Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4055

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
16.660073-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging voor poging tot zware mishandeling op 2 november 2014 in Hilversum. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte als gevolg van de noodweersituatie in een gemoedsbeweging verkeerde waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.660073-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1957] te [geboorteplaats],

wonende [adres] te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden op 22 mei 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Kraal, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 2 november 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een dumbbell althans een zwaar en/of hard voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 2 november 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een verbrijzeld en/of gebroken sleutelbeen en/of schouderblad), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het lichaam te slaan/stompen en/of een (zogenaamde) kopstoot te geven (waarbij/waarna voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of meermalen, althans eenmaal, met een dumbbell althans een zwaar en/of hard voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 2 november 2014 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of die [slachtoffer] een (zogenaamde) kopstoot heeft gegeven (waarbij/waarna voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen) en/of meermalen, althans eenmaal, met een dumbbell althans een zwaar en/of hard voorwerp, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] (verder: aangever), het aantreffen van aangever, het aantreffen van bloed in de woning waar verdachte verbleef, de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de bekennende verklaring van verdachte. Er is sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever doordat verdachte aangever met een dumbbell op het hoofd heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken, aangezien er geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op de dood van aangever. Noch uit de getuigenverklaring noch uit het geconstateerde letsel kan worden afgeleid dat aangever met een dumbbell op het hoofd is geslagen.

Ten aanzien van het subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich onthouden van een standpunt ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen.

Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat hij op 2 november 2014 in een woning in Hilversum was. In de woning waren aangever, verdachte en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] aanwezig. Aangever was bij aankomst in de woning onder invloed van alcohol en heeft veel bier gedronken toen hij in de woning was, en ook een fles whisky. Aangever wist niet meer wat er is voorgevallen, maar een dag later werd hij met letsel wakker in het ziekenhuis. Aangever hoorde dat hij was geslagen door verdachte.2

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij in zijn kamer was en wakker werd doordat aangever zijn kamer betrad. Aangever vloekte en sloeg verdachte. Vervolgens sloeg verdachte aangever en gaf verdachte aangever een kopstoot, waardoor aangever viel in een naastgelegen kamer. Aangever ging hierop schreeuwen en bedreigde verdachte met de dood en had hierbij een voorwerp van een halve meter in zijn handen. Verdachte pakte de dumbbell en sloeg aangever op het moment dat aangever aanstalten maakte om verdachte te slaan. Aangever maakte een slaande beweging met het voorwerp dat hij in zijn handen had. Verdachte raakte met de dumbbell aangever op zijn bovenarm.3

Uit de letselverklaring blijkt dat bij aangever letsel is geconstateerd, te weten een gebroken sleutelbeen links, een hersenschudding, een oppervlakkige verwonding van de huid van ongeveer 5 centimeter op het achterhoofd achter het rechteroor, een verwonding van de huid van ongeveer 3 centimeter bij de linker wenkbrauw naast het linkeroog, twee oppervlakkige verwondingen op het voorhoofd en een zestal oppervlakkige verwondingen midden op de rug.4

Uit een proces-verbaal sporenonderzoek blijkt dat de dumbbell een halter betrof die 2,3 kilogram woog en een lengte had van 36 centimeter.5

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen, een kopstoot heeft gegeven en met een zwaar en hard voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen.

Primair.

Niet vastgesteld kan worden dat verdachte met een dumbbell (althans een zwaar en/of hard voorwerp) aangever tegen het hoofd heeft geslagen. De rechtbank is, evenals de raadsman, van oordeel dat uit het geconstateerde letsel niet afgeleid kan worden dat aangever tegen het hoofd is geslagen met een dumbbell.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

Subsidiair.

De rechtbank zal verdachte eveneens vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde, aangezien het geconstateerde letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt. Er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in 82 van het Wetboek van Strafrecht dan wel van letsel dat te beschouwen is als voldoende belangrijk letsel om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Meer subsidiair.

Zoals gesteld acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever tegen het lichaam heeft geslagen, een kopstoot heeft gegeven en met een zwaar en hard voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen.

De hiervoor omschreven handelingen kunnen zwaar lichamelijk letsel tot gevolg hebben en zijn daarmee uitvoeringshandelingen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De handelingen van verdachte moeten, gezien de uiterlijke verschijningsvorm, ook geacht worden op dat letsel gericht te zijn geweest. In ieder geval heeft verdachte door aldus te handelen, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel op zou lopen.

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

Meer subsidiair

hij op 2 november 2014 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) tegen het lichaam heeft geslagen en die [slachtoffer] een (zogenaamde) kopstoot heeft gegeven (waarna voornoemde [slachtoffer] ten val is gekomen) en met een zwaar en hard voorwerp (met kracht) tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Van het meer subsidiair meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Meer subsidiair:

Poging tot zware mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van noodweer dan wel noodweerexces. Er is geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uit de verklaring van verdachte (pagina 65 van het dossier) volgt dat hij terug liep naar zijn kamer om vervolgens een dumbbell te pakken en daarmee aangever te slaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde bepleit dat er sprake is van noodweer dan wel noodweerexces en derhalve de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat aangever ongenodigd de kamer van verdachte betrad. Er is sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van aangever jegens verdachte, aangezien aangever verdachte aanviel.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij in zijn kamer was en wakker werd doordat aangever zijn kamer betrad. Aangever vloekte en sloeg verdachte. Vervolgens sloeg verdachte aangever en gaf verdachte aangever een kopstoot, waardoor aangever viel in een naastgelegen kamer. Aangever ging hierop schreeuwen en bedreigde verdachte met de dood en had hierbij een voorwerp van een halve meter in zijn handen. Verdachte pakte de dumbbell en sloeg aangever op het moment dat aangever aanstalten maakte om verdachte te slaan. Aangever maakte een slaande beweging met het voorwerp dat hij in zijn handen had. Verdachte raakte met de dumbbell aangever op zijn bovenarm.

De verklaring van verdachte vindt steun in de verklaring van de getuige [getuige 1]. Uit haar verklaring blijkt dat aangever naar de kamer van verdachte liep, terwijl iedereen zou weten dat niemand op verdachtes kamer mag komen. De getuige [getuige 2] riep: “Je moet nu naar beneden komen. Niet naar boven, dat is privé. Wat zei ik nou, niet naar boven.”. Voorts blijkt dat zij hoorde dat aangever en verdachte gingen vechten.

Uit de verklaring van de getuige [getuige 2] blijkt dat aangever in de woning naar boven is gelopen en de getuige aangever waarschuwde dat niet te doen. Toen de getuige boven kwam wilde aangever verdachte weer aanvallen. Aangever zei dat hij verdachte wilde neerschieten of vermoorden.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte aannemelijk. De verklaring van verdachte wordt niet weersproken door de bewijsmiddelen. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat aannemelijk is dat er voor verdachte sprake was van een noodweersituatie. Er bestond immers een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich diende te verweren. Verdachte is slecht ter been en bevond zich in een kleine ruimte. Een dronken aangever kwam de kamer van verdachte op en bedreigde verdachte en sloeg hem.

Het handelen van verdachte voldoet echter niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank verwerpt derhalve het door de verdediging gedane beroep op noodweer.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte een beroep toekomt op noodweerexces. De Hoge Raad6 heeft omtrent noodweerexces het volgende overwogen:

“Van overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging kan slechts sprake zijn indien:

  1. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is, dan wel indien

  2. op het tijdstip van de aan de verdachte verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar is beëindigd en derhalve de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, doch niettemin deze gedraging het onmiddellijk gevolg is van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding (vgl. HR 18 mei 1993, NL 1993, 691).”

De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte als gevolg van de noodweersituatie in een gemoedsbeweging verkeerde waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Aangever maakte een slaande beweging naar verdachte met een voorwerp en bedreigde hem. De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte een voorwerp pakte dat binnen handbereik was, in dit geval een halter. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de verminderde mobiliteit van verdachte en de kleine ruimte waarin hij zich met aangever bevond. De rechtbank honoreert dan ook het door de verdediging gedane beroep op noodweerexces.

De rechtbank zal verdachte derhalve ontslaan van alle rechtsvervolging wegens het hem toekomende beroep op noodweerexces.

8 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.850,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien verdachte dient te worden vrijgesproken dan wel ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] dient, gelet op het bepaalde in artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, in zijn vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de verdachte voor het onder meer subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar is.

9 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen hetgeen primair en subsidiair aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde feit niet strafbaar;


- ontslaat de verdachte voor het bewezen verklaarde feit van alle rechtsvervolging;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. R.D. van Heffen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2015.

Mr. L.M.G. de Weerd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0900-2014313302, doorgenummerd 1 tot en met 78.

2 Pagina’s 11 en 12.

3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 mei 2015.

4 Pagina 73.

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal sporenonderzoek met nummer PL0900-2014313302-29, opgemaakt en ondertekend op 29 december 2014 door [verbalisant].

6 Hoge Raad 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5716.