Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4159

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-05-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3836
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2017:3644, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Precariobelasting; rijksconcessie moet geacht worden te zijn vervallen, zodat de van toepassing zijnde regeling van rechtswege is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/3836

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 mei 2015 in de zaak tussen

de naamloze vennootschap Liander N.V., te Arnhem, eiseres

(gemachtigde: mr. Q.J. Tjeenk Willink),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Muiden, verweerder

(gemachtigde: mr. R.P.M.N. Mols).

Procesverloop

Bij beschikking van 31 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres voor het tijdvak 1 november 2013 tot en met 31 december 2013 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 71.000,00, waarvan € 25.500,00 precario op gasleidingen en € 45.500,00 precario op elektriciteitskabels.

Bij besluit van 28 mei 2014 (de bestreden uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2015. Eiseres heeft zich, met bericht van afwezigheid, niet laten vertegenwoordigen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres exploiteert een gas- en elektriciteitsnetwerk in de gemeente Muiden.

De burgemeester van de gemeente Muiden en de directie van het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland (PEN) hebben op 3 augustus 1943 een regeling getroffen omtrent de wijze waarop het elektriciteitsbedrijf in de gemeente Muiden zal worden geëxploiteerd (hierna: de Regeling 1943).

2.1.

Eiseres voert aan dat verweerder niet bevoegd is om precariobelasting te heffen, omdat dit in strijd is met de tussen de rechtsvoorgangers van eiseres en de gemeente Muiden geldende Regeling 1943. In artikel 1 van de Regeling 1943 is immers bepaald dat eiseres is vrijgesteld van een dergelijke heffing.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen rechten toekomen op grond van de Regeling 1943, omdat deze regeling inmiddels van rechtswege is geëindigd. Verder betwist verweerder de stelling en de onderbouwing daarvan van eiseres dat zij als rechtsopvolger van PEN een beroep kan doen op de Regeling 1943.

3.1.

Op grond van artikel 1 van de Regeling 1943 - samengevat - is PEN gerechtigd om in, op of over de gemeentegrond kabels en leidingen en toebehoren te hebben, in stand te houden, te vernieuwen en daarvan of daaruit te verwijderen, zonder dat PEN daarvoor een vergoeding aan de gemeente Muiden verschuldigd zal zijn.

3.2.

Artikel 7 van de Regeling 1943, voor zover hier van belang, bepaalt dat de Regeling 1943 van rechtswege eindigt op het tijdstip waarop de aan de Provincie verleende Rijksconcessie ingetrokken of vervallen verklaard wordt dan wel vervalt, of waarop zij in die zin wordt gewijzigd, dat het gebied der Gemeente aan het concessiegebied der Provincie wordt onttrokken.

4.1.

De rechtbank oordeelt dat de bewoordingen van de Regeling 1943 vergelijkbaar zijn met die van de door de burgemeester van de gemeente Naarden en de directie van de PEN gesloten regeling uit 1957. Laatstgenoemde regeling was onderwerp van geschil in een zaak tussen eiseres en de gemeente Naarden die heeft geleid tot een uitspraak van deze rechtbank van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:1994). In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de rijksconcessie geacht moet worden te zijn vervallen, zodat de daar van toepassing zijnde regeling van rechtswege is geëindigd. De rechtbank ziet - gelet op de gelijkluidende tekst van artikel 7 van de betreffende regelingen, en de omstandigheid dat het hier om een juridisch soortgelijke situatie gaat als bij de regeling uit 1957 - in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding in de onderhavige kwestie anders te oordelen.

4.2.

Aan de vraag of eiseres op enigerlei wijze is getreden in de onderscheiden rechten van haar rechtsvoorganger(s) bij de Regeling 1943 en dus of eiseres een beroep op de Regeling 1943 kon doen, komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet meer toe. Aangezien de Regeling 1943 is vervallen kunnen ook de daarop voortbouwende beroepsgronden van eiseres dat sprake is van vereenzelviging van haar met Liander Infra, dat sprake is van een derdenbeding ten behoeve van eiseres, dat het elektriciteitsnetwerk op grond van de Regeling 1943 moet worden gedoogd of dat in de Regeling 1943 een privaatrechtelijke vergoeding (van € 0,00) is opgenomen, niet slagen. Voor het onderhavige belastingtijdvak van

1 november 2013 tot en met 31 december 2013 staat de Regeling 1943 heffing van precariobelasting niet in de weg. De beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiseres voert subsidiair aan dat verweerder een onevenredig hoog en naar willekeur vastgesteld tarief heeft gehanteerd. De gehanteerde tariefstelling impliceert een heffing van

€ 154,00 per huishouden per jaar, terwijl gemeenten als Opsterland en Leiderdorp respectievelijk € 22,00 (2012) en € 30,00 (2011) per huishouden per jaar heffen. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt hoe het tarief is vastgesteld en waarom het tarief in de gemeente Muiden een veelvoud is van de tarieven in andere gemeenten.

6. De rechtbank overweegt dat aan gemeenten, binnen de grenzen van de Gemeentewet, een autonome bevoegdheid is toegekend om de tarieven voor de heffing van precariobelastingen vast te stellen. Gebruik van die bevoegdheid mag echter niet een onredelijke belastingheffing tot gevolg hebben waarop de wetgever niet het oog kan hebben gehad bij het toekennen van deze bevoegdheid aan de gemeenteraad. De rechtbank stelt vast dat het tarief voor de onderhavige precariobelasting in artikel 5 van de door de gemeenteraad van de gemeente Muiden op 17 oktober 2013 vastgestelde Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting ter zake van buizen, kabels, draden of leidingen 2013 afhankelijk is gesteld van het aantal meters van de leidingen en kabels, te rekenen met een vast bedrag per meter. Deze maatstaf is niet willekeurig en in beginsel ook niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is het door verweerder gehanteerde tarief van € 0,25 per strekkende meter per maand, mede gelet op de motivering van de bestreden uitspraak en de toelichting van verweerder ter zitting, evenmin willekeurig of onredelijk. Eiseres heeft met de enkele verwijzing naar lagere precariotarieven in enkele andere gemeenten niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige tarieven wel leiden tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Eiseres voert verder aan dat de bestreden uitspraak in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel heeft eiseres aangevoerd dat sprake was van een bestendige relatie tussen partijen, die inhield dat geen precariobelasting werd geheven. Hierdoor is het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat die belasting ook in de toekomst niet zou worden geheven.

8. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat niet eerder precariobelasting van eiseres of van een van haar rechtsvoorgangers werd geheven, niet meebrengt dat die belasting ook in het onderhavige jaar niet kan worden geheven.

Wat het vertrouwensbeginsel betreft, heeft eiseres naast haar beroep op (de bepalingen van) de Regeling 1943 geen feiten of omstandigheden aangevoerd die bij haar de indruk gewekt kunnen hebben dat ook in de toekomst door de gemeente geen precariobelasting van haar zou worden geheven. Alleen daarom al slaagt haar beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Eiseres heeft haar stelling inzake het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel in feite onderbouwd met de hiervoor besproken inhoudelijke beroepsgronden. Nu die beroepsgronden niet slagen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bestreden uitspraak op bezwaar in strijd is met de genoemde beginselen. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de bestreden uitspraak uitvoerig is gemotiveerd en aan eiseres de mogelijkheid is geboden te reageren op de concept-uitspraak op bezwaar.

9. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder in de bestreden uitspraak op bezwaar ten onrechte heeft geweigerd de door haar in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.

10. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover de bestreden uitspraak wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is hier geen sprake. Verweerder heeft dan ook terecht geweigerd de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, te vergoeden.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Lanshage, voorzitter, en mr. V.M.M. van Amstel en mr. M.F.J.M. de Werd, leden, in aanwezigheid van mr. J.C. van Vuren, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.