgers heeft [H] in Tsjechië opgehaald met een voertuig van verdachte. [H] heeft de lijgers in de nacht van 1 oktober 2012 bij verdachte afgeleverd. Een medewerker van verdachte, [L], heeft de twee lijgers vervolgens in de ochtend naar [G] van [bedrijf 11] in [vestigingsplaats] gebracht.73

[H] heeft verklaard dat hij met de bus van [verdachte] twee lijgers heeft opgehaald in Tsjechië. Hij heeft deze lijgers naar het bedrijf van [verdachte] gebracht en ze daar samen met [verdachte] uitgeladen en in zijn schuur neergezet. [H] had € 16.000,- van [verdachte] gekregen om de lijgers te betalen.74

[L] heeft verklaard dat hij de lijgers in de ochtend van het bedrijf van [verdachte] naar [G] in [vestigingsplaats] heeft gebracht.75

Uit onderzoek naar de bakengegevens van het voertuig van verdachte is gebleken dat dit voertuig op 1 oktober 2012 omstreeks 01.25 uur is aangekomen op de [adres] in [woonplaats] en diezelfde dag om 08.50 uur weer verder is gereden naar [vestigingsplaats].76

Volgens een factuur van [bedrijf 11] gedateerd 2 oktober 2012 komen de luchtvrachtkosten en de kosten voor een export document voor ‘2 pcs liger’ voor rekening van ‘[bedrijf 2] B.V., [adres], [postcode] te [woonplaats].’77

In de periode van 19 april 2012 tot en met 27 september 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]78;

- [H], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]79;

- [medeverdachte 1], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]80.

In een gesprek op 19 april 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):
“[medeverdachte 1]:ik had [M] nog effe gesproken, ik had hem alvast ene beetje warm gemaakt. Ja eh, die twee dingen moeten gewoon te verkopen zijn, geen probleem.

[verdachte]: hmm, hmm

[medeverdachte 1]: ja eh, hij garandeert een ton. Voor de eerste een ton en als het een beetje meezit voor die tweede ook wel.

[verdachte]: ja, maakt niet uit of het een man of een vrouw is?

[medeverdachte 1]: nee. (…) ze moeten gewoon deze week een liger hebben.

[verdachte]: hmm hmm

[medeverdachte 1]: Dus ja die vent die wil er gewoon eentje hebben...,. of twee.

[verdachte]: nou oke. Ja dan zullen we even kijken hoe die reageert. In principe is het zo: het lijkt goed.81

In een gesprek op 10 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]):
“[medeverdachte 1]: Ja, het Cites is klaar.

[verdachte]: Hè?

[medeverdachte 1]: het Cites is klaar.

[verdachte]: Oh, van die Lijger?

[medeverdachte 1]: Van die Lijgers, ja!

[verdachte]: Oké, eh....., ken je mij die cites nog opsturen?

[medeverdachte 1]: ja, hij gooit hem, vanavond gooit hij hem af.

[verdachte]: Oh, oké. (…)
: Dan moeten we effe gaan kijken, want eh we leggen hevig in strijd, en die Tsjechen hebben ons weer rechtstreeks benaderd om hem te verkopen want eh...ze zitten allemaar bij elk maar met een schuld nog, ze zijn mekaar de mantel aan het uitvegen

[medeverdachte 1]: Wat?, ze hebben bij mekaar nog allemaal schuld?

[verdachte]: Ja, ze hebben bij mekaar allemaal schuld.........

[medeverdachte 1]: ...en die Tsjech die wil hem gewoon rechtstreeks aan jou verkopen?

[verdachte]: Die eh Tsjech die wil nu aan ons verkopen.

[medeverdachte 1]: Ja, da's ook het beste...

[verdachte]: ...maar goed....stuur hem vanavond maar effe op, dan gaan we wel effe kijken wanneer

we wat kennen doen..

[medeverdachte 1]: Oké, is goed.”82

In een gesprek op 12 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [H] ([H]):
: Zal ik dan nog effe wat proberen te organiseren voor volgend weekend, zaterdag, zondag, dat we dan die tigons en die ...

[verdachte]: Ja, ja, en dan zal ik die boeking maken dat we op maandag... maandag... dinsdagmorgen vroeg kennen versturen.

[H]: Ja, en dan stuur ik die lui daar in Tsjechie gewoon domweg een mail: luister, zaterdag komen we ze halen en cashgeld erbij, afgelopen uit. Ik ga eerst proberen wat aan die prijs te peuteren.

Hoe zuinig mag ik zijn? Want ja, zij staan ook onder druk, dat is klaar, he?

[verdachte]: Ja, ja, kijk maar effetjes wat er aan te trekken valt. Als er wat aan te trekken valt, we moeten zelf ook komen om ze te halen.

[H]: Ja, dat klopt. Ik denk dat [N] ginds 7000 moet betalen. Dat was me gevoel.

[verdachte]: Maar kijk maar wat je aan die prijs kunt trekken, dat delen we wel op, dat maakt niet uit.

E: Oké, ik doe mijn best.”83

In een gesprek op 27 september 2012, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte [verdachte]) met [H] ([H]):
“[H]: (…) hoe doen we dat geldelijke met die Lijger, wat moet ik daar van mijne kant nog organiseren?

[verdachte]: Nou, goed ik geef je dat geld wel mee, om die dingen op te halen,dus...

[H]: Ja?, want....hoe......, dus ik heb hier nu liggen, dan moet ik morgen naar de bank

gaan, dus eh....

[verdachte]: Nee, ....maar ik heb dat wel, da's geen probleem (…)”.84

Bewijsoverwegingen tigons/lijgers

Eerste tigon/lijger

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte een tigon/lijger aangeboden heeft gekregen door [H]. Daarna heeft hij deze lijger bij [H] in België opgehaald en hem bij [bedrijf 11] in Nederland afgeleverd om hem naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de tigon/lijger zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor het exportdocument zijn door verdachte betaald.
Verdachte heeft in verschillende tapgesprekken met [medeverdachte 1] gesproken over het verkopen van de tigon/lijger in Dubai en de bijbehorende opbrengst die ze met zijn tweeën zullen verdelen. [medeverdachte 1] heeft een aanbetaling voor de tigon/lijger aangenomen. Hij heeft vervolgens een geldbedrag aan verdachtevoor de tigon/lijger betaald. Dat geldbedrag bestond uit een verdeling van de winst tussen [medeverdachte 1] en verdachte voor de verkoop van de tigon/lijger. Daarnaast kreeg verdachte nog een provisie van het bedrag dat de tigon/lijger uiteindelijk in Dubai op zou brengen.

Tweede tigons/lijgers

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte nog een keer twee tigons/lijgers aangeboden heeft gekregen door [H]. Daarna heeft verdachte deze tigons/lijgers door [H] in Tsjechië laten ophalen. [H] heeft de tigons/lijgers bij verdachte afgeleverd, waarna ze de volgende dag door een medewerker van verdachte naar [bedrijf 11] zijn gebracht om ze naar Dubai te verzenden. Zowel de kosten voor de tigons/lijgers zelf als de luchtvrachtkosten en de kosten voor de exportdocumenten zijn door verdachte betaald. Verdachte heeft in verschillende tapgesprekken met [H] en [medeverdachte 1] gesproken over het kopen van de tigons/lijgers in Tsjechië door verdachte. Met [medeverdachte 1] heeft verdachte telefonisch gesproken over het verkopen van de tigons/lijgers in Dubai en de bijbehorende opbrengst.

Overtreding 13 Ffw

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de drie lijgers/tigons zowel heeft vervoerd als heeft gekocht, verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin, binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en onder zich heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling, winstverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en/of [H]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Lijgers/tigons zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?
De verdediging bepleit dat verdachte slechts tussenpersoon en transporteur van de tigons/lijgers is geweest. Tijdens het transport kan verdachte een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 8 van de Regeling vrijstelling. Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 8, derde lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat ten behoeve van uitvoer een vrijstelling geldt voor het verbod van vervoer, bedoeld in lid 1 van artikel 13 Ffw voor specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de Basisverordening.

In artikel 16, eerste lid, van de Regeling vrijstelling is bepaald dat indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage A bij de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en de Uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, een vrijstelling geldt voor het verbod op vervoer uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

Nu niet uitsluitend sprake is geweest van het vervoeren van de lijgers/tigons door/namens verdachte, maar ook van de andere, samen en in vereniging verrichtte, verboden handelingen uit artikel 13 FFW, kan geen beroep worden gedaan op de vrijstellingsbepalingen uit de artikelen 8 en 16 van de Regeling vrijstelling.

Omdat lijgers/tigons katachtigen zijn, kunnen ze bovendien niet vallen onder de vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 14 van de Regeling vrijstelling, aldus het vierde lid van artikel 14 Regeling vrijstelling.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie lijgers/tigons opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 FFW.

Bewijs aalscholvers

De aalscholver, wetenschappelijke naam: phalacrocorax carbo, staat in Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw.85

Verdachte heeft verklaard dat [O] hem naar aalscholvers heeft gevraagd. Verdachte kreeg vervolgens van zijn medewerker [C] vier aalscholvers aangeboden. Hij heeft [C] € 35,- per aalscholver betaald en in zijn auto meegenomen.

Hij heeft de aalscholvers aan [O] doorverkocht voor € 70,- per stuk en uiteindelijk € 140,- aan de verkoop van de vier aalscholvers overgehouden.86

[C] heeft verklaard dat [verdachte] hem vroeg of hij aan aalscholvers kon komen, omdat [verdachte] daar vraag naar had. [C] heeft daarop vier aalscholvers ontvangen die net in de veren zaten en daarom wel uit het nest gehaald moeten zijn. [C] heeft [verdachte] gebeld en gezegd dat [verdachte] vier jonge aalscholvers bij hem op kon halen. [C] heeft de aalscholvers zelf ringen omgeschoven. Dit mocht volgens [C] niet omdat het om wildvang aalscholvers ging. [verdachte] heeft de aalscholvers bij [C] opgehaald en hem er in totaal € 140,- voor betaald.87

In de periode van 1 mei 2012 tot en met 12 mei 2012 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]88;

- [C], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]89;

- [P], die zichzelf [O] noemt, zijnde de gebruiker van telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer]90.

In een gesprek op 1 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], vraagt [P] aan verdachte uit te kijken naar jonge aalscholvers.91

In een gesprek op 4 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], zegt [P] dat hij nog steeds om de aalscholvers verzoekt.92

In een gesprek op 8 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], vraagt [P] aan verdachte of hij al iets weet over de aalscholvers, omdat het anders te laat wordt.93

In een gesprek op 12 mei 2012, gespreknummer [telefoonnummer], geeft [C] aan verdachte door dat er net vier jonge aalscholvers zijn gebracht. Ze zijn jong en zitten in de veren. Verdachte vraagt of ze al om eten roepen en [C] zegt dat dat nog niet zo is. Verdachte zegt dat hij in de buurt is en komt kijken.94

Bewijsoverwegingen aalscholvers

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte zijn medewerker [C] heeft verzocht naar aalscholvers uit te kijken, nadat was gebleken dat verdachte daar klanten voor had. [C] heeft vervolgens vier aalscholvers aan verdachte aangeboden. Verdachte heeft deze aalscholvers bij [C] opgehaald en meegenomen in zijn auto, [C] ervoor betaald en ze doorverkocht aan [P]. Verdachte heeft geld aan deze verkoop overgehouden.

Overtreding 13 Ffw

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

de vier aalscholvers heeft vervoerd, ze heeft gekocht, verworven, ten verkoop heeft aangeboden, heeft afgeleverd, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich heeft gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking met [C]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Aalscholvers zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte geen reden had aan de legale herkomst van de aalscholvers te twijfelen, omdat ze een vaste voetring van het juiste formaat hadden. Verdachte kan daarom een succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 5 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (verder: Besluit vrijstelling). Verdachte heeft voldaan aan alle voorwaarden om onder die vrijstellingsbepaling te vallen, waardoor hij moet worden vrijgesproken van overtreding van artikel 13 Ffw, aldus de verdediging.

In artikel 5 van het Besluit vrijstelling staat dat de verboden van artikel 13 lid 1 Ffw niet gelden ten aanzien van gefokte vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, indien de houder kan aantonen dat de vogels zijn gefokt, en is voldaan aan de overige in dat artikel genoemde vereisten.

Uit voormelde bewijsmiddelen volgt dat de aalscholvers geen gefokte vogels waren en [C] ze ringen heeft omgeschoven. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte wel degelijk redenen had te twijfelen aan de gefokte herkomst van de aalscholvers. De rechtbank acht daarvoor met name redengevend dat het jonge vogels waren, die nog in de veren zaten en nog niet om eten riepen. Omdat verdachte, als houder van de aalscholvers, niet kan aantonen dat de aalscholvers zijn gefokt kan hij geen beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 5 van het Besluit vrijstelling.


De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de vier aalscholvers opzettelijk samen en in vereniging heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Bewijs rode eekhoorns

De rode eekhoorn, wetenschappelijke naam: sciuris vulgaris, staat in Bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw.95

Op 12 november 2012 zijn bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] drie rode eekhoorns aangetroffen.96

Verdachte heeft verklaard dat hij de drie rode eekhoorns in november 2012 enige dagen in zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] onder zich heeft gehad. Verdachte wist dat hij deze rode eekhoorns niet onder zich mocht hebben.97

Bewijsoverwegingen rode eekhoorns
De verdediging bepleit dat de eekhoorns in zo’n slechte conditie waren, dat verdachte ze niet verder kon verhandelen en doet daarbij een beroep op overmacht.

Overtreding 13 Ffw

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de drie rode eekhoorns omstreeks 12 november 2012 onder zich heeft gehouden.

Rode eekhoorns zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 1 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handeling.

Dat de eekhoorns al dan niet te ziek waren om verder te verhandelen, doet daar niet aan af. Verdachte heeft nooit over de rode eekhoorns mogen beschikken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de rode eekhoorns. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.


De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de drie rode eekhoorns opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Bewijs dubbele geelkopamazone en tucuman amazone

De dubbele geelkopamazone, wetenschappelijke naam: amazona oratrix, en de tucuman amazone, wetenschappelijke naam: amazona tucumana, zijn in Bijlage A van de Basisverordening opgenomen.98

Op 12 november 2012 zijn bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] een amazona oratrix en een amazone tucumana aangetroffen. De amazona oratrix was wel voorzien van een open pootring, maar niet van een chip. De amazona tucumana was niet voorzien van een naadloos gesloten pootring en niet van een chip.99

Verdachte heeft verklaard dat hij de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone in november 2012 een of twee weken in zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] onder zich heeft gehad.100

Bewijsoverwegingen dubbele geelkopamazone en tucuman amazone

Overtreding 13 Ffw

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone omstreeks 12 november 2012 onder zich heeft gehouden.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze amazones. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

De dubbele geelkopamazone en de tucuman amzone zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage A Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handeling.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat de dubbele geelkopamazone wel een microchip met nummer heeft, maar dat deze wellicht te oud is of kapot is gegaan. Omdat dit verdachte nog niet was opgevallen, moet hij worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.


Ten aanzien van de tucuman amazone bepleit de verdediging dat verdachte nooit dergelijke vogels zonder CITES-documenten koopt. Mogelijk zijn deze documenten kwijtgeraakt bij de doorzoeking. Omdat dit van de zijde van verdachte niet is te controleren, verzoekt de verdediging verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen met betrekking tot de ten laste gelegde amazones het volgende.

Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage A soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod die soorten onder zich te hebben.


Aangezien verdachte niet heeft aangetoond dat de dubbele geelkopamazone en de tucuman amazone in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, die over een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder beschikken, kan hij geen succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling. Het komt voor rekening en risico van verdachte indien een Bijlage A vogel die hij onder zich heeft beschikt over een oude of kapotte microchip.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de dubbele geelkopamazone en de tucuman amzone opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Bewijs groene specht

De groene specht, wetenschappelijke naam: picus viridis, staat in Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten. De daarin genoemde soorten zijn beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw.101

Op 12 november 2012 is bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] een groene specht aangetroffen.102

Naturalis heeft de specht onderzocht en vastgesteld dat het een groene specht, picus viridis, betrof.103

Bewijsoverwegingen groene specht
De verdediging bepleit dat er geen groene specht bij verdachte is aangetroffen, maar een Japanse specht. De Japanse specht is niet beschermd, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aldus de verdediging.

Overtreding 13 Ffw

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte op 12 november 2012 een groene specht en geen Japanse specht onder zich heeft gehouden.
De rechtbank acht daarvoor met name de onderzoeksresultaten van Naturalis redengevend.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de groene specht. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Een groene specht is een beschermde inheemse diersoorten, aldus artikel 4 lid 1 Ffw in samenhang met Bijlage 2 van de Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten, waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichte handeling.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de groene specht opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filippijnen-zending


Algemene bewijsmiddelen Filippijnen-zending

CITES-uitvoervergunning

Op 16 september 2010 is een CITES-uitvoervergunning met nummer 14387 afgegeven voor het uitvoeren van vogels. Volgens deze CITES-uitvoervergunning is de exporteur [exporteur], Filippijnen. De importeur is [dierentuin 1] in [vestigingsplaats], Bulgarije.104

Op de CITES-uitvoervergunning staan de volgende vogels vermeld:

- 2 philippine falconet (microhierax erytrogenys) met ringnummers 7712 en 6810;

- 4 stuks palawan goshawk (accipiter trivirgatus palawanus) met de ringnummers HJ1821, HJ1860, HJ1871, HJ1830;

- 2 stuks pied harrier (circus melanoleucus), met ringnummers 306 en 301;

- 2 stuks luzon rufous hornbill (buceros hydrocorax) met de ringnummers: 0047 en 0086;

- 10 stuks luzon tarictic hornbill (penelopides manillea) met de ringnummers: ABC 0246, ABC 0833, ABC 0815, HJ 1905, HJ 1956, HJ 1914, HJ 1949, HJ 1974, HJ 1982 en HJ 1983.105

Op de CITES-uitvoervergunning staat in vak 6 onder ‘special conditions’: ‘*For Breeding Purposes Only* (alleen voor kweek doeleinden).’106

CITES-invoervergunningen

Op 17 september 2010 zijn CITES-invoervergunningen afgegeven met de nummers 10BG0105I, 10BG0106I en 10BG0107I. De soorten, aantallen en ringnummers van de vogels die zijn genoemd op deze drie invoervergunningen komen precies overeen met de soorten, aantallen en ringnummers van de vogels die op de uitvoervergunning 14387 staan. Op de invoervergunningen wordt ook verwezen naar het nummer van de uitvoervergunning, te weten 14387.107

Alle CITES-invoervergunningen hebben als doelcode ‘Z’.108 CITES-invoervergunningen met code ‘Z’ geven aan dat de dieren bestemd zijn voor een dierentuin en dat deze bestemming niet kan veranderen.109

Verdachte heeft geen dierentuin.110

Verdachte heeft met betrekking tot de ten laste gelegde vogels uit de Filippijnenzending telkens verklaard dat hij niet kan weten waar deze vogels vandaan komen. Hij hoeft dit ook niet te weten, zo lang de papieren bij de aankoop maar in orde zijn. Als de dieren eenmaal in EU-gebied zijn, worden er per aankoop telkens nieuwe papieren opgemaakt.111

TRACES-documenten
In het TRAde Control and Expert Systemis (verder: TRACES) is een certificaat, gedateerd 11 oktober 2010, aangetroffen met het nummer CVEDA.NL.2010.0005892. Op dit certificaat staat als verzender [exporteur] Filippinen en als geadresseerde [dierentuin 1], [vestigingsplaats] Bulgarije. Bij de buitengrensinspectiepost staat een A (Amsterdam) ingevuld. Verder staat erop vermeld dat het vervoermiddel na de grensinspectiepost een voertuig is met het kenteken [kenteken], de vervoerder het KLM dierenhotel en dat de lidstaten van doorvoer DE, AT HU en RO zijn. Het gaat om 67 dieren.112

Uit het bijbehorende gezondheidscertificaat (gevorderd bij de douane op Schiphol), gedateerd 11 oktober 2010, staan tien Luzon Tarictic Hornbill (neushoornvogels met de ringnummers ABC 0246, ABC 0833, ABC 0815, HJ 1905, HJ1956, HJ 1914, HJ 1949, HJ 1974, HJ 1982 en HJ1983), zes Filipijnse dwergvalken (met onder andere de ringnummers 6810 en 7712), twee Buceros hydrocorax (rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086), 4 bonte kiekendieven, twee circus melanoleucos (bonte kiekendieven, met ringnummers 301 en 306) en vier Accipiter trivigatus (kuifhaviken, met ringnummers HJ1921, HJ1860m HJ1871 en HJ1830) vermeld.113

Specifiek bewijs Filipijnse dwergvalken

De Filipijnse dwergvalk, wetenschappelijke naam: microhierax erythrogenys, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.114

Op 12 november 2012 zijn op het adres van verdachte, de [adres] te [woonplaats], twee Filipijnse dwergvalken aangetroffen. De Filipijnse dwergvalken waren voorzien van pootringen met de nummers 7712 en 6810.115

Verdachte heeft verklaard dat hij deze twee Filipijnse dwergvalken begin 2011 heeft gekocht. Ze kwamen uit Tsjechië. Hij heeft ze tot 12 november 2012 onder zich gehad in zijn pand aan de [adres] in [woonplaats]. Op 12 november 2012 stonden ze in de zolderkamer van dat pand.116

De Filipijnse dwergvalken met de nummers 7712 en 6810 zijn niet in de administratie van verdachte aangetroffen.117

Tijdens de doorzoeking bij [dierentuin 1] in Bulgarije is een TRACES-certificaat aangetroffen, waaruit blijkt dat op 20 oktober 2010 door [bedrijf 5] s.r.o in Tsjechië vijf Filipijnse dwergvalken zijn vervoerd naar Tsjechië via Roemenië, Hongarije en Slowakije.118

Bewijsoverweging Filipijnse dwergvalken

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte begin 2011 twee Filipijnse dwergvalken, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ze heeft gekocht, verworven en onder zich gehad.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de Filipijnse dwergvalken. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Filipijnse dwergvalken zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte de Filipijnse dwergvalken mocht kopen en onder zich houden, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de Filipijnse dwergvalken in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.


Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat de Filipijnse dwergvalken met de ringnummers 7712 en 6810 alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Hiermee staat vast verdachte niet aan de Basisverordening voldoet. Dat verdachte niet zou weten dat de vogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling.

Verder is niet gebleken dat de onder verdachte aangetroffen Filipijnse dwergvalken in zijn administratie waren opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling.

Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de genoemde vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee Filipijnse dwergvalken opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Specifiek bewijs panay/luzon neushoornvogels

De panay neushoornvogel, wetenschappelijke naam: penelopides panini, en de luzon neushoornvogel, wetenschappelijke naam: penelopides manillae, zijn opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.119


Verdachte heeft verklaard dat hij vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft gekocht, onder zich heeft gehouden en heeft doorverkocht. Deze neushoornvogels komen volgens verdachte oorspronkelijk uit de Filipijnen-zending.120

De luzon neushoornvogels, penelopides manillae, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen.121

Verkoop aan [Q]

Verdachte heeft verklaard dat hij vier van de vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft doorverkocht aan [Q].122

Onder [Q] zijn twee overdrachtsverklaringen aangetroffen, die zijn gedateerd

15 januari 2011. ‘Donator: [verdachte], [adres] [woonplaats]’ en ‘Recipient: [bedrijf 3], [adres] [woonplaats]-NL’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van ‘tarantic neushoornvogels, penelopides panini met de ringnummers HJ1914, HJ 19Z9, ABO0246 en HJ1971’.123

Onder verdachte is een factuur van € 14.280,- aangetroffen, die afkomstig is van ‘[bedrijf 2] B.V. te [woonplaats]’ en is gericht aan ‘[bedrijf 3] B.V. te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 27 januari 2011 en betreft onder meer de levering van ‘2-2 penelopides manillae CB.124 Dezelfde factuur is ook onder [Q] aangetroffen.125

Uit onderzoek naar de bankrekening op naam van ‘[bedrijf 1]’, eenmanszaak van verdachte, is gebleken dat op 11 februari 2011 een bedrag van € 14.280,- is overgemaakt door ‘[bedrijf 3] B.V.’126

Verkoop aan [R]

Verdachte heeft verklaard dat hij één van de vijf neushoornvogels uit Tsjechië heeft doorverkocht aan [R].127

Onder [R] zijn twee ‘luzon tarictic hornbills, penelopides manillae’ aangetroffen. Eén van deze vogels was voorzien van een open ring met nummer HJ1983. De andere vogel was voorzien van een gesloten ring met nummer ZA39. De ring met nummer ZA39 was erg ruim vergeleken met de poot van de vogel.128

[R] heeft verklaard dat hij twee luzon neushoornvogels, met ringnummers HJ 1983 en ZA39, van [verdachte] heeft gekocht op 30 november 2011. Hij heeft [verdachte] daarvoor contant betaald en een verkoopformulier ontvangen.129

Onder [R] is een verkoopformulier aangetroffen. Gelet op het verkoopformulier heeft ‘[bedrijf 2] te [woonplaats]’ ‘2 luzon hoornvogel / penelopides manillae’ verkocht op 30 november 2011 aan [S].130 [S] is de vader van [R] en zij doen samen met de vogels.131

Verkoop aan [T]
In de periode van 17 november 2011 tot en met 26 november 2011 zijn de navolgende telefoongesprekken afgetapt, welke gesprekken zijn gevoerd door:

- verdachte, zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]132;

- [T], zijnde de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer]133.

In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]):

“(…) [T]:[verdachte] ten eerste uhhh had jij nog wat Hoornvogeltjes anbieding?

[verdachte] : uhh..wat dingen

[T]:Je heb een paar dingen he?

[verdachte]:ja ik heb nog die die Manillae (fon) die Tarantics

[T]:welke?

[verdachte]:die Tarantics die Filippijnse die kleintjes

(…)

[T]:en wat uhh hoe zien ze er uit mooi?

[verdachte]:ja ze zien er mooi uit ik heb nog 2 paren mooi

[T]:en wat kosten die?

[verdachte]:Tja wat kosten die nou? ik moet er eigenlijk nog een 6 paar beuren

[T]:wat moet je beuren?

[verdachte]:6

[T]:Zo!

(…)

[T]:En die Tarantics had je twee paartjes van.. ik zal wel even kijken hoor..

[verdachte]:Twee paren Tarantics.. ja maar dat is toch wel apart hoor..

[T]:En zien d'r mooi uit in de veren?

[verdachte]:Puntgaaf.

[T]:Oke, oke. bedankt. (…)”134

In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]):

“[verdachte]: Ja

[T]: Ja, [verdachte] die hoornvogels, jij had het over Tarantic maar is het Tarictic

[verdachte]: Ja Tarictic ja

[T]: Ja Tarictic maar welk is het want er zijn er verschillende van

[verdachte]: de Penipelopes Mannilae

(…)

[T]: moment jij zegt het is niet Tarictic maar dan is het

[verdachte]: Penipelopes

[T]: Penipelopes

[verdachte]: Mannilae

[T]: wacht effe Penipelopes

(…)

[T]: de Penilopides Mannilae

[verdachte]: Ja

[T]: Ja oke, oke dan heb ik um, dan heb ik um, nee oke dan weet ik het

[verdachte]: moet ik um morgen opsturen

[T]: he

[verdachte]: moet ik ze morgen opsturen

[T]: nee ik zal effe kijken wat ik met die man kan doen maar maar die prijs ken je der niet wat aan doen

[verdachte]: ah hou toch op kerel je weet dat die prijs goed is

(…)

[T]: maar als ik allebei paartjes zou nemen ken het ook voor 10 natuurlijk

[verdachte]: hou is op kerel je leeft in een andere wereld

(…)

[T]: welnee man maar als ik wat verkopen wil ken ik niks vangen omdat ik wat kopen wil laten ze me iedere keer goud betalen, ik zak allemaal in het moeras

[verdachte]: jaja

[T]: nee ik zal wel effe kijken wat ik er mee kan doen

P: kijk maar die prijs goed

[T]: oke ik zal effe kijken wat ik ermee kan versieren, bedankt alvast

[verdachte]: hoi”135

In een gesprek op 17 november 2011, gespreknummer [telefoonnummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]):

“(…)J: Ik heb pene.. Penelopides Manilae Luzon Taritik Hornbill (fon).

[verdachte]: Juist en dat is m.

(…)

[verdachte]: Maar het is..het is..het is...ik weet niet eens wat voor klant je ervoor hebt maar je je ken er best mee voor de dag kommen hoor. Je je hoeft je niet te schamen daarvoor.

[T]: Nee, maar dat dat dat moet ook.

W: Nee maar het is knappe handel echt is uh..

[T]: Ja.

[verdachte]: Het is niet zo dat ze zeggen oooh...is dat het.

[T]: Nee maar weet je wat het punt is. Als ik het als ik het veel veel te zwaar aanbied dan is het weer een doodgeboren kindje snap ie?

[verdachte]: Je hoef um niet zwaar aan te bieden maar probeer maar...

[T]: Ja maar wat zou jij wat zou jij ervoor vragen dan uh particulier?

[verdachte]: Ja weet ik veel..ik weet niet wat je ben(fon)

[T]: Hetzelfde?

[verdachte]: Als je...Ik vraag particulier iets minder dan van jou nee maar([verdachte] lacht) Ja weet ik veel al vraag je er zeven voor uh.. als je zegt ik ken twee paren drukken voor veertien heb je ook twee rooitjes.

[T]: Ja.

[verdachte]: Toch?

[T]: Ja weet je ja..

[verdachte]: Weet je ik kan ze wel zorgen dat ze dat ze bij jou kommen inclusief de vracht dat daar hoef je niet bang voor te wezen.

[T]: Ah ok ok dat vind ik dan weer lief van je. (…)

[verdachte]: Ik ben harstikke lief. (…)”136

In een gesprek op 26 november 2011, gespreknummer [nummer], spreekt verdachte ([verdachte]) met [T] ([T]):

“[verdachte]: Ja?

[T]: Ja. Hey [verdachte] ken ik ze alle vier bij mekaar gooien.

[verdachte]: Uh die twee vrouwen zaten bij elkaar en die twee mannen zaten apart maar dan moet je effe kijken of dat g..hoe dat gaat als je die bij elkaar zet.

[T]: Je had je had ze apart zitten dan ken ik ze misschien beter paar, paar aan paar gaan gooien nu.

[verdachte]: Ja.

[T]: Zijn het jonge dingen?

[verdachte]: He?

[T]: Zijn het jonkies?

[verdachte]: Wat heet jong uh. Ik denk toch wel een jaar of 3 zomaar.

[T]: Ja ok ok dus dus het zou bijterig kunnen wezen al.

[verdachte]: Ja ja je moet wel altijd oppassen natuurlijk dat ze mekaar goed verstaan.

[T]: Wat uh wat zou jij doen bij mekaar gooien per paar?

[verdachte]: Als je Als je zegt ik zal ik heb effe de tijd erbij om te kijken hoe ze (nvs) reageert maar ik zou ze niet bij elkaar flikkeren en weggaan.

[T]: Nee nee nee ok ok. Maar ze zaten 2 mannen bij elkaar en 2 poppen bij mekaar.

[verdachte]: Nee nee nee die 2 mannen zaten apart.

[T]: 2 mannen zaten apart en 2 vrouwen zaten apart.

[verdachte]: Die twee poppen zaten bij mekaar.

[T]: Ok ok dan weet ik wat uh..

[verdachte]: Zijn ze levend aangekommen?

[T]: Na ja [U] is naar mij onderweg maar hij belde net op en zei vraag eens aan [verdachte] of we ze bij mekaar kennen gooien of niet.

[verdachte]: O ja ik had uh ik had die 2 mannen apart allebei en die 2 poppen had ik apart dus ik had 3 hokkies.

[T]: Ok Ok komt goed.

[verdachte]: Ok. (…)”137

Bewijsoverwegingen panay/luzon neushoornvogels

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vijf (vier plus één) panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, aan [Q] (vier) en [R] (één) heeft verkocht en ten verkoop heeft aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad.

Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte vijf luzon neushoornvogels heeft verkocht, vier aan [T] en één aan [R]. Verdachte heeft deze vijf luzon neushoornvogels ook ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, ten verkoop aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad.

Van deze vijf neushoornvogels kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat ze afkomstig zijn uit de Filipijnenzending van 17 september 2010, en dus niet dat ze door verdachte binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.

De rechtbank ziet met betrekking tot alle neushoornvogels onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.


Panay neushoornvogels en luzon neushoornvogels zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte de luzon neushoornvogels mocht kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat voor vrijstelling van het bezitsverbod aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de neushoornvogels in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.

Dit volgt voor de aan de Filipijnenzending gekoppelde panay/luzon neushoornvogels reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat die neushoornvogels alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze neushoornvogels dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de vogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Hiermee voldoet verdachte niet aan de vereisten zoals die in de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling zijn gesteld.

Daarnaast waren de onder [Q] en [R] aangetroffen neushoornvogels niet voorzien van naadloos gesloten pootringen.

Verdachte had geen van de tien bewezenverklaarde neushoornvogels in zijn inkoopadministratie opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling.

Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de genoemde vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Specifiek bewijs rosse neushoornvogels

De rosse neushoornvogel, wetenschappelijke naam: buceros hydrocorax, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.138

Op 12 november 2012 zijn onder [Q] twee rosse neushoornvogels aangetroffen. Deze rosse neushoornvogels waren voorzien van open pootringen met de nummers 0047 en 0086.139

Verdachte heeft verklaard dat hij de rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086 uit Tsjechië heeft gekocht. Hij heeft ze daarna overgedragen aan [Q].140

Onder [Q] is een overdrachtsverklaring aangetroffen die is gedateerd 15 januari 2011. ‘Donator: [verdachte], [adres] [woonplaats]’ en ‘Recipient: [bedrijf 3], [adres] [woonplaats]-NL’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van twee ‘roodbruine neushoornvogels, buceros hydrocorax, met de ringnummers 0047 en 0086’.141

Onder verdachte is een factuur van € 14.280,- aangetroffen, die afkomstig is van ‘[bedrijf 2] B.V. te [woonplaats]’ en is gericht aan ‘[bedrijf 3] B.V. te [woonplaats]’. De factuur is gedateerd 27 januari 2011 en betreft onder meer de levering van ‘2-0 Buceros hydrocorax CB’.142 Dezelfde factuur is ook onder [Q] aangetroffen.143

Uit onderzoek naar de bankrekening op naam van ‘[bedrijf 1]’, eenmanszaak van verdachte, is gebleken dat op 11 februari 2011 een bedrag van € 14.280,- is overgemaakt door ‘[bedrijf 3] B.V.’144

De rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen.145

Bewijsoverweging rosse neushoornvogels

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee rosse neushoornvogels, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, verkocht, ten verkoop aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de rosse neushoornvogels. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Rosse neushoornvogels zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte de rosse neushoornvogels mocht kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat voor een vrijstelling van het bezitsverbod aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 Ffw die soorten onder zich te hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de rosse neushoornvogels in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) zijn verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.

Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunningen is vermeld dat de rosse neushoornvogels met ringnummers 0047 en 0086 alleen bestemd zijn voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze rosse neushoornvogels dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de rosse neushoornvogels alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.

Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling.

Daarnaast waren de rosse neushoornvogels niet voorzien van naadloos gesloten pootringen en had verdachte geen van de neushoornvogels in zijn administratie opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling.

Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee rosse neushoornvogels opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Specifiek bewijs bonte kiekendieven

De bonte kiekendief, wetenschappelijke naam: circus melanoleucos, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.146

Verdachte heeft verklaard dat hij één bonte kiekendief met ringnummer 306 heeft gekocht uit Tsjechië. Deze bonte kiekendief heeft hij onder zich gehad.147

Op 12 november 2012 is onder verdachte een ring voorzien van het nummer 306 aangetroffen.148

Verdachte heeft verder verklaard dat hij twee bonte kiekendieven met ringnummers AS 10 020 en AS 10 021 heeft geruild met [V] van [bedrijf 10] in [vestigingsplaats] tegen twee witte kerkuilen.149

[V] heeft verklaard dat hij een koppel witte kerkuilen heeft geruild tegen twee bonte kiekendieven met [verdachte]. Hij heeft de bonte kiekendieven na een aantal maanden overgedragen aan [W].150

In de administratie van [V] zijn op 3 mei 2012 twee kiekendieven afkomstig van ‘[verdachte] NL’ ingeboekt.151

Op 21 februari 2013 zijn onder [W] twee bonte kiekendieven aangetroffen. Deze bonte kiekendieven waren voorzien van open pootringen met de nummers AS 10 020 en AS 10 021.152

Onder [W] is een overdrachtsverklaring aangetroffen, die is gedateerd 5 september 2012.

‘Oude eigenaar: [bedrijf 10] te [vestigingsplaats]’ en ‘Nieuwe eigenaar: [W]’ verklaren daarin over de eigendomsoverdracht van ‘2x bruine kiekendief, circus melanoleucos, met de ringnummers AS 10 020 en AS 10 021.’153

De bonte kiekendieven, circus melanoleucos, zijn niet in de administratie van verdachte over de jaren 2010, 2011 en 2012 aangetroffen.154

Bewijsoverweging bonte kiekendieven

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bonte kiekendief, met ringnummer 306, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU is gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven en onder zich gehad.

Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee bonte kiekendieven, met ringnummers AS 10 020 en AS 10 021, onder zich heeft gehad en ten ruil heeft aangeboden en heeft geruild met [V] tegen een koppel witte kerkuilen. Van deze twee bonte kiekendieven kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat ze afkomstig zijn uit de Filipijnenzending van 17 september 2010, en dus niet dat ze door verdachte binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.


De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de bonte kiekendieven. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.


Bonte kiekendieven zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte van de vogels uit de Filippijnen-zending slechts één bonte kiekendief heeft gekocht. Deze bonte kiekendief mocht verdachte kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank acht – zoals hiervoor besproken – wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van drie bonte kiekendieven handelingen heeft verricht die op grond van artikel 13 lid 1 FFW verboden zijn.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling volgt dat voor een vrijstelling van het bezitsverbod aantoonbaar moet zijn dat in gevangenschap geboren en gefokte vogels behorende tot Bijlage B soorten, zijn gefokt en voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchiptransponder, alsmede dat ze zijn opgenomen in de administratie, om in aanmerking te kunnen komen voor een vrijstelling van het verbod uit artikel 13 lid 1 FFW die soorten onder zich te hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de bonte kiekendieven in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) zijn verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.

Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunning is vermeld dat de bonte kiekendief met ringnummer 306 alleen bestemd is voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze bonte kiekendief dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de bonte kiekendief alleen voor een dierentuin was bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogel in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland is gebracht of verkregen.

Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling.

Daarnaast is niet gebleken dat de bonte kiekendief met ringnummer 306 en de bonte kiekendieven, met ringnummers AS 10 020 en AS 10 021, waren voorzien van naadloos gesloten pootringen en verdachte heeft over de jaren 2010 tot en met 2012 in het geheel geen bonte kiekendieven in zijn administratie opgenomen. De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door verdachte ter zitting overgelegde administratie naar hetgeen zij hierover onder punt 4.3.4.3 heeft opgenomen. Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte evenmin voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van het bezitsverbod uit artikel 12 van de Regeling vrijstelling.


Gelet op het voorgaande kan verdachte geen succesvol beroep doen op de vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot meerdere bonte kiekendieven opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Specifiek bewijs kuifhaviken

De kuifhavik, wetenschappelijke naam: accipiter trivirgatus, is opgenomen in Bijlage B van de Basisverordening.155

Verdachte heeft verklaard dat hij op 28 maart 2011 twee kuifhaviken afkomstig uit Tsjechië heeft gekocht. Hij heeft ze doorverkocht aan Aghia Birds.156

In de inkoopadministratie van verdachte over 2011 staat het volgende vermeld:
Datum: 28/3;

Naam, adres en land afnemer/leverancier: [Y], [woonplaats], Czech Rep;

Diersoort: accipiter trivirgatus;

Aantal: 2;

Nr. CITES-document: C00679.157

In de verkoopadministratie van verdachte over 2011 staat het volgende vermeld:
Datum: 31/3;

Naam, adres en land afnemer/leverancier: Aghia Birds, [adres] [woonplaats];

Diersoort: accipiter trivirgatus;

Aantal: 2;

Nr. CITES-document: C00679.158

Onder verdachte is een factuur van € 3.570,- aangetroffen, welke factuur afkomstig is van ‘[bedrijf 2] B.V. te [woonplaats]’ en is gericht aan ‘Aghia Birds’. De factuur is gedateerd 31 maart 2011 en betreft de levering van ‘1 paar palawan kuifhavik, accipiter trivirgatus, CITES: C00679’.159

Uit onderzoek naar de bankrekening op naam van ‘[bedrijf 1]’, eenmanszaak van verdachte, is gebleken dat op 24 mei 2011 een bedrag van € 3.570,- is overgemaakt door ‘Aghia Birds Company.’160

Op de CITES-invoervergunning 10BG0105I staan ‘4 stuks palawan goshawk (accipiter trivirgatus palawanus)’ met de ringnummers ‘HJ1821, HJ1860, HJ1871, HJ1830’. Daarnaast staat op de CITES-invoervergunning 10BG0105I het CITES-documentnummer C00679.161

Tijdens de doorzoeking bij [dierentuin 1] in Bulgarije is een TRACES-certificaat aangetroffen waaruit blijkt dat op 20 oktober 2010 door [bedrijf 5] s.r.o in Tsjechië twee kuifhaviken zijn vervoerd naar Tsjechië via Roemenië, Hongarije en Slowakije.162

Bewijsoverwegingen kuifhaviken
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee kuifhaviken, die op 17 september 2010 vanuit de Filipijnen binnen de EU zijn gebracht, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, heeft gekocht, verworven, ten verkoop voorhanden en in voorraad gehad, verkocht, ten verkoop aangeboden, gebruikt voor commercieel gewin en onder zich gehad.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de kuifhaviken. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Kuifhaviken zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage B Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging bepleit dat verdachte van de vogels uit de Filippijnen-zending slechts twee kuifhaviken heeft gekocht. Deze kuifhaviken mocht verdachte kopen, onder zich houden en doorverkopen, omdat ten tijde van de aankoop door verdachte alle benodigde documenten aanwezig waren. Verdachte kan daarom een beroep doen op de vrijstellingsbepaling uit artikel 7 van de Regeling vrijstelling, waardoor hij moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage B van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 FFW, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de kuifhaviken in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.


Dit volgt reeds uit het feit dat op de CITES-invoervergunning met nummer 10BG0105I is vermeld dat de kuifhaviken alleen bestemd waren voor een dierentuin, terwijl verdachte geen dierentuin heeft. Verdachte heeft deze kuifhaviken dan ook niet in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland gebracht of verkregen. Dat verdachte niet zou weten dat de kuifhaviken alleen voor een dierentuin waren bestemd, is voor zijn rekening en risico. Immers verdachte moet aantonen dat de vogels in overeenstemming met de Basisverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen. Verdachte voldoet daarmee niet aan de vereisten voor een vrijstelling op basis van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling. Verdachte kan dan ook geen succesvol beroep doen op die vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot meerdere kuifhaviken opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

Zaaksdossier 06 – Vijfvogelregeling

Bewijs Papoea beo’s

De papoea beo, wetenschappelijke naam: mino dumonti, is opgenomen in Bijlage D van de Basisverordening.163 Gelet op de artikelen 5 lid 2 Ffw en 4 lid 2 onder a Regeling aanwijzing betreft het een beschermde uitheemse diersoort.

[Q] heeft verklaard dat hij in totaal 10 papoea beo’s van verdachte aangeboden heeft gekregen en dat hij ze vervolgens van verdachte heeft gekocht. Deze papoea beo’s waren oorspronkelijk afkomstig van [medeverdachte 1] uit Dubai.164

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij 10 papoea beo’s via verdachte aan [Q] heeft verkocht.165

Verdachte heeft verklaard dat hij een bemiddelende rol heeft gespeeld tussen [Q] en [medeverdachte 1] bij de verkoop van de 10 papoea beo’s.

Op 14 januari 2011 zijn vanuit Dubai door [medeverdachte 1] per vliegtuig vijf papoea beo’s naar Frankfurt gezonden. De geadresseerde van deze zending is [Q], wonende te [woonplaats] in Nederland.166 Op de Airwaybill behorende bij deze zending is onder de naam van geadresseerde [Q] het telefoonnummer van verdachte vermeld.167 Op het ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaat is door [medeverdachte 1] ingevuld dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.168

[Z] (verder: [Z]), een kennis van [medeverdachte 1], is als begeleider van de vogels van Dubai naar Frankfurt meegereisd. Vervolgens heeft [Z] de vogels bij verdachte in Nederland afgeleverd.169

In de administratie van verdachte en [Q] is een factuur van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] B.V. aangetroffen, die is gedateerd 27 januari 2011.170 In die factuur worden onder meer vijf papoea beo’s in rekening gebracht. [bedrijf 3] B.V. is een onderneming van [Q].171

Verder zijn in de administratie van [Q] een tweetal “Declarations of Transfer” gevonden van 15 januari 2011. In deze overdrachtsverklaringen worden vijf Papoea beo’s vermeld en wordt als eigenaar/overdrager genoemd “[verdachte] c/o [medeverdachte 1]172 respectievelijk “[medeverdachte 1] c/o [verdachte]”.173

Op 2 februari 2011 is door [medeverdachte 1] vanuit Dubai wederom een zending van 5 papoea beo’s naar [Q] verzonden. Op het ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaat is onder de naam van de geadresseerde [Q] het telefoonnummer van verdachte vermeld, alsmede een vijftal ringnummers. [medeverdachte 1] heeft op dit certificaat aangegeven dat de papoea beo’s niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.174

Uit een factuur van [bedrijf 4] B.V. van 14 februari 2011 blijkt dat deze onderneming in opdracht van [bedrijf 3] B.V. het geslacht van een negental papoea beo’s heeft bepaald. Daarbij worden onder meer dezelfde ringnummers vermeld als op het hiervoor bedoelde certificaat van de zending van 2 februari 2011.175

In de administratie van verdachte zijn handgeschreven notities aangetroffen. Op een van deze notities is vermeld “5 Beo 6.000,-“ en de naam [bedrijf 3] B.V. met de adresgegevens van deze onderneming.176 Op een andere notitie is vermeld “€ 6.000,- 5 x 1.200,- Beo” en daarbij de naam [Q] (met diens adresgegevens).177

Bewijsoverweging papoea beo’s
De verdediging bepleit dat de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde papoea beo’s slechts ziet op het bemiddelen in de wisseling van houderschap tussen [medeverdachte 1] en [Q]. [Q] was al maanden voor de zendingen in Dubai eigenaar van de papoea beo’s geworden, waardoor geen sprake is geweest van een commerciële overdracht ten tijde van de zendingen naar [woonplaats] via Frankfurt, aldus de verdediging.

Uit de hiervoor omschreven bewijsmiddelen trekt de rechtbank de volgende conclusies. Verdachte heeft 10 papoea beo’s aan [Q] ten verkoop aangeboden, verkocht en geleverd. Deze papoea beo’s waren door [medeverdachte 1] vanuit Dubai naar Frankfurt verzonden. Nadat de vogels in Nederland waren aangekomen heeft verdachte deze vogels bij [Q], althans bij zijn onderneming, in rekening gebracht. Ook de overdracht van de vogels heeft - gezien de aangetroffen ‘Declarations of Transfer’ -pas toen plaatsgevonden. Dit betekent dat de papoea beo’s, toen zij vanuit Dubai werden verzonden, bestemd waren voor verkoop en eigendomsoverdracht.

De stelling van verdachte dat [Q] al maanden voor de zending eigenaar van de papoea beo’s was geworden wordt weersproken door de bewijsmiddelen (zie facturen en Declarations of Transfer). Verder is door verdachte ter onderbouwing van zijn stelling dat [Q] in Dubai al eigenaar van de vogels was geworden - als dat al naar het civiele recht van Dubai zou kunnen - geen enkel stuk of ander aanknopingspunt geboden waaruit de juistheid van die stelling zou kunnen blijken.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – samen en in vereniging met anderen – begin 2011 10 papoea beo’s binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ze ten verkoop heeft aangeboden aan [Q] en aan [Q] heeft verkocht, alsmede dat hij ze heeft gebruikt voor commercieel gewin.

Papoea beo’s zijn dieren behorende tot een beschermde uitheemse diersoort (Bijlage D Basisverordening), waarvoor op grond van artikel 13 lid 1 Ffw een verbod geldt voor de bovengenoemde door verdachte verrichtte handelingen.

Vrijstelling?

De verdediging heeft zich, naast het bepleitte ontbreken van betrokkenheid aan de zijde van verdachte bij de niet-commerciële overdracht van de papoea beo’s, op het standpunt gesteld dat de papoea beo’s legaal in Nederland zijn geïmporteerd.


De rechtbank overweegt ten aanzien van een mogelijk beroep op vrijstellingsbepalingen het volgende.

In artikel 7 van de Regeling vrijstelling is ten behoeve van het intracommunautaire verkeer bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage D van de Basisverordening, overeenkomstig de in een lidstaat geldende wetgeving en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening zijn verkregen - een vrijstelling geldt voor het verbod op het binnen het grondgebied van Nederland brengen uit lid 1 van artikel 13 Ffw.

In artikel 10 van de Regeling vrijstelling is bepaald dat - indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in Bijlage D van de Basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de Flora- en faunawet bepaalde en met inachtneming van de Basisverordening en Uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen - een vrijstelling geldt voor de verboden handelingen uit lid 1 van artikel 13 Ffw, met uitzondering van het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen of het onder zich hebben.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte niet aan kan tonen dat de papoea beo’s in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, terwijl dit gelet op de formulering van de vrijstellingsbepalingen een verplichting is die rust op degene die gebruik wil maken van die vrijstellingen.


Dit volgt reeds uit het feit dat op het certificaat ten behoeve van de invoer in de EU door [medeverdachte 1] is ingevuld dat de papoea beo’s niet bestemd waren voor commerciële doeleinden, terwijl uit de bewijsmiddelen en voormelde bewijsoverwegingen blijkt dat de papoea beo’s wel degelijk met een commercieel oogmerk door [medeverdachte 1] vanuit Dubai – via verdachte – naar [Q] in [woonplaats] zijn verzonden.

In artikel 16 lid 1 onder c van de Basisverordening is opgenomen dat door lidstaten sancties dienen te worden opgelegd indien een valse verklaring wordt afgelegd of bewust verkeerde informatie is verstrekt om zodoende een vergunning of een certificaat te verkrijgen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat in strijd met de waarheid door [medeverdachte 1] op de EU-invoerdocumenten is ingevuld dat de papoea beo’s niet voor commerciële doeleinden werden ingevoerd.

De rechtbank leidt uit hetgeen in artikel 16 lid 1 onder c van de Basisverordening is opgenomen af, dat verdachte niet voldoet aan de voorwaarden om onder de vrijstellingen van de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling te vallen. Er is immers een valse verklaring afgelegd dan wel bewust verkeerde informatie verstrekt om de vergunning dan wel het certificaat te verkrijgen.

Gelet op het voorgaande kan verdachte niet aantonen dat de papoea beo’s in overeenstemming met alle geldende regelgeving (Basisverordening en Uitvoeringsverordening) in Nederland zijn gebracht of verkregen, waardoor niet is voldaan aan de vereisten die in de artikelen 7 en 10 van de Regeling vrijstelling zijn gesteld. Verdachte kan dan ook geen succesvol beroep doen op die vrijstellingsbepalingen.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de tien papoea beo’s opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de verbodsbepaling uit artikel 13 lid 1 Ffw.

4.3.4

FEIT 2

4.3.4.1 Juridisch kader feit 2

81 Ffw

Op grond van artikel 81 Ffw zijn in de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten (verder: Regeling administratie) wettelijke regels vastgesteld over het voeren van een administratie en verstrekken van gegevens met betrekking tot het onder zich hebben, ontvangen, verkopen, ten verkoop voorradig of voorhanden hebben en afleveren van dieren behorende tot soorten waarop de Ffw van toepassing is.

Strafbaarstelling artikel 81 Ffw

Overtreding van artikel 81 Ffw is strafbaar gesteld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten (verder: Wed). Volgens artikel 2 Wed betreft dit een misdrijf indien dit opzettelijk is gedaan en een overtreding wanneer van dat opzet geen sprake is.


Regeling administratie
Artikel 2 lid 1 onder c van de Regeling administratie stelt verplicht een registratie bij te houden van levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de Basisverordening. Er is een uitzondering op die verplichting opgenomen voor gefokte vogels, die van een naadloos gesloten pootring zijn voorzien.

De registratieplicht uit artikel 2.1 lid 1 Regeling administratie geldt volgens artikel 6 Regeling administratie voor een ieder die specimens van soorten, zoals bedoeld in dat artikellid, onder zich heeft of daarmee handelingen verricht als bedoeld in artikel 13 lid 1 FFW.

De registratie moet volgens artikel 3 lid 1 onder j van de Regeling administratie in ieder geval de gegevens van de soort en de toepasselijke code en merktekens bevatten.

Gelet op artikel 5 van de Regeling administratie dient de administratie zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 doorlopend genummerd te zijn en volledig en naar waarheid ingevuld.

Artikel 3 van de Regeling administratie schrijft verder voor dat bij die registratie alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van dieren, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 Regeling administratie, worden bewaard.

4.3.4.2 Vrijspraken feit 2

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute
De verdediging en de officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde met betrekking tot de Brahmaanse wouwen uit het zaaksdossier dierentuinroute. De rechtbank spreekt verdachte - wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrij van dat deel van de tenlastelegging. Niet kan worden bewezen dat verdachte enige handeling met betrekking tot deze Brahmaanse wouwen heeft verricht, waardoor ook niet kan worden bewezen dat hij een administratie met betrekking tot die vogels bij heeft moeten houden.

4.3.4.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 2

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute
Uit de onder punt 4.3.3.3 genoemde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt onder meer dat verdachte in de ten laste gelegde periode twee Filipijnse dwergvalken, tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken onder zich heeft gehad en daar op grond van artikel 13 lid 1 Ffw voornoemde verboden handelingen mee heeft verricht.

Eerste deel tenlastelegging

Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt verder dat verdachte geen registratie in zijn administratie van deze twee Filipijnse dwergvalken, tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels en twee bonte kiekendieven heeft bijgehouden, terwijl dat gelet op artikel 2.1 lid 1 onder c Regeling administratie verplicht was.

Verdachte heeft in zijn inkoop- en verkoopadministratie over 2011 wel twee kuifhaviken opgenomen. Bij deze vermeldingen ontbreken echter codes of merktekens (ringnummers) op basis waarvan duidelijk is om welke specifieke kuifhaviken het gaat. Daarmee voldoet de administratie van verdachte niet aan de wettelijke vereisten, zoals opgenomen in artikel 3 lid 1 onder j Regeling administratie in samenhang met artikel 2.1 lid 1 onder c Regeling administratie.

Primair verweer verdediging

De verdediging bepleit primair dat verdachte wel heeft voldaan aan zijn registratie-verplichting door een administratie bij te houden met betrekking tot de ten laste gelegde vogels. De verdediging verwijst daarvoor naar bijlage 2 van de pleitnotitie, waar een ‘register per 1-1-2011’ van verdachte is opgenomen. Het openbaar ministerie heeft deze stukken volgens de verdediging niet in beslag genomen tijdens het opsporingsonderzoek. Verdachte moet hierdoor worden vrijgesproken van het eerste deel van de tenlastelegging, aldus de verdediging.

De rechtbank acht onaannemelijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode en ten tijde van de doorzoeking door het openbaar ministerie op 12 november 2012 al over het registratieregister per 1 januari 2011 beschikte. Met name redengevend voor dit oordeel is dat nergens uit blijkt wanneer het door de verdediging overgelegde registratieregister is opgemaakt en dat het een geheel andere opmaak betreft dan de overige onder verdachte inbeslaggenomen administratie (Bijlagen 1142 tot en met 1148).

Uit artikel 5 Regeling administratie volgt bovendien de eis dat een administratie in zijn geheel doorgenummerd dient te zijn. Het door de verdediging overgelegde registratieregister per 1-1-2011 voldoet niet aan dat wettelijk vereiste.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat verdachte een juiste administratie heeft bijgehouden ten aanzien van de twee Filipijnse dwergvalken, tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken.

Subsidiair verweer verdediging

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat verdachte nooit een herstelplicht heeft gehad met betrekking tot zijn administratie.

Uit wet- of regelgeving blijkt niet dat verdachte eerst in de gelegenheid moet zijn gesteld zijn administratie te herstellen, alvorens het handelen in strijd met artikel 2.1 lid 1 onder c Regeling administratie strafbaar kan zijn. De rechtbank verwerpt dan ook het subsidiaire verweer van de verdediging.

Meer subsidiair verweer verdediging

Verdachte heeft ter zitting meer subsidiair nog aangevoerd dat hij niet verplicht was een administratie van de Filipijnse dwergvalken bij te houden, omdat hij ze als privépersoon onder zich had.

Gelet op artikel 6 Regeling administratie wordt ook dit verweer verworpen. Uit dat artikel volgt namelijk dat een ieder die soorten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 Regeling administratie onder zich heeft, daarvan een registratie als bedoeld in dat artikel bij moet houden.

Oordeel rechtbank eerste deel tenlastelegging

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee Filipijnse dwergvalken, tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken heeft gehandeld in strijd met artikel 2.1 lid 1 onder c van de Regeling administratie. Het betreft een overtreding van artikel 81 Ffw.

Hiermee is het eerste deel van de tenlastelegging onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Tweede deel tenlastelegging

Uit de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte op 12 november 2012 niet alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van de twee Filipijnse dwergvalken, zes panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken heeft bewaard, terwijl dat gelet op artikel 3 lid 2 in samenhang met artikel 2.1 lid 1 van de Regeling administratie verplicht was.

Verweer verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de bewaartermijn van deze administratiestukken inmiddels is verstreken, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het tweede deel van de tenlastelegging.

Oordeel rechtbank tweede deel tenlastelegging

De rechtbank is – gelet op de ten laste gelegde periode – van oordeel dat niet relevant is of de bewaartermijn van deze administratiestukken inmiddels is verstreken, omdat ten tijde van de doorzoeking op 12 november 2012 is gebleken dat verdachte niet al de administratie-stukken, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van de twee Filipijnse dwergvalken, zes panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken heeft bewaard. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met betrekking tot de twee Filipijnse dwergvalken, tien panay neushoornvogels dan wel luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee bonte kiekendieven en twee kuifhaviken heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 2 in samenhang met artikel 2.1 lid 1 van de Regeling administratie. Het betreft een overtreding van artikel 81 Ffw.

Hiermee is ook het tweede deel van de tenlastelegging onder feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

4.3.5 FEIT 3

4.3.5.1 Juridisch kader feit 3

Verordening 318/2007

In de verordening (EG) nr. 318/2007 van 23 maart 2007 zijn regels gesteld tot vaststelling van veterinaire voorschriften voor de invoer van bepaalde vogels in de Europese Gemeenschap die afkomstig zijn van derde landen buiten Europa (verder ook: verordening 318/2007). Uitgangspunt van deze verordening is dat import van vogels uit derde landen uitsluitend is toegestaan als aan bepaalde in de verordening omschreven voorwaarden wordt voldaan.

Deze voorwaarden zijn onder meer dat de vogels (1) afkomstig moeten zijn van een in een derde land erkend vermeerderingsbedrijf, (2) in gevangenschap zijn gefokt, (3) vóór verzending getest zijn op bepaalde vogelziektes, (4) vergezeld gaan van een gezondheidscertificaat, (5) voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring of een microchip en (6) gedurende 30 dagen (op de plaats van bestemming) in quarantaine worden gehouden in een daarvoor erkende voorziening (zie hiervoor de artikelen 4 tot en met 6 en artikel 11 verordening 318/2007).

Deze strenge voorwaarden zijn - gelet op de inleidende overwegingen bij de verordening 318/2007 - ingegeven door de wens om vogelziektes, afkomstig van (in het wild gevangen) vogels, en daarmee verband houdende risico’s voor dierenwelzijn, dierengezondheid en besmetting met en verspreiding van virusziekten, zoveel mogelijk te voorkomen.

De verordening 318/2007 is op 1 juli 2007 in werking getreden en is rechtstreeks van toepassing in elke lidstaat.

Vijfvogelregeling

Op de hiervoor omschreven geldende voorwaarden voor import uit derde landen bestaat een uitzondering voor zogenaamde gezelschapsdieren. Deze uitzondering vindt haar oorsprong in verordening (EG) nr. 998/2003 van 26 mei 2003 (verder ook: verordening 998/2003). In die verordening wordt in artikel 3 een definitie van gezelschapsdieren gegeven, te weten: dieren (…) die hun eigenaar of een natuurlijk persoon die er namens de eigenaar tijdens het verkeer voor verantwoordelijk is, begeleiden en die niet voor verkoop of eigendomsoverdracht bestemd zijn [cursivering: rechtbank].

De uitzondering voor de import van gezelschapsdieren is verder uitgewerkt in een beschikking van de Commissie 2007/25/EG van 22 december 2006 tot vaststelling van beschermende maatregelen van gezelschapsvogels die hun eigenaar vergezellen (verder ook: beschikking 2007/25). In de preambule van deze beschikking wordt onder meer het volgende overwogen:

“Om duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen in gevangenschap levende vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen en gezelschapsvogels, moet het verkeer van levende gezelschapsvogels onderworpen blijven aan strikte voorwaarden (…) om de status van gezelschapsvogels te waarborgen en de verspreiding van (…) virusziekten te voorkomen.”

Een van die strikte voorwaarden houdt in dat het verkeer vanuit derde landen van levende gezelschapsvogels uitsluitend is toegestaan als de zending uit niet meer dan vijf vogels bestaat (zie artikel 1 van beschikking 2007/25).

Uitleg vijfvogelregeling

Uit hetgeen door verdachte en het openbaar ministerie ter zitting naar voren is gebracht, is gebleken dat zij van mening verschillen over de wijze waarop de vijfvogelregeling moet worden uitgelegd.

Verdachte stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de verschillende zendingen vogels die onder feit 3 onder het kopje “vijfvogelregeling” op zijn tenlastelegging staan, voor zover hij daarbij al betrokken zou zijn, zijn binnen de toegestane uitzondering vanuit een derde land de Europese Unie binnengebracht.

Het openbaar ministerie is een andersluidende mening toegedaan. Volgens haar hebben verdachte (en zijn mededaders) bewust misbruik van de vijfvogelregeling gemaakt en daardoor in strijd gehandeld met de verordening 318/2007. Dit is een strafbaar feit op grond van het bepaalde in de (hierna nog te bespreken) Regeling handel.

Met betrekking tot de uitleg van de vijfvogelregeling overweegt de rechtbank het volgende. Uitgangspunt is dat aan de strikte voorwaarden voor import uit een derde land, zoals omschreven in verordening 318/2007, niet behoeft te worden voldaan als rechtsgeldig een beroep op de vijfvogelregeling kan worden gedaan.

De uitzondering van de vijfvogelregeling is gezien de definitie van het begrip “gezelschapsdier”, en in het Engels “pet”, duidelijk bedoeld voor vogels die hun eigenaar (als huisdier) van de ene naar de andere plaats vergezellen. Dit volgt ook uit het feit dat de vogels niet bedoeld mogen zijn voor verkoop of eigendomsoverdracht. Deze uitleg wordt bevestigd door [senior inspecteur], senior inspecteur bij de NVWA. Hij verklaart immers bij zijn verhoor bij de rechter commissaris hierover: “de beschikking is bedoeld voor gezelschapsdieren, voor eigen vogels die je hebt. Bedoeld daarmee is dat je die mee kan nemen als je verhuist (…).

Onder de groep “gezelschapsvogels” wordt dus niet begrepen vogels die vanuit een derde land Europa worden binnengebracht en zich dan pas in Europa bij hun nieuwe eigenaar voegen. In dat geval worden de vogels immers tijdens hun reis niet door hun eigenaar vergezeld, maar worden zij door de vorige eigenaar naar de nieuwe eigenaar verzonden. Ofwel, dan verhuizen de vogels niet met hun eigenaar mee.

Verder wordt onder gezelschapsdieren in ieder geval uitdrukkelijk niet begrepen: vogels die in het wild voor commerciële invoer zijn gevangen. Dit wordt expliciet in de preambule van beschikking 2007/25 overwogen (zie hierboven). Dit brengt onder meer mee dat voor commerciële doeleinden in het wild gevangen vogels nimmer op grond van de vijfvogelregeling vanuit een derde land binnen het grond gebied van de Europese Unie mogen worden gebracht, ook niet als het zo zou zijn dat de koper van die vogels reeds vóór het transport naar Europa als eigenaar van die vogels zou moeten worden aangemerkt. Dit eigenaarschap brengt immers geen verandering in het feit dat de vogels in kwestie zijn gevangen met het oogmerk die te verkopen en daardoor geen gezelschapsdieren zijn.

Regeling handel levende dieren en producten

In de hiervoor besproken verordeningen en beschikking van de Europese Commissie zijn weliswaar regels gegeven voor de import van vogels van derde landen naar een lidstaat van de Europese Unie, maar in die verordeningen/beschikking is geen verbods- en/of strafbepaling opgenomen. Dat is wel gebeurd in artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1. tweede lid van de Regeling handel levende dieren en levende producten (verder ook: Regeling handel).

In artikel 2.1. lid 2, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel is - kort gezegd - bepaald dat het brengen van vogels in Nederland vanuit een lidstaat of andere staat die partij is bij het EER-verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht, verboden is.

Voor deze verbodsbepaling bestaat een vrijstelling als de import van vogels vanuit een land binnen de Europese ruimte naar Nederland vergezeld gaat van (1) een verklaring als bedoeld in artikel 4, vierde gedachtestreepje van richtlijn 92/65/EEG en (2) een vervoersdocument als bedoeld in artikel 13 en bijlage E bij deze zelfde richtlijn (zie artikel 2.2. lid 3 in samenhang met artikel 8.10 lid 1 en 3 Regeling handel).

Met een verklaring onder (1) wordt - kort gezegd - gedoeld op een verklaring van het hoofd van het bedrijf waarvan de vogels afkomstig zijn, inhoudende dat die vogels op het moment van verzending geen duidelijke ziekteverschijnselen vertonen en dat voor zijn bedrijf geen veterinairrechtelijke beperkingen gelden. Met een vervoerdocument onder (2) wordt gedoeld op een document waarop onder meer de afzender, de geadresseerde en de reden voor de verzending van de dieren worden vermeld.

In artikel 2.1. lid 2, derde gedachtestreepje van de Regeling handel is bepaald dat het brengen van dieren die zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in het grondgebied van de Europese Unie worden gebracht, verboden is.

Op dit verbod bestaat een uitzondering als voldaan is aan de voorwaarden zoals omschreven in verordening 318/2007 (zie tekst artikel 2.33 van de Regeling handel, geldend in de ten laste gelegde periode). Dit betekent dat de import van dieren/vogels uit derde landen rechtstreeks in Nederland uitsluitend is toegestaan als de strenge voorwaarden uit verordening 318/2007zijn/worden nageleefd.

De ratio achter het verschil in de twee hiervoor omschreven verbodsbepalingen en de vrijstellingen daarop is naar het oordeel van de rechtbank gelegen in de volgende omstandigheden.

Indien vogels/dieren rechtstreeks binnen een land van de Europese Unie zijn gebracht, moet door de rechtstreekse werking van de verordening 318/2007 worden aangenomen dat in de lidstaat van binnenkomst is vastgesteld dat bij de import van die vogels/dieren de strenge voorwaarden van deze verordening zijn nageleefd (bijvoorbeeld: afkomstig van een erkend vermeerderingsbedrijf en in gevangenschap gefokt).

Bij een verder verkeer/handel van die vogels/dieren binnen de Europese Unie kan voor het verkrijgen van een vrijstelling worden volstaan met de overlegging van de genoemde verklaring van het bedrijfshoofd en het vervoersdocument. De vraag of - om een rechtsgeldig beroep op de vrijstelling te kunnen doen - met de overlegging van deze stukken kan worden volstaan als vaststaat dat de import van de vogels/dieren vanuit een derde land binnen Europa in strijd met in de verordening 318/2007 heeft plaatsgevonden, zal hieronder bij de (verdere) beoordeling van feit 3 aan de orde komen.

In het geval in strijd met de verbodsbepalingen uit de Regeling handel vogels/dieren vanuit een derde land rechtstreeks of via een ander land binnen de Europese Unie Nederland zijn binnengebracht, dan is dat via artikel 10 Gwd strafbaar gesteld als economisch delict op grond van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wed.

4.3.5.2 Vrijspraken feit 3

Zaaksdossier 04 – Wildvang - Bulgarije

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie verwijt verdachte dat hij in de ten laste gelegde vogels uit het zaakdossier wildvang Bulgarije samen met anderen in Nederland heeft gebracht, terwijl deze vogels afkomstig zijn van wildvang buiten de EU. Ze zijn in ieder geval onrechtmatig via Turkije binnen de EU gebracht. Verdachte was hiervan op de hoogte en heeft de vogels desondanks in Nederland gebracht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte aan alle voorwaarden heeft voldaan voor legale import in Nederland van de ten laste gelegde vogels uit het zaaksdossier wildvang Bulgarije. Verdachte heeft deze vogels binnen Europa aangekocht en hij had geen reden aan de legale herkomst van de vogels te twijfelen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze vogels.

Oordeel rechtbank 3 primair

De rechtbank spreekt verdachte in het zaaksdossier wildvang Bulgarije vrij van het onder

3 primair ten laste gelegde, nu er telkens geen sprake is van invoer van vogels uit een derde land (rechtstreeks) in Nederland als eerste lidstaat waar de vogels in de EU worden ingevoerd.

Oordeel rechtbank 3 subsidiair

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn geen aanknopingspunten naar voren gekomen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte niet heeft voldaan aan de vereisten om onder een vrijstelling op het verbod uit artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2, tweede gedachtestreepje, van de Regeling handel te vallen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte een beroep op een vrijstelling toekomt. Het gevolg daarvan is dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan de verboden handelingen uit artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2, tweede gedachtestreepje, van de Regeling handel.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het deel van de tenlastelegging onder 3 subsidiair dat ziet op het zaaksdossier wildvang Bulgarije.

Oordeel rechtbank meer subsidiair

Voor het meer subsidiair ten laste gelegde witwassen bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat verdachte wist dan wel moest vermoeden dat de ten laste gelegde vogels uit het zaaksdossier wildvang Bulgarije afkomstig waren uit enig misdrijf.

Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs wordt verdachte ten aanzien van de vogels uit het zaaksdossier wildvang Bulgarije vrijgesproken van het hem onder 3 meer subsidiair ten laste gelegde.

Zaaksdossier 04 – Wildvang - Portugal

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie verwijt verdachte dat hij samen met anderen de ten laste gelegde vogels uit het zaakdossier wildvang Portugal in Nederland heeft gebracht, terwijl deze vogels afkomstig zijn van wildvang, al dan niet van buiten de EU. Verdachte was hiervan op de hoogte en heeft de vogels desondanks in Nederland gebracht.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte aan alle voorwaarden heeft voldaan voor legale import in Nederland van de ten laste gelegde vogels uit het zaaksdossier wildvang Portugal. Verdachte heeft deze vogels binnen Europa aangekocht en hij had geen reden aan de legale herkomst van de vogels te twijfelen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 3 ten laste gelegde feiten met betrekking tot deze vogels.

Oordeel rechtbank 3 primair

De rechtbank spreekt verdachte in het zaaksdossier wildvang Portugal vrij van het onder

3 primair ten laste gelegde, nu er telkens geen sprake is van invoer van vogels uit een derde land (rechtstreeks) in Nederland als eerste lidstaat waar de vogels in de EU worden ingevoerd.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filippijnenzending
De verdediging en de officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 in alle varianten ten laste gelegde met betrekking tot de Brahmaanse wouwen uit het zaaksdossier dierentuinroute. De rechtbank spreekt verdachte - wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrij van die delen van de tenlastelegging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige handeling met betrekking tot deze Brahmaanse wouwen heeft verricht.

Zaaksdossier 06 – Vijfvogelregeling

De rechtbank spreekt verdachte in het zaaksdossier vijfvogelregeling vrij van het onder

3 primair ten laste gelegde, nu er telkens geen sprake is van invoer van vogels uit een derde land (rechtstreeks) in Nederland als eerste lidstaat waar de vogels in de EU worden ingevoerd.

Verder spreekt de rechtbank verdachte in het zaaksdossier vijfvogelregeling vrij van het onder subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, voor zover het betreft de zendingen van 1 november 2011 (5 reuzentoerako’s), 6 juni 2012 (5 reuzentoerako’s) en 12 augustus 2012 (5 ross toerako’s). Er zijn onvoldoende feiten en omstandigheden in het dossier die wijzen op een betrokkenheid van verdachte bij de organisatie van deze zendingen vogels en de import daarvan vanuit Duitsland naar Nederland. Het enkele feit dat verdachte op de hoogte was van deze zendingen, althans van één of meer daarvan, maakt nog niet dat verdachte daarmee in strijd heeft gehandeld met de in artikel 2.1. lid 2, tweede gedachtestreepje, van de Regeling Handel omschreven verbodsbepaling.

4.3.5.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 3

Zaaksdossier 04 – Wildvang Portugal

Ten aanzien van feit 3, subsidiair:

Bewijs st. Helenafazanten, napoleonwevers en muskaatvinken

Op 12 november 2012 zijn bij een zoeking bij verdachte 229 Estrilda astrild (St. Helena fazantjes), 35 Euplectus afer (napoleonwevers) en 235 Lonchura punctulata (muskaatvinken) aangetroffen.178 In dezelfde ruimte zijn ook andere vogels aangetroffen.179

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij deze vogels van [Aa] uit Portugal heeft gekocht en dat deze vogels geen pootringen om hadden.180 Met [Aa] wordt bedoeld [Aa] wonende in Portugal.181 In de telefoon van verdachte staat [Aa] in de contactenlijst.182 Bij een doorzoeking van de bedrijfsruimte van [Aa]183 bleek die ruimte erg smerig en er is geen melding gemaakt van een quarantaineruimte.184 Verder heeft verdachte op zitting toegelicht dat hij bij het inkopen van dieren en vogels bijna altijd al een koper voor die dieren en vogels heeft, zodat ze zo kort mogelijk bij hem zitten. Verdachte heeft verklaard dat hij aan de [adres] in [woonplaats] een quarantaineruimte heeft.185

Verdachte en [Aa] hebben veelvuldig telefonisch contact met elkaar186, waarvan een deel van die gesprekken hieronder zijn weergegeven.

Er zijn telefoongesprekken tussen [Aa] ([Aa]) en verdachte ([verdachte]) afgeluisterd en daaruit blijkt het volgende

- In een gesprek op 5 oktober 2011 (gesprek [nummer]) vraagt [Aa] aan verdachte:

“[Aa]: Hoeveel St. Helena’s heb je nodig?

[verdachte]: Eh . . . drie, vierhonderd.”187

- Een gesprek van 20 april 2012 (gesprek [nummer]) verloopt als volgt:

“[verdachte]: Ja, ik heb wat van de wevers nodig, als je een paar 100 kunt hebben, 2, 300, 400..

[Aa]: Ik zal kijken, ik ken een man die er 200 en nog wat heeft.”188

- Een ander gesprek op 20 april 2012 (gesprek [nummer]) verloopt als volgt:

“[Aa]: En hoeveel..hoeveel we..hoeveel wevers?

[verdachte]: Ja eh.. 300?

[Aa]: Oke..”189

- Op 9 augustus 2012 (gesprek [nummer]) bespreken verdachte en [Aa] het volgende:

“[Aa]: Ja..maar eh..wat ik heb neem ik voor je mee, normaal gesproken ben ik zaterdag bij jou op de zaak..

[verdachte]: Ja, maar eh..wat..wat heb je dan, een paar..van wat?

[Aa]: Eh..vinken ongeveer 70 Helena's en 70 Muscaten..

[verdachte]: Nou ja, oke, neem..neem maar mee..

[Aa]: Als je meer nodig hebt, ik kan het proberen, he..

[verdachte]: Ja, ja, ja, ja..oke..

[Aa]: Maar eerlijk gezegd..

(…)

[Aa]: ..ik denk dat ..over twee, drie maanden is het afgelopen want zij hebben zoveel gevangen dat ze..er zijn geen vogels in het wild..

[verdachte]: Aha..”190

Bewijsoverweging st. Helenafazanten, napoleonwevers en muskaatvinken

Bij verdachte zijn 229 st. Helenafazanten, 35 napoleonwevers en 235 muskaatvinken aangetroffen. Uit de afgetapte telefoongesprekken blijkt dat verdachte deze vogels kreeg aangeboden door, heeft besteld bij en heeft gekocht van [Aa] uit Portugal. [Aa] heeft de vogels in Nederland bezorgd bij verdachte.

Uit de afgeluisterde gesprekken leidt de rechtbank af dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met [Aa], waarbij het gaat om de handel van in het wild gevangen vogels. Verdachte heeft aldus deze vogels tezamen en in vereniging met [Aa] opzettelijk vanuit Portugal in Nederland gebracht. Dit valt onder het verbod van artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel.

Vrijstelling?
Zoals hiervoor bij het algemeen juridisch kader is omschreven is op het verbod om de vogels in Nederland te brengen een vrijstelling mogelijk. Daarvoor is op grond van artikel 2.2 lid 3 van de Regeling handel een verklaring van het bedrijfshoofd vereist over het ontbreken van ziekteverschijnselen bij de vogels en het niet gelden van veterinairrechtelijke beperkingen ten tijde van de verzending. Verdachte heeft geen verklaring van het bedrijfshoofd van het bedrijf waar de vogels vandaan komen en reeds daarom voldoet hij niet aan de voorwaarde voor een vrijstelling van het geldende verbod.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk en in nauwe en bewuste samenwerking met [Aa] in strijd met het verbod, de hier aan de orde zijnde vogels vanuit Portugal in Nederland heeft gebracht, zonder dat hij voldoet aan de vereisten om een beroep op een vrijstelling te kunnen doen.

De rechtbank acht het aan verdachte onder 3 subsidiair ten laste gelegde met betrekking tot 229 st. Helenafazanten, 35 napoleonwevers en 235 muskaatvinken wettig en overtuigend bewezen. Voor de grotere aantallen vogels die onder feit 3 subsidiair op de tenlastelegging staan bevat het dossier onvoldoende bewijs. De rechtbank spreekt verdachte hiervan vrij.

Zaaksdossier 06 – Vijfvogelregeling

Ten aanzien van feit 3, subsidiair:

Bewijsmiddelen tien Papoea beo’s

Op 14 januari 2011 zijn vanuit Dubai door [medeverdachte 1] per vliegtuig vijf Papoea beo’s (vogels) naar Frankfurt gezonden. De geadresseerde van deze zending is medeverdachte [Q], wonende te [woonplaats], Nederland.191 Op de Airwaybill behorende bij deze zending is onder de naam van geadresseerde [Q] het telefoonnummer van verdachte vermeld.192 Op het ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaat is door [medeverdachte 1] ingevuld dat de vogels “Pets” (huisdieren) betreffen en dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.193

In het vliegtuig van Dubai naar Frankfurt is de heer [Z] (verder ook: [Z]), een kennis van [medeverdachte 1], als begeleider van de vogels meegereisd. Vervolgens heeft [Z] de vogels bij verdachte in Nederland afgeleverd. Het verblijf van [Z] in Dubai en de tickets voor het vliegtuig heen en terug zijn door [medeverdachte 1] betaald.194

In de administratie van [verdachte] en [Q] is een factuur van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] B.V. aangetroffen, gedateerd 27 januari 2011.195 In die factuur worden onder meer vijf Papoea beo’s in rekening gebracht. [bedrijf 3] B.V. is een onderneming van [Q]. Verder is in de administratie van [Q] een tweetal “Declarations of Transfer” gevonden van 15 januari 2011. In deze overdrachtsverklaringen worden vijf Papoea beo’s vermeld en wordt als eigenaar/overdrager genoemd “[verdachte] c/o [medeverdachte 1]196 respectievelijk “[medeverdachte 1] c/o [verdachte].197

Op 2 februari 2011 is door [medeverdachte 1] vanuit Dubai wederom een zending van 5 Papoea beo’s naar [Q] verzonden. Ook nu is op het ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaat door [medeverdachte 1] ingevuld dat de vogels “Pets” (huisdieren) betreffen en dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden. Verder is op dit formulier onder de naam van de geadresseerde ([Q]) het telefoonnummer van [verdachte] vermeld en zijn een vijftal ringnummers vermeld.198

Uit een factuur van [bedrijf 4] B.V. van 14 februari 2011 blijkt dat deze onderneming in opdracht van [bedrijf 3] B.V. het geslacht van een negental Papoea beo’s heeft bepaald. Daarbij worden onder meer dezelfde ringnummers vermeld als op het hiervoor bedoelde certificaat van de zending van 2 februari 2011.199

In de administratie van [verdachte] zijn handgeschreven notities aangetroffen. Op een van deze notities is vermeld “5 Beo 6.000,-“ en de naam [bedrijf 3] B.V. met de adresgegevens van deze onderneming200 en op een andere notitie is vermeld “€ 6.000,- 5 x 1.200,- Beo” en daarbij de naam [Q] (met adresgegevens).201

Bewijsoverweging tien Papoea beo’s

Uit de hiervoor omschreven bewijsmiddelen trekt de rechtbank de volgende conclusies. Verdachte heeft 10 Papoea beo’s aan [Q] verkocht en geleverd. Deze vogels zijn met gebruikmaking van de vijfvogelregeling (pets) vanuit Dubai bij [Q] terechtgekomen. Nadat de vogels in Nederland waren aangekomen heeft verdachte deze vogels bij [Q], althans bij zijn onderneming in rekening gebracht. Ook de overdracht van de vogels heeft - gezien de Declarations of transfer - toen plaatsgevonden.

Dit betekent dat de Papoea beo’s, toen zij vanuit Dubai werden verzonden, bestemd waren voor verkoop en eigendomsoverdracht aan [Q]. Reeds hierdoor kan niet gesproken worden van de invoer van gezelschapsdieren in de zin van de vijfvogelregeling (zie juridisch kader hierboven). Door toch onder het mom van deze regeling de strenge regels (verordening 318/2007) voor de invoer van vogels uit derde landen te omzeilen, heeft verdachte misbruik gemaakt van de vijfvogelregeling. Dit misbruik heeft (in ieder geval) samen met [medeverdachte 1] plaatsgevonden. De gehele logistieke en financiële afhandeling is immers in samenspraak met [medeverdachte 1] gebeurd.

De stelling van verdachte dat [Q] al maanden voor de zending eigenaar van de vogels was geworden en dat daarom de vogels bij verzending door (of namens) de eigenaar werden begeleid, wordt weersproken door de bewijsmiddelen (zie facturen en Declarations of transfer). Verder is door verdachte ter onderbouwing van zijn stelling dat [Q] in Dubai al eigenaar van de vogels was geworden - als dat al naar het civiele recht van Dubai zou kunnen - geen enkel stuk of ander aanknopingspunt geboden waaruit de juistheid van deze stelling zou kunnen blijken. Indien de stelling van verdachte overigens gevolgd zou worden, is ook de conclusie dat op een oneigenlijke wijze van de vijfvogelregeling gebruik is gemaakt. Bedoeling en strekking van de vijfvogelregeling is namelijk dat de vogels hun eigenaar volgen als gezelschapsdier van de ene plaats naar de andere plaats. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake. [Q] woonde immers niet in Dubai en de vogels waren daar dus ook niet zijn gezelschapsdieren. Feit blijft dat de vogels in kwestie bestemd waren voor verkoop en eigendomsoverdracht en dat de vijfvogelregeling hiervoor uitdrukkelijk niet is bedoeld. Of dit alles ook een strafbare gedraging oplevert, zal hieronder bij de slotoverweging van de vijfvogelregeling aan de orde komen.

Bewijsmiddelen zeven geelkopgieren en twee pompadour cotinga’s

Op 22 september 2011 hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] het volgende telefoongesprek met elkaar:

“[medeverdachte 1]: En voor wie die vijf gieren? En voor [Z] nog twee. Ik heb nog een mooi koppel cortinga's, van die rooie. Jouw naam erop?

[verdachte]: Ja, mij.

[medeverdachte 1]: Alle tien, of vijf bij jou en vijf bij [Ab].

[verdachte]: Misschien doe ik die vijf wel naar [T].

[medeverdachte 1]: dan doe ik die testen zondag alvast.”202

Op 26 september 2011 bellen [medeverdachte 1] en [verdachte] weer met elkaar:

“[medeverdachte 1]: Ging die jongen nu woensdag vliegen?

[verdachte]: Ja, als het goed is wel. Moet ik even regelen nog.

[medeverdachte 1]: lk heb even zitten kijken, ze vroegen 680 euro. Maar ik had voor [Z] zitten kijken, als [Z] vanaf Frankfurt moet vliegen betaal ik 720. Moet ik hem op en neer rijden, auto parkeren, kan hij ook misschien beter vanaf Amsterdam vliegen en een van die jongens door laten vliegen. Ik weet niet [F] is normaal de vaste Frankfurt rijder of niet?

[verdachte]: Ja [F] is de vaste Frankfurt rijder.

[medeverdachte 1]: Dat hij een van die jongens maar op pikt, ken er eentje nog door vliegen.

[verdachte]: Ja dat zou kunnen.

[medeverdachte 1]: Dan moet op woensdag [F] kunnen rijden en een schuur hebben

[verdachte]: Morgenochtend gaan we kijken en plannen.”203

Op 27 september 2011 bespreken [medeverdachte 1] en [verdachte] het volgende:

“[medeverdachte 1]: [verdachte], wat heb jij voor de ticket van die jongen betaald

[verdachte]: 830.”204

Op 3 oktober 2011 heeft [medeverdachte 1] een e-mail gestuurd naar Lufthansa Cargo voor de aanmelding van twee zendingen vogels:

  1. exporteur: [medeverdachte 1], importeur: [verdachte], begeleider [C] en betreft 3 geelkopgieren en twee cotinga’s;

  2. exporteur: [medeverdachte 1], importeur: [Ab], begeleider [Z] en betreft 4 geelkopgieren.205

Op 6 oktober heeft [medeverdachte 1] voor twee geelkopgieren en 2 cotinga’s voor een totaalbedrag van € 380,- aan [Ab] gefactureerd en voor 5 geelkopgieren een totaalbedrag van € 575,- bij [verdachte] in rekening gebracht.206

Op 7 oktober 2011 zijn in totaal 7 geelkopgieren en 2 cotinga’s vanuit Dubai per vliegtuig naar Frankfurt verzonden. De verzender is [medeverdachte 1] en de geadresseerde van deze zending zijn [verdachte] (5 geelkopgieren met ringnummers AS 17A-20, AS 17A-28, AS 17A-33, AS 17A-32 en AS 17A-27) en [Ab] (2 geelkopgieren en 2 cotinga’s).207

Net als bij de hiervoor besproken zending is op de ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaten ingevuld dat de vogels “Pets” (huisdieren) betreffen en dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.208 Deze certificaten zijn in Dubai ingevuld door medeverdachte [medeverdachte 1].209 De begeleiders van deze vogels tijdens de vlucht van Dubai naar Frankfurt waren [Z] en [C].210 De vogels zijn vanuit Frankfurt met de auto door [F] en [C] naar verdachte gebracht.211

Op 7 oktober 2011 om 17.09 belt [C] naar [verdachte]:

“[verdachte]: Hoi, waar zijn we?

[C]: Waar zijn we, bij Wageningen (…)

[C]: Oh, waar moeten ze naar toe, vraagt [F].

[verdachte]: Oh naar de schuur.

[C]: Oh naar de schuur, okee.”212

[C] is op 13 november 2012 gehoord en hij heeft toen verklaard dat hij er later achter is gekomen dat hij de cotinga’s in Dubai heeft opgehaald, omdat [verdachte] deze al had verkocht aan een klant in Nederland. Hij gaat ervan uit dat ook de gieren voor de verkoop bestemd waren, want dat is tenslotte de handel van [verdachte].213

[Ac], werkzaam bij [bedrijf 2], heeft op 12 en 29 november 2012 verklaard dat zij wel eens kalkoengieren heeft gezien bij [verdachte] in de loods op nummer [nummer]. Ze denkt dat die zijn verkocht en ze kan zich niet herinneren dat dat er gieren zijn doodgegaan, totaal niet. Sinds ze daar werkt heeft ze nog nooit een dode gier gezien.214

[Ae] heeft verklaard dat hij een geelkopgier van [O] heeft gekocht voor ongeveer € 1.100,-.215 [Ad] heeft verklaard dat zij op 30 oktober 2011 op haar beurt een geelkopgier van [Ae] heeft gekocht en dat die Gier voorzien was van ringnummer AS 17A 33.216

Bewijsoverweging zeven geelkopgieren en twee pompadour cotinga’s

Uit de hiervoor omschreven bewijsmiddelen trekt de rechtbank de volgende conclusies. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben eind september 2011 verschillende telefoongesprekken over de verzending van zeven geelkopgieren en twee cotinga’s vanuit Dubai naar Frankfurt en vervolgens naar Nederland gevoerd. Ze vragen zich daarbij af op wiens naam de vogels moeten worden gezet ([Ab] of [T]) en wie de vogels vanuit Frankfurt naar Nederland moet brengen ([F], de vaste rijder). Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 1] en verdachte de kosten van het vervoer van de vogels hebben betaald en dat [medeverdachte 1] de vogels heeft gefactureerd aan [Ab] en verdachte. Dit betekent dat de vogels door verdachte en [medeverdachte 1] vanuit Dubai via Frankfurt naar Nederland zijn vervoerd, althans door [C] en [Z] hebben doen vervoeren, terwijl de vogels - als gevolg van de verkoop - bestemd waren voor eigendomsoverdracht en levering aan [Ab] en verdachte dan wel alleen aan verdachte. Reeds door deze gang van zaken kan niet gezegd worden dat de vogels als “pet” door hun eigenaar zijn begeleid vanuit Dubai naar Nederland in de zin van de vijfvogelregeling (zie juridisch kader hiervoor), ook niet als de stelling van verdachte gevolgd zou worden dat hij en/of [Ab] al in Dubai eigenaar van de vogels zouden zijn geworden. Immers, ook in dat geval waren de vogels in Dubai nog geen gezelschapsdier van [verdachte] en/of [Ab] die met hun eigenaar meeverhuizen en ook dan blijft het zo dat de verzending van de vogels een gevolg is van een commerciële transactie die heeft plaatsgevonden. Daarvoor is de vijfvogelregeling niet bedoeld.

Daar komt bij dat de rechtbank het op grond van de opgesomde bewijsmiddelen aannemelijk acht dat verdachte de vogels in kwestie (verder) heeft verhandeld. Daarvoor is redengevend dat kort na de aankomst van de geelkopgieren in Nederland bij [Ad] een geelkopgier terecht is gekomen met een ringnummer dat gelijk is met het ringnummer van één van de geelkopgieren die vanuit Dubai afkomstig is. De stelling van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015, inhoudende dat de vogels na aankomst allemaal zijn doodgegaan en dat de bij [Ad] aangetroffen geelkopgier een andere (door hem verkochte) geelkopgier is met hetzelfde ringnummer, acht rechtbank niet aannemelijk. Ten eerste omdat deze stelling door verdachte op geen enkele wijze is onderbouwd, bijvoorbeeld door overlegging van administratie die ziet op de verkoop van de door hem gestelde andere geelkopgier. En ten tweede omdat [Ac] heeft verklaard dat zij gieren heeft gezien bij [verdachte] in de loods op 80a, dat ze denkt dat die zijn verkocht, dat ze zich niet kan herinneren dat er gieren zijn doodgegaan en dat ze sinds ze daar werkt nog nooit een dode gier heeft gezien.

Dit alles betekent dat (1) de vogels vanuit Dubai niet met hun eigenaar (als gezelschapsdier) zijn meegereisd en (2) deze vogels bestemd waren voor eigendomsoverdracht en (verdere) commerciële doeleinden. Een gang van zaken waarvoor de vrijstelling van de vijfvogelregeling expliciet niet is bedoeld.

Bewijsmiddelen tien Reuzentoerako’sOp 8 mei 2012 zijn in totaal tien Reuzentoerako’s, zijnde vogels en ook wel Greater Blue of blauwe genaamd, vanuit Oeganda per vliegtuig naar Frankfurt verzonden. De verzender is genaamd [Af] en de geadresseerde van deze zending is medeverdachte [Q], wonende te [woonplaats], Nederland.217 Net als bij de hiervoor besproken zendingen is op de ten behoeve van deze zending opgemaakte certificaten ingevuld dat de vogels “Pets” (huisdieren) betreffen en dat de vogels niet worden verzonden voor commerciële doeleinden.218 Deze certificaten zijn in Oeganda ingevuld door medeverdachte [medeverdachte 3].219 De begeleiders van deze vogels tijdens de vlucht van Oeganda naar Frankfurt waren [H] en [Ag]. Na aankomst in Frankfurt zijn de vogels per auto naar [Q] vervoerd.

Verdachte en [medeverdachte 1] hebben over deze zending van tien reuzen toerako’s een aantal telefoongesprekken gevoerd, onder meer inhoudende dat [Q] nog wel toerako’s wil hebben, wie als begeleiders mee moeten om de vogels op te halen in Oeganda, de kosten daarvan en het regelen van de vliegtickets.220

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat de toerako’s € 2.000,00 per stuk opbrengen.221.

Bij [medeverdachte 3] is een handgeschreven notitie aangetroffen waarop staat:

“07-05-12 10 Greater Blue Trans + 2457

Winst Greater Blue 16.000-2457:3= + 4515”.222

Ter terechtzitting van 23 april 2015 heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 3]/[Af], [medeverdachte 1] en hij de winst die met de verkoop van de toerako’s aan [Q] is gerealiseerd, hebben gedeeld en dat de handgeschreven notitie van [medeverdachte 3] daarop betrekking kan hebben.223

[medeverdachte 3], vriend van [Af] (de verzender van de vogels) heeft op 23 november 2012 verklaard dat de tien Reuzentoerako’s uit het wild komen en dat er geen gekweekte toerako’s in Oeganda voorkomen.

Verder heeft [medeverdachte 3] - kort gezegd - verklaard dat [Af] toerako’s had zitten en dat een paar daarvan net gevangen waren. Om ze goed te krijgen moet je eerst een aantal dagen goed voeren. De eerste dagen zijn heel kritiek of zij het wel overleven. Met “vers” wordt bedoeld dat de vogels net gevangen zijn, aldus [medeverdachte 3].224

Op 19 maart 2012 hebben verdachte en [medeverdachte 1] per telefoon een gesprek en wordt het volgende besproken:

“[medeverdachte 1]: Ja nou ik had het met [medeverdachte 3] [lees: [medeverdachte 3], toevoeging rechtbank] erover gehad (…) Hij had er 8 zitten er al een hele tijd, twee zijn eigenlijk redelijk vers. Hij wou veertien dagen wachten. Hij zei over veertien dagen zijn ze goed.225

Verder bellen verdachte en [medeverdachte 1] op 24 maar 2012 met elkaar. Dan wordt onder meer gesproken over de wensen van medeverdachte [Q]226:

“[verdachte]: hij wil ze alleen in paren hebben (…)

[medeverdachte 1]: (…) volgens mij zitten er 5 gesexte bij en vijf ongesexte (…)

[medeverdachte 1]: moet ie in de tussentijd maar een stuk of 5 of 6 bijvangen (…)”

Op 21 april 2012, dus bij benadering drie weken voor de zending van de 10 toerako’s, voeren verdachte en [medeverdachte 1] het volgende gesprek (06.AMB.31, blz 4):

[medeverdachte 1]: …. Ja nou die ross had ie voor weinig gekocht, of die had ie ook eh kijk die jongens die ook die blauwe deden vangen, …..ja dat valt op dezelfde lijmstok

[verdachte]: mmmmm ja

[medeverdachte 1]: Ja, en die het ie eigenlijk nie gekocht…… hij vroeg voor blauw en hij kreeg een geeltje.”227

Bewijsoverweging tien Reuzentoerako’sUit de hiervoor omschreven bewijsmiddelen kunnen de volgende conclusies worden getrokken. Ten eerste staat vast dat verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] actief betrokken is geweest bij de logistieke afhandeling van de levering van tien toerako’s aan [Q]. Dit wordt bevestigd door het feit dat zij de winst hebben gedeeld die met de verkoop van de toerako’s is gerealiseerd. Ten tweede volgt uit de verklaring van [medeverdachte 3] en de inhoud van de telefoongesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1] dat de toerako’s in het wild gevangen zijn in Oeganda (mogelijk met een lijmstok) en dat alle drie genoemde betrokkenen daarvan op de hoogte waren. De verklaring ter zitting van [medeverdachte 3] dat op het bedrijf van [Af] ook vogels werden gekweekt, kan gelet op inhoud van de telefoongesprekken niet zien op deze tien reuzentoerako’s. Ten derde geldt dat dit alles is gedaan voor commerciële doeleinden. Immers, [Q] heeft voor iedere toerako € 2.000,00 betaald, met welke opbrengst verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hun winst hebben gerealiseerd. Deze omstandigheden in samenhang bezien brengen mee dat verdachte samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ten behoeve van de bestelling van [Q] vogels in het wild hebben (doen) vangen ten behoeve van een commerciële invoer naar Europa. Zoals hiervoor bij het juridisch kader en bij de behandeling van de zending van de zeven geelkopgieren en twee cotinga’s is omschreven, is de vijfvogelregeling expliciet niet voor dit soort (handel in) vogels bedoeld. De conclusie is dan ook dat dat verdachte door de omschreven handelwijze op een oneigenlijke (niet bedoelde) manier gebruik heeft gemaakt van de vijfvogelregeling.

Bewijsmiddelen vijf Ross toerako’s en vijf grijswanghoornvogels

Vijf Ross toerako’s

Op 21 april 2012 hebben [medeverdachte 1] en verdachte per telefoon een gesprek en wordt het volgende besproken:

“[medeverdachte 1]: Ik had [medeverdachte 3] nog even aan de telefoon eigenlijk. Die had toch nog wel 20 Rosse zitten.

[verdachte]: O? Die had ie nog zitten?

[medeverdachte 1]: Ja ….. ik zeg nou volgende week effe een proefzendinkje doen met [Ak] (…)

[medeverdachte 1]: beter Ross als die, die neushoornvogels

[verdachte]: Jaaaa, ik denk dat je kosten allemaal minder zijn.

[medeverdachte 1]: Jaa da’s een ding dat zeker is… past in een mooi klein kistje

[verdachte]: ja en uh ik denk, ik denk dat de prijs hier …pfffft dat je moet wurgen om aan de 25 of de 27 te komen, 27 half (…)

[medeverdachte 1]: …. Ja nou die ross had ie voor weinig gekocht, of die had ie ook eh kijk die jongens die ook die blauwe deden vangen, …..ja dat valt op dezelfde lijmstok

[verdachte]: mmmmm ja

[medeverdachte 1]: Ja, en die het ie eigenlijk nie gekocht…… hij vroeg voor blauw en hij kreeg een geeltje (…)

[medeverdachte 1]: ja nou ik zal wel even met [medeverdachte 3] overleggen, misschien als we gewoon met die vijf even doen, die lijn even testen. Als die lijn goed is…. Ja eh of als ze 25 opbrengen (…).”228

Op 24 april 2012 vindt het volgende gesprek tussen [medeverdachte 1] en verdachte plaats:

“[medeverdachte 1]: ja voor.. eh.. [Ah]. eh. .wat hij eerst eigenlijk had staan op de permit waren vijf geelkopjes....

[verdachte] : vijf geelkopjes..???

[medeverdachte 1] : ja, dus misschien dat ie volgende week ook nog effetjes 5 geelkopjes naar [Ah] toe stuurt..

[verdachte] : ooo, oke. Ja ik weet niet hoe het verder van [Ah] afgaat dan..?

[medeverdachte 1] : eh dan eh doet [Ai] ... de chauffeur van [Ai] neemt het dan weer mee…

[verdachte] : O die neemt het dan weer mee. Die komt daar uit de buurt..?

[medeverdachte 1] : ja, die komt ook daar eh .. voor een meiertje heb je het dan weer op de plaats van bestemming staan…

[verdachte]: o ja…

(…)

[verdachte] : maar als ie toch gaat dan eh dan is het eh toch de eerste winst, zoveel ruimte neemt het nie in...

[medeverdachte 1] : nee vijf geelkopjes is eh... je ken ze ook in het dashboardkastje doen.” 229

Op 5 mei 2012 hebben [medeverdachte 1] en verdachte een tweetal telefoongesprekken waarin wordt besproken dat de volgende dag de geelkopjes zullen worden ingepakt en zullen worden verstuurd.230

Op 7 mei 2012 zijn 5 Ross Toerako’s, zijnde vogels en ook wel geelkopjes of geelpetjes genaamd, vanuit Oeganda met het vliegtuig in Hongarije aangekomen. De verzender is wederom [Af] en de geadresseerde van de zending is de heer [Ah].231 De vogels van deze zending hadden ringen om met de nummers AS 9A 27, AS 9A 39, AS 9A 44, AS 9A 51 en AS 9A 54.232 Ten behoeve van deze zending vogels is (1) een factuur gevoegd ten attentie van [Ah], waarop is vermeld “Invoice non Commercial, 5 Ross’s Turako’s (…) each USD 40,-233 en (2) een verklaring dat de vogels uit liefhebberij worden gehouden en niet voor handel zijn bedoeld.234 Op het gemeenschappelijk veterinair document dat is opgesteld ten behoeve van het vervoer van de vogels van Oeganda naar Hongarije, is vermeld dat de vogels bestemd zijn voor: “het houden voor plezier”.235

Op 22 mei 2012 is door [bedrijf 4] B.V. het geslacht bepaald van een vijftal violet toerakos’s. Op de geslachtsbepalingsformulieren wordt verdachte als eigenaar van die vogels aangeduid en de ringnummers van die vogels zijn AS 9A 27, AS 9A 39, AS 9A 44, AS 9A 51 en AS 9A 54.236 Dit zijn dezelfde ringnummers als vermeld op reisdocumenten van de vijf Ross Toerako’s die op 7 mei 2012 vanuit Oeganda in Hongarije zijn aangekomen.

5 grijswanghoornvogels

Op 21 april 2012 voeren [medeverdachte 1] en verdachte het volgende gesprek:

“[medeverdachte 1]: ik wou toch nog effetjes toch nog uit Oeganda nog effetje 5 hoornvogels opsturen ook.

[verdachte]: watblief?

[medeverdachte 1]: ik wou nog 5 hoornvogels vanaf Oeganda nog effe doen.

[verdachte]: ...... ja

[medeverdachte 1]: maar moest daar een losse pop bij zitten of een losse man?

(…)

[medeverdachte 1]: nee, maar ik wou eh .. ik had nog een Hongaar ...

[verdachte]: ja?

[medeverdachte 1]: dat ik ze daar naar toe stuur

[verdachte]: wou je het daar nog effe heen laten vliegen?

[medeverdachte 1]: ja

[verdachte]: hhhmmm oke.

[medeverdachte 1]: eens kijken hoe dat werkt danneh.. ja eh.. hij wou eh... hij wou voor 15, hij wou voor 15 procent wou hij het doen. 15 procent van verkoopwaarde. Ja hij zegt dan (...) een rooitje zeg maar.

[verdachte]: een rooitje het paar?

[medeverdachte 1]: nee! voor een rooitje wou hij het doen.

[verdachte]: o, voor een rooitje wou die het doen. O oke.

[medeverdachte 1]: Ja

[verdachte]: nou ik heb helemaal geen idee meer van hoe of wat.

[medeverdachte 1]: nee ja, ik ook nie. Ik weet wel eh het moet wel kennen.

[verdachte]: Erg hard van stapel lopen ze er niet mee. laten we maar kijken.

[medeverdachte 1]: nee nee, een koppeltje moet toch wel te versmeren zijn of niet?”237

Op 14 mei 2012 zijn vijf grijswanghoornvogels, ook wel Black en White casqued hornbills genaamd, vanuit Oeganda met het vliegtuig in Hongarije aangekomen. De verzender is wederom [Af] en de geadresseerde van de zending is de ditmaal [Aj].238 Ten behoeve van deze zending vogels is een factuur gevoegd ten attentie van [Aj], waarop is vermeld “Invoice non Commercial, 5 Black en White casqued hornbills (…) each USD 40,-”.239 Op het gemeenschappelijk veterinair document dat is opgesteld ten behoeve van het vervoer van de vogels van Oeganda naar Hongarije, is vermeld dat de vogels bestemd zijn voor: “het houden voor plezier”.240

Ophalen vogels

Op 14 mei 2012 hebben [medeverdachte 1] en verdachte het volgende telefoongesprek:

“[medeverdachte 1]: vijf uhh grootsnaveltjes.. groot.. met die grote snavel die uhhh die grootsnavels… die zijn die zijn nou aan het landen….

[verdachte] : oow…

[medeverdachte 1] : uhh die zijn dan vrijdag zijn die bij jou….

(…)

[medeverdachte 1]: ja vijf..vijf geelpetjes en vijf..twee paar en een losse pop van die andere ..

[verdachte]: nee.. is goed..

[medeverdachte 1]: en uhhh...ja ik weet niet...moet ik...hebbe gei vrijdag ie...uhh...ze gaan naar [Ai] toe.. en ik..

(………..)

[verdachte]: oke hou effe contact met [Ai], dan komt dat goed.”241

Op 14 mei 2012 spreken [medeverdachte 1] en verdachte nog een met elkaar en zeggen het volgende:

“[verdachte]: Ja…

[medeverdachte 1]: Ja meneer [verdachte], goedenavond….

[verdachte]: Hm…

[medeverdachte 1]: Uhm . ik had [Ah] nog even aan de telefoon, die ging het regelen voor vrijdag, was allemaal goed….

[verdachte]: Hm….

[medeverdachte 1]: Hij begreep 't, including une.. uh ..unos non commercielos invoicos….

[verdachte]: Ja….”242

Op 17 mei 2012 belt verdachte met “[Ai]” en wordt het volgende besproken:

“[verdachte]: Ja ik kom later nog langs [Ai]….

[Ai] : Ja [verdachte], dat vind ik goed dat jij later langskomt, maar ik denk dat ik een klein probleem begin te krijgen…

(….)

[Ai]: Die beesten gaan de kooien uit man….

(….)

[verdachte] : Ik denk dat ik ongeveer met twee uurtjes bij jou ben...

[Ai] : Dat geeft niks als ze bij mekaar gaan komen, of wel…..

[verdachte]: Nee, dat maakt niet uit als ze bij mekaar komen, er zitten een paar kleintjes bij die moeten niet, die moeten niet bij die grote komen natuurlijk….

[Ai] : Nee die Tourako's blijven er nog wel in zitten maar die neushoornvogels die slopen alles…

[verdachte] : oke ik kom straks naar je toe.” 243

Op 26 april 2013 is [Ai] gehoord en hij heeft kort gezegd verklaard dat hij [medeverdachte 1] en verdachte kent, dat [medeverdachte 1] hem een keer heeft gevraagd of die Hongaar met wie [Ai] zaken doet, [Ak], een kistje vogels mee kon nemen en dat het klopt dat hij twee kistjes heeft ontvangen. Een kistje waren de vogels aan het slopen, ze hadden een grote neus en een grijze snavel.244

Verklaring [medeverdachte 3] en zijn administratie

[medeverdachte 3], medeverdachte van [verdachte], heeft op 12 november 2012 - kort gezegd - het volgende verklaard. [Af] heeft een quota om onder andere Ross- en Reuzentoerako’s en grijswanghoornvogels in Oeganda uit het wild te vangen. [Af] verkoopt deze vogels aan [verdachte] en [medeverdachte 1]. [verdachte] is opdrachtgever aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] bestelt de vogels bij [Af]. Er zijn drie zendingen via Hongarije gegaan, waarvan er een in beslag is genomen. Alle vogels zijn uit het wild. [Af] kreeg met name geld van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] verrekende dit weer met [verdachte].245

Verder heeft [medeverdachte 3] op 14 november 2012 verklaard dat de ontvanger van de vogels in Hongarije [Ak] was. [Ak] zou van [medeverdachte 1] voor iedere zending € 1000,- krijgen.246

In de in beslag genomen administratie bij [medeverdachte 3] is een Gmailbericht aangetroffen. Daarop staat:

“8 blauw = 16.000

5 geelkop = 5000

5 zwart wit = 6000

Totaal = 27.000

Kosten u = 4800

[Ah] = 2350

Tikt+hdling = 2500

= total 17.350

33.3% voor u = 5800 + 4800 = 10.600,- euro”.247

Verder is in de administratie van [medeverdachte 3] een handgeschreven notitie aangetroffen waarop onder meer is vermeld:

“6-05-12 5 ros [Ak] + transp + 716

Winst ross 5000-716 = 4284:3 = + 1428

13-05 5 Black and White + trans + 1320

Winst Black and White + 2476”248

Bewijsoverweging vijf Ross toerako’s en vijf grijswanghoornvogels

Op grond van de hiervoor omschreven bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. Uit de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en verdachte eind april en begin mei 2012 volgt dat zij in samenspraak met medeverdachte [medeverdachte 3] vijf ross toerako’s en vijf grijswanghoornvogels van Oeganda naar Hongarije hebben laten vervoeren. Uit de getapte gesprekken blijkt dat alle betrokkenen ervan op de hoogte waren dat deze vogels in het wild werden gevangen Aan de verklaring van [medeverdachte 3] op zitting dat op het bedrijf van [Af] ook vogels worden gekweekt wordt voorbijgegaan nu die verklaring algemeen is en niet specifiek over deze vogels is afgelegd. Verder blijkt dat dit de eerste keer was dat het verzenden van deze lijn via Hongarije even zou worden getest. Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat deze vogels niet bedoeld waren om aan [Ak] te leveren, maar om die vogels uiteindelijk bij verdachte terecht te laten komen. Deze conclusie wordt ondersteund door onder meer de volgende feiten: (1) [Ak] zou het voor 15% van de verkoopwaarde dan wel een rooitje doen (tap), (2) [Ak] zou voor iedere zending € 1.000,- krijgen (verklaring [medeverdachte 3]), (3) de chauffeur van [Ai] zou de vogels bij [Ak] ophalen (tap), (4) [Ai] heeft verklaard dat hij vanuit Hongarije twee kistjes vogels heeft ontvangen, (5) [medeverdachte 1] deelt op 14 mei 2012 aan verdachte mee dat dat de vogels aan het landen zijn en dat ze vrijdag bij verdachte zijn (tap) en (6) op 17 mei 2012 komt verdachte bij [Ai] langs om vogels op te halen (tap).

De verklaring van verdachte ter zitting dat hij bij [Ai] andere vogels heeft opgehaald dan de vogels die vanuit Oeganda naar [Ak] waren verzonden wordt reeds weersproken door deze bewijsmiddelen. Daar komt bij dat de op 22 mei 2012 door [bedrijf 4] B.V. in opdracht van verdachte onderzochte vogels precies dezelfde ringnummers hebben als de ross toerako’s die enkele dagen daarvoor bij [Ak] waren aangekomen.

Verder volgt uit de bewijsmiddelen dat de vogels in kwestie na aankomst in Nederland verder zijn verhandeld. Uit de bij [medeverdachte 3] aangetroffen notitie en het Gmailbericht blijkt immers dat de vijf ross toerako’s (geelkop) € 5.000,00 en de vijf grijswanghoornvogels (Black en White) € 6.000,00 hebben opgebracht. Daarnaast blijkt uit deze stukken dat de winst - na onder meer aftrek van de kosten van [Ak] - door 3 personen wordt gedeeld (“33,3% voor u”). De verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting (ook in de zaak van verdachte) dat niet verdachte maar een Hongaarse dierenarts de derde is die in de winst heeft meegedeeld, acht de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen en alles wat hiervoor is overwogen ongeloofwaardig.

Ook hier is de conclusie dat de vogels in kwestie voor commerciële doeleinden naar Nederland zijn vervoerd en dat een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden, te weten omstandigheden waarvoor de vijfvogelregeling niet is bedoeld.

Slotbewijsoverweging vijfvogelregeling

Uit hetgeen hiervoor is omschreven en overwogen met betrekking tot de verschillende zendingen vogels volgt dat verdachte (met andere(n)) in strijd met de vijfvogelregeling vogels vanuit Dubai/Oeganda binnen een land van de Europese Unie heeft gebracht (Duitsland en Hongarije) en deze vogels vervolgens vanuit die landen naar Nederland heeft doen vervoeren.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij alle voornoemde vijfvogelzendingen sprake geweest van een duidelijke taakverdeling en nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en anderen zoals [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [Q]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

Vrijstelling?

Zoals bij de beschrijving van het algemeen juridisch kader is uiteengezet, is het brengen van vogels in Nederland vanuit een lidstaat van de Europese Unie verboden. Op dit verbod bestaat een vrijstelling als de invoer vergezeld gaat van een verklaring van het bedrijfshoofd waarvan de vogels afkomstig zijn en een vervoersdocument. De vraag is of verdachte op deze vrijstelling een (rechtsgeldig) beroep kan doen. De rechtbank beantwoord deze vraag ontkennend en daarvoor is het volgende redengevend.

De vogels in kwestie zijn door verdachte en zijn medeverdachten telkens onder de noemer “gezelschapsdieren” (“pets”) van buiten de Europese Unie een lidstaat van die Unie binnen gebracht, terwijl het geen gezelschapsdieren waren in de zin van verordening 998/2003 en de beschikking 2007/25. Dit betekent dat op de zendingen betrekking hebbende vervoersdocumenten telkens in strijd met de waarheid door verdachte en zijn medeverdachten het vakje “pets” of “gezelschapsdieren” is aangekruist dan wel dat op basis van informatie afkomstig van verdachte (en zijn medeverdachten) deze vermelding op de vervoersdocumenten is aangevinkt. Door in strijd met de waarheid aldus deze vermelding te (laten) doen, zijn deze documenten niet te beschouwen als “een vervoersdocument” dat nodig is om een rechtsgeldig beroep op de in de Regeling handel omschreven vrijstelling te kunnen doen. Reeds daarom slaagt dat beroep niet.

Daarnaast geldt dat alle (strenge) voorwaarden met betrekking tot de import van vogels uit derde landen is ingegeven door de wens om verspreiding van vogelziektes, afkomstig van (in het wild gevangen) vogels, en daarmee verband houdende risico’s voor dierenwelzijn, dierengezondheid en verspreiding van virusziekten zoveel mogelijk te voorkomen (zie verordening 318/2007). Uitsluitend vogels die met inachtneming van deze voorwaarden een land van de Europese Unie zijn binnengebracht, bijvoorbeeld omdat ze van een erkend vermeerderingsbedrijf afkomstig zijn en in gevangenschap zijn gefokt, mogen daarna de EU en dus ook Nederland worden ingevoerd op voorwaarde dat zij op de plaats van bestemming 30 dagen in quarantaine worden gesteld en vergezeld gaan van de daarbij benodigde documenten. Dat is naar het oordeel van de rechtbank ook de gedachte achter de in de Regeling handel omschreven verbodsbepalingen en de daarop bestaande vrijstellingen (zie juridisch kader hiervoor). Gevolg hiervan is dat als vaststaat dat de vogels, zoals in het onderhavige geval, (1) in strijd met de waarheid op grond van de vijfvogelregeling binnen de Europese Unie zijn gebracht en (2) daarmee bewust de strenge regels uit verordening 318/2007 worden omzeild en (3) daarmee ook bewust risico’s voor dierenwelzijn en verspreiding van besmettelijke vogelziekten worden genomen, niet gesproken kan worden van “vogels” en/of “dieren” als bedoeld in artikel 8.10 van de Regeling handel (de vrijstelling). Voor die vogels is die vrijstelling simpelweg niet bedoeld.

Dit alles brengt mee dat verdachte met betrekking tot de vogels uit alle hiervoor omschreven zendingen, opzettelijk en samen en in vereniging met anderen in strijd met de in artikel 2.1. lid 2, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel omschreven verbodsbepaling die vogels Nederland heeft binnen gebracht, althans heeft doen brengen. Dit handelen is via artikel 10 Gwd strafbaar gesteld als economisch delict op grond van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wed.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute - Tanzaniazending

Ten aanzien van feit 3, primair:

Bewijs witnekraven en schildraven

Op 17 januari 2011 heeft de CITES Management Autoriteit (verder: CITES MA) van Hongarije een EU-Twixbericht249 geplaatst, inhoudende dat aan de grens van Hongarije met Roemenië een vogeltransport is aangehouden. In dat vogeltransport bevonden zich onder meer tien corvus albus (de rechtbank begrijpt: witnekraven) en tien corvus albicollis (de rechtbank begrijpt: schildraven).250 Gelet op de bijbehorende documenten komen de vogels uit het transport oorspronkelijk uit Tanzania en zijn ze op 13 december 2010 en op 5 januari 2011 via Nederland de Europese Unie binnengebracht.251

Bij het vogeltransport is een factuur gedateerd 14 januari 2011 aangetroffen van ‘[dierentuin 1], [vestigingsplaats], Bulgarije’, welke factuur is gericht aan ‘[verdachte], [adres], [woonplaats], Holland’. Op deze factuur staan onder meer tien witnekraven en tien schildraven vermeld.252

Op 25 januari 2011 werd door CITES MA Hongarije aangegeven dat alle door het CITES-verdrag beschermde vogels uit het transport in beslag waren genomen en dat alle niet door het CITES-verdrag beschermde vogels, waaronder tien schildraven en tien witnekraven, waren vrijgegeven.253

[Al], aanwezig bij het tegenhouden van de zending aan de Hongaars-Roemeense grens en hoofd van de afdeling milieu en natuurbescherming, heeft verklaard dat de tien corvus albus, (de rechtbank begrijpt: schildraven) en de tien corvus albicollus (de rechtbank begrijpt: witnekraven) verder werden vervoerd, omdat dit geen CITES-soorten zijn.254

In zijn brief van 21 januari 2011 schrijft de directeur van [dierentuin 1], de heer [Am], aan de CITES MA Hongarije dat hij van zijn partner en transporteur [bedrijf 5] s.r.o. het bericht heeft ontvangen dat een deel van hun zending vogels, die zijn bestemd voor Nederland, in beslag is genomen.255

In de administratie van [dierentuin 1] is een pagina met getypte en handschreven aantekeningen aangetroffen. Op deze pagina staat:
“de vogels moeten zondag volgens de volgende route reizen:

Bulgarije-Servië- Hongarije, Slowakije-Tsjechië-Nederland. Chauffeur [An], Citroen Jumper ISA 0326.

De lijst van vogels uit Tanzania die meegaan: (…) pied crown / corvus albus 10, whiteneck raven / corvus albicollus 10”

en: “Alle vogels met uitzondering van de aasgier gaan naar: (…) [verdachte], [adres], [woonplaats], Holland”.256

In de administratie van [dierentuin 1] is ook een douaneformulier aangetroffen. Op dat douaneformulier staat:

“Verzender/Exporteur: Dierentuin, BG, [vestigingsplaats] (…).

Ontvanger: [verdachte], NL, [woonplaats] (….).
Beschrijving goederen: levende vogels (10 – raven, 10 – raven)”.257

De bestuurder van [bedrijf 5] s.r.o., [Ao], heeft verklaard dat de vogels op verzoek van [dierentuin 1] werden vervoerd naar [verdachte] in Nederland. [An] was de chauffeur van het vogeltransport en hij reed in een Citroën Jumper met het kenteken [kenteken].258

Onder [B] zijn drie verklaringen van endoscopische geslachtsbepalingen gedateerd

31 januari 2011 aangetroffen. Hierop staat ‘[verdachte], [adres], [woonplaats]’ als eigenaar vermeld van drie witnekraven met ringnummers 19 HH, 184 HH X, 185 HH X.259

Onder [B] is ook een overdrachtsverklaring gedateerd 2 februari 2011 aangetroffen. Hierop staat dat ‘[C]’ drie witnekraven, met ringnummers 19 HH, 184 HH X en 185 HH X heeft overgedragen aan ‘[Ap]’.260

[C] heeft verklaard dat hij voor [verdachte] werkt en dat hij in totaal zeven witnekraven voor [verdachte] heeft verkocht.261

[B] heeft verklaard dat zijn partner, [Ap], drie witnekraven op 2 februari 2011 bij [C] heeft opgehaald.262

[medeverdachte 3] heeft naar aanleiding van vragen over een aantal zendingen van vogels verklaard dat er in Tanzania geen vogels worden gekweekt en dus vogels uit het wild komen.263

Bewijsoverwegingen witnekraven en schildraven

Op de lijst met vogels afkomstig uit Tanzania uit het EU-Twix bericht van 17 januari 2011 staan dezelfde soorten en aantallen vogels die worden genoemd op het aantekeningenformulier dat in de administratie van [dierentuin 1] is aangetroffen. Op dat formulier is vermeld welke vogels uit Tanzania meegaan met de chauffeur [An] naar Nederland. De vogels zijn eerst vervoerd van Tanzania via Nederland naar [dierentuin 1] in Bulgarije. Uit de vermelde documenten blijkt dat de uit Tanzania afkomstige witnekraven en schildraven vanaf [dierentuin 1] in Bulgarije bestemd zijn voor verdachte.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet kon weten waar deze vogels vandaan kwamen en dat het veelvoorkomende raven zijn.

Gelet op de aangetroffen documenten, waaronder een document waarop verdachte als ontvanger van de vogels staat vermeld, en de verklaring van de chauffeur is niet aannemelijk dat verdachte niet zou weten dat de vogels van [dierentuin 1] komen. Te meer daar verdachte geslachtsbepalingen heeft laten uitvoeren op witnekraven en er vervolgens witnekraven door een werknemer van verdachte zijn verkocht. Dat dit, zoals de verdediging stelt, niet de uit Tanzania afkomstige witnekraven kunnen zijn, omdat er ten tijde van de geslachtsbepaling en verkoop nog beslag zou liggen op de raven wordt weersproken door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Uit de verklaring van [Al] en de brief van [Am], blijkt dat de niet door het CITES-verdrag beschermde witnekraven en schildraven bij de grens van Hongarije zijn vrijgegeven.

Op grond van artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, derde gedachtestreepje Regeling handel is het kort gezegd verboden om dieren die zijn verzonden vanuit een derde land (kortheidshalve: niet EU-land) in Nederland te brengen.

De vogels zijn vanuit een derde land in de EU ingevoerd met Nederland als eerste land van binnenkomst, zodat dit artikel hier van toepassing is.

Kort gezegd geldt dit verbod op grond van artikel 2.33 Regeling handel (tekst ten tijde hier van belang) niet, mits is voldaan aan de verordening 318/2007. Zie hiervoor het juridisch kader dat onder punt 4.3.5.1. is opgenomen. Op grond van artikel 5 van die Verordening 318/2007 wordt invoer van vogels uit derde landen of delen daarvan slechts toegestaan als deze in gevangenschap zijn gefokt en afkomstig zijn van een erkend vermeerderingsbedrijf.

De witnekraven en schildraven zijn afkomstig uit Tanzania en gesteld noch gebleken is dat de vogels in Tanzania in gevangenschap zijn gefokt en afkomstig zijn van een erkend vermeerderingsbedrijf. Het vanuit Tanzania in Nederland brengen, als eerste land van binnenkomst in de EU, van de ten laste gelegde witnekraven en schildraven is reeds daarom verboden.

Niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de vogels uit Tanzania afkomstig zijn en via Nederland naar Bulgarije zijn vervoerd. Voor het ten laste gelegde opzettelijk overtreden van dit verbod wordt verdachte dan ook vrijgesproken voor dat deel van de tenlastelegging.

Het is echter aan verdachte zich te vergewissen van de herkomst van de vogels om zodoende te voorkomen dat hij in strijd handelt met dat verbod. Als hij zich niet vergewist van de herkomst komt dit voor zijn rekening en risico.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht de aan verdachte onder 3 primair ten laste gelegde overtreding met betrekking tot de witnekraven en de schildraven wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de witnek- en schildraven. De rechtbank spreekt verdachte daarvan ook vrij.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filipijnenzending

Ten aanzien van feit 3, primair:

Uit de bewijsmiddelen voor feit 1 - zoals hiervoor onder punt 4.3.3.3 besproken - volgt, in onderling verband en samenhang beschouwd, dat de op de tenlastelegging onder feit 3 primair vermelde tien panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee Filipijnse dwergvalken, twee bonte kiekendieven en vier kuifhaviken uit de Filippijnen via Nederland in Bulgarije zijn ingevoerd. Van deze zending zijn vervolgens vijf panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee Filipijnse dwergvalken, één bonte kiekendief en twee kuifhaviken vanuit Bulgarije via Tsjechië door verdachte in Nederland gebracht.

Uit het juridisch kader blijkt dat het rechtstreeks vanuit een derde land invoeren in Nederland als eerste land in de EU verboden is tenzij wordt voldaan aan verordening 318/2007.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de Filipijnse dwergvalken en de kuifhaviken die op 11 oktober 2011 vanuit de Filippijnen in Nederland (op Schiphol) zijn aangekomen, direct naar [dierentuin 1] zijn vervoerd en daarvandaan op 20 oktober 2011 naar Tsjechië zijn gestuurd. Hiermee is voor deze vogels niet voldaan aan de verplichting op grond van artikel 11 van EG verordening 318/2007 dat de vogels 30 dagen in quarantaine moeten worden gehouden.

De vijf panay of luzon neushoornvogels en de twee rosse neushoornvogels zijn niet voorzien zijn van een naadloos gesloten pootring.

De bonte kiekendief had een ringnummer 306 die als open ring bij verdachte is aangetroffen. De rechtbank leidt hieruit af dat deze kiekendief evenmin een naadloos gesloten pootring had.

Alle vogels met een open pootring voldoen evenmin aan de voorschriften uit de EG verordening 318/2007 (artikel 5 onder g).

Verdachte heeft daarmee gehandeld in strijd met het verbod uit artikel 2.1 lid 2, derde gedachtestreepje van de Regeling handel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet kon weten waar de vogels vandaan kwamen nu hij de vogels in Tsjechië heeft gekocht en de handelaar de herkomst van de vogels niet prijs heeft gegeven.

Niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat de vogels uit de Filippijnen afkomstig zijn en via Nederland naar Bulgarije zijn vervoerd. Voor het ten laste gelegde opzettelijk overtreden van dit verbod wordt verdachte dan ook vrijgesproken voor dat deel van de tenlastelegging.

Het is echter aan verdachte zich te vergewissen van de herkomst van de vogels om zodoende te voorkomen dat hij in strijd handelt met dat verbod. Als hij zich niet vergewist van de herkomst komt dit voor zijn rekening en risico.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en acht de aan verdachte onder 3 primair ten laste gelegde overtreding met betrekking tot de vijf panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee Filipijnse dwergvalken, één bonte kiekendief en twee kuifhaviken wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de vogels uit de Filippijnenzending. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

4.3.6 FEIT 4

4.3.6.1 Juridisch kader feit 4

101a Gwd
In artikel 101a lid 1 Gwd is het voorschrift opgenomen dat de houder van één of meer dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gwd aangewezen besmettelijke dierziekte kan worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen.

1 Gwd

Artikel 1 lid 1 Gwd omschrijft een besmettelijke dierziekte als elke aantasting van de gezondheid van een dier die gevaar kan opleveren voor de gezondheid van andere dieren of van de mens.

15 Gwd
In artikel 15 onder e Gwd is bepaald dat de betreffende afdeling uit de Gwd van toepassing is op door de minister aangewezen besmettelijke dierziekten bij dieren die behoren tot soorten of categorieën van dieren die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen.

Besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke dierziekten
In artikel 2 onder b van het Besluit aanwijzing diersoorten besmettelijke dierziekten (verder: Besluit aanwijzing) is bepaald dat als soorten van dieren bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de wet worden aangewezen alle diersoorten behorend tot de klasse vogels.

Regeling preventie bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s

In artikel 7 van de Regeling preventie bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (verder: Regeling preventie) is opgenomen dat
als besmettelijke dierziekten als bedoeld in artikel 15 van de Gwd bij andere vogels dan pluimvee worden aangewezen (a) psittacose; (b) pseudo-vogelpest (Newcastle Disease) en (c) vogelpest (Aviaire Influenza).

Verdachte wordt onder feit 4 verweten dat hij vogels in Nederland heeft gebracht, en kort gezegd heeft samengebracht, heeft verhandeld en onder zich heeft gehad, terwijl

  • -

    die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderingsbedrijven;

  • -

    niet is voldaan aan invoervoorschriften en/of quarantainebepalingen;

  • -

    die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening zijn gehouden.

Dat verdachte aan de vereisten uit voormelde liggende streepjes zou moeten voldoen volgt uit de rechtstreeks van toepassing zijnde verordening 318/2007. Deze verordening is van toepassing op vogels die vanuit een derde land het gebied van de EU worden binnengebracht en daarin is onder meer bepaald:

  • -

    in artikel 5 onder b bis dat vogels afkomstig moeten zijn van erkende vermeerderingsbedrijven;

  • -

    in artikel 11 lid 1 dat vogels gedurende minstens 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening of erkend quarantainestation worden gehouden.

Voor vogels die niet vanuit een derde land binnen de EU worden binnengebracht geldt onder meer dat een verklaring van een bedrijfshoofd is vereist over het ontbreken van ziekteverschijnselen bij de vogels en het niet gelden van veterinairrechtelijke beperkingen ten tijde van de verzending (zie artikel 8.10 Regeling handel).

Het gaat daarbij steeds om veterinaire maatregelen en controles ter voorkoming van de besmetting met vogelziekten en de verspreiding van dergelijke ziekten bij vogels zoals genoemd in artikel 7 van de Regeling preventie.

Strafbaarstelling artikel 101a Gwd

Overtreding van artikel 101a Gwd is strafbaar gesteld in artikel 1 onder 1 van de Wet op de economische delicten (verder: Wed). Volgens artikel 2 Wed betreft dit een misdrijf indien dit opzettelijk is gedaan en een overtreding wanneer van dat opzet geen sprake is.

4.3.6.2 Vrijspraken feit 4

Zaaksdossier 04 – Wildvang Bulgarije

Het verwijt aan verdachte is in de tenlastelegging verfeitelijkt door de omstandigheden, zoals vermeld onder de drie hiervoor vermelde liggende streepjes. Hierin wordt verdachte onder meer verweten dat hij zich niet aan de invoervoorschriften heeft gehouden.

Verdachte is onder punt 4.3.5.2 integraal vrijgesproken van het hem onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde feit dat ziet op de vogels uit het zaaksdossier wildvang Bulgarije. Daarmee is niet komen vast te staan dat verdachte - in strijd met de veterinairrechtelijke bepalingen uit de Gwd (artikel 10 Gwd en artikel 2.1 Regeling handel) - de ten laste gelegde vogels in Nederland heeft gebracht. Hieruit volgt dat verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij niet voldoet aan de invoervoorschriften.

De overige eisen die verdachte onder de drie liggende streepjes worden verweten, verwijzen naar eisen die zijn gesteld in EG-verordening 318/2007 bij de invoer in de EU van onder meer beschermde Bijlage B vogels, zoals de vogels uit het zaaksdossier wildvang Bulgarije. Het gaat om de eisen dat de vogels afkomstig moeten zijn van erkende vermeerderings-bedrijven en dat moet zijn voldaan aan de verschillende quarantainevoorschriften.

Aangezien niet is bewezen dat verdachte bemoeienis heeft gehad met de invoer van de vogels in Nederland kan hem ook niet worden verweten dat hij niet heeft voldaan aan de gestelde eisen uit Verordening 318/2007.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 4 ten laste gelegde waar het gaat om de vogels uit het zaakdossier wildvang Bulgarije.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filippijnenzending
De verdediging en de officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde met betrekking tot de Brahmaanse wouwen uit het zaaksdossier dierentuinroute. De rechtbank spreekt verdachte - wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs - vrij van het deel van de tenlastelegging, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte enige handeling met betrekking tot deze Brahmaanse wouwen heeft verricht.

Zaaksdossier 06 – Vijfvogelregeling

Verdachte is onder punt 4.3.5.2. vrijgesproken van de in het zaaksdossier vijfvogelregeling opgenomen zendingen van 1 november 2011 (5 reuzentoerako’s), 6 juni 2012 (5 reuzentoerako’s) en 12 augustus 2012 (5 ross toerako’s), omdat er onvoldoende feiten en omstandigheden in het dossier zijn die wijzen op een betrokkenheid van verdachte bij de organisatie van deze zendingen vogels en de import daarvan vanuit Duitsland naar Nederland. Om die reden wordt verdachte ook vrijgesproken van het verwijt dat verdachte met deze zendingen in strijd heeft gehandeld met de bepalingen in de Gwd.

4.3.6.3 Bewijs feit 4:

Zaaksdossier 04 – Wildvang Portugal

Uit de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair, zoals hiervoor onder punt 4.3.5.3 is opgenomen, blijkt dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander meerdere

st. Helenafazanten, napoleonwevers en muskaatvinken in strijd met artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1, lid 2, tweede gedachtestreepje van de Regeling handel vanuit Portugal in Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft in strijd gehandeld met de invoervoorschriften, door niet te beschikken over de voorgeschreven veterinaire verklaring van het bedrijfshoofd van het bedrijf waar de vogels vandaan kwamen. Uit voornoemde bewijsmiddelen voor feit 3 subsidiair blijkt verder dat het gaat om in het wild gevangen vogels.

Zonder te beschikken over de informatie uit de veterinaire verklaring en de herkomst van de vogels, heeft hij deze vogels tezamen en in vereniging in Nederland en op zijn bedrijf gebracht, samengebracht, verzameld en onder zich gehad, terwijl er ook andere vogels op zijn bedrijf aanwezig waren.

Dat verdachte over een quarantaineruimte beschikt en dat hij de vogels hier eerst in zou hebben ondergebracht kan aan het voorgaande niet afdoen.

Verdachte heeft door dit handelen het risico genomen op het gebied van de besmetting met en verspreiding van vogelziekten, zoals genoemd in artikel 7 van de Regeling preventie. Dit terwijl verdachte als zeer ervaren vogelhandelaar, met een eigen quarantaineruimte, op de hoogte is van deze risico’s.

Wettig en overtuigend is dan ook bewezen dat verdachte wist dat door zijn handelen, tezamen en in vereniging, een besmetting met dan wel de verspreiding van besmettelijke dierziekten kan worden veroorzaakt. Zodoende heeft hij in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 101a Gwd.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Tanzaniazending

Uit de bewezenverklaring van feit 3 primair, zoals hiervoor onder punt 4.3.5.3. besproken, blijkt dat verdachte in strijd met artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, derde gedachtestreepje van de Regeling handel witnekraven en de schildraven in strijd met de invoervoorschriften in Nederland heeft gebracht.

Uit de bewijsmiddelen bij feit 3 blijkt dat de witnekraven en de schildraven vanuit Tanzania, via Nederland in Bulgarije ingevoerd door [dierentuin 1]. Bij feit 3 is reeds overwogen dat de vogels uit het wild afkomstig zijn. Daarmee heeft verdachte in strijd gehandeld met het invoervoorschrift dat de vogels afkomstig moeten zijn van een erkend vermeerderingsbedrijf, hetgeen in strijd is met het invoervoorschrift in artikel 5 onder b bis van verordening 318/2007.

Zonder zich te vergewissen van de vraag of aan al deze voorschriften is voldaan en zonder zich te vergewissen van de herkomst van de vogels heeft verdachte deze vogels in Nederland en op zijn bedrijf gebracht, samengebracht, verzameld en onder zich gehad, terwijl er ook andere vogels aanwezig op zijn bedrijf aanwezig waren. Dat verdachte over een quarantaineruimte beschikt en de vogels hier eerst zou hebben ondergebracht kan aan het voorgaande niet afdoen.

Verdachte heeft door dit handelen het risico genomen op besmetting met en verspreiding van vogelziekten zoals genoemd in artikel 7 van de Regeling preventie. Dit terwijl verdachte als zeer ervaren vogelhandelaar, met een quarantaineruimte, op de hoogte is van deze risico’s.

Wettig en overtuigend is dan ook bewezen dat verdachte wist dat door zijn handelen besmetting met dan wel verspreiding van dierziekten kan worden veroorzaakt en zodoende in strijd heeft gehandeld met artikel 101a Gwd.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de witnekraven en schildraven (Tanzaniazending). De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Zaaksdossier 03 – Dierentuinroute – Filipijnenzending

Uit de bewezenverklaring van feit 3 primair, zoals hiervoor onder punt 4.3.5.3. besproken, blijkt dat verdachte in strijd met artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, derde gedachtestreepje van de Regeling handel vijf panay of luzon neushoornvogels, twee rosse neushoornvogels, twee Filipijnse dwergvalken, één bonte kiekendief en twee kuifhaviken in Nederland heeft gebracht.

De vogels zijn vanuit de Filippijnen de EU binnengebracht in Nederland, naar Bulgarije vervoerd en via andere EU-landen weer Nederland ingevoerd.

Zoals vermeld in de bewijsoverweging bij feit 3 primair is voor de Filippijnse dwergvalken en de kuifhaviken niet de voorgeschreven quarantaine periode van 30 dagen (artikel 11, eerste lid, verordening 318/2007) nageleefd.

Alle neushoornvogels en de bonte kiekendief waren niet voorzien van naadloos gesloten pootringen. De rechtbank leidt hieruit af dat deze vogels niet afkomstig zijn van een erkend vermeerderingsbedrijf hetgeen in strijd is met het invoervoorschrift in artikel 5 onder b bis van verordening 318/2007.

Zonder zich te vergewissen van de vraag of aan al deze voorschriften is voldaan en zonder zich te vergewissen van de herkomst van de vogels heeft verdachte de vogels op zijn bedrijf gebracht, samengebracht, verzameld, verkocht, verhandeld, overgedragen en onder zich gehad terwijl er ook andere vogels op zijn bedrijf waren. Dat verdachte over een quarantaineruimte beschikt en de vogels hier eerst zou hebben ondergebracht kan aan het voorgaande niet afdoen.

Verdachte heeft door dit handelen het risico genomen op besmetting met en verspreiding van vogelziekten zoals genoemd in artikel 7 van de Regeling preventie. Dit terwijl verdachte als zeer ervaren vogelhandelaar, met een quarantaineruimte, op de hoogte is van deze risico’s.

Wettig en overtuigend is dan ook bewezen dat verdachte wist dat door zijn opzettelijk handelen besmetting met dan wel verspreiding van dierziekten kan worden veroorzaakt en zodoende in strijd heeft gehandeld met artikel 101a Gwd.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot de vogels uit de Filippijnenzending. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Zaaksdossier 06 – Vijfvogelregeling

Uit hetgeen is bewezen is verklaard onder feit 3 (vijfvogelregeling), zoals hiervoor onder punt 4.3.5.3. besproken, volgt dat verdachte (samen met andere(n)) in strijd met de in artikel 2.1. lid 2, tweede gedachtestreepje, van de Regeling handel omschreven verbodsbepaling vogels Nederland heeft binnengebracht, althans heeft doen brengen en dat verdachte hierdoor op grond van het bepaalde in de artikelen 2 en 6 Wed strafbaar heeft gehandeld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte als gevolg van zijn actieve betrokkenheid bij deze zendingen vogels ook in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 101a Gwd. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.

De strenge regels voor de invoer van vogels van buiten de Europese Unie naar een land binnen die Unie zijn ingegeven door de wens om vogelziektes, afkomstig van (in het wild gevangen) vogels, en daarmee verband houdende risico’s voor diergezondheid en verspreiding van virusziekten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit uitgangspunt is uitgebreid toegelicht bij de omschrijving van het (algemeen) juridisch kader bij de bespreking van feit 3. Verdachte heeft vogels, waarvan voor een groot deel vast staat dat die in het wild zijn gevangen, voor commerciële doeleinden binnen het grondgebied van de Europese Unie gebracht, terwijl die vogels niet van erkende vermeerderingsbedrijven afkomstig zijn noch in gevangenschap zijn gefokt, althans waarvan dit geenszins vaststaat. Juist de eis dat vogels bij import/verhandeling van erkende vermeerderingsbedrijven afkomstig en in gevangenschap gefokt moeten zijn, wordt gesteld ter voorkoming van de hiervoor omschreven risico’s. Door in weerwil van deze strenge regels uit verordening 318/2007 te handelen en daarbij op een oneigenlijke wijze gebruik te maken van de vijfvogelregeling, heeft verdachte reeds bewust en opzettelijk het risico op besmetting met dan wel verspreiding van dierziekten genomen en heeft hij strafbaar gehandeld in de zin van artikel 101a Gwd. Dat verdachte over een quarantaineruimte beschikt en de vogels hier eerst zou hebben ondergebracht, doet hieraan niet af.

Dit strafbaar handelen is telkens in vereniging gepleegd, omdat verdachte de zendingen vogels ook steeds samen met (een) andere(n) de Europese Unie, waaronder Nederland, heeft binnengebracht.

4.3.7 FEIT 5

4.3.7.1 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 5

Bewijs geslachtsbepalingsdocumenten

Onder verdachte zijn op 12 november 2012 29 geslachtsbepalingsdocumenten aangetroffen. Op deze geslachtsbepalingsdocumenten stond een handtekening van ‘dr. [Aq]., dierenarts’. Verder waren de geslachtsbepalingsdocumenten helemaal niet dan wel voor een deel ingevuld.264

Door een falsificatenexpert is technisch onderzoek uitgevoerd aan deze 29 geslachtsbepalings-documenten. De falsificatenexpert heeft geconcludeerd dat de 29 geslachtsbepalingsdocumenten vermoedelijk vals zijn.265

Verdachte heeft verklaard dat hij van dierenarts [Aq] een geslachtsbepalingsdocument had gekregen. Hij is toen zelf gaan kijken hoe dat document in elkaar zat en hoe het nagemaakt kon worden. Hij heeft vervolgens meerdere geslachtsbepalingsdocumenten nagemaakt met een geprinte handtekening van dierenarts [Aq].266

Bewijsoverwegingen geslachtsbepalingsdocumenten
De verdediging heeft bepleit dat verdachte niet het oogmerk had de geslachtbepalingsdocumenten als echt en onvervalst te gebruiken. Gelet op voormelde verklaring van verdachte ter zitting en het feit dat verdachte een dierenhandelaar is die ten behoeve van zijn handel regelmatig geslachtsbepalingen laat uitvoeren, acht de rechtbank dit verweer niet aannemelijk. Bovendien is niet te begrijpen waarom verdachte 29 geslachtsbepalingsdocumenten zou vervalsen, zonder dat hij daar iets mee wenste te doen. De rechtbank verwerpt het verweer.

De overige door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 29 geslachtsbepalingsdocumenten, zijnde geschriften bestemd om tot enig bewijs te dienen, heeft vervalst met het oogmerk ze als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze geslachtsbepalingsdocumenten. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijs Leveranciersverklaringen van Oorsprong

De Kamer van Koophandel te Den Haag heeft in de periode van 22 juni 2012 tot en met 1 november 2012 15 Certificaten van Oorsprong (verder: CvO’s) opgesteld voor het bedrijf [bedrijf 1] te [vestigingsplaats].267

Een CvO is een door de Kamer van Koophandel afgegeven document dat de oorsprong van een product aangeeft. Een CvO bewijst in welk land een product gemaakt is.268


Een Leveranciersverklaring van Oorsprong (verder: LvO) kan als bewijsstuk gebruikt worden om bij de Kamer van Koophandel een CvO te krijgen. Op een LvO geeft de leverancier van een product aan in welk land het betreffende product is gemaakt.269

Verdachte heeft in de periode van 21 juni 2012 tot en met 1 november 2012 15 LvO’s ondertekend en als bewijsstuk voor het verkrijgen van een CvO aan de Kamer van Koophandel te Den Haag verstrekt.270 Op deze 15 LvO’s isvermeld dat de betreffende dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en dat ze in eigen beheer zijn gefokt bij het bedrijf [bedrijf 1] aan de [adres] te [vestigingsplaats].271

[Ar] heeft op 12 november 2012 verklaard dat hij eigenaar is van het erf en de schuren aan de [adres] te [vestigingsplaats]. Hij heeft een van deze schuren in het verleden verhuurd aan [verdachte] van het bedrijf [bedrijf 1]. De huur liep tot januari of februari van dit jaar (de rechtbank begrijpt: 2012). Toen is [verdachte] eruit gegaan omdat [Ar] de schuur zelf nodig had.272

Bewijsoverwegingen Leveranciersverklaringen van Oorsprong

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat verdachte in de periode van 21 juni 2012 tot en met 1 november 2012 15 LvO’s aan de Kamer van Koophandel te Den Haag heeft verstrekt met het doel Cvo’s te verkrijgen. Op de door verdachte ondertekende en aan de Kamer van Koophandel verstrekte LvO’s stond vermeld dat de betreffende dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en in eigen beheer zijn gefokt op het adres [adres] in [vestigingsplaats], terwijl het bedrijf [bedrijf 1] van verdachte op het moment van tekenen en verstrekken al een aantal maanden niet meer op dat adres was gevestigd.

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 15 Leveranciersverklaringen van Oorsprong, zijnde geschriften bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk ze als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze Leveranciersverklaringen van Oorsprong.

De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijs en bewijsoverwegingen factuur amoerpanters

Uit de bewijsmiddelen voor feit 1 – zoals hiervoor onder punt 4.3.3.3 is besproken – volgt dat verdachte voor € 7.140,- drie amoerpanters heeft gekocht. Deze amoerpanters heeft [E] aan verdachte aangeboden en ze zijn oorspronkelijk afkomstig uit het [park] in Duitsland. De amoerpanters zijn vervolgens door verdachte per vliegtuig naar Dubai verzonden. [medeverdachte 1] en verdachte hebben telefonisch gesproken over de opbrengsten van de amoerpanters. [medeverdachte 1] zegt in een telefoongesprek van 2 september 2011 tegen verdachte dat hij €32.000,- voor de amoerpanters heeft gevraagd.

Op een factuur met nummer 24212A en gedateerd 20 april 2012 is opgenomen dat 3 Amur Leopard / panthera pardus door [park] in Duitsland aan [bedrijf 7] in Dubai zijn verkocht voor een bedrag van € 5.000,-.273

Verdachte heeft verklaard dat hij de factuur met nummer 24212A heeft opgemaakt.274

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat de gegevens die verdachte op de factuur met nummer 24212A heeft gezet, niet kloppen met de werkelijkheid. De drie amoerpanters zijn namelijk niet door het [park] aan het [bedrijf 7] in Dubai verkocht, maar door verdachte respectievelijk [medeverdachte 1]. Ook is er een groot verschil tussen het bedrag dat op de factuur van de amoerpanters staat vermeld (€ 5.000,-) en het bedrag aan opbrengsten van de amoerpanters dat door verdachte en [medeverdachte 1] wordt genoemd (€32.000,-).

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur met nummer 24212A, zijnde een geschrift bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die factuur als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze factuur. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijs en bewijsoverwegingen factuur lemur catta’s

Uit de bewijsmiddelen voor feit 1 – zoals hiervoor onder punt 4.3.3.3 is besproken – volgt dat verdachte voor € 500,- vijf lemur catta’s heeft gekocht van [E]. Deze lemur catta’s waren oorspronkelijk afkomstig van [dierentuin 2] in Duitsland en zijn uiteindelijk door verdachte per vliegtuig naar Dubai verzonden.

Op een factuur met nummer 171212A en gedateerd 17 januari 2012 is opgenomen dat vijf lemur catta’s door [dierentuin 2] aan het [bedrijf 6] in Dubai zijn verkocht voor een bedrag van € 3.500,-.275

Verdachte heeft verklaard dat hij de factuur met nummer 171212A heeft opgemaakt.276

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat de gegevens die verdachte op de factuur met nummer 171212A heeft gezet, niet kloppen met de werkelijkheid. De vijf lemur catta’s zijn namelijk niet door het [dierentuin 2] aan het [bedrijf 6] in Dubai verkocht, maar door verdachte respectievelijk [medeverdachte 1].

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur met nummer 171212A, zijnde een geschrift bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die factuur als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze factuur. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.


Bewijs en bewijsoverwegingen factuur liger

Uit de bewijsmiddelen voor feit 1 – zoals hiervoor onder punt 4.3.3.3 is besproken – volgt dat verdachte voor € 10.000,- een liger heeft gekocht van [H]. Deze liger is vervolgens door verdachte per vliegtuig naar Dubai verzonden. [medeverdachte 1] en verdachte hebben telefonisch gesproken over de opbrengsten van de liger. [medeverdachte 1] zegt in een telefoongesprek van 30 november 2011 tegen verdachte dat hij de liger voor € 40.000,- heeft aangeboden. In een telefoongesprek van 12 maart 2012 zegt [medeverdachte 1] tegen verdachte dat hij € 62.000,- voor de liger gaat aannemen. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij € 27.666,- voor de liger van [medeverdachte 1] heeft gekregen.

Op een factuur met nummer 143212A en gedateerd 14 maart 2012 is opgenomen dat de liger door [As] aan het [bedrijf 7] in Dubai is verkocht voor een bedrag van € 6.000,-.277

Verdachte heeft verklaard dat hij de factuur met nummer 143212A heeft opgemaakt.278

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat de gegevens die verdachte op de factuur met nummer 143212A heeft gezet, niet kloppen met de werkelijkheid. De liger is namelijk niet door het [As] aan het [bedrijf 7] in Dubai verkocht, maar door verdachte respectievelijk [medeverdachte 1]. Ook is er een groot verschil tussen het bedrag dat op de factuur van de liger staat vermeld (€ 6.000,-) en de bedragen aan opbrengsten van de liger die door verdachte en [medeverdachte 1] worden genoemd (€ 27.666,-, €40.000,- en €62.000,).

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur met nummer 143212A, zijnde een geschrift bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die factuur als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze factuur. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijs en bewijsoverwegingen factuur panthera tigris x panthera leo

Uit de bewijsmiddelen voor feit 1 – zoals hiervoor onder punt 4.3.3.3 is besproken – volgt dat verdachte voor € 16.000,- twee stuks panthera tigris x panthera leo heeft gekocht. Deze panthera tigris x panthera leo’s heeft [H] aan verdachte aangeboden en ze zijn oorspronkelijk afkomstig uit Tsjechië. De panthera tigris x panthera leo’s zijn vervolgens door verdachte per vliegtuig naar Dubai verzonden. [medeverdachte 1] en verdachte hebben telefonisch gesproken over de opbrengsten van de twee panthera tigris x panthera leo’s die zij ligers noemen. [medeverdachte 1] zegt in een telefoongesprek van 19 april 2012 tegen verdachte dat ze voor de eerste liger gegarandeerd een ton krijgen. Als het een beetje meezit krijgen ze dat voor de tweede liger ook.

Op een factuur met nummer 112012A en gedateerd 1 oktober 2012 is opgenomen dat 2 stuks panthera tigris x panthera leo door [As] aan [At] zijn verkocht voor een bedrag van € 15.000,-.279

Verdachte heeft verklaard dat hij de factuur met nummer 112012A heeft opgemaakt.280

Uit voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt dat de gegevens die verdachte op de factuur met nummer 112012A heeft gezet, niet kloppen met de werkelijkheid. De twee panthera tigris x panthera leo’s zijn namelijk niet door het [As] aan [At] verkocht, maar door verdachte respectievelijk [medeverdachte 1]. Ook is er een groot verschil tussen het bedrag dat op de factuur van de panthera tigris x panthera leo’s staat vermeld (€ 15.000,-) en de bedragen aan opbrengsten van de panthera tigris x panthera leo’s die door verdachte en [medeverdachte 1] worden genoemd (twee keer een ton).

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de factuur met nummer 112012A, zijnde een geschrift bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die factuur als echt en onvervalst te gebruiken.

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier voor het ten laste gelegde medeplegen met betrekking tot deze factuur. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewijs factuur voedseldieren

Bij een doorzoeking in het pand van het bedrijf van verdachte, [bedrijf 2],281 zijn op 12 november 2012 elf facturen aangetroffen die zien op de levering van voedseldieren.

Deze facturen van [bedrijf 2] zijn gericht aan [bedrijf 3] B.V. en hebben als factuurdata 11 oktober 2011 en 30 december 2012.282

Dezelfde facturen zijn op 12 november 2012 ook bij een doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 3] B.V. aangetroffen.283

Verdachte heeft verklaard dat hij deze facturen heeft opgemaakt omdat [Q] van [bedrijf 3] B.V. hem dat had gevraagd.284

Bij de doorzoeking in het bedrijfspand van [bedrijf 2] zijn op 12 november 2012 ook handgeschreven documenten aangetroffen met daarop vogelnamen, bijbehorende geldbedragen en berekeningen.285

De bij de vogels behorende geldbedragen die op deze handgeschreven documenten bij elkaar worden opgeteld komen exact overeen met de geldbedragen die op de facturen van [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] B.V. zijn vermeld voor de levering van voedseldieren.286

Bewijsoverwegingen factuur voedseldieren

Standpunt verdediging

De verdediging bepleit dat er door verdachte voedseldieren aan [bedrijf 3] B.V. zijn geleverd en er dus geen sprake is van valse facturen die in feite over de levering van vogels zouden gaan. Verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, aldus de verdediging.

Standpunt openbaar ministerie

Door de officieren van justitie is ter zitting het standpunt ingenomen dat niet relevant is of verdachte daadwerkelijk voedseldieren aan [bedrijf 3] B.V. heeft geleverd. Uit bijlage 854 van het dossier blijkt namelijk al dat de betalingen op de facturen niet zien op voedseldieren, maar op de vogels die zijn opgenomen op de onder verdachte aangetroffen handgeschreven documenten. Verdachte heeft dan ook valse facturen opgemaakt, aldus de officieren van justitie.

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Door verdachte is – behalve de enkele stelling dat er voedseldieren aan [bedrijf 3] B.V. zijn geleverd en ondanks de berekeningen van de officieren van justitie gebaseerd op het dossier – geen aanknopingspunt gegeven waaruit blijkt dat de geldbedragen op de ten laste gelegde facturen zien op leveringen van voedseldieren aan [bedrijf 3] B.V. en niet op vogels.

Verder zijn er geen inkoopfacturen onder verdachte aangetroffen waaruit blijkt dat hij deze voedseldieren, zoals hij zelf zegt, op de markt in Barneveld heeft gekocht, noch andere documenten die op de handel (in- en verkoop) van voedseldieren zien. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat de bedragen op de facturen niet op vogels maar op voedseldieren zien dan ook onaannemelijk en verwerpt het verweer van de verdediging.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 11 facturen, zijnde geschriften bestemd om tot enig bewijs te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk die facturen als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [Q]. De rechtbank acht daarom het ten laste gelegde medeplegen van voornoemde handelingen wettig en overtuigend bewezen.

4.3.8 FEIT 6

4.3.8.1 Bewijs en bewijsoverweging

Gelet op de onder punt 4.3.5.3 opgenomen bewijsmiddelen die zien op het zaaksdossier vijfvogelregeling, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van valse Europees Gemeenschappelijke Veterinaire Documenten van binnenkomst, omdat daarop in strijd met de waarheid is ingevuld dat de zending gezelschapsdieren betrof.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de drie liggende gedachtestreepjes uit de tenlastelegging die zien op het opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid vermelden van de namen en bijbehorende adressen op de Europees Gemeenschappelijke Veterinaire Documenten van binnenkomst, omdat niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat deze naam- en adresgegevens door of namens verdachte, althans door toedoen van verdachte en/of zijn medeverdachte(n), zijn ingevuld op die documenten.

4.3.8.2 Ontslag van alle rechtsvervolging

In artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld het opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik.

Nu het bewezenverklaarde feit 6, overeenkomstig de tenlastelegging, niet omvat dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het door hem gebruikte geschrift bestemd was te worden gebruikt als ware het echt en onvervalst, levert die bewezenverklaring niet het in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feit op.


Aangezien dat bewezen verklaarde feit evenmin krachtens enige andere wettelijke bepaling strafbaar is, ontslaat de rechtbank verdachte van alle rechtsvervolging voor feit 6.

4.3.9 FEIT 7

4.3.9.1 Juridisch kader feit 7

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen.

Voor een criminele organisatie moet sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen. Voor de deelneming is van belang dat verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie, dan wel dat hij die gedragingen ondersteunt (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5132). Deelneming impliceert opzet, dat wil zeggen dat een verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. (HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651).

Voor de bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is niet vereist dat verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR: 2011:BO9814).

4.3.9.2 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 7

De criminele organisatie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat er door de ten laste gelegde handelingen geen gevaar voor de samenleving is ontstaan, waardoor geen sprake kan zijn van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging moet worden verworpen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat gedurende de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 diverse beschermde en niet beschermde diersoorten over de hele wereld zijn verhandeld. Daarbij is gehandeld in strijd met de toepasselijke wet- en regelgeving (artikelen 13 Ffw en 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2 Regeling handel).

Een voorbeeld hiervan is het veelvuldig commercieel invoeren en verhandelen van vogels onder het mom van de zogeheten vijfvogelregeling, terwijl die uitzonderingsbepaling alleen bestemd is voor het invoeren van gezelschapsdieren (zaaksdossier vijfvogelregeling).

Andere voorbeelden van het handelen in strijd met de toepasselijke wet- en regelgeving in voornoemde periode zijn:

- het invoeren en verhandelen van vogels die alleen zijn bestemd voor een dierentuin, maar in plaats daarvan aan andere bedrijven en particulieren zijn doorverkocht (zaaksdossier dierentuinroute);

- het invoeren en verhandelen van vogels die uit het wild afkomstig zijn (zaaksdossier wildvang Portugal), en

- het invoeren, verhandelen en voorhanden hebben van beschermde diersoorten, waaronder vogels, katachtigen en primaten (zaaksdossier oneigenlijk bezit).

Daarbij werd telkens de verplichte administratie niet of niet goed bijgehouden (overtreding artikel 81 Ffw) en zijn diverse facturen en andere geschriften vals opgemaakt of vervalst (overtreding artikel 225 Wetboek van Strafrecht). Bovendien zijn door voornoemde criminele handelingen risico’s ontstaan op het gebied van de besmetting met en verspreiding van besmettelijke dierziekten (overtreding artikel 101a Gwd).

Uit het voorgaande blijkt dat wel degelijk gevaar voor de samenleving is ontstaan. Doordat de toepasselijke wet- en regelgeving niet werd nageleefd is immers gevaar voor de gezondheid van zowel mens als dier ontstaan. Ook is de regelgeving op het gebied van de bescherming van (in het wild levende) diersoorten tegen overmatige exploitatie als gevolg van de internationale handel met voeten getreden.

Deelnemers aan de criminele organisatie

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat er – behalve in het zaaksdossier vijfvogelregeling – geen samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] kan worden bewezen. Hierdoor is geen sprake van een duurzame en gestructureerde organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht.

Bovendien kan het opzet van verdachte op zijn deelneming aan de criminele organisatie niet worden bewezen. De wetenschap van verdachte was namelijk niet gericht op het plegen van misdrijven, maar op het handelen in dieren.

Standpunt openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle verweren van de verdediging dienen te worden verworpen.

Oordeel rechtbank

Met betrekking tot de deelneming van verschillende (rechts)personen aan de criminele organisatie stelt de rechtbank het volgende vast.

Verdachte en [medeverdachte 1] belden in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 veel met elkaar over de wereldwijde handel in beschermde en niet-beschermde diersoorten. Verdachte en [medeverdachte 1] spraken daarbij over het vinden van klanten voor de dieren, de te vragen prijzen, de bijbehorende opbrengsten en het verdelen van de winst. Ook spraken ze over de wijze waarop de dieren moesten worden vervoerd en over het (laten) opmaken van de benodigde documenten voor de in- en uitvoer van de dieren. Verdachte handelde daarbij vanuit Nederland, al dan niet uit naam van zijn bedrijven [bedrijf 2] respectievelijk [bedrijf 1]. [medeverdachte 1] handelde vanuit Dubai. Verder is gebleken dat verdachte en [medeverdachte 1] – voor het organiseren van die dierenhandel – gebruik hebben gemaakt van een aantal andere personen.

Zaaksdossier vijfvogelregeling

Zo werd [medeverdachte 3] ingeschakeld voor de aanvoer van vogels uit het wild in Oeganda. [medeverdachte 3] ving deze vogels, althans hij liet ze vangen, hij vulde de benodigde papieren in voor het verzenden van de vogels en hij maakte een berekening waaruit de te verdelen winst van de betreffende vogelzendingen blijkt. Bij een aantal zendingen vloog [medeverdachte 3] zelf als begeleider met de vogels mee van Oeganda naar Frankfurt, als ware het gezelschapsdieren.

Naast [medeverdachte 3] werden door verdachte en [medeverdachte 1] ook andere begeleiders ingeschakeld om de vijfvogelzendingen vanuit Oeganda en Dubai te kunnen realiseren. Dit zijn onder meer een werknemer van verdachte en zakelijke contacten van verdachte en [medeverdachte 1] geweest. Deze personen hebben hiervoor een vergoeding gekregen, bijvoorbeeld in de vorm van het betalen van de vluchten en het verblijf bij [medeverdachte 1] in Dubai.

Nadat de vogels elders in Europa waren aangekomen werden ze direct naar Nederland gebracht door voormelde begeleiders of door werknemers van verdachte die de vogels op kwamen halen. Verdachte verkocht de vogels vervolgens door aan diverse afnemers. Voormelde handelingen leveren een overtreding op in de zin van artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2 van de Regeling handel.

Zaaksdossier dierentuinroute

Uit het zaaksdossier dierentuinroute is gebleken dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de dierentuinvrijstelling om het verbod op het brengen van vogels in Nederland te omzeilen. Dit gebruik was echter onrechtmatig, aangezien de vogels in werkelijkheid niet bestemd waren voor een dierentuin, maar door verdachte in de handel zijn gebracht en aan meerdere (rechts)personen zijn doorverkocht. Dit levert overtredingen op in de zin van artikel 13 Ffw en artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2 van de Regeling handel.

Zaaksdossier wildvang Portugal

Uit het zaaksdossier wildvang Portugal is gebleken dat verdachte met [Aa] een grote hoeveelheid vogels in Nederland heeft gebracht. Deze vogels waren in Portugal in het wild gevangen. Het betreft een overtreding van de verbodsbepaling uit artikel 10 Gwd in samenhang met artikel 2.1 lid 2 van de Regeling handel.

Zaaksdossier oneigenlijk bezit

Zoals gezegd belden verdachte en [medeverdachte 1] veel met elkaar over de wereldwijde handel in beschermde diersoorten. Ze spraken daarbij over het verhandelen van en de prijzen voor katachtigen en primaten, zoals amoerpanters, tigons/lijgers en ringstaartmaki’s. Uit het zaaksdossier oneigenlijk bezit is gebleken dat verdachte degene was die zorgde voor de aanvoer van deze dieren. [medeverdachte 1] regelde vervolgens de afnemers in Dubai. De winst werd onderling verdeeld. Dit handelen heeft in strijd met de verboden uit artikel 13 Ffw plaatsgevonden.

Andere overtredingen/misdrijven

Van de hiervoor besproken criminele dierenhandel werd door verdachte niet dan wel niet op een juiste manier een administratie bijgehouden. Zo maakte hij geen melding van bepaalde dieren die hij had gekocht en weer heeft doorverkocht. Daarnaast bewaarde hij niet alle schriftelijke stukken die betrekking hadden op dit kopen en doorverkopen. Dit levert een overtreding van artikel 81 Ffw op.

Ook werden er facturen en andere geschriften zoals geslachtsbepalingsdocumenten en Leveranciersverklaringen van Oorsprong door verdachte vals opgemaakt dan wel vervalst. Het betreft overtredingen van artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht aannemelijk dat met het niet of niet goed bijhouden van de administratie en het plegen van valsheid in geschrift door verdachte is geprobeerd de criminele dierenhandel te verhullen.

Tot slot zijn door voornoemde handelingen risico’s ontstaan op het gebied van de besmetting met en verspreiding van besmettelijke dierziekten. Hierdoor is gevaar ontstaan voor zowel de gezondheid van mens als dier (overtreding artikel 101a Gwd).

Bewezenverklaring deelneming verdachte aan de criminele organisatie

Uit het voorgaande blijkt dat wel degelijk sprake is geweest van een organisatie die zich gedurende een periode van bijna twee jaar op grote schaal en structureel heeft beziggehouden met de illegale handel in dieren.

Daarnaast blijkt uit het voorgaande dat verdachte een wezenlijk aandeel heeft gehad in die criminele organisatie (zaaksdossiers vijfvogelregeling, dierentuinroute, wildvang Portugal, oneigenlijk bezit en de overtredingen van de artikelen 81 Ffw en 225 Wetboek van Strafrecht) en dat hij – gelet op de hoeveelheid dierenzendingen en de daarover door hem gevoerde telefoongesprekken – wist dat de organisatie zich daarmee bezighield. Daarmee kan zijn opzet op deelneming aan de criminele organisatie worden bewezen.

Naast verdachte hebben [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en andere natuurlijke personen en rechtspersonen in de verschillende zaaksdossiers deel uitgemaakt van die organisatie.

Met name gelet op de inhoud van de afgetapte telefoongesprekken ziet de rechtbank zakenpartners verdachte en [medeverdachte 1] samen als de ‘spin in het web’ van de criminele dierenhandel die in de zaaksdossiers vijfvogelregeling en oneigenlijk bezit naar voren is gekomen.

De rechtbank verwerpt dan ook alle verweren van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 opzet heeft gehad op zijn deelneming aan het gestructureerde en duurzame criminele samenwerkingsverband tussen verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en andere natuurlijke personen en rechtspersonen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het onder 7 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

4.3.10 FEIT 8

4.3.10.1 Juridisch kader feit 8

36 Gwd
In artikel 36 lid 1 Gwd is het verbod opgenomen om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

37 Gwd
In artikel 37 Gwd is bepaald dat het de houder van een dier verboden is aan dat dier de nodige verzorging te onthouden.

Strafbaarstelling artikelen 36 en 37 Gwd

Artikel 121 lid 1 Gwd bepaalt dat overtreding van de artikelen 36 lid 1 Gwd en 37 Gwd een misdrijf is.

4.3.10.2 Vrijspraken feit 8

Algemene vrijspraakoverweging

De rechtbank spreekt verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrij van het onder 8A en 8B ten laste gelegde medeplegen.

Vrijspraak roodhalsganzen en eend

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake kan zijn van dierenkwelling in de zin van het onder 8A en 8B ten laste gelegde, omdat de roodhalsganzen en de eend klaar stonden voor de export. Dat was de reden dat ze niet beschikten over een met water gevulde zwemwaterbak, aldus de verdediging.

De verklaring van de verdediging voor het niet beschikken over een met water gevulde zwemwaterbak acht de rechtbank niet onaannemelijk. Onder die omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte onder 8A en 8B is ten laste gelegd met betrekking tot de roodhalsganzen en de eend. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Gedeeltelijke vrijspraak agapornissen

De rechtbank ziet onvoldoende wettig bewijs in het dossier om tot een veroordeling te komen voor het onder 8A ten laste gelegde met betrekking tot de agapornissen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Vrijspraak eekhoorns

Het enkele feit dat een of meer eekhoorn(s) in een zeer slechte conditie verkeert/verkeren, mager is/zijn of een ontsteking aan het oog heeft/hebben, brengt niet zonder meer met zich mee dat die omstandigheden tot dierenkwelling in de zin van artikelen 36 lid 1 Gwd leiden. De rechtbank spreekt verdachte wegens een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrij van het onder 8A ten laste gelegde met betrekking tot de eekhoorns.

Vrijspraak woestijnvossen

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake kan zijn van dierenkwelling in de zin van het onder 8A en 8B ten laste gelegde, omdat het kleine hok van de woestijnvossen een redelijk doel diende en ze niet de nodige verzorging is onthouden. Door een kleiner hok zitten de woestijnvossen dicht op het eten, voelen ze zich veilig binnen de roedel, vormen ze makkelijk een groep en zijn ze gemakkelijker te monitoren, aldus de verdediging.

De verklaring van de verdediging voor het dicht op elkaar zitten van de woestijnvossen in het hok acht de rechtbank niet onaannemelijk. Onder die omstandigheden kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte onder 8A en 8B is ten laste gelegd met betrekking tot de woestijnvossen. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Vrijspraak overige dieren

De rechtbank ziet onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier om tot een veroordeling van het onder 8A en 8B ten laste gelegde te komen dat ziet op: “vogels in vervuilde hokken; veel dieren en vogels waarvan de voederbakken vervuild en/of leeg waren; veel dieren zonder schoon drinkwater”. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

Gedeeltelijke vrijspraak roof- en prooidieren

De rechtbank ziet onvoldoende wettig bewijs in het dossier om tot een veroordeling te komen voor het onder 8B ten laste gelegde met betrekking tot de roof- en prooidieren. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.

4.3.10.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 8

Bewijs Filipijnse dwergvalken

Op 12 november 2012 zijn op het adres van verdachte, de [adres] te [woonplaats]287, twee Filipijnse dwergvalken, wetenschappelijke naam: microhierax erythrogenys, aangetroffen.288

Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 november 2012 twee Filipijnse dwergvalken onder zich heeft gehad op de zolder van zijn pand aan de [adres] in [woonplaats].289

De bij verdachte aangetroffen Filipijnse dwergvalken zaten in een kleine kunststof bench, zijnde een transportkooi voor dieren. Deze bench was ernstig verontreinigd door uitwerpselen. Het drinkwaterbakje in de bench was ook ernstig verontreinigd. Gelet op de relatief kleine klauwtjes van de Filipijnse dwergvalken had de zitstok, die in de bench aanwezig was, duidelijk een te grote diameter.290

Dierenarts [Au] heeft aan de hand van hem getoonde foto’s291 van de Filipijnse dwergvalken verklaard dat de bench waarin ze zijn aangetroffen een ‘vervoersbench’ is. Gelet op de hoeveelheid uitwerpselen waren ze daar kennelijk langere tijd in gehuisvest. Deze vervoersbench is als zodanig niet geschikt als permanente huisvesting voor deze roofvogels. De Filipijnse dwergvalken hebben in deze vervoersbench te weinig bewegingsruimte. Dat is schadelijk voor deze roofvogels. De stok die in de vervoersbench zit is niet geschikt als zitstok voor deze roofvogels. De diameter van de stok is veel te groot, waardoor de poten van de Filipijnse dwergvalken verkeerd belast worden. Daarnaast is duidelijk te zien dat de vervoersbench onvoldoende is schoongemaakt. Er ligt zowel in de bench als op de grond te veel ontlasting. Het gevolg is bacteriële en schimmelinfecties, die schadelijk voor de gezondheid van de Filipijnse dwergvalken zijn. Het in de drinkbakjes sterk vervuilde drinkwater is schadelijk voor de Filipijnse dwergvalken, omdat daar bacteriën in zitten, die verhoogde kans op maag- darminfecties geven.
Met het op deze wijze houden en verzorgen van de twee Filipijnse dwergvalken is de gezondheid en het welzijn van de Filipijnse dwergvalken ernstig benadeeld. Ook is deze Filipijnse dwergvalken de nodige verzorging onthouden.292

Bewijsoverwegingen Filipijnse dwergvalken

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Uit voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, volgt allereerst dat verdachte het verbod uit artikel 36 Gwd heeft overtreden door zonder redelijk doel en met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, de gezondheid en het welzijn van de Filipijnse dwergvalken te benadelen. Daarnaast heeft verdachte, als houder van de Filipijnse dwergvalken, aan de Filipijnse dwergvalken de nodige verzorging onthouden. Dat is een overtreding van artikel 37 Gwd. De rechtbank acht daarmee zowel het onder 8A als 8B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs waterschildpadjes

Op 12 november 2012 zijn in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]293 honderden waterschildpadden, wetenschappelijke naam: trachemys scripta, aangetroffen.294

Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 november 2012 waterschildpadden onder zich heeft gehad in een loods aan de [adres] in [woonplaats]. Deze waterschildpadden zaten in een kast met schuiflades.295

De onder verdachte aangetroffen waterschildpadden zaten in bakjes. Ze hadden in die bakjes geen plek om droog te gaan liggen behalve door boven op elkaar te gaan liggen. Het water in de bakjes was sterk vervuild met fecaliën.296

Dierenarts [Au] heeft verklaard dat de waterschildpadden boven op elkaar zaten. Ze moeten een plek hebben om op het droge te kunnen komen en die mogelijkheid hadden ze niet.
Door deze wijze van houden wordt de gezondheid en het welzijn van de waterschildpadjes geschaad.297

Bewijsoverwegingen waterschildpadjes

Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is onduidelijk wat de wijze van het meten van de temperatuur van het water is geweest, waar de waterschildpadjes zich in bevonden op het moment van aantreffen. Hierdoor is niet duidelijk wat precies de temperatuur van het water is geweest op het moment dat de waterschildpadjes zijn aangetroffen. Daarnaast kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het water van de waterschildpadjes een zodanig lage temperatuur had, dat daardoor de gezondheid en het welzijn van de waterschildpadjes is benadeeld, respectievelijk dat de waterschildpadjes de nodige verzorging is onthouden. De rechtbank spreekt verdachte vrij van die onderdelen uit de tenlastelegging onder 8A en 8B.

De overige door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt wel bewezen dat verdachte het verbod uit artikel 36 Gwd heeft overtreden door zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, de gezondheid en het welzijn van de waterschildpadjes te benadelen. Daarnaast heeft verdachte, als houder van de waterschildpadjes, aan die waterschildpadjes de nodige verzorging onthouden. Dat is een overtreding van artikel 37 Gwd. De rechtbank acht daarmee zowel het onder 8A als 8B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs agapornissen

Op 12 november 2012 zijn in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]298 honderden agapornissen aangetroffen.299

Verdachte heeft verklaard dat hij op 12 november 2012 agapornissen onder zich heeft gehad in een loods aan de [adres] in [woonplaats]. Deze agapornissen hadden geen zitstokken in hun kooien.300

Dierenarts [Au] heeft over de op 12 november 2012 in de loods aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen agapornissen verklaard dat ze de gelegenheid moeten hebben om te kunnen zitten. Ook was de bevolkingsdichtheid veel te hoog en was er geen schuilmogelijkheid voor de agapornissen. Een schuilmogelijkheid is wel belangrijk en bij een dergelijk klein oppervlakte kan dit niet. Door het op deze wijze houden van agapornissen wordt hen de nodige verzorging onthouden.301

Bewijsoverwegingen agapornissen

De verdediging heeft bepleit dat de agapornissen nog maar kort in een tijdelijke opvang zaten. Ze stonden klaar in zogeheten ‘pre-packing-kooien’ om te worden geëxporteerd. Daarbij is alles in het werk gesteld om het welzijn van de agapornissen zoveel mogelijk te waarborgen. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 8 ten laste gelegde met betrekking tot de agapornissen, aldus de verdediging.

De rechtbank acht het verweer van de verdediging onaannemelijk, gelet op de verklaring van dierenarts [Au] bij de rechter-commissaris op 13 april 2015. [Au] heeft verklaard dat de agapornissen al de hele nacht in de kleine kooien zaten, omdat er niemand in het pand aanwezig was toen ze daar kwamen kijken. Er moest iemand worden gezocht om het pand binnen te kunnen komen. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat de agapornissen pas kort voor het aantreffen in de ‘pre-packing-kooien’ zijn gezet, uitsluitend om vervoerd te worden.

De overige door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, wordt bewezen dat verdachte, het verbod uit artikel 37 Gwd heeft overtreden door als houder van de agapornissen, aan die agapornissen de nodige verzorging te onthouden. De rechtbank acht daarmee het onder 8B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs eekhoorns

Op 12 november 2012 zijn bij een doorzoeking in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] drie rode eekhoorns, wetenschappelijke naam: sciuris vulgaris, aangetroffen.302

Deze eekhoorns verkeerden in een zeer slechte conditie en ze waren heel erg mager.

Eén van de eekhoorns had een ontstoken oog.303

[Av], zijnde een werkneemster van verdachte, heeft verklaard dat er geen gebruik werd gemaakt van een dierenarts bij zieke dieren.304

[L], zijnde een werknemer van [verdachte], heeft ook verklaard dat er geen gebruik werd gemaakt van een dierenarts.305

Bewijsoverwegingen eekhoorns

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat voor verdachte kenbaar is geweest dat de rode eekhoorns die hij onder zich had ziek waren. Uit de gezondheidstoestand van de rode eekhoorns en de verklaringen van de medewerkers van verdachte leidt de rechtbank af dat er geen dierenarts voor de zieke rode eekhoorns is ingeschakeld door verdachte. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, als houder van de rode eekhoorns, aan die eekhoorns de nodige verzorging heeft onthouden. Dat is een overtreding van artikel 37 Gwd.

Bewijs rolstaartbeer

Op 12 november 2012 is in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]306 een rolstaartbeer (de rechtbank begrijpt: potos flavus) aangetroffen.307

Dierenarts [Au] heeft over deze rolstaartbeer verklaard dat hij in een kooi van gaas zat, zonder dat hij kon beschikken over een nachthok. Ook lag er beschimmelde ontlasting in de kooi. Dit is niet acceptabel.308 Als er in die kooi beschimmelde ontlasting zit, dan zit zo’n dier daar volgens [Au] niet voor korte tijd voor het opvangen van ontlasting.309

Bewijsoverwegingen rolstaartbeer

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is bewezen dat verdachte het verbod uit artikel 36 Gwd heeft overtreden door zonder redelijk doel en met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, het welzijn van de rolstaartbeer te benadelen. Daarnaast heeft verdachte, als houder van de rolstaartbeer, aan die rolstaartbeer de nodige verzorging onthouden. Dat is een overtreding van artikel 37 Gwd.

De rechtbank acht daarmee zowel het onder 8A als 8B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewijs roof- en prooidieren

Dierenarts [Au] heeft verklaard dat er op 12 november 2012 bij een doorzoeking in een loods aan de [adres] te [woonplaats] roofdieren en prooidieren naast elkaar waren gehuisvest. Om welzijnsproblemen te voorkomen moet je dat niet doen.310 Ook na jaren van gevangenschap neemt het verschil tussen roof- en prooidieren niet af. Dat betekent dat roof- en prooidieren niet op een afdeling moeten zitten waar ze elkaar kunnen ruiken.311

Verdachte heeft verklaard dat er op 12 november 2012 roof- en prooidieren naast elkaar waren gehuisvest in zijn loods aan de [adres]

Bewijsoverwegingen roof- en prooidieren

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is bewezen dat verdachte het verbod uit artikel 36 Gwd heeft overtreden door zonder redelijk doel en met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, het welzijn van de roof- en prooidieren te benadelen. De rechtbank acht daarmee het onder 8A ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Algemene bewijsoverweging bewezenverklaarde periode feit 8A en 8B

Gelet op de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen acht de rechtbank alleen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op of omstreeks 12 november 2012 heeft schuldig gemaakt aan de onder 8A en 8B bewezenverklaarde handelingen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het overige deel van de ten laste gelegde periode.

4.3.11 FEIT 9

4.3.11.1 Juridisch kader feit 9

De rechtbank verwijst hiervoor naar het juridisch kader zoals dat hiervoor onder punt 4.3.10.1 is opgenomen.

4.3.11.2 Vrijspraak feit 9

Algemene vrijspraakoverweging

De rechtbank spreekt verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrij van het onder 9A en 9B ten laste gelegde medeplegen.

4.3.11.3 Bewijs en bewijsoverwegingen feit 9

Bewijs otters

Op 12 november 2012 zijn in een loods van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]312 drie otters, wetenschappelijke naam: lutra lutra, aangetroffen. Twee van deze otters zaten in een hok van drie bij drie meter bij elkaar. Een van deze otters zat alleen in een hok van één bij één meter. Her en der lagen dode eendagskuikens in de hokken. Er was geen water en schuilmogelijkheid voor de otters in de hokken aanwezig.313

Dierenarts [Au] heeft over de otters verklaard dat er voor hen geen mogelijkheid was om te schuilen. Er was ook geen water aanwezig in de hokken, terwijl de essentiële behoefte van een otter is dat hij water heeft. Het verblijf van de twee otters is niet acceptabel voor een verblijf langer dan een paar dagen. Het verblijf van de otter die alleen was gehuisvest was nog kleiner en erg donker. Ook dat verblijf is niet acceptabel. Verder heeft [Au] verklaard dat het voeren van alleen eendagskuikens aan de otters risicovol is. Otters zijn roofdieren en roofdieren hebben gevarieerd voedsel nodig. Door het voeren van alleen eendagskuikens is de kans op nierstenen op de lange termijn groot.314

Bij de rechter-commissaris heeft [Au] verklaard dat het alleen voeren van kuikens nutritioneel gezien als onvoldoende uitgebalanceerde voeding wordt beschouwd. [Au] denkt dat je met het toevoegen van supplementen, zoals een vitamine- en mineralencomplex, de voeding wel kunt verbeteren, maar het voeren van een variatie is sterk te prefereren boven alleen kuikens. 315

Door deze wijze van houden wordt de gezondheid en het welzijn van de otters volgens [Au] geschaad.316

Verdachte heeft verklaard dat hij de drie otters sinds een aantal maanden voor 12 november 2012 onder zich heeft gehad in zijn loods aan de [adres] in [woonplaats]. Het klopt dat de otters in kleine kooien zaten. Deze kooien waren niet geschikt om ze langere tijd in te laten verblijven.317

[Av] heeft verklaard dat zij bij [verdachte] werkte. Tot eind november 2012 was zij degene die de otters meestal te eten gaf. De otters kregen met name kuikens te eten. Als er toevallig vis te eten was kregen de otters ook wel eens vis of slachtafval, maar meestal kregen ze dus kuikens. Bij zieke dieren werd er geen dierenarts ingeschakeld. Zieke dieren behandelden ze zelf met een antibioticum genaamd Baytril.318

[L] heeft verklaard dat hij sinds het vertrek van [Av] eind november de otters heeft verzorgd met [verdachte]. In het weekend verzorgde [verdachte] de otters. De otters kregen alleen kuikens te eten.319

Op 1 augustus 2013 heeft [L] verklaard dat er van de drie otters nog maar één in leven was. Deze otter was sterk vermagerd en inactief. Hij bewoog zich met zijn achterlichaam enigszins slepend over de grond en er zaten diverse kale plekken op zijn huid. Kennelijk was de otter ziek. Het dier kreeg geen medische behandeling en er was geen dierenarts ingeschakeld.320

[L] heeft verklaard dat de drie otters gezond waren toen ze bij [verdachte] arriveerden. De tweede otter is op 30 juli 2013 doodgegaan. Hij sleepte al een tijd met zijn achterlichaam voordat hij dood ging. Wanneer er dieren ziek zijn komt er geen dierenarts volgens [L]. Hij lost het dan zelf op met antibiotica.321

Dierenartsen [dierenarts 1] en [dierenarts 2] hebben verklaard dat de dode en de levende otters de nodige zorg is onthouden. Ook mag het toedienen van antibiotica niet gebeuren zonder dat een dierenarts de dieren heeft onderzocht.322

Dierenarts [dierenarts 2] heeft ook nog verklaard dat gezien de gezondheidstoestand van de nog levende otter een dierenarts had moeten worden geraadpleegd, zeker gezien het feit dat er al twee otters waren doodgegaan.323

Bewijsoverweging otters

De door de verdediging gevoerde verweren worden weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is bewezen dat verdachte het verbod uit artikel 36 Gwd heeft overtreden door zonder redelijk doel en met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, de gezondheid en het welzijn van de otters te benadelen. Daarnaast heeft verdachte, als houder van de otters, aan die otters de nodige verzorging onthouden. Dat is een overtreding van artikel 37 Gwd.

De rechtbank acht daarmee zowel het onder 9A als 9B ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 12 november 2012,
in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of elders in Europa en/of De Filippijnen en/of De Verenigde Arabische Emiraten,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, opzettelijk, telkens dieren, behorende tot een beschermde inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten:

- drie amoerpanters, panthera pardus orientalis, en/of

- vijf ringstaartmaki's, lemur Catta, en/of

- twee woestijnlynxen, caracal caracal, en/of

- drie tigons dan wel lijgers, panthera tigris x leo, en/of

- vier aalscholvers, phalacroxorax carbo,

heeft gekocht en/of heeft verworven en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

in de loods op [adres]:

- drie rode eekhoorns, sciuris vulgaris, en/of

- één dubbele geelkopamazone, amazone oratrix, en/of

- één tucuman amazone, amazone tucumana, en/of

- één groene specht, picus viridis

en/of

op de zolder van [adres]:

- twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythogenys,

heeft gekocht en/of heeft verworven en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

traject 5-vogelregeling:

- tien papoea beo's, mino dumonti,

heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht;

en/of

traject dierentuinroute:

- tien panay of luzon neushoornvogels, penelopides panini/manillae, en/of

- twee rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, en/of

- meerdere bonte kiekendieven, circus melancoleucos, en/of

- meerdere kuifhaviken, accipiter trivirgatus,

heeft gekocht en/of heeft verworven en/of ten verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten verkoop heeft aangeboden en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin en/of heeft geruild en/of in ruil aangeboden en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 te Woerden, althans in Nederland, telkens een onjuiste en/of een onvolledige registratie als bedoeld

in artikel 2, eerste lid, onder c van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten heeft bijgehouden, immers ontbrak in zijn registratie de vermelding van de levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de Basisverordening 338/97, te weten:

dierentuinroute:

- tien panay of luzon neushoornvogels, penelopides panini/manillae en/of

- twee rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, en/of

- twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythogenys, en/of

- meerdere bonte kiekendieven, circus melancoleucos, en/of

- meerdere kuifhaviken, accipiter trivirgatus,

en/of

werden bij de registratie, bedoeld in artikel 3 eerste lid van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten, terwijl dit van toepassing was niet bewaard alle aantekeningen en bescheiden, waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het ontvangen, verkopen of afleveren van specimens, bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en

plantensoorten, te weten:

dierentuinroute:

- tien panay of luzon neushoornvogels, penelopides panini/manillae, en/of

- twee rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, en/of

- twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythogenys, en/of

- meerdere bonte kiekendieven, circus melancoleucos, en/of

- meerdere kuifhaviken, accipiter trivirgatus.

ten aanzien van feit 3, primair:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of elders in Europa, en/of De Filippijnen en/of Tanzania, telkens dieren in Nederland heeft gebracht, te weten:

traject dierentuinroute:

- tien witnekraven, corvus albicollus, en/of tien schildraven, corvus albus, en/of

- tien panay of luzon neushoornvogels, penelopides panini/manillae, en/of

- twee rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, en/of

- twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythogenys, en/of

- meerdere Bonte kiekendieven, circus melancoleucos, en/of

- meerdere kuifhaviken, accipiter trivirgatus,

welke dieren zijn verzonden vanuit een derde land en via Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is zijn gebracht.

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012,

te Woerden, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Hongarije en/of Portugal en/of elders in Europa, en/of De Filippijnen en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, telkens opzettelijk, vogels in Nederland heeft gebracht, te weten:

traject wildvang Portugal:

- in de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus 2012 meerdere st. Helenafazanten, estrilda astrild, en/of

- in de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012 meerdere napoleonwevers, euplectus afer, en/of

- in de periode van 9 augustus 2012 tot en met 28 september 2012, meerdere muskaatvinken, lonchura punctulata,

en/of

traject 5-vogelregeling:

- omstreeks 7 oktober 2011, zeven geelkopgieren, cathartes burrovianes, en/of

- omstreeks 7 oktober 2011, twee, pompadour cotinga's, xipholena punicea, en/of

- omstreeks 8 mei 2012 tien, reuzen toerako's, corythaeola cristata, en/of

- in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf ross toerako's, musophaga rossea, en/of

- in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf grijswangneushoornvogels, bycanistes subcylindricus, en/of

- in de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari 2011, tien papoea beo's, mino dumonti,

welke vogels zijn verzonden vanuit een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het grondgebied van een lidstaat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn voor Nederland, een lidstaat of een andere staat die partij is bij het EER-Verdrag.

ten aanzien van feit 4:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of Portugal en/of elders in Europa, en/of De Filippijnen en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda en/of Tanzania,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen, telkens al dan niet opzettelijk, als houder van één of meer dier(en), te weten:

traject wildvang Portugal:

- in de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus 2012, meerdere

st. Helenafazanten, estrilda astrild, en/of

- in de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012, meerdere napoleonwevers, euplectus afer, en/of

- in de periode van 9 augustus 2012 tot en 28 september 2012, meerdere muskaatvinken, lonchura punctulata,

en/of

traject 5-vogelregeling:

- omstreeks 7 oktober 2011, zeven geelkopgieren, cathartes burrovianes, en/of

- omstreeks 7 oktober 2011, twee, pompadour cotinga's, xipholena punicea, en/of

- omstreeks 8 mei 2012 tien, reuzen toerako's, corythaeola cristata, en/of

- in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf ross toerako's, musophaga rossea, en/of

- in de periode van 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf grijswangneushoornvogels, bycanistes subcylindricus, en/of

- in de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari 2011, tien papoea beo's, mino dumonti,

en/of

traject dierentuinroute:

- tien witnekraven, corvus albicollus, en/of tien schildraven, corvus albus, en/of

- tien panay of luzon neushoornvogels, penelopides panini/manillae, en/of

- twee rosse neushoornvogels, buceros hydrocorax, en/of

- twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythogenys, en/of

- meerdere Bonte kiekendieven, circus melancoleucos, en/of

- meerdere kuifhaviken, accipiter trivirgatus,

terwijl hij wist dat door zijn handelen of nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel 15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt,

- niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd, en/of

- niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen en/of onder zich gehad, terwijl

- die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderingsbedrijven, en/of

- niet aan de invoervoorschriften en/of de quarantainebepalingen werd voldaan, en/of

- die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening zijn gehouden.

ten aanzien van feit 5:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, en/of alleen,

- 29 geslachtsbepalingsdocumenten (08.AMB.12), en/of

- 15 Leveranciersverklaringen van Oorsprong (08.AMB.18), en/of

- een factuur (nr. 24212A) betreffende 3 amoerpanters (08.AMB.21), en/of

- een factuur (nr. 171212A) betreffende 5 lemur Catta (08.AMB.20), en/of

- een factuur (nr. 143212A) betreffende 1 liger (08.AMB.22), en/of

- een factuur (nr. 112012A) betreffende 2 pantera tigris X panthera leo (08.AMB.23), en/of

- 11 facturen betreffende de levering van voedseldieren (09.AMB.09, bijlage 1192 tot en met 1201 en 1474),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader telkens in strijd met de waarheid:

- op de geslachtsbepalingsdocumenten door het plaatsen van een valse handtekening doen voorkomen alsof dierenarts [Aq] de geslachtsbepalingsdocumenten heeft ondertekend, en/of

- op de Leveranciersverklaringen van Oorsprong opgenomen dat de daarin vermelde dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en in eigen beheer zijn gefokt bij het bedrijf [bedrijf 1] te [vestigingsplaats], en/of

- op factuur nr. 24212A opgenomen dat de 3 amoerpanters door [park] aan [bedrijf 7] zijn verkocht voor een bedrag van 5.000,- EUR, en/of

- op factuur nr. 171212A opgenomen dat de 5 lemur Catta door [dierentuin 2] aan [bedrijf 6] zijn verkocht voor een bedrag van 3.500,- EUR, en/of

- op factuur 143212A opgenomen dat de liger door [As] aan [bedrijf 7] is verkocht voor een bedrag van 6.000,- EUR, en/of

- op factuur 112012A opgenomen dat de 2 pantera tigris X panthera leo door [As] aan [At] zijn verkocht voor een bedrag van 15.000,- EUR, en/of

- op de facturen betreffende de voedseldieren opgenomen dat er voedseldieren aan [bedrijf 3] B.V. zijn geleverd,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

ten aanzien van feit 6:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, en/of Duitsland en/of Hongarije en/of elders in Europa, en/of De Filippijnen en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Documenten van binnenkomst met de nummers CVEDA.DE.2011.0002117-V1 en CVEDA.DE.2011.0002114-V1 en CVEDA.DE.2011.0001111-V, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde Veterinaire Documenten telkens als verplicht begeleidingsdocument bij een zending vogels werden gevoegd en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid:

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst met nummer CVEDA.DE.2011.0002117-V1 was vermeld dat de zending gezelschapsdieren betrof, en/of

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst met nummer CVEDA.DE.2011.0002114-V1 was vermeld dat de zending gezelschapsdieren betrof, en/of

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst met nummer CVEDA.DE.2011.0001111-V1 was vermeld dat de zending gezelschapsdieren betrof.

ten aanzien van feit 7:

in de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012 te Woerden, althans in Nederland, en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Portugal

en/of elders in Europa, en/of De Filippijnen en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of Oeganda en/of Tanzania, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van meer personen bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1], en/of [medeverdachte 3] en/of andere natuurlijke personen en/of rechtspersonen welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk verrichten van handelingen waardoor een besmetting dan wel verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt (101a Gwd), en/of

- het opzettelijk kopen en/of verwerven en/of ten verkoop voorhanden hebben en/of in voorraad hebben en/of verkopen en/of ten verkoop aanbieden en/of vervoeren en/of afleveren en/of gebruiken voor commercieel gewin en/of ruilen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of onder zich hebben van dieren behorende tot (een) beschermde diersoort(en) (13 Ffw), en/of

- het opzettelijk in strijd met de krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten artikel 2.1 lid 2 van de Regeling handel levende dieren en levende producten binnen Nederland brengen van vogels (10 Gwd), en/of

- het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, en/of

- het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als ware het echt en onvervalst als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

ten aanzien van feit 8:

A:

omstreeks 12 november 2012 te Woerden, telkens zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij (een) dier(en) de gezondheid of het welzijn van dat/die dier(en) heeft benadeeld,

immers zaten in een woning aan de [adres] op de zolderkamer twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythrogenys, in een vervoersbench:

- die te klein was en

- die niet geschikt was om de vogels voor langere tijd in te huisvesten, en

- die ernstig verontreinigd was met uitwerpselen, en

- waarin het water in het drinkbakje ernstig verontreinigd was, en

- waarin de aanwezige zitstok een te grote diameter had in relatie tot de omvang van de klauwtjes van de dieren;

en/of

immers verbleven in een loods aan de [adres] honderden waterschildpadden, trachemys scripta in een kast met schuiflades gevuld met water terwijl:

- deze waterschildpadden geen droge plek hadden om op te liggen, behalve door bovenop elkaar te kruipen, en/of

- het water was vervuild met fecaliën;

en/of

een rolstaartbeer, potos flavus, in een gazen kooi

- zonder dat het dier kon beschikken over een nachthok, en

- waarin beschimmelde ontlasting lag;

en/of

waren roofdieren en prooidieren naast elkaar gehuisvest (p.3529)

en/of

B:

omstreeks 12 november 2012 te Woerden, telkens als houder van (een) dier(en) aan dat/die dier(en) de nodige

verzorging heeft onthouden,

immers zaten in een woning aan de [adres] op de zolderkamer twee Filipijnse dwergvalken, microhierax erythrogenys, in een vervoersbench:

- die te klein was en

- die niet geschikt was om de vogels voor langere tijd in te huisvesten, en

- die ernstig verontreinigd was met uitwerpselen, en

- waarin het water in het drinkbakje ernstig verontreinigd was, en

- waarin de aanwezige zitstok een te grote diameter had in relatie tot de omvang van de klauwtjes van de dieren;

en/of

immers verbleven in een loods aan de [adres],

honderden waterschildpadden, trachemys scripta in een kast met schuiflades gevuld met water terwijl:

- deze waterschildpadden geen droge plek hadden om op te liggen, behalve door bovenop elkaar te kruipen, en/of

- het water was vervuild met fecaliën;

en/of

honderden agapornissen in hokken:

- waarin de bevolkingsdichtheid te groot was, en

- waarin geen althans onvoldoende zitmogelijkheden voor die dieren was, en

- waarin geen schuilmogelijkheid was;

en/of

een rolstaartbeer, potos flavus, in een gazen kooi

- zonder dat het dier kon beschikken over een nachthok, en

- waarin beschimmelde ontlasting lag

en/of

drie eekhoorns, sciuris vulgaris,

- die in een zeer slechte conditie waren, en

- die te mager waren, en

- waarvan één eekhoorn een ontsteking aan het oog had.

ten aanzien van feit 9:

A:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 01 augustus 2013 te [woonplaats], zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van

zodanig doel toelaatbaar was, bij (een) dier(en) de gezondheid of het welzijn van dat/die dier(en) heeft benadeeld, immers verbleven in een loods aan de [adres] drie otters, lutra lutra,

- in een te kleine en donkere kooi, en

- zonder schuilmogelijkheden in hun verblijf, en

- zonder een met water gevulde zwemwaterbak, en

- gedurende lange tijd zonder toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer, en

- zonder tijdige consultatie van een dierenarts en adequate medische behandeling, terwijl de otters ziek waren.

en/of

B:

op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 12 november 2012 te [woonplaats], als houder van (een) dier(en) aan dat/die dier(en) de nodige verzorging

heeft onthouden, immers verbleven in een loods aan de [adres] drie otters, lutra lutra,

- in een te kleine en donkere kooi en

- zonder schuilmogelijkheden in hun verblijf en

- zonder een met water gevulde zwemwaterbak en

- gedurende lange tijd zonder toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer, en

- zonder tijdige consultatie van een dierenarts en adequate medische behandeling, terwijl de otters ziek waren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Het onder 6 bewezenverklaarde levert geen strafbaar feit op.

Verdachte moet voor dat feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4, 5, 7, 8 en 9 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81, eerste lid, van de Flora- en faunawet, tweemaal gepleegd.

Ten aanzien van feit 3, primair:

overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd.

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 5:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 7:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Ten aanzien van feit 8:

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan,

en

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 37, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan.

Ten aanzien van feit 9:

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan,

en

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 37, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officieren van justitie vorderen verdachte ter zake van de door hen bewezen geachte misdrijven te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Daarnaast vorderen de officieren van justitie te bepalen dat verdachte voor de door hen bewezen geachte economische delicten wordt veroordeelde voor de volgende bijkomende straffen:

- ontzetting uit de uitoefening van het beroep “dierenhandelaar” voor de duur van een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren;

- gehele ontzetting van de ondernemingen van verdachte, waarin het economische delict is begaan voor de duur van een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.

Het betreft dan de ondernemingen [bedrijf 1] (nummer kamer van koophandel: [nummer]), [bedrijf 8] en [bedrijf 2].

Voor het overtreden van feit 2 vorderen de officieren van justitie een geldboete van
€ 1.000,- subsidiair 20 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt, gelet op de bepleite vrijspraak, aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Voor het geval de rechtbank verdachte niet vrijspreekt van alle ten laste gelegde feiten en de rechtbank van oordeel is dat de door de verdediging gestelde verzuimen niet dienen te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting, verzoekt de verdediging deze verzuimen te verdisconteren in de strafmaat. De verdediging verzoekt voorts bij het bepalen van een eventueel op te leggen straf of maatregel en de hoogte of duur daarvan rekening te houden met de omstandigheden dat:

- verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten, waarvan 30 dagen in beperkingen;

- de naam van verdachte publiekelijk door het slijk is gehaald;

- het bedrijf van verdachte enorme schade heeft opgelopen, afnemers zich van hem hebben afgekeerd en zijn goede relatie met de kamers van koophandel, het ministerie en de Belastingdienst over is;

- verdachte naast deze strafzaak ook nog lang bezig zal zijn met de Belastingdienst tot een oplossing te komen;

- de oplegging van bijkomende straffen zoals een voorwaardelijk beroepsverbod en een voorwaardelijke stillegging niet nodig zijn, omdat verdachte alles al verliest wanneer aan hem een gevangenisstraf zou worden opgelegd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst feiten en omstandigheden waaronder ze zijn begaan

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een lange periode in strijd met wet- en regelgeving gehandeld in beschermde en niet beschermde diersoorten, waaronder katachtigen, primaten en veel vogels. Verdachte heeft onder meer opzettelijk en samen met anderen in een criminele organisatie misbruik gemaakt van een regeling voor het vervoeren van gezelschapsdieren, door allerlei vogels onrechtmatig als gezelschapsdier in te voeren en deze vervolgens te verhandelen. Ook heeft verdachte beschermde en niet beschermde vogelsoorten verhandeld zonder te voldoen aan zijn plicht de legale herkomst van die vogels aan te tonen. Daarbij heeft hij deze vogels niet in de voorgeschreven administratie opgenomen.

Hiermee heeft verdachte samen met anderen afbreuk gedaan aan het doel van de bestaande wet- en regelgeving: het beschermen van diersoorten, waaronder vogels, die met uitsterven of anderszins worden bedreigd. Door de dieren niet in zijn administratie op te nemen en valsheid in geschrift te plegen acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte heeft geprobeerd zijn criminele handelen te verhullen.

Door zijn handelen heeft verdachte bovendien een risico op de besmetting met en de verspreiding van besmettelijke vogelziekten veroorzaakt. Het tegengaan van de besmetting met en verspreiding van besmettelijke vogelziekten lijkt verdachte uitsluitend bezig te houden waar het de gezondheid van de bij hem (tijdelijk voor zijn handel) gehuisveste dieren betreft. Daarbij heeft verdachte ter zitting blijk gegeven van een eigen visie op wet- en regelgeving, waarbij de wereldwijde handel in dieren - met de volgens verdachte juiste papieren - altijd mogelijk is. Handel in uit het wild gevangen vogels is verboden. Het lijkt verdachte niet te interesseren of hij handelt in vogels die in het wild zijn gevangen. Als verdachte kan doen voorkomen dat de vogels niet in het wild gevangen zijn, vindt hij dit voor zijn handel voldoende.

In de criminele organisatie fungeerde verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] als een spin in het web. Zij hadden ieder een uitgebreid netwerk voor de wereldwijde handel in dieren en vulden elkaar daarin aan. Verdachte heeft hierin – gelet op onder meer de afgeluisterde telefoongesprekken – een hoofdrol gespeeld.

Ook heeft verdachte niet goed gezorgd voor een aantal dieren en het welzijn van meerdere dieren geschaad, onder meer door ze te klein of onder verkeerde leefomstandigheden te huisvesten en ze niet het juiste voedsel te geven.

Verdachte heeft bij zijn handelen telkens zijn eigen gewin voorop gesteld en de met de wet- en regelgeving beoogde bescherming van dieren en mensen niet of beperkt nageleefd.

De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Persoon verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 oktober 2014, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor milieudelicten, waaronder overtredingen van artikel 13 van de Ffw. Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Andere omstandigheden waar de rechtbank rekening mee houdt

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de lange duur van het opsporingsonderzoek, de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de impact die de strafzaak - zowel op persoonlijk als bedrijfsmatig vlak - voor verdachte heeft gehad.

Daarnaast heeft de rechtbank onderzocht of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak in eerste aanleg moest zijn behandeld. Als beginpunt van de redelijke termijn heeft te gelden het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank heeft als aanvangsdatum van de redelijke termijn de datum van de inverzekeringstelling van verdachte genomen, te weten 12 november 2012. Het uitgangspunt is dat de behandeling ter terechtzitting van een verdachte, die zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren.

De zaak is voor het eerst op 22 april 2015 inhoudelijk ter zitting behandeld en eerst vandaag, op 11 juni 2015, is onderhavig eindvonnis gewezen. Dit is een termijn van twee jaar en zeven maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is echter sprake van een dermate omvangrijk en ingewikkeld dossier dat dit de termijn waarbinnen de zaak in eerste aanleg is afgedaan rechtvaardigt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de straf te verminderen wegens een overschrijding van de redelijke termijn.


Strafoplegging

De rechtbank acht, alles afwegende, voor de bewezenverklaarde feiten 1, 3 subsidiair, 4, 5, 7, 8 en 9 een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Bij de keuze tot het opleggen van die vrijheidsbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met voornoemde ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte.

De rechtbank legt daarnaast aan verdachte een voorwaardelijke bijkomende straf op, te weten de ontzetting van het beroep van dierenhandelaar, voor zover dat betreft het hebben van bemoeienis – direct of indirect – met inheemse of uitheemse beschermde diersoorten en in het wild gevangen vogels. De rechtbank ziet deze voorwaardelijke straf als een goede stok achter de deur voor verdachte om zich niet meer met de illegale handel in dieren bezig te houden.

Voor de onder 2 en 3 primair bewezenverklaarde overtredingen acht de rechtbank per overtreding een geldboete van € 500,- per stuk, passend en geboden. Dit betekent dat aan verdachte in totaal 4x € 500,-, te weten € 2.000,- aan geldboetes, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis, wordt opgelegd.

De straffen die de rechtbank voor de bewezenverklaarde feiten 1, 3 subsidiair,

4, 5, 7, 8 en 9 oplegt zijn lager dan die door de officieren van justitie zijn gevorderd.

De rechtbank is van oordeel dat met deze straffen kan worden volstaan nu verdachte deels wordt vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten en het onder 3 primair ten laste gelegde geen misdrijven betreft, maar overtredingen waarvoor - zoals hiervoor is vermeld - geldboetes aan verdachte worden opgelegd.

9 Het beslag

Blijkens de beslaglijst, zoals die door de officieren van justitie ter zitting van 28 april 2015 is overgelegd, ligt er in de strafzaak van verdachte nog beslag op de navolgende goederen:

75. vier lady ross toerako’s;

76. twee grijswang neushoornvogels;

77. 234 St. helenafazantjes;

78. 239 muskaatvinken;

79. 36 wevers;

80. 25 kuif myna’s;

81. 25 bos myna’s

82. twee treur myna’s;

83. een witnekraaf;

84. twee grijswangneushoornvogels;

85. twee staalvinken;

86. twee wida’s;

87. twee diamantduiven;

88. vier zebravinken;

89. twee Japanse meeuwen;

90. vier kanaries;

91. vier rode kanaries;

92. twee reuzen eksters;

93. een tucuman amazone;

94. een dubbele geelkopamazone;

en twee ongenummerde Filipijnse dwergvalken.

9.1

Standpunt openbaar ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle onder verdachte in beslag genomen goederen aan het verkeer dienen te worden onttrokken.

9.2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht alle onder verdachte inbeslaggenomen vogels aan hem terug te gegeven. De verdediging heeft tevens de teruggave aan verdachte verzocht, dan wel de opheffing van het beslag, met betrekking tot diverse andere goederen, waaronder administratie, zakelijke bankrekeningen van verdachte, losse valuta, auto’s, de boot van de vriendin van verdachte en een contant geldbedrag dat onder de moeder van verdachte in beslag is genomen.

9.3

Oordeel rechtbank

De rechtbank zal alleen een beslissing nemen op die goederen die op voormelde lijst van in beslag genomen goederen zijn vermeld.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank gelast de onttrekking aan het verkeer van de Filipijnse dwergvalken en de onder nummers 75, 76, 77 tot en met 79, 84, 93 en 94 in beslag genomen goederen, nu hiermee strafbare feiten zijn begaan en deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van de onder nummers 81 tot en met 83 en 85 tot en met 92 in beslag genomen goederen, aangezien die goederen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 11 september 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam in de zaak met parketnummer 22-004108-07 betreffende het onherroepelijk geworden en op tegenspraak gewezen vonnis van 5 juli 2011 van het gerechtshof ’s-Gravenhage, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-, subsidiair 85 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een kennisgeving voorwaardelijke veroordeling, als bedoeld in artikel 366a tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, waaruit blijkt dat de proeftijd is ingegaan op 5 juli 2011.

10.1

Standpunt officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd de gehele vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling toe te wijzen.

10.2

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen, omdat de voorwaardelijke straf is opgelegd op basis van een oud arrest van 7 oktober 2009. Alleen omdat verdachte tegen dat arrest in cassatie is gegaan, is de proeftijd pas op 5 juli 2011 gaan lopen.

10.3

Oordeel rechtbank

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

Verdachte wist dat hij in een proeftijd liep, waarin hem een voorwaardelijke geldboete boven het hoofd hing. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging te gelasten van het op 5 juli 2011 door het gerechtshof ’s-Gravenhage opgelegde voorwaardelijke strafdeel.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de navolgende artikelen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 28, 36b, 36c, 47, 57, 62, 63, 225 en 140 Wetboek van Strafrecht;

artikelen 1, 1a, 2, 6, 7 Wet op de economische delicten;

artikelen 13, 81 Flora- en faunawet;

artikelen 10, 36, 37, 101a, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

artikel 2.1 Regeling handel levende dieren en levende producten;

artikel 2 Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.


Bewezenverklaring:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid:
- het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van het opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81, eerste lid, van de Flora- en faunawet, tweemaal gepleegd;

ten aanzien van feit 3, primair:

overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, tweemaal gepleegd;

ten aanzien van feit 3, subsidiair:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleeg;

ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd,

en

opzettelijk overtreden van een voorschrift, gesteld bij artikel 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd,

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 7:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

ten aanzien van feit 8:

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan,

en

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 37, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan;

ten aanzien van feit 9:

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 36, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan,

en

zich gedragen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij artikel 37, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, meermalen begaan;

- verklaart het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair, 4, 5, 7, 8 en 9 bewezene strafbaar en verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

- verklaart het onder 6 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dat feit van alle rechtsvervolging.

Strafoplegging ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 7, 8 en 9:

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een deel van vijf maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren en bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voorts tot een bijkomende straf, te weten de ontzetting van het beroep van dierenhandelaar, voor zover dat betreft het hebben van bemoeienis – direct of indirect – met inheemse of uitheemse beschermde diersoorten en in het wild gevangen vogels voor de duur van één jaar voorwaardelijk;

- stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren en bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Strafoplegging ten aanzien van feit 2 en feit 3, subsidiair:

- veroordeelt verdachte tot betaling van vier geldboetes van elk € 500,- (zegge: vijfhonderdeuro), derhalve € 2.000,- (zegge: tweeduizend euro) in totaal, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen per geldboete, derhalve 40 dagen in totaal.

Beslag:
- verklaart de op de beslaglijst opgenomen goederen met nummers 75, 76, 77 tot en met 79, 84, 93 en 94 en de Filipijnse dwergvalken onttrokken aan het verkeer;

- gelast de teruggave van het op de beslaglijst opgenomen goederen met nummers 81 tot en met 83 en 85 tot en met 92 aan verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling:

Gelast de tenuitvoerlegging van de geldboete, groot € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), subsidiair 85 dagen hechtenis, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij voornoemd arrest van 5 juli 2011.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Borg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in Nederland

en/of in Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

al dan niet opzettelijk, telkens dieren, behorende tot een beschermde

inheemse en/of een beschermde uitheemse diersoort, te weten

- drie, althans één of meer Amoerpanter(s) (Panthera pardus orientalis)

- vijf, althans één of meer ringstaartmaki('s) ( Lemur Catta) en/of

- twee, althans één of meer woestijnlynx(en) (Caracal caracal) en/of

- drie, althans één of meer tigon(s) dan wel lijger(s) (Panthera

tigris x leo) en/of

- vier, althans één of meer aalscholver(s) (Phalacroxorax carbo)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en /of heeft verworven en of/ten

verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten

verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft

aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin

en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon

gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

(in de loods op [adres]):

- drie, althans één of meer rode eekhoorn(s) (Sciurus vulgaris) en/of

- één dubbele geelkopamazone (Amazone oratrix ) en/of

- één Tucuman Amazone (Amazone tucumana) en/of

- één groene specht (Picus viridis)

en/of

(op de zolder van [adres])

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en /of heeft verworven en of/ten

verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten

verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft

aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin

en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon

gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

( traject wildvang Bulgarije)

- 265 althans één of meer Piocephalus senegalus en/of

- vijfenvijftig African grey parrots/grijze roodstaart papegaaien

(Psittacus erithacus)

- tien, althans één of meer Tuaraco perse en/of

- vijf, althans één of meer tauraco hartlaubi en/of

- vijf, althans één of meer Tauraco livingstonii en/of

- vijf, althans één of meer Hill Myna's (Gracula religiosa)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en /of heeft verworven en of/ten

verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten

verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft

aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin

en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon

gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

(traject 5-vogelregeling)

- tien, althans één of meer Papoea beo's (Mino dumonti)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en /of heeft verworven en of/ten

verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten

verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft

aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin

en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon

gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

en/of

( traject dierentuinroute)

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/ manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax ]

en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhavik (Accipiter trivirgatus)

te koop heeft gevraagd en/of heeft gekocht en /of heeft verworven en of/ten

verkoop voorhanden of in voorraad heeft gehad en/of heeft verkocht en/of ten

verkoop heeft aangeboden en/of heeft vervoerd en/of ten vervoer heeft

aangeboden en/of heeft afgeleverd en/of heeft gebruikt voor commercieel gewin

en/of heeft geruild of in ruil aangeboden en/of heeft uitgewisseld of tentoon

gesteld voor handelsdoeleinden en/of binnen of buiten het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/of onder zich heeft gehad;

(strafbaarstelling: artikel 1a onder 1, 2 en 6 Wet op de economische delicten

juncto artikel 13 Flora- en faunawet)

art 13 lid 1 ahf/ond a Flora- en faunawet

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 12 november 2012

te Woerden, althans in Nederland ,

telkens geen en/of een onjuiste en/of een onvolledige registratie als bedoeld

in artikel 2, eerste lid, onder c van de Regeling administratie bezit en

handel in beschermde dier- en plantensoorten heeft bijgehouden,

immers ontbrak in zijn registratie de vermelding van de levende specimens

van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren,

behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de

Basisverordening 338/97,

te weten:

(dierentuinroute)

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)

en/of

werden bij de registratie, bedoeld in artikel 3 eerste lid van de Regeling

administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten, terwijl

dit van toepassing was niet bewaard alle aantekeningen en bescheiden,

waaronder nota's, vrachtbrieven en andere bewijsmiddelen, boeken, registers

of andere hulpmiddelen, die betrekking hebben op het onder zich hebben, het

ontvangen, verkopen of afleveren van specimens, bedoeld in artikel 2, eerste

lid van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en

plantensoorten,

te weten:

(dierentuinroute)

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)

(Strafbaarstelling : artikel 1a onder 3, 2 en 6 van de Wet op de economische

delicten juncto artikel 81 Flora- en faunawet juncto artikel 18 Besluit

vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten juncto artikel 2 en 3 Regeling

administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten)

art ** Modelverordening van overige publiekrechtelijke lichamen

3.

Primair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

telkens al dan niet opzettelijk dieren en/of producten in Nederland heeft

gebracht, te weten:

(traject wildvang Bulgarije)

- op of omstreeks 1 april 2011, 285, althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1312) en/of

- op of omstreeks 03 april 2011, 94 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1284) en/of

- op of omstreeks 08 april 2011, 150 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1173/4) en/of

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1094) en/of

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1095) en/of

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1100) en/of

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1104) en/of

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1133/4)en/of

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1142) en/of

- in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met

12 september 2011, 852 (proces-verbaal p. 1146) althans één of meer vogels,

(wildvang Portugal)

- in of omstreeks de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus

2012, 1265, althans 234, althans één of meer st. Helenafazant(en)

(Estrilda astrild)en/of

- in of omstreeks de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012,

407, althans 36, althans één of meer napoleonwever(s) (Euplectus afer) en/of

- in of omstreeks de periode van met 9 augustus 2012 tot en 28 september

2012, 210, althans 239, althans één of meer muskaatvink(en)(Lonchura

punctulata)

en/of

(traject 5-vogelregeling)

- op of omstreeks 7 oktober 2011, zeven, althans één of meer geelkopgieren

(Cathartes burrovianes) en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2011, twee, althans één of meer Pompadour

cotinga's (Xipholena punicea) en/of

- op of omstreeks, 8 mei 2012 tien, althans één of meer Reuzen Toerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf,

althans één of meer Ross toerako's (Musophaga rossea) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf althans

één of meer grijswangneushoornvogels (Bycanistes subcylindricus) en/of

- in of omstreeks, de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari

2011, tien, althans één of meer Papoea beo's (Mino dumonti) en/of

- op of omstreeks 1 november 2011 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 6 juni 2012 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 14 augustus 2012 vijf, althans één of meer Ross toerako's

(Musophaga rossea);

en/of

(traject dierentuinroute)

- tien, althans één of meer witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien,

althans één of meer schildraven (Corvus Albus) en/of

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhavik (Accipiter trivirgatus)

welke dieren en/of producten zijn verzonden vanuit een derde land en via

Nederland voor het eerst in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de

Europese Unie van toepassing is zijn gebracht

[strafbaarstelling artikel 1 onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 10 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren juncto artikel 2.1

lid 2, derde gedachtestreepje Regeling handel levende dieren en levende

producten]

art 2.1 lid 2 Regeling handel levende dieren en levende producten

Subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

telkens al dan niet opzettelijk, vogels in Nederland heeft gebracht, te weten:

(traject wildvang Bulgarije)

- op of omstreeks 1 april 2011, 285, althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1312) en/of

- op of omstreeks 03 april 2011, 94 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1284) en/of

- op of omstreeks 08 april 2011, 150 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1173/4) en/of

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1094) en/of

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1095) en/of

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1100) en/of

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1104) en/of

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1133/4)en/of

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1142) en/of

- in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 12 september

2011, 852 (proces-verbaal p. 1146) althans één of meer vogels, en/of

(wildvang Portugal)

- in of omstreeks de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus

2012, 1265, althans 234, althans één of meer st. Helenafazant(en)

(Estrilda astrild)en/of

- in of omstreeks de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012,

407, althans 36, althans één of meer napoleonwever(s) (Euplectus afer) en/of

- in of omstreeks de periode van met 9 augustus 2012 tot en 28 september

2012, 210, althans 239, althans één of meer muskaatvink(en) (Lonchura

punctulata)

en/of

(traject 5-vogelregeling)

- op of omstreeks 7 oktober 2011, zeven, althans één of meer geelkopgieren

(Cathartes burrovianes) en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2011, twee, althans één of meer Pompadour

cotinga's (Xipholena punicea) en/of

- op of omstreeks, 8 mei 2012 tien, althans één of meer Reuzen Toerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf,

althans één of meer Ross toerako's (Musophaga rossea) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf althans

één of meer grijswangneushoornvogels (Bycanistes subcylindricus) en/of

- in of omstreeks, de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari

2011, tien, althans één of meer Papoea beo's (Mino dumonti) en/of

- op of omstreeks 1 november 2011 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 6 juni 2012 vijf, althans één of meer reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 14 augustus 2012 vijf, althans één of meer Ross toerako's

(Musophaga rossea);

en/of

(traject dierentuinroute)

- tien, althans één of meer witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien,

althans één of meer schildraven (Corvus Albus) en/of

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)

welke vogels zijn verzonden vanuit een lid-staat of een andere staat die

partij is bij het EER-Verdrag dan wel vanuit een derde land en via het

grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht en bestemd zijn

voor Nederland, een lid-staat of een andere staat die partij is bij het

EER-Verdrag

[strafbaarstelling artikel 1 onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 10 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren juncto artikel 2.1

lid 2, tweede gedachtestreepje Regeling handel levende dieren en levende

producten]

art 2.1 lid 1 Regeling handel levende dieren en levende producten

Meer subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van (een)

voorwerp(en), te weten:

(traject wildvang Bulgarije)

- op om omstreeks 1 april 2011, 285, althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1312) en/of

- op of omstreeks 03 april 2011, 94 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1284) en/of

- op of omstreeks 08 april 2011, 150 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1173/4) en/of

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1094) en/of

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1095) en/of

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1100) en/of

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1104) en/of

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1133/4)en/of

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1142) en/of

- in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 12 september

2011, 852 (proces-verbaal p. 1146) althans één of meer vogels,

(wildvang Portugal)

- in of omstreeks de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus

2012, 1265, althans 234, althans één of meer st. Helenafazant(en)

(Estrilda astrild) en/of

- in of omstreeks de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012,

407, althans 36, althans één of meer napoleonwever(s) (Euplectus afer) en/of

- in of omstreeks de periode van met 9 augustus 2012 tot en 28 september

2012, 210, althans 239, althans één of meer muskaatvink(en) (Lonchura

punctulata)

en/of

(traject 5-vogelregeling)

- op of omstreeks 7 oktober 2011, zeven, althans één of meer geelkopgieren

(Cathartes burrovianes) en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2011, twee, althans één of meer Pompadour

cotinga's (Xipholena punicea) en/of

- op of omstreeks, 8 mei 2012 tien, althans één of meer Reuzen Toerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf,

althans één of meer Ross toerako's (Musophaga rossea) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf althans

één of meer grijswangneushoornvogels (Bycanistes subcylindricus) en/of

- in of omstreeks, de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari

2011, tien, althans één of meer Papoea beo's (Mino dumonti) en/of

- op of omstreeks 1 november 2011 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 6 juni 2012 vijf, althans één of meer reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 14 augustus 2012 vijf, althans één of meer Ross toerako's

(Musophaga rossea);

en/of

(traject dierentuinroute)

- tien, althans één of meer witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien,

althans één of meer schildraven (Corvus Albus) en/of

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhaviken (Accipiter trivirgatus)

de werkelijke aard en/of de herkomst, heeft verborgen of verhuld, terwijl hij

(telkens) wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven

voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

[Strafbaarstelling Artikel 420bis lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht]

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

telkens al dan niet opzettelijk, als houder van één of meer dier(en),

te weten:

(traject wildvang Bulgarije)

- op om omstreeks 1 april 2011, 285, althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1312) en/of

- op of omstreeks 03 april 2011, 94 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1284) en/of

- op of omstreeks 08 april 2011, 150 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1173/4) en/of

- op of omstreeks 14 mei 2011, 899 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1094) en/of

- op of omstreeks 19 mei 2011, 985 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1095) en/of

- op of omstreeks 7 juli 2011, 361 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1100) en/of

- op of omstreeks 11 juli 2011, 570 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1104) en/of

- op of omstreeks 27 juli 2011, 188 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p.1133/4)en/of

- op of omstreeks 11 augustus 2011, 950 althans één of meer vogels

(proces-verbaal p. 1142) en/of

- in of omstreeks de periode van 9 september 2011 tot en met 12 september

2011, 852 (proces-verbaal p. 1146) althans één of meer vogels,

(wildvang Portugal)

- in of omstreeks de periode van 14 september 2011 tot en met 28 augustus

2012, 1265, althans 234, althans één of meer st. Helenafazant(en)

(Estrilda astrild)en/of

- in of omstreeks de periode van 26 maart 2012 tot en met 15 augustus 2012,

407, althans 36, althans één of meer napoleonwever(s) (Euplectus afer) en/of

- in of omstreeks de periode van met 9 augustus 2012 tot en 28 september

2012, 210, althans 239, althans één of meer muskaatvink(en) (Lonchura

punctulata) en/of

(traject 5-vogelregeling)

- op of omstreeks 7 oktober 2011, zeven, althans één of meer geelkopgieren

(Cathartes burrovianes) en/of

- op of omstreeks 7 oktober 2011, twee, althans één of meer Pompadour

cotinga's (Xipholena punicea) en/of

- op of omstreeks, 8 mei 2012 tien, althans één of meer Reuzen Toerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf,

althans één of meer Ross toerako's (Musophaga rossea) en/of

- in of omstreeks de periode 7 mei 2012 tot en met 18 mei 2012, vijf althans

één of meer grijswangneushoornvogels (Bycanistes subcylindricus) en/of

- in of omstreeks, de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari

2011, tien, althans één of meer Papoea beo's (Mino dumonti) en/of

- op of omstreeks 1 november 2011 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 6 juni 2012 vijf, althans één of meer Reuzentoerako's

(Corythaeola cristata) en/of

- op of omstreeks 14 augustus 2012 vijf, althans één of meer Ross toerako's

(Musophaga rossea);

en/of

(traject dierentuinroute)

- tien, althans één of meer witnekraven (Corvus albicollus) en/of tien,

althans één of meer schildraven (Corvus Albus) en/of

- tien, althans één of meer Panay of Luzon neushoornvogels [Penelopides

panini/manillae] en/of

- twee, althans één of meer Rosse neushoornvogels [Buceros hydrocorax] en/of

- acht, althans één of meer Brahmaanse wouwen (Haliaster indus) en/of

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalken (Microhierax erythogenys)

en/of

- twee, althans één of meer Bonte kiekendieven (Circus melancoleucos) en/of

- vier, althans één of meer kuifhavik (Accipiter trivirgatus)

terwijl hij wist en/of redelijkerwijs kon vermoeden dat door zijn handelen of

nalaten, een besmetting met dan wel de verspreiding van een krachtens artikel

15 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte

kon worden veroorzaakt,

- niet aan zijn verplichting heeft voldaan dergelijk handelen achterwege te

laten, terwijl dit in redelijkheid van hem kon worden gevergd,

en/of

- niet alle maatregelen heeft genomen die in redelijkheid van hem konden

worden gevergd, teneinde zodanige besmetting of verspreiding te voorkomen,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

die vogels in Nederland gebracht en/of samengebracht en/of verzameld en/of

verkocht en/of verhandeld en/of overgedragen en/of onder zich gehad,

terwijl

- die vogels niet afkomstig waren uit erkende vermeerderings-bedrijven en/of

- niet aan de invoervoorschriften en/of de quarantainebepalingen werd voldaan

en/of

- die vogels niet tenminste 30 dagen in een erkende quarantainevoorziening

zijn gehouden;

(strafbaarstelling artikel 1 onder 1 Wet op de economische delicten juncto

artikel 101a Gezondheids- en welzijnswet voor dieren]

art 101a lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

5.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

- 29, althans een of meer geslachtsbepalingsdocument(en) (08.AMB.12) en/of

- 15, althans een of meer leveranciersverklaring(en) van Oosprong (08.AMB.18)

en/of

- een factuur (nr. 24212A) betreffende 3 amoerpanters (08.AMB.21) en/of

- een factuur (nr. 171212A) betreffende 5 Lemur Catta (08.AMB.20) en/of

- een factuur (nr. 143212A) betreffende 1 Liger (08.AMB.22) en/of

- een factuur (nr. 112012A) betreffende 2 Pantera tigris X panthera leo

(08.AMB.23) en/of

- 11, althans een of meer facturen betreffende de levering van voedsel dieren

(09.AMB.09, bijlage 1192 tot en met 1201 en 1474)

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van

enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) in strijd met

de waarheid

- op de/het geslachtsbepalingsdocument(en) (door het plaatsen van een valse

handtekening) doen voorkomen alsof dierenarts [Aq] de/het

geslachtsbepalingsdocument(en) heeft ondertekend en/of

- op de leveranciersverklaring(en) van Oorsprong opgenomen dat de daarin

vermelde dieren van oorsprong uit Nederland afkomstig zijn en in eigen

beheer zijn gefokt bij het bedrijf [bedrijf 1] te [vestigingsplaats] en/of

- op factuur nr. 24212A opgenomen dat de 3 amoerpanters door [park]

aan [bedrijf 7] zijn/worden verkocht voor een bedrag

van 5.000,- EUR en/of

- op factuur nr. 171212A opgenomen dat de 5 Lemur Catta door [dierentuin 2]

aan [bedrijf 6] zijn/worden verkocht voor een bedrag van

3.500,- EUR en/of

- op factuur 143212A opgenomen dat de Liger door [As] aan [bedrijf 7]

is/wordt verkocht voor een bedrag van 6.000,- EUR en/of

- op factuur 112012A opgenomen dat de 2 Pantera tigris X panthera leo door

[As] aan [At] zijn/worden verkocht voor een

bedrag van 15.000,- EUR en/of

- op de facturen betreffende de voedsel dieren opgenomen dat er voedsel

dieren aan [bedrijf 3] B.V. zijn geleverd

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en

onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

[Strafbaarstelling artikel 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht]

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012, te Woerden, althans in Nederland, althans in

Nederland en/of Tsjechië en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of

Slowakije en/of Portugal en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de

Filippijnen en/of Indonesië en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of

Turkije, en/of elders in Azië en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of

Tanzania, en/of elders in Afrika

meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e):

Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document(en) van binnenkomst (met

de/het nummer(s) CVEDA.DE.2011.0002117-V1 en/of CVEDA.DE.2011.0002114-V1

en/of CVEDA.DE.2011.0001111-V1)

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemd(e) Veterinaire Document(en)

(telkens) als (verplicht) begeleidingsdocument bij een zending vogels werd(en)

gevoegd

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat telkens opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst

met nummer CVEDA.DE.2011.0002117-V1 was vermeld

- dat de zending gezelschapsdieren betrof en/of

- dat [Z] adres: [adres], [woonplaats], importeur

en/of leveringsadres en/of vervoerder en/of geadresseerde was

en/of

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst

met nummer CVEDA.DE.2011.0002114-V1 was vermeld

- dat de zending gezelschapsdieren betrof en/of

- dat [medeverdachte 1] adres: [adres], [woonplaats], importeur en/of

leveringsadres en/of vervoerder en/of geadresseerde was

en/of

- op dat Europees Gemeenschappelijk Veterinaire Document van binnenkomst

met nummer CVEDA.DE.2011.0001111-V1 was vermeld

- dat de zending gezelschapsdieren betrof en/of

- dat [medeverdachte 1] adres: [adres], [woonplaats], importeur en/of

leveringsadres en/of vervoerder en/of geadresseerde was

[Strafbaarstelling artikel 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht]

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

7.

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2010 tot en met 12 november

2012 te Woerden, althans in Nederland, althans in Nederland en/of Tsjechië

en/of Duitsland en/of Bulgarije en/of Hongarije en/of Slowakije en/of Portugal

en/of Turkije, en/of elders in Europa, en/of de Filippijnen en/of Indonesië

en/of De Verenigde Arabische Emiraten en/of Turkije, en/of elders in Azië

en/of in Zuid-Amerika en/of Oeganda en/of Tanzania, en/of elders in Afrika

heeft deelgenomen aan een organisatie,

te weten een samenwerkingsverband van een of meer personen bestaande uit hem,

verdachte, [medeverdachte 1], en/of [medeverdachte 3] en/of andere natuurlijke

personen en/of rechtspersonen welke organisatie telkens tot oogmerk had het

plegen van misdrijven, te weten:

- het opzettelijk verrichten van handelingen waardoor een besmetting dan wel

verspreiding van een besmettelijke dierziekte kon worden veroorzaakt

(101a GWD)

en/of

- het opzettelijk te koop vragen en/of kopen en/of verwerven en/of ten

verkoop voorhanden hebben en/of in voorraad hebben en/of verkopen en/of ten

verkoop aanbieden en/of vervoeren en/of het ten vervoer aanbieden en/of

afleveren en/of gebruiken voor commercieel gewin en/of ruilen en/of in ruil

aanbieden en/of het uitwisselen of tentoonstellen voor handelsdoeleinden

en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of onder

zich hebben van dieren behorende tot (een) beschermde diersoort(en) (13 FFW)

en/of

- het opzettelijk in strijd met de bij of krachtens de Gezondheids- en

welzijnswet voor dieren gestelde regels, te weten artikel 2.1 lid 2 van de

'Regeling handel levende dieren en levende producten' binnen Nederland

brengen van vogels (10 GWD) althans het plegen van witwassen

en/of

- het plegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van

het Wetboek van Strafrecht

en/of

- het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalste geschrift als ware

het echt en onvervalst als bedoeld in artikel 225 lid 2 van het Wetboek van

Strafrecht

(strafbaarstelling artikel 140 Wetboek van Strafrecht)

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

A:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012 te Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

telkens zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter

bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij (een) dier(en) pijn en/of

letsel heeft veroorzaakt en/of de gezondheid of het welzijn van dat/die

dier(en) heeft benadeeld,

immers zaten in een woning aan de [adres], (op de zolderkamer)

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalk(en) (Microhierax

erythrogenys), in een vervoersbench:

- die te klein was en/of

- die niet geschikt was om de vogels voor langere tijd in te huisvesten

en/of

- die ernstig verontreinigd was met uitwerpselen en/of

- waarin het water in het drinkbakje ernstig verontreinigd was en/of

- waarin de aanwezige zitstok een te grote diameter had in relatie tot de

omvang van de klauwtjes van de dieren;

en/of

immers verbleven in een loods aan de [adres]:

- ( honderden) waterschildpadden (trachemys scripta) ineen kast met

(schuif)lades gevuld met water terwijl

- dit water een te lage temperatuur had, althans een temperatuur lager

dan 23 graden en/of

- deze waterschildpadden geen droge plek hadden om op te liggen,(behalve

door bovenop elkaar te kruipen) en/of

- het water was vervuild met fecaliën,

en/of

- vier, althans één of meer roodhalsgans/zen en/of één eend die niet

beschikten over een met water gevulde zwemwaterbak,

en/of

- honderden althans een groot aantal, althans een of meer agapornissen in

hokken

- waarin de bevolkingsdichtheid te groot was, en/of

- waarin geen althans onvoldoende zitmogelijkheden voor die dieren waren

en/of

- waarin geen schuilmogelijkheid was,

en/of

- een rolstaartbeer(Potos flavus) in een gazen kooi

- zonder dat het dier kon beschikken over een nachthok, en/of

- waarin beschimmelde ontlasting lag

en/of

- drie, althans één of meer eekhoorns (Sciurus vulgaris)

- die in een zeer slechte conditie waren en/of

- die te mager waren en/of

- waarvan één eekhoorn een ontsteking aan het oog had

en/of

- vogels in vervuilde hokken (p. 3529)

- veel dieren en vogels waarvan de voederbakken vervuild en/of leeg waren

(p.3529)

- veel dieren zonder schoon drinkwater (p. 3529)

- woestijnvossen in een hok waarin de bevolkingsdichtheid te groot was

(p.3529)

- roofdieren en prooidieren naast elkaar gehuisvest (p.3529)

(strafbaarstelling artikel 36, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor

dieren;

Sinds 1-7-2014 via artikel 2.2 lid 8, 8.11 en 8.12 Wet dieren)

en/of

B:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012 te Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

telkens als houder van (een) dier(en) aan dat/die dier(en) de nodige

verzorging heeft onthouden,

immers zaten in een woning aan de [adres], ( op de zolderkamer )

- twee, althans één of meer Filipijnse dwergvalk(en) (Microhierax

erythrogenys), in een vervoersbench:

- die te klein was en/of

- die niet geschikt was om de vogels voor langere tijd in te huisvesten

en/of

- die ernstig verontreinigd was met uitwerpselen en/of

- waarin het water in het drinkbakje ernstig verontreinigd was en/of

- waarin de aanwezige zitstok een te grote diameter had in relatie tot de

omvang van de klauwtjes van de dieren;

en/of

immers verbleven in een loods aan de [adres]:

- ( honderden) waterschildpadden (trachemys scripta) ineen kast met

(schuif)lades gevuld met water terwijl

- dit water een te lage temperatuur had, althans een temperatuur lager dan

23 graden en/of

- deze waterschildpadden geen droge plek hadden om op te liggen,( behalve

door bovenop elkaar te kruipen) en/of

- het water was vervuild met fecaliën,

en/of

- vier, althans één of meer roodhalsgans/zen en/of één eend die niet

beschikten over een met water gevulde zwemwaterbak,

en/of

- honderden althans een groot aantal, althans een of meer agapornissen in

hokken

- waarin de bevolkingsdichtheid te groot was, en/of

- waarin geen althans onvoldoende zitmogelijkheden voor die dieren waren

en/of

- waarin geen schuilmogelijkheid was,

en/of

- een rolstaartbeer(Potos flavus) in een gazen kooi

- zonder dat het dier kon beschikken over een nachthok, en/of

- waarin beschimmelde ontlasting lag

en/of

- drie, althans één of meer eekhoorns (Sciurus vulgaris)

- die in een zeer slechte conditie waren en/of

- die te mager waren en/of

- waarvan één eekhoorn een ontsteking aan het oog had

en/of

- vogels in vervuilde hokken (p. 3529)

- veel dieren en vogels waarvan de voederbakken vervuild en/of leeg waren

(p.3529)

- veel dieren zonder schoon drinkwater (p. 3529)

- woestijnvossen in een hok waarin de bevolkingsdichtheid te groot was

(p.3529)

- roofdieren en prooidieren naast elkaar gehuisvest (p.3529)

(strafbaarstelling artikel 37, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor

dieren;

Sinds 1-7-2014 via artikel 2.2 lid 8 , 8.11 en 8.12 Wet dieren)

art 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

9.

A:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 01 augustus 2013 te Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

zonder redelijk doel en/of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van

zodanig doel toelaatbaar was, bij (een) dier(en) pijn of letsel heeft

veroorzaakt en/of de gezondheid of het welzijn van dat/die dier(en)heeft

benadeeld,

immers verbleven in een loods aan de [adres] drie otters (Lutra lutra)

- in een te kleine en/of donkere kooi en/of

- zonder schuilmogelijkheden in hun verblijf en/of

- zonder een met water gevulde zwemwaterbak en/of

- gedurende lange tijd zonder toereikende hoeveelheid gezond en/of voor de

soort en de leeftijd geschikt voer en/of

- zonder tijdige consulatie van een dierenarts en/of adequate medische

behandeling, terwijl de otters ziek waren

(strafbaarstelling artikel 36, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor

dieren;

Sinds 1-7-2014 via artikel 2.1 lid 1, 8.11 en 8.12 Wet dieren)

en/of

B:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2010

tot en met 12 november 2012 te Woerden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

als houder van (een) dier(en) aan dat/die dier(en) de nodige verzorging

heeft onthouden,

immers verbleven in een loods aan de [adres] drie otters (Lutra lutra),

- in een te kleine en/of donkere kooi en/of

- zonder schuilmogelijkheden in hun verblijf en/of

- zonder een met water gevulde zwemwaterbak en/of

- gedurende lange tijd zonder toereikende hoeveelheid gezond en/of voor de

soort en de leeftijd geschikt voer en/of

- zonder tijdige consulatie van een dierenarts en/of adequate medische

behandeling, terwijl de otters ziek waren

(strafbaarstelling artikel 37, 121 en 122 Gezondheids- en welzijnswet voor

dieren;

Sinds 1-7-2014 via artikel 2.2 lid 8 , 8.11 en 8.12 Wet dieren)

art 36 lid 1 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier van de Bovenregionale recherche, Noordwest en Midden Nederland, interregionaal milieuteam, met dossiernummer PL1260-2012113917, onderzoeksnaam ‘Cactus’ en gedateerd 1 december 2013, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

3 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage A.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

5 05.AMB.01, p. 1412 en Bijlage 1128.

6 05.V10.01, p. 2845.

7 05.V10.01, p. 2846.

8 05.V13.04, p. 3013.

9 Bijlage 1073, p. 3.

10 Bijlage 288, p. 4.

11 00.V01.02, p. 2393.

12 00.AMB.22, p. 311-314.

13 00.AMB.11, p. 268-271.

14 05.AMB.20, p. 1586.

15 05.AMB.20, p. 1589.

16 05.AMB.20, p. 1590-1591.

17 05.AMB.20, p. 1604-1605.

18 05.AMB.20, p. 1611-1612.

19 05.AMB.20, p. 1617.

20 Bijlagen 1130-1131.

21 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage A.

22 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

23 05.V13.01, p. 2994-2995.

24 05.AMB.02, p. 1434; Bijlage 104, p. 31.

25 Bijlage 104, p. 4.

26 00.V01.02, p. 2393.

27 00.AMB.22, p. 311-314.

28 00.AMB.11, p. 268-271.

29 05.AMB.17, p. 1517-1518.

30 05.AMB.17, p. 1519-1520.

31 05.AMB.17, p. 1535-1536.

32 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlagen A en B.

33 Artikel 5 Flora- en faunawet; Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet, Bijlage 3.

34 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

35 05.AMB.03, p. 1447; Bijlage 1159.

36 00.V01.02, p. 2393.

37 00.AMB.52, p. 449-451.

38 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

39 05.AMB.03, p. 1447; 00.AMB.43, p. 371-372, 387-388; Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

40 03.AMB.31, p. 996-997; Bijlagen 741 en 742.

41 05.V34.01, p. 3300.

42 05.AMB.19, p. 1574-1575.

43 05.AMB.19, p. 1576-1577.

44 05.AMB.19, p. 1577.

45 05.AMB.19, p. 1577-1578.

46 05.AMB.19, p. 1579-1580.

47 05.AMB.19, p. 1580.

48 05.AMB.19, p. 1581.

49 05.AMB.03, p. 1446.

50 05.AMB.03, p. 1446-1447.

51 05.AMB.19, p. 1581.

52 05.AMB.03, p. 1447; Bijlage 90, p 8.

53 05.AMB.19, p. 1583.

54 05.AMB.19, p. 1585.

55 05.AMB.37, p. 1729.

56 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage A.

57 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

58 05.V12.01, p. 2916-2917.

59 Bijlage 524, p. 5.

60 05.AMB.06, p. 1490; Bijlage 965.

61 05.AMB.06, p. 1490; Bijlage 965.

62 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

63 00.V01.02, p. 2393.

64 00.AMB.52, p. 449-451.

65 00.AMB.11, p. 268-271.

66 05.AMB.18, p. 1541-1542.

67 05.AMB.18, p. 1543.

68 05.AMB.18, p. 1544-1545.

69 05.AMB.18, p. 1563-1564.

70 05.AMB.18, p. 1566.

71 05.AMB.37, p. 1729.

72 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage A.

73 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

74 05.V12.02, p. 2929, 2931-2933.

75 05.GET01.01, p. 3454.

76 05.AMB.24, p. 1641-1642.

77 Bijlage 542, p. 6.

78 00.V01.02, p. 2393.

79 00.AMB.52, p. 449-451.

80 00.AMB.11, p. 268-271.

81 05.AMB.23, p. 1649.

82 05.AMB.23, p. 1670-1671.

83 05.AMB.23, p. 1672-1673.

84 05.AMB.23, p. 1674-1675.

85 Staatscourant 13 november 2001, nummer 2001/220.

86 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

87 05.V09.01, p. 2820-2821.

88 00.V01.02, p. 2393.

89 00.V09.01, p. 2796.

90 00.AMB.91, p. 517-519.

91 05.AMB.26, p. 1688-1689.

92 05.AMB.26, p. 1689.

93 05.AMB.26, p. 1690.

94 05.AMB.26, p. 1686-1687.

95 Staatscourant 13 november 2001, nummer 2001/220.

96 05.AMB.30, p. 1703-1704.

97 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

98 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage A.

99 05.AMB.28, p. 1698.

100 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

101 Staatscourant 13 november 2001, nummer 2001/220.

102 05.AMB.29, p. 1702.

103 06.AMB.146, p. 13396-13397; Bijlage 1483.

104 03.AMB.37, p. 1046; Bijlage 305, p. 1-3.

105 03.AMB.37, p. 1046-1047; Bijlage 305, p. 1-3.

106 03.AMB.37, p. 1046-1047; Bijlage 305, p. 1.

107 03.AMB.37, p. 1048; Bijlage 305, p. 7-12.

108 03.AMB.37, p. 1048; Bijlage 305, p. 7-12.

109 03.AMB.37, p. 1046-1047; Bijlage 305, p. 1-3; 00.GET36.01, p. 3661.

110 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

111 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

112 Bijlage 306.

113 Bijlage 284 p. 1-4.

114 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage B.

115 03.AMB.18, p. 882.

116 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

117 00.AMB.115, p. 584.

118 Bijlage 1173 p. 13-16.

119 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage B.

120 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

121 00.AMB.115, p. 583-584.

122 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

123 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1096 en Bijlage 1097.

124 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1074.

125 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1075.

126 03.AMB.37, p. 1057.

127 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

128 03.AMB.15, p. 876.

129 03.GET19.01, p. 3550.

130 03.AMB.37, p. 1056; Bijlage 761.

131 03.GET19.01, p. 3550.

132 00.V01.02, p. 2393.

133 03.AMB.21, p. 893.

134 03.AMB.22, p. 899-901.

135 03.AMB.22, p. 901-902.

136 03.AMB.22, p. 902-904.

137 03.AMB.22, p. 911-912.

138 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage B.

139 03.AMB.37, p. 1057.

140 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

141 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1096.

142 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1074.

143 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage 1075.

144 03.AMB.37, p. 1057; Bijlage

145 00.AMB.115, p. 584.

146 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage B.

147 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

148 03.AMB.28, p. 956.

149 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

150 03.AMB.23, p. 921-922.

151 03.AMB.28, p. 922-923.

152 03.AMB.28, p. 955.

153 03.AMB.28, p. 956; Bijlage 1021, p. 1.

154 00.AMB.115, p. 584.

155 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage B.

156 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

157 03.AMB. 24, p. 926; Bijlage 1145, p. 5.

158 03.AMB. 24, p. 926-927; Bijlage 1146, p. 5.

159 03.AMB.24, p. 924-925; Bijlage 1118.

160 03.AMB.24, p. 926; Bijlage 19, p. 71.

161 03.AMB.24, p. 926; Bijlage 305, p. 7.

162 Bijlage 1173, p. 25-28.

163 Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer in samenhang met Verordening (EG) Nr. 407/2009 van de Commissie van 14 mei 2009, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, Bijlage D.

164 Verklaring van [Q] als getuige ter zitting van 22 april 2015.

165 Verklaring van [medeverdachte 1] als getuige ter zitting van 22 april 2015.

166 Bijlage 1110.

167 Bijlage 1293, p. 15 van 267.

168 Bijlage 1293, p. 16-18.

169 02.V11.01, p. 5.

170 Bijlagen 1074 en 1075.

171 Verklaring van [Q] als getuige ter zitting van 22 april 2015.

172 Bijlage 1097.

173 Bijlage 1098.

174 Bijlage 1112.

175 Bijlage 1099.

176 Bijlage 853.

177 Bijlage 955.

178 03.DZK.04, p. 3801-3802.

179 Schriftelijk bescheid, zijnde een lijst met in beslag genomen vogels [adres] in [woonplaats], p. 3795.

180 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

181 Bijlage 1205 p. 9540.

182 Bijlage 742, p. 29.

183 Bevel zoeking: Bijlage 1205, p. 9533.

184 00.AMB.121, p. 615-616.

185 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

186 Zie 04.AMB.14 voor de uitgewerkte tapgesprekken.

187 04.AMB.14, p. 1204-1205.

188 04.AMB.14, p. 1228-1229.

189 04.AMB.14, p. 1229-1230.

190 04.AMB.14, p. 1250-1251.

191 Bijlage 1110.

192 Bijlage 1293, p. 15 van 267.

193 Bijlage 1293, p. 16-18; Verklaring van [medeverdachte 1] ter zitting van 23 april 2015.

194 02.V11.01, p. 5.

195 Bijlagen 1074 en 1075.

196 Bijlage 1097.

197 Bijlage 1098.

198 Bijlage 1112; Verklaring van [medeverdachte 1] ter zitting van 23 april 2015.

199 Bijlage 1099.

200 Bijlage 853.

201 Bijlage 955.

202 06.AMB.18, p. 4

203 06.AMB.18, p. 5

204 06.AMB.18, p. 5

205 Bijlage 335, p. 120.

206 Bijlage 299, p. 14 en Bijlage 1372.

207 Bijlagen 249 en 250.

208 Bijlage 299, p. 9-10; Bijlage 297, p.11- 12 en Bijlagen 1382 en 1383.

209 Verklaring van [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting van 23 april 2015.

210 Bijlagen 1382 en 1383.

211 06.V10.01, p. 2-5.

212 06.AMB.18, p. 8

213 06.V09.01, p. 9.

214 00.GET.02.01, p.2 en 00.GET.02.02, p. 2.

215 06.GET.42.01, p. 2.

216 06.AMB.38 en Bijlage 983.

217 Bijlagen 966 en 967.

218 Bijlage 824, p. 50 en 30

219 06.V04.02, p. 18

220 06.AMB.10, p. 3 t/m 6

221 06.V04.02, p. 16

222 Bijlage 956.

223 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

224 06.V04.02, p. 3.

225 06.AMB.10, p. 4

226 06.AMB.18, p. 2.

227 06.AMB.18, p. 4

228 06.AMB.31, p. 8 en 9

229 06.AMB.31, p. 9 en 10

230 06.AMB.31, p. 10 en 11

231 Bijlage 1140, p. 64, 67, 68, 69, 73 en 74.

232 Bijlage 1140, p. 73.

233 Bijlage 1140, p. 62-63.

234 Bijlage 1409, p. 7.

235 Bijlage 1140, p. 71.

236 Bijlage 1403.

237 06.AMB.31, p. 18

238 Bijlage 1140, p. 99, 100 en 102-105.

239 Bijlage 1140, p. 102-103.

240 Bijlage 1140, p. 100-101.

241 06.AMB.31, p. 19

242 06.AMB.31, p. 19 en 20

243 06.AMB.31, p. 20

244 06.V18.01, p. 1-15.

245 00.V04.03, p. 3.

246 06.V04.03, p. 2.

247 Bijlage 956, p. 3.

248 Bijlage 956, p. 7.

249 EU-Twix is een internetdatabase die alleen toegankelijk is voor daartoe bevoegde personen. Deze database moet snelle uitwisseling tussen handhavingsbeambten in alle Europese landen mogelijk maken, zie 03.AMB.10, p. 829.

250 03.AMB.10, p. 829; Bijlage 1448.

251 03.AMB.10, p. 829; Bijlage 1448.

252 03.AMB.10, p. 829; 00.AMB.03A, p. 232; Bijlage 786.

253 03.AMB.10, p. 830.

254 03.GET.01, p. 3392.

255 Bijlage 1154 p. 14.

256 03.AMB.10, p. 831-832; Bijlage 1274, p. 30-31.

257 03.AMB.10, p. 832-833; Bijlage 1274, p. 32-35.

258 03.GET.05, p. 3438.

259 03.AMB.03, p. 818-819; 03.AMB.10, p. 831; Bijlagen 60, 61 en 62.

260 03.AMB.03, p. 818-819; 03.AMB.10, p. 831; Bijlage 63.

261 00.V09.01, p. 2903; 03.V09.01, p. 2801.

262 03.AMB.03, p. 818.

263 04.V04.01 p. 4.

264 08.AMB.12, p. 2216; Bijlagen 794, 796-822 en 895.

265 08.AMB.15, p. 2220.

266 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 april 2015.

267 08.AMB.18, p. 2242-2250; Bijlagen 860-874.

268 08.AMB.18, p. 2241.

269 08.AMB.18, p. 2241.

270 08.AMB.18, p. 2242-2250; Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 april 2015.

271 08.AMB.18, p. 2242-2250; Bijlagen 860-874.

272 00.GET07.01, p. 3518-3519.

273 08.AMB.21, p. 2280; Bijlage 1129.

274 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

275 08.AMB.20, p. 2274; Bijlage 1017, p. 2.

276 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

277 08.AMB.22, p. 2289; Bijlage 524, p. 15.

278 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

279 08.AMB.23, p. 2299; Bijlage 542, p. 16 en Bijlage 1063.

280 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

281 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

282 08.AMB.24, p. 13314 en 13316; 09.AMB.09, p. 2366; Bijlagen 1192-1201.

283 08.AMB.24, p. 13314 en 13316; Bijlagen 1455-1464 en 1469.

284 Verklaring van verdachte ter zitting van 22 april 2015.

285 09.AMB.09, p. 2366; 08.AMB.25, p. Bijlagen 853, 854 en 955.

286 08.AMB.24, p. 13314-13316; Bijlagen 854, 1191-1201 en 1455-1474.

287 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

288 01.AMB.00, p. 698.

289 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

290 01.AMB.00, p. 698; Bijlage 1440, p. 14-19.

291 03.AMB.27, p. 939 en 944-949.

292 03.AMB.27, p. 939-940 en 944-950.

293 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

294 01.AMB.00, p. 698.

295 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

296 01.AMB.00, p. 692-693.

297 01.GET10.01, p. 3530.

298 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

299 01.AMB.00, p. 697.

300 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

301 01.GET10.01, p. 3529 en 3531.

302 05.AMB.30, p. 1703-1704.

303 05.AMB.30, p. 1703-1704.

304 01.AMB.01, p. 709.

305 01.AMB.01, p. 710 en 712.

306 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

307 01.GET10.01, p. 3529 en 3531.

308 01.GET10.01, p. 3529 en 3531.

309 Verklaring van dierenarts [Au] bij de rechter-commissaris op 13 april 2015.

310 01.GET10.01, p. 3529.

311 Verklaring van dierenarts [Au] bij de rechter-commissaris op 13 april 2015.

312 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

313 01.AMB.00, p. 693.

314 01.GET10.01, p. 3530.

315 Verklaring van dierenarts [Au] bij de rechter-commissaris op 13 april 2015.

316 01.GET10.01, p. 3530; Verklaring van dierenarts [Au] bij de rechter-commissaris op 13 april 2015.

317 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2015.

318 01.AMB.01, p. 709 en 758-759.

319 01.AMB.01, p. 710 en 712 en 761 en 763.

320 01.AMB.01, p. 702-703.

321 01.AMB.01, p. 711-713 en 761-764.

322 01.AMB.01, p. 716 en 720-721 en 774 en 780.

323 01.AMB.01, p. 780.