Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4171

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
16-705355-15 en 16-259842-12 (vordering tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cocaïnehandel en opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en amfetamine

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/705355-15 en 16/259842-12 (vordering tul) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres],

thans preventief gedetineerd te PI Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. D.N.A. Brouns, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, waaronder een vordering tot tenuitvoerlegging, en van wat verdachte en de raadsvrouwe naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander opzettelijk heeft gehandeld in cocaïne en/of amfetamine.

feit 2: samen met een ander opzettelijk cocaïne en/of amfetamine aanwezig heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen te verklaren en baseert zich hierbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is hoe vaak, hoeveel en wat er gedeald werd en dat het aannemelijk is dat door verdachte slechts kleine hoeveelheden drugs werden verkocht. De verkoop van amfetamine kan gelet op het dossier niet bewezen verklaard worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 11 februari 2015 wordt de woning waar verdachte verblijft, aan de [adres], doorzocht waarbij verdovende middelen zijn aangetroffen en in beslag genomen.2 In de bekerhouder van de auto van verdachte is ook een bolletje met poeder aangetroffen en in beslag genomen.3 De aangetroffen partij verdovende middelen bestaat onder andere uit:

  • -

    twee plastic zakjes met witte brokken: 11,49 gram poeder

  • -

    een gevouwen papier met drie gele brokjes: 0,23 gram poeder

  • -

    een plastic folie bolletje met wit brokje: 0,32 gram poeder

  • -

    een plastic zakje met blauw/groene brokjes: 0,31 gram poeder

Deze monsters zijn (deels) aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut.4

Uit onderzoek is gebleken dat de eerste drie genoemde monsters, in totaal 12,04 gram, cocaïne bevatten en dat het laatst genoemde monster van 0,31 gram amfetamine bevat.5

Verdachte verklaart ter zitting dat hij de in de woning aangetroffen verdovende middelen op 11 februari 2015 in ontvangst heeft genomen en in de woning heeft bewaard. Hij heeft twee keer, op 9 en 11 februari 2015, cocaïne opgehaald en vervolgens verkocht en geleverd aan ene [medeverdachte]. Verdachte bevestigt ter zitting [X] te worden genoemd.6 Verdachte heeft verklaard met de handel in drugs geld te verdienen.7

Getuige [medeverdachte] heeft verklaard dat hij drie maanden voor februari 2015 voor het eerst drugs heeft gekocht van de dealer waarvan hij op 11 februari 2015 heeft gekocht. Als hij deze dealer belde dan kwam de dealer de drugs brengen.8

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij sinds november 2014 cocaïne gebruikt. Hij heeft sindsdien ongeveer vijf keer cocaïne besteld en gekocht bij [X]. Zijn onderbuurman bestelde in de periode van november 2014 tot februari 2015 twee keer per week cocaïne bij [X]. [X] kwam de cocaïne met zijn auto brengen.9

De vriendin van verdachte, [medeverdachte 2], heeft verklaard dat zij wist dat in haar woning cocaïne lag en dat werd gehandeld in verdovende middelen. [verdachte] kwam op 11 februari 2015 binnen met de drugs en heeft deze opgeborgen in de woning. Zij verkocht de drugs wel eens als [verdachte] niet thuis was. Zij handelt het dan af voor [verdachte]. De meeste harddrugs worden bezorgd door [verdachte]. Meestal neemt [verdachte] bestellingen aan en haalt dan de cocaïne. Hij wordt door verschillende mensen gebeld om drugs te bestellen. De in de woning aangetroffen cocaïne zou die dag verkocht worden door [verdachte].10 [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij en [verdachte] al een half jaar dealden in verdovende middelen. [verdachte] werkt altijd op bestelling en brengt het dan naar gebruikers toe met de auto.11

Bewijsoverweging

Aan de hand van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte opzettelijk en in vereniging in ieder geval gedurende de ten laste gelegde periode -kort gezegd- heeft gehandeld in cocaïne en op 11 februari 2015 cocaïne en amfetamine aanwezig heeft gehad. Ook de cocaïne aangetroffen in de auto van verdachte, waarvan hij eigenaar en gebruiker is, bevond zich in de machtssfeer van verdachte. De rechtbank acht de nauwelijks onderbouwde verklaring van verdachte hierover – namelijk dat deze cocaïne door een of meerdere personen zou zijn achtergelaten in zijn auto – ongeloofwaardig, gelet op voornoemde bewijsmiddelen.

De rechtbank acht met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde handelen in amfetamine onvoldoende bewijs aanwezig en zal verdachte van dit gedeelte vrijspreken.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1:

hij op meer tijdstippen in de periode van 12 november 2014 tot en met 10 februari 2015 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

feit 2:
hij op 11 februari 2015 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad

- 12,04 gram cocaïne en

- een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en amfetamine, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest, eventueel met daarnaast oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en een werkstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met zijn vriendin schuldig gemaakt aan cocaïnehandel en het aanwezig hebben van een flinke hoeveelheid cocaïne en amfetamine. Ook is een grote hoeveelheid pillen bevattende mCPP aangetroffen. Deze pillen, die vaak verkocht worden als XTC pillen, hebben overwegend negatieve effecten voor de gezondheid. Cocaïne en amfetamine zijn harddrugs die schadelijk zijn voor de gezondheid en zijn bovendien sterk verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk. Verdachte heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 maart 2015, waaruit blijkt dat hij meermalen eerder is veroordeeld, waaronder eenmaal voor overtreding van de Opiumwet.

Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffende reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 8 april 2015, opgemaakt door M. Henrotte. De reclassering constateert dat sprake lijkt te zijn van cognitieve beperkingen. Verdachte kan de consequenties van zijn handelen onvoldoende overzien en gaat risicovolle contacten en risicogedrag niet uit de weg, wat de kans op delictpleging vergroot. De reclassering adviseert oplegging van bijzondere voorwaarden in de vorm van een meldplicht en deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining.

Rekening houdend met het voorgaande, de ernst van de feiten, de LOVS-oriëntatiepunten en de strafmaat in soortgelijke zaken, acht de rechtbank passend en geboden oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, teneinde verdachte ervan te weerhouden nogmaals (soortgelijke) strafbare feiten te begaan en ook om begeleiding mogelijk te maken. Hierbij komt de rechtbank tot oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

9 Het beslag

9.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat het de bedoeling was dat op de in beslag genomen goederen conservatoir beslag zou rusten, dit is echter niet als zodanig verwerkt maar als strafrechtelijk beslag. Indien de rechtbank tot een beslissing hierover komt heeft de officier van justitie gevorderd tot verbeurdverklaring van de geldbedragen en de personenauto.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft verzocht tot teruggave van de in beslag genomen goederen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat onder verdachte goederen in beslag zijn genomen. Deze zijn weergeven op de zich in het dossier bevindende beslaglijst, gedateerd 10 april 2015.

Gelet op hetgeen de officier van justitie stelt en op de administratieve systemen van de rechtbank waarin het beslag eveneens staat weergegeven als strafrechtelijk beslag -als bedoeld in artikel 94 van het Wetboek van Strafrecht- komt de rechtbank tot het nemen van een beslissing hieromtrent.

De rechtbank stelt vast dat de in beslag genomen goederen aan verdachte toebehoren en dat sprake is van een zekere relatie tussen het onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde strafbare feit en deze goederen. De personenauto is een voorwerp met behulp van welke het strafbare feit is begaan en de geldbedragen zijn voorwerpen die geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit zijn verkregen. Gelet hierop acht de rechtbank deze voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

10.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Verdachte heeft de algemene voorwaarde overtreden door het plegen van nieuwe strafbare feiten.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft erop gewezen dat de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf bijna was verlopen en heeft verzocht tot omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in een werkstraf.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16/259842-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 april 2013 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf te gelasten. De inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting geven de rechtbank geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Stafbaarheid
Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten drie maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen.

Stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis dan wel -als de veroordeelde zich op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis in detentie bevindt- binnen vijf dagen na ontslag uit detentie meldt bij Reclassering Nederland Midden-Noord op het adres Vivaldiplantsoen 12 te Utrecht. Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Gedurende de proeftijd moet hij onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zo vaak en zo lang als deze instelling dat nodig vindt.

  • -

    deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheidstraining-plus (GI-LdH CoVaplus).

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslag
Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen goederen, zoals weergegeven op de beslaglijst, te weten:

  1. Euro geld, goednummer: 1370457, waarde € 84,55

  2. Euro geld, goednummer: 1370507, waarde € 27,45

  3. Euro geld, goednummer: 1370506, waarde € 1.670,03

  4. Euro geld, goednummer: 1370465, waarde € 12,00

  5. Euro geld, goednummer: 1370485, waarde € 50,00

  6. Personenauto 03TGDS, DODGE Caliber Kl: zwart, goednummer: 1296052

Vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer: 16/259842-12)
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 26 april 2013 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de duur van het voorarrest.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. Bos, voorzitter,

mrs. N.E.M. Kranenbroek en O.P. van Tricht, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juni 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 november 2014

tot en met 10 februari 2015 te Amersfoort, althans in het arrondissement

Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een (grote) hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne en/of

een (grote) hoeveelheid amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en/of amfetamine

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Amersfoort, althans in het

arrondissement Midden-Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 12,31 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne en/of

- ongeveer 150 pillen/eenheden amfetamine, in elk geval een (grote)

hoeveelheid van

een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde cocaïne en/of amfetamine

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, nr. PL0900-2014324555, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 430). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 69 en 70.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 202.

4 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 324 en 325.

5 Een geschift, zijnde een rapport identificatie van drugs en precursoren van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 maart 2015, pagina 332.

6 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 mei 2015.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] van 20 februari 2015, pagina 157.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte], pagina 47

9 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], pagina 178 en 179.

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], pagina 160.

11 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], pagina 161.