Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4103

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
27-07-2015
Zaaknummer
UTR - 14 _ 7121
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Verhuizing naar niet-adequate woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/7121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigden: A.M. Nijland en A.M. van Noort).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om woningaanpassing dan wel een verhuisvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 13 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2015. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres woont sinds december 2012 in haar huidige woning aan de [adres] (de woning). In februari 2013 is eiseres geopereerd vanwege rugklachten. Na de operatie zijn de klachten verergerd. Eiseres heeft zich op 28 februari 2014 gemeld voor een voorziening, te weten meer huishoudelijke hulp. Naar aanleiding van de aanmelding heeft op 11 maart 2014 een ‘keukentafelgesprek’ plaatsgevonden tussen eiseres en een medewerkster van verweerder. Wat op 11 maart 2014 is besproken is vastgelegd in een brief van verweerder van 25 maart 2014. In deze brief staat onder meer dat eiseres in het gesprek heeft verklaard dat zij problemen ervaart bij het binnengaan en verlaten van de woning wegens een niveauverschil van meer dan 20 centimeter en bij het traplopen. Ook staat in deze brief dat eiseres heeft verklaard dat zij sinds december 2012 de woning bewoont, dat zij de woning heeft betrokken met een sociale indicatie vanuit Lelystad en dat zij zich er bewust van was dat de woning niet geschikt voor haar was. Zij voelde zich onder druk gezet door de huidige woningbouwvereniging om de woning te accepteren. Op 15 mei 2014 heeft eiseres een aanvraag voor een woonvoorziening ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder medisch advies gevraagd bij SCIO-consult. Op 27 juni 2014 heeft SCIO-consult een medisch advies uitgebracht.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet kan worden vastgesteld of de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening voorzieningen Wmo Almere (de Verordening). Uit het medisch advies van 27 juni 2014 en de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat geen sprake is van een medische eindsituatie en dat behandeling nog mogelijk is, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder artikel 4, tweede lid, van de Wmo aan de afwijzing ten grondslag gelegd, op grond waarvan verweerder rekening dient te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorziening. Verweerder stelt dat eiseres in 2012 is verhuisd naar de huidige, niet-adequate woning, terwijl zij toen al medische klachten had. Zij heeft desondanks toch besloten te verhuizen naar de woning en heeft zichzelf daardoor in de situatie gebracht dat zij woont in een woning met meerdere trappen. Zij had deze situatie kunnen voorkomen door te verhuizen naar een geschikte woning of door voorafgaand aan het tekenen van het huurcontract contact op te nemen met verweerder om na te gaan waarmee zij rekening diende te houden. Dit behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres, aldus steeds verweerder.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat niet kan worden vastgesteld of de noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is. Eiseres heeft reeds sinds februari 2013 ernstige rugklachten. Dat zij nog behandeld wordt, wil niet zeggen dat de rugklachten zijn verdwenen. Eiseres zal naar een revalidatiecentrum gaan voor verdere behandeling. Onduidelijk is wanneer het behandeltraject gaat beginnen en hoe lang dit traject zal duren. Nog onduidelijker is welk resultaat het zal opleveren. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte verwijt dat zij niet naar een adequate woning is verhuisd. Eiseres is verhuisd op basis van urgentie. Zij moest van de woningbouwvereniging deze woning accepteren, anders zou haar urgentie vervallen. Zij had dan ook geen enkele andere keuze dan deze woning te aanvaarden. Voorts had zij in december 2012 weliswaar rugklachten, maar deze rugklachten waren niet dusdanig ernstig dat zij daarmee niet in de woning kon wonen. Aanpassingen waren toen niet nodig. De noodzaak tot Wmo-voorziening is pas ontstaan na de operatie in februari 2013 en zij woonde toen al in de woning.

4. De rechtbank overweegt dat met ingang van 1 januari 2015 de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking is getreden en de Wmo is ingetrokken. Op grond van het overgangsrecht, geregeld in artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo 2015 van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo. In dit geval is het bestreden besluit genomen op grond van de Wmo, zodat met toepassing van die wet zal worden beslist.

5. De rechtbank overweegt dat uit artikel 4, eerste lid, van de Wmo, voor zover hier van belang, volgt dat het college van burgemeester en wethouders, ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren. Uit het tweede lid volgt dat het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie. In dit artikellid is ook bepaald dat rekening wordt gehouden met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. Zoals ook de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in de uitspraak van 21 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810) heeft overwogen, speelt de eigen verantwoordelijkheid van burgers in de Wmo een grote rol. In de parlementaire geschiedenis (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer 2004-2005, 30 131, nr. 3) heeft de regering onder meer overwogen dat gemeenten kunnen zorgdragen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning van burgers die niet goed in staat zijn in een bepaalde situatie zelf of samen met anderen een oplossing te realiseren. Voor die gevallen die door de burgers onmogelijk zelf kunnen worden geregeld, behoort de overheid verantwoordelijkheid te nemen.

6. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening kan een voorziening slechts worden toegekend voor zover de te verstrekken voorziening als goedkoopst-compenserende voorziening is aan te merken.

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de tweede afwijzingsgrond enkel artikel 4, tweede lid, van de Wmo ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank is van oordeel dat enkel artikel 4, tweede lid, van de Wmo als afwijzingsgrond onvoldoende is. Gelet op de motivering van het bestreden besluit en de verduidelijking in het verweerschrift heeft verweerder bedoeld artikel 4, tweede lid, van de Wmo in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening aan de afwijzing ten grondslag te leggen. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet tevens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening in het bestreden besluit aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd. Gelet op het voorgaande kleeft aan het bestreden besluit een gebrek. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en overweegt daartoe dat de inhoudelijke motivering zoals weergegeven in het bestreden besluit en het daarin overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie leidt tot deze grondslag en dat verweerder deze grondslag ook als zodanig heeft benoemd in het verweerschrift dat in de bezwaarfase is uitgebracht, waarin staat dat het op de weg van eiseres had gelegen om een beroep te doen op de gemeente Almere om haar bij te staan om naar de goedkoopst mogelijke compenserende oplossing te zoeken. Door het passeren van het gebrek wordt eiseres niet benadeeld, nu zij in de bezwaarfase en ook in beroep de mogelijkheid heeft gehad gronden te formuleren hiertegen.

8. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres toen zij in december 2012 naar de woning verhuisde al rugklachten had. Zij heeft niet betwist dat zij tijdens het gesprek op 11 maart 2014 heeft verklaard dat ten tijde van haar verhuizing in 2012 de woning reeds niet geschikt voor haar was. Ook in het medisch advies van 27 juni 2014 staat dit en eiseres heeft niet betoogd dat dit onjuist is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres ten tijde van de verhuizing zich er bewust van was dat zij verhuisde naar een inadequate (ongeschikte) woning. De enkele stelling in beroep dat de rugklachten van eiseres toen niet zodanig ernstig waren dat zij niet in de woning kon wonen, is onvoldoende voor een ander oordeel. Ook dat de rugklachten onverhoopt zijn verergerd na de operatie in februari 2013 maakt niet dat de woning ten tijde van de verhuizing niet reeds ongeschikt kon zijn.

9. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB dient een betrokkene, ook in het geval sprake is van een aanvraag om een woonvoorziening in een andere gemeente dan waar de betrokkene woont, voorafgaand aan de aanvraag contact op te nemen met die andere gemeente om in overleg te treden. De rechtbank wijst op de uitspraken van de CRvB van 13 april 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2868) en van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3490). Niet in geschil is dat eiseres voor haar verhuizing van Lelystad naar Almere geen contact heeft opgenomen met verweerder om te overleggen over de mogelijkheid in aanmerking te komen voor een geschikte woning. Dat eiseres de woning in Almere heeft toegewezen gekregen op basis van een urgentie, betekent in dit geval niet dat eiseres geen contact met verweerder had hoeven opnemen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de stukken in het dossier die zien op de verlening van urgentie in 2012 blijkt dat eiseres begin 2012 urgentie heeft aangevraagd, dat deze aanvraag op 13 februari 2012 is afgewezen, dat tegen de afwijzing bezwaar is gemaakt, dat op 31 mei 2012 alsnog urgentie is verleend en dat eiseres in oktober 2012 nog geen woning toegewezen had gekregen. Uiteindelijk is zij in december 2012 verhuisd naar Almere . Gelet op dit tijdsverloop heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar niet mogelijk was om contact op te nemen met verweerder om te overleggen over de toewijzing van een geschikte woning. Dat zij in december 2012 de woning moest accepteren, omdat anders haar urgentie verviel, blijkt niet uit de stukken over de urgentieverlening en heeft er niet aan in de weg gestaan om op een eerder moment contact op te nemen met verweerder voor overleg over de toewijzing van een geschikte woning.

10. De rechtbank is van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden, te weten dat eiseres bij het betrekken van de woning reeds rugklachten had, zij zelf heeft verklaard dat de woning daardoor bij het betrekken ervan al niet geschikt was, het tijdsverloop tussen het verlenen van de urgentie en de toewijzing van de woning en de omstandigheid dat eiseres voor het accepteren van de woning nimmer contact heeft opgenomen met verweerder, voor verweerder geen compensatieplicht bestaat. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een verhuiskostenvergoeding of voorziening tot woningaanpassing niet kan worden aangemerkt als de goedkoopst compenserende oplossing, omdat eiseres zelf zonder overleg met verweerder de ongeschikte woning heeft geaccepteerd.

11. Nu verweerder reeds gelet op het voorgaande de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen, behoeft niet te worden beoordeeld of de noodzaak tot het te bereiken resultaat langdurig is. Wat daarover is aangevoerd, behoeft dan ook geen bespreking.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rennen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.