Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4094

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
09-06-2015
Zaaknummer
4098006 LV EXPL 15-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In een eerdere procedure is het verzoek van werkgever om de arbeidsovereenkomst met de docent te ontbinden afgewezen en is een eerder opgelegde schorsing opgeheven. Werkgever heeft hierop de docent zijn werkzaamheden laten hervatten in Almere, terwijl hij eerder in Dronten werkzaam was. In dit kort geding vordert de docent om werkgever te veroordelen hem toe te laten tot het verrichten van zijn bedongen werkzaamheden als docent binnen het Team Internationaal met als standplaats Dronten. Die vordering wordt toegewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bepalingen in de CAO in dit geval geen mogelijkheid bieden om de standplaats eenzijdig te wijzigen. Ook is gelet op de Stoof/Mammoet-criteria geen sprake van een redelijk aanbod van de werkgever tot wijziging van die standplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1049
AR-Updates.nl 2015-0534
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Lelystad

Zaak- en rolnummer: 4098006 LV EXPL 15-26

Datum vonnis: 9 juni 2015

Vonnis in kort geding in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],
eiser,

gemachtigde mr. M.M. Pasman, advocaat te Haren,
tegen


de stichting
STICHTING [gedaagde] GROEP,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,
gemachtigde mr. M.F.H.M. van Haastert, advocaat te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 mei 2015 met producties;

  • -

    op 21 mei 2015 toegezonden producties van de zijde van [gedaagde];

  • -

    op 22 mei 2015 toegezonden producties van de zijde van [eiser];

  • -

    op 22 mei 2015 toegezonden producties van de zijde van [gedaagde];

  • -

    de pleitnota van [eiser];

  • -

    de pleitnota van [gedaagde];

  • -

    de mondelinge behandeling op 26 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is een in [vestigingsplaats] gevestigde en kantoorhoudende onderwijsgroep die bestaat uit onder meer diverse agrarische opleidingsinstituten, waaronder [X] (hierna verder te noemen: [X]). [A 1] (hierna verder te noemen: [A 1]) is één van de drie locaties van [naam], naast die in [vestigingsplaats] en [vestigingsplaats].

2.2.

[eiser] is per 1 mei 2010 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde], als docent aan de [A 1], tot 1 mei 2011. Nadat deze arbeidsovereenkomst op 4 april 2011 en op 1 mei 2012 is verlengd, is [eiser] met ingang van 1 januari 2013 voor onbepaalde tijd in dienst getreden. In deze arbeidsovereenkomst staat onder andere vermeld:

‘De standplaats is [vestigingsplaats]. Op deze arbeidsovereenkomst is de Cao HBO van toepassing en alle aanvullingen en wijzigingen die deze CAO ondergaat. Deze arbeidsovereenkomst is een voortzetting van de op 1 mei 2012 aangegane overeenkomst’

2.3.

Artikel C-3 lid 3 en 4 van de Cao HBO luiden:

‘3. In de arbeidsovereenkomst wordt, mede ter verbetering van de inzetbaarheid, een omschrijving van de hoofdlijnen opgenomen van de door de werknemer te vervullen taken. Uitgangspunt is dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de hogeschool, zonder dat er een strakke definitie van functie en standplaats geldt. Bij veranderingen in de organisatie van opleidingen kan de functie inhoud en de plaats waar de werkzaamheden in de regel worden verricht gewijzigd worden, zonder dat de arbeidsovereenkomst aangepast wordt en zonder gevolgen voor de afgesproken arbeidsvoorwaarden.
4. Over belangrijke facetten van de functie-inhoud, de wijziging daarvan en de gevolgen van een wijziging voor onder andere reiskosten en reistijd, pleegt de werkgever overleg met de werknemer. Uitgangspunt hierbij is dat de werkzaamheden gezien het functieniveau van de werknemer redelijkerwijs aan deze werknemer kunnen worden opgedragen.

2.4.

Artikel P-4 lid 2 van de Cao HBO luidt:

‘2. De werkgever kan ten aanzien van de werknemer de volgende disciplinaire maatregelen treffen:

a schriftelijke berisping;

b overplaatsing;

c schorsing;

d ontslag.’

2.5.

In november en december 2014 heeft [eiser] diverse post-it’s en pamfletten binnen [A 1] verspreid met daarop teksten die bij de leiding van [A 1] in het verkeerde keelgat zijn geschoten.

2.6.

Tijdens een gesprek op 11 december 2014 heeft [eiser] tegenover [K] (directeur van [A 1]) en [M] (op dat moment teamleider team Internationaal) verklaard dat de twee pamfletten van 8 en 9 december 2014 van zijn hand zijn. Op de vraag waar de afkorting “VsvL” onderaan het pamflet van 9 december 2014 voor staat heeft [eiser] geantwoord dat dit staat voor “[naam] staat voor lul”.

2.7.

Na afloop van het gesprek, in de namiddag van 11 december 2014, heeft [eiser]

[K] en [M] per mail spijt betuigd. [eiser] heeft in die email verzocht om een gesprek met hen, of iemand anders die de gevoelens van de collega’s kent, om het goed te maken.

2.8.

In een vervolggesprek tussen [eiser] enerzijds en de heer [Y] (hierna verder te noemen: [Y]) voorzitter van het college van bestuur van [gedaagde], en

[P] (hierna verder te noemen: [P]) medewerker personeelszaken anderzijds op 12 december 2014 heeft [Y] [eiser] op non-actief gesteld. De schorsing is bij brief van 15 december 2014 schriftelijk aan [eiser] bevestigd.

2.9.

Op 16 december 2014 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden tussen [Y] en [P] enerzijds en [eiser] anderzijds. Bij die gelegenheid is [eiser] verweten dat hij het tijdschrijfsysteem Time Tell (TT) niet correct invult en dat hij nog steeds niet in het bezit is van een Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG).

2.10.

Bij brief van 16 januari 2015 heeft [gedaagde] de schorsing bestendigd en het voornemen geuit de kantonrechter te verzoeken het dienstverband met [eiser] te ontbinden.

2.11.

Bij beschikking van 23 maart 2015 van de kantonrechter te Leeuwarden is het verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat niet valt in de zien waarom [eiser] niet de kans zou moeten krijgen om te leren van zijn fout, en dat [gedaagde] in reactie op de handelswijze van [eiser] had kunnen en moeten volstaan met een lichtere reactie. Daaraan heeft de kantonrechter toegevoegd dat, los van de vraag of [gedaagde] nog een disciplinaire maatregel geïndiceerd acht, het hem verstandig voorkomt dat eerst een gesprek plaatsvindt tussen [gedaagde] en [eiser] en dat de collega’s van [eiser] en andere betrokkenen over de uitkomst van de procedure worden geïnformeerd voordat [eiser] zijn werkzaamheden met ingang van 6 april 2015, het moment van opheffing van de schorsing, hervat.

2.12.

Bij brief van 31 maart 2015 heeft [gedaagde] aan [eiser] een schriftelijke berisping gegeven, als bedoeld in artikel P-4, lid 2 sub a van de CAO HBO.

2.13.

Op 2 april 2015 om 13:00 uur heeft er tussen [eiser] enerzijds en [K] en mevrouw [H] (directeur van [vestigingsplaats]) een gesprek plaatsgevonden. Hierin is van de zijde van [gedaagde] aangegeven dat [eiser] zijn werkzaamheden kan hervatten binnen het team Toegepaste Biologie in [vestigingsplaats]. [eiser] heeft aangegeven het hiermee niet eens te zijn, omdat hij voor de schorsing werkzaam was binnen het team Internationaal in [woonplaats].

2.14.

Op 2 april 2015 om 16:00 uur heeft [Y], mede namens [K], de collega’s van de [A 1] per email als volgt geïnformeerd:

‘In december en januari jl. hebben wij gesprekken gevoerd met [eiser], naar aanleiding van de anonieme briefjes en pamfletten die hij binnen de [A 1] had verspreid. Wat ons betreft was en is de vorm en de inhoud die hij heeft gekozen om zijn kritische opmerkingen te maken over ontwikkelingen binnen onze school, afkeurenswaardig en onacceptabel. Zoals bestuur als directie van de [A 1] zijn altijd bereid te luisteren naar kritiek vanuit de organisatie, echter wel via wegen en middels bewoordingen die [A 1]-waardig zijn. De kantonrechter heeft de consequentie die wij aan dit handelen van [eiser] hebben verbonden niet akkoord gevonden. Hoewel wij hier een ander standpunt over hebben, zullen wij uiteraard het oordeel van de kantonrechter respecteren. Dit betekent dat [eiser] dinsdag a.s. zijn werkzaamheden zal hervatten in [vestigingsplaats]. Hierover zijn met hem afspraken gemaakt.’

2.15.

Omstreeks 9 april 2015 heeft [eiser] het gespreksverslag van het gesprek op 2 april 2015 ontvangen, waarin onder meer staat vermeld:

‘[K], toev. ktr) geeft aan dat ook zij en [H], toev. ktr) de beslissing van de kantonrechter respecteren en dat in dit gesprek een aantal afspraken gemaakt worden over de hervatting van de werkzaamheden van [eiser] ([eiser], toev. ktr).

De afspraken zijn:

  1. [eiser] hervat zijn werkzaamheden in het team Toegepaste biologie. Zijn werkzaamheden voor periode 4 zijn allemaal vervangen. Deze afspraken zullen we niet terugdraaien. In het team Toegepaste Biologie zijn (aanstaande) vacatures, die aansluiten bij de expertise van [eiser]. Daarnaast zijn er volop ontwikkeltaken, met name voor de opleidingsvariant Biologie, Voeding en Gezondheid, die eveneens aansluiten bij zijn expertise. [W] zal zijn leidinggevende zijn. Ze geeft aan dat [eiser] op 7 april om 8.30 uur een gesprek zal hebben met [H] en [W] over zijn werkzaamheden in periode 4.

  2. In het schooljaar 2015/2016 behaalt [eiser] zijn Pedagogische Didactisch Getuigschrift. Inmiddels wordt deze leergang verzorgd door Stoas. [eiser] zal opnieuw met de leergang starten. Aangezien dit de 4e keer is dat hij deze leergang gaat volgen, betaalt hij de kosten zelf en wordt hem geen studieverlof verleend. Het afgerond hebben van de leergang is een voorwaarden voor een voldoende beoordeling. deze beoordeling zal voor de zomervakantie van 2016 plaatsvinden.

  3. [eiser] schrijft m.i.v. 7 april aanstaande integraal tijd in het tijdregistratiesysteem Timetell. Niet adequaat vullen van Timetell zal aanleiding geven tot een onvoldoende beoordeling.

  4. […]

  5. […]

[eiser] geeft aan dat hij deze afspraken niet had verwacht, hij was in de veronderstelling dat hij na het besluit van de Kantonrechter zijn werkzaamheden weer kon uitvoeren zoals hij die voor zijn schorsing ook uitvoerde. […] [eiser] herhaalt nogmaals dat hij vindt dat hij gewoon weer aan het werk kan. Naar zijn indruk zal hij zondermeer aan het werk kunnen in het team waarvan hij deel uitmaakte. Zowel [H] als [K] geven aan dat zij daar ernstige bedenkingen bij hebben. Ze vragen zich hardop af of [eiser] wel in de gaten heeft wat de impact van zijn handelen is geweest. Zij bieden hem graag een faire kans om opnieuw te beginnen. Aangezien er meer aan de hand was dan de anonieme berichten zien zij deze start als een kans om goede resultaatafspraken met elkaar te maken. En nogmaals, dit zijn resultaatafspraken zoals ze regulier met docenten worden gemaakt. [eiser] geeft aan of hij nog wel zal zien of hij hiermee akkoord gaat. [H] geeft aan dat dit het aanbod en de instructie is en dat ze van harte hoopt dat [eiser] deze kans oppakt. […]’

2.16.

Op 14 april 2015 heeft [eiser] laten weten zich neer te leggen bij de schriftelijke berisping.

2.17.

[eiser] werkt thans - onder protest en in afwachting van deze procedure - binnen het team Toegepaste Biologie te [vestigingsplaats].

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    [gedaagde] te veroordelen om [eiser] toe te laten tot het verrichten van zijn bedongen werkzaamheden als docent binnen het Team Internationaal met als standplaats [woonplaats], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, gedurende welke [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet,

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

[eiser] voert daartoe aan dat [gedaagde] hem op 15 december 2014 op non-actief heeft gesteld en heeft aangegeven het dienstverband te willen beëindigen. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter te Leeuwarden op 23 maart 2015 afgewezen. Op 31 maart 2015 heeft [gedaagde] een disciplinaire maatregel getroffen, te weten een schriftelijke berisping. Op 2 april 2015 ervaart [eiser] opnieuw een disciplinaire maatregel, te weten overplaatsing van het team Internationaal te [woonplaats] naar het team Toegepaste Biologie te [vestigingsplaats]. Door deze handelwijze wordt [eiser] twee keer voor hetzelfde feit een disciplinaire maatregel opgelegd. Een dergelijke handelwijze is in strijd met de systematiek van de CAO HBO en goed werkgeverschap. [gedaagde] heeft te kennen gegeven dat de overplaatsing geen disciplinaire maatregel maar een ordemaatregel is. Binnen de CAO HBO is evenwel geen juridische grondslag te vinden voor een overplaatsing als ordemaatregel. Door de overplaatsing wordt [eiser] in zijn belangen getroffen en wordt hij geconfronteerd met meer reiskosten, langere reistijden en inhoudelijk andere werkzaamheden. Nergens blijkt dat de werkhervatting van [eiser] in [woonplaats] leidt tot een belemmering van de voortgang van het onderwijsproces. [eiser] stelt voorts dat hij onder meer een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat voorafgaand aan de zomervakantie de roosters voor het volgende schooljaar worden gepland waarbij rekening wordt gehouden met de wensen en expertise van de teamleden. [eiser] heeft er spoedig belang bij dat hij als teamlid van het team Internationaal te [woonplaats] wordt betrokken bij de definitieve planning van zijn contacttijd, overig onderwijstijd en taken in het schooljaar 2015/2016.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Zij stelt dat [eiser] voor het incident dat aanleiding gaf om [eiser] te schorsen, is aangesproken op het niet behalen van zijn Pedagogische Didactische Getuigenschrift (PDG) en zijn weigering om zijn tijd op te nemen in het tijdregistratie-systeem TimeTell. [eiser] heeft driemaal aan het opleidingstraject voor het halen van een PDG meegedaan telkens zonder succes. Op 22 mei 2014 heeft hij een onvoldoende beoordeling voor zijn functioneren gekregen. [eiser] is na de opheffing van de schorsing vanaf 7 april 2015 tewerkgesteld in [vestigingsplaats]. [gedaagde] stelt dat [eiser] geen aanspraak kan maken op een vaste werkplaats en/of standplaats. Dit uitgangspunt geldt in het algemeen voor iedereen op wie de CAO HBO van toepassing is en volgt uit artikel C-3 lid 3 en 4. Er is geen ‘strakke definitie van functie en standplaats’. [gedaagde] heeft dus een zekere vrijheid in dit opzicht en heeft goede redenen om [eiser] in een ander team te laten werken. [gedaagde] stelt dat de aard van de werkzaamheden niet zijn gewijzigd, de afstand woon-werkverkeer en de reistijd iets is toegenomen doch niet significant. [gedaagde] heeft erop gewezen dat de relatie tussen de teamleider van team Internationaal de heer [M] en [eiser] onder druk stond voordat [eiser] werd geschorst. [gedaagde] betwist dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Primair stelt [gedaagde] dat zij in het licht van de toepasselijke CAO in de gegeven situatie de vrijheid had om [eiser] in [vestigingsplaats] in te zetten in een ander team. Subsidiair neemt [gedaagde] het standpunt in dat zij heeft voldaan aan de criteria van de Hoge Raad in de zaak Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, JAR 2008/204), omdat er sprake is van gewijzigde omstandigheden die nopen tot een wijziging in de overeenkomst, het door [gedaagde] gedane voorstel redelijk is en aanvaarding van dit voorstel van [eiser] kan worden gevergd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Nu gebleken is dat de roosters voor het schooljaar 2015/2016 van [A 1] te [woonplaats] op korte termijn definitief worden vastgesteld, heeft [eiser] voldoende spoedeisend belang bij een beslissing op de vordering tot wedertewerkstelling te [woonplaats].

4.2.

Uitgangspunt is de tussen partijen op 14 januari 2013 gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd waarin is opgenomen dat de standplaats van de werkzaamheden van [eiser] [woonplaats] is. [eiser] heeft dan ook in beginsel het recht zijn werkzaamheden in [woonplaats] uit te voeren tenzij partijen overeenstemming hebben over een andere standplaats of dan wel [gedaagde] de bevoegdheid heeft om de standplaats eenzijdig te wijzigen.

4.3.

Niet in geschil is dat [eiser] niet heeft ingestemd met een hervatting van zijn werkzaamheden in [vestigingsplaats]. Aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat in het gespreksverslag van het op 2 april 2015 gehouden gesprek tussen [eiser], [K] en [H] staat vermeld dat tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de hervatting van de werkzaamheden van [eiser], en dat één van die afspraken is dat [eiser] zijn werkzaamheden in het team Toegepaste Biologie in [vestigingsplaats] zal hervatten. Echter, in datzelfde verslag is ook vermeld dat [eiser] heeft aangegeven dat hij nog wel zal zien of hij hiermee akkoord gaat. Ter zitting is ook bij monde van [K] verklaard dat [eiser] zijn instemming met de overplaatsing naar [vestigingsplaats] niet heeft gegeven.

4.4.

Daarom dient te worden beoordeeld of [gedaagde] de bevoegdheid heeft om de standplaats van [eiser] eenzijdig te wijzigen. [gedaagde] grondt haar bevoegdheid primair op de bepalingen in de CAO HBO die – kort gezegd – bepalen dat het uitgangspunt is dat de werknemer een arbeidsovereenkomst heeft met de hogeschool, zonder dat er een strakke definitie van functie en standplaats geldt, en dat bij veranderingen in de organisatie van opleidingen de plaats van de werkzaamheden gewijzigd kan worden.

4.5.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat het uitgangspunt bij de beoordeling van onderhavige vordering de individuele arbeidsovereenkomst is, die bepaalt dat de standplaats [woonplaats] is. Die individuele afspraak tussen partijen wordt niet opzij gezet door het in de CAO HBO geformuleerde uitgangspunt dat er geen strakke definitie van standplaats geldt. Artikel C-3 lid 3 van de CAO HBO biedt weliswaar de mogelijkheid om tot een wijziging van de standplaats te komen doch enkel ‘bij veranderingen in de organisatie van opleidingen’. Niet gesteld noch voorshands gebleken is dat hiervan sprake is. Gebleken is juist dat de reden van de overplaatsing gelegen is in de voor [gedaagde] negatieve afloop van de ontbindingsprocedure en het functioneren van [eiser]. Dit volgt niet alleen uit het verslag van het gesprek op 2 april 2015 en de in aansluiting op dat gesprek gestuurde mail (zie 2.15 en 2.16) doch evenzeer uit de verklaring van de zijde van [gedaagde] ter zitting dat zij de teugels strakker wilde aanhalen omdat het functioneren van [eiser] volgens haar te wensen overlaat.

4.6.

Subsidiair grondt [gedaagde] haar bevoegdheid op de criteria die de Hoge Raad in het arrest Stoof/Mammoet (HR 11 juli 2008, JAR 2008/204) heeft geformuleerd. Hierover overweegt de kantonrechter het volgende. Om aan de door de Hoge Raad geformuleerde criteria te voldoen, dient allereerst te worden onderzocht of de werkgever als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden, en of het door hem gedane voorstel redelijk is.

4.7.

Daarin ligt besloten dat sprake moet zijn van een ‘voorstel tot wijziging’. In het op 2 april 2015 gehouden gesprek tussen [eiser], [K] en [H] heeft [gedaagde] eenzijdig de overplaatsing naar [vestigingsplaats] aan [eiser] aangekondigd. In dat gesprek was immers geen sprake van een door [gedaagde] gedaan voorstel dat voor onderhandeling vatbaar was. [K] heeft tijdens de zitting verklaard dat voor het gesprek op 2 april 2015 - naar aanleiding van de beschikking van de kantonrechter te Leeuwarden en de daarin opgenomen suggestie om voorafgaande aan de hervatting van de werkzaamheden door [eiser] een gesprek met hem te hebben - intern overleg had plaatsgevonden en toen is besloten dat [eiser] naar een team in [vestigingsplaats] zou gaan. Dit blijkt ook uit het gespreksverslag van 2 april 2015, waarin onder andere staat dat dit het aanbod en instructie is. Bovendien heeft [Y] in zijn email van 2 april 2015 aan de collega’s kort na het gesprek tussen [K], [H] en [eiser] onder andere geschreven: ‘Hoewel wij hier een ander standpunt over hebben, zullen wij uiteraard het oordeel van de kantonrechter respecteren. Dit betekent dat [eiser] dinsdag a.s. zijn werkzaamheden zal hervatten in [vestigingsplaats]. Hierover zijn met hem afspraken gemaakt.’ Dit klemt met name nu [Y] ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat hij deze mail heeft verstuurd nadat hij op de hoogte was gesteld van het feit dat [eiser] in het gesprek met [K] en [H] had aangegeven in [woonplaats] werkzaam te willen blijven en [Y] bijgevolg in ieder geval moest vermoeden dat van afspraken geen sprake was, doch dit desondanks niet bij [eiser] heeft geverifieerd. Onder deze omstandigheden kan voorshands niet de conclusie worden getrokken dat [gedaagde] aan [eiser] een voorstel heeft gedaan dat voldoet aan de daaraan te stellen criteria.

4.8.

Maar ook indien de overplaatsing wel als voorstel aan [eiser] was gepresenteerd leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers, voorshands is onvoldoende aannemelijk geworden dat de overplaatsing van [eiser] van [woonplaats] naar [vestigingsplaats] in het licht van zowel het belang van [gedaagde] als van [eiser] in redelijkheid kon worden voorgesteld en van [eiser] kon worden gevergd. Anders dan [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat de acties die aanleiding waren voor de schorsing van [eiser], en het functioneren van [eiser] daartoe geen (voldoende) basis bieden.

4.9.

De kantonrechter te Leeuwarden heeft eerder geoordeeld dat de schorsing moest worden opgeheven en heeft [gedaagde] de gelegenheid gegeven zich te beraden over een disciplinaire maatregel. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens een schriftelijke berisping gegeven. [gedaagde] heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat terugkeer van [eiser] in het team Internationaal door zijn eerdere acties tot een onwerkbare situatie zal leiden. Voor zover dit uit de verklaring van de heer [M] (productie 6 van [gedaagde]) moet blijken, geldt dat de heer [M] inmiddels een andere functie binnen [gedaagde] heeft. Daarbij geldt dat [eiser] in december 2014 al heeft verzocht om een gesprek te hebben over de gevoelens van de betrokken collega’s en de wijze waarop hij zijn acties goed kon maken (zie 2.8) en ook de kantonrechter te Leeuwarden heeft overwogen dat [eiser] een tweede kans dient te krijgen, maar dat een gesprek voorafgaand aan de hervatting van de werkzaamheden hem (naar deze kantonrechter begrijpt: mede) ter opklaring van de lucht wenselijk voorkwam. Niet is gebleken dat [gedaagde] serieuze pogingen heeft ondernomen om daarover met [eiser] een constructieve dialoog aan te gaan. Indien [gedaagde] van mening is dat de verhoudingen binnen het team Internationaal door de acties van [eiser] onder druk zijn komen te staan, ligt het ook op haar weg als goed werkgever pogingen te ondernemen om die spanningen weg te nemen, door op zijn minst hierover gesprekken tussen betrokkenen te initiëren, en aldus [eiser] een reële tweede kans te geven zoals in de eerdere procedure bedoeld. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.7 is overwogen, heeft zij dit nagelaten.

4.10.

Ten aanzien van de redenen voor overplaatsing gelegen in het functioneren van [eiser] geldt het volgende. [gedaagde] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [eiser] onvoldoende functioneert om in [woonplaats] zijn werkzaamheden uit te voeren. De ter onderbouwing daarvan aangevoerde omstandigheden, te weten de onvoldoende beoordeling in mei 2014, het niet behalen van zijn PDG en het niet invullen van TimeTell, deden zich reeds voor de schorsing gedurende langere tijd voor en zijn voor [gedaagde] eerder geen aanleiding geweest om met [eiser] over een overplaatsing naar [vestigingsplaats] te spreken. Ter zitting is door mevrouw [K] ook verklaard dat de beslissing om [eiser] over te plaatsen naar [vestigingsplaats] is genomen naar aanleiding van het beraad wat er moest gebeuren nadat de kantonrechter te Leeuwarden de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst had afgewezen. Daarbij klemt voorts dat [gedaagde], gelet op de betwisting door [eiser], niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] als docent in zijn functioneren tekortschiet, bijvoorbeeld aan de hand van verslagen van (functionerings)gesprekken. Evenmin is gebleken van les/collegebezoeken. Waar [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat [eiser] ook al voor 1 januari 2013 onvoldoende functioneerde, is zonder die onderbouwing voorshands niet begrijpelijk dat [gedaagde] met [eiser] per genoemde datum een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, noch dat zij hem zonder voorafgaand verbetertraject plotsklap naar [vestigingsplaats] overplaatst, terwijl de situatie daartoe ook ‘bedrijfseconomisch’ of organisatorisch geen aanleiding geeft.

4.11.

Gelet op het hiervoor overwogene is van een redelijk voorstel van de zijde van de werkgever, zoals de Hoge Raad in haar arrest van 11 juli 2008 vereist, geen sprake. [eiser] is dan ook niet gehouden om met de door [gedaagde] voorgestane overplaatsing naar [vestigingsplaats] in te stemmen. Dit betekent dat [eiser] aanspraak heeft om zijn werkzaamheden in [woonplaats] uit te voeren. De gevorderde wedertewerkstelling komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

4.12.

Naar de kantonrechter begrijpt zal het schooljaar 2014/2015 op 30 juni 2015 eindigen. Gelet op de relatief korte periode tussen dit vonnis en het einde van het schooljaar, mede gelet op het belang van [gedaagde] om de reeds bestaande vervanging van [eiser] in [woonplaats] en het huidig schoolrooster in stand te laten alsmede de werkzaamheden van [eiser] in [woonplaats] weer in te roosteren, zal de kantonrechter de gevorderde tewerkstelling toewijzen, met ingang van 1 juli 2015. Dit betekent mede dat [gedaagde] [eiser] daarvoor in het rooster voor het nieuwe schooljaar 2015/2016 dient in te roosteren en dat hij – gelijk als voorheen – moet worden betrokken bij de voorbereiding en invulling van het studieprogramma en bijbehorende werkzaamheden. Daarbij wordt opgemerkt dat ook deze kantonrechter zich kan voorstellen dat daaraan voorafgaand, in juni 2015, een gesprek tussen partijen plaatsvindt en later eventueel aangevuld met andere betrokken om de lucht te klaren.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd zoals hieronder staat vermeld.

4.14.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 77,94

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 600,00

Totaal € 755,94

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om [eiser] met ingang van 1 juli 2015, toe te laten tot het verrichten van zijn bedongen werkzaamheden als docent binnen het Team Internationaal met als standplaats [woonplaats], zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor ieder dag dat [gedaagde] geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft om aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,00.

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 755,94.

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Manuel en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.