Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:4006

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
05-06-2015
Zaaknummer
16.660057-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode wederrechtelijk geld heeft weggenomen van de bankrekening van aangeefster met haar pinpas en de bijbehorende pincode. Het oogmerk daartoe bestond op het moment dat verdachte ging pinnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.660057-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 mei 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1950] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting

van 17 april 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, advocaat te Groningen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. van Collenburg en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 31 mei 2011

tot en met 26 oktober 2013 in de Gemeente Lelystad, en/of elders in Nederland,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een

pinautomaat)heeft weggenomen een geldbedrag van (in totaal) 43.450,00 euro,

althans een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of het weg te nemen geld onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (pinpas met

bijbehorende pincode);

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 mei 2011

tot en met 26 oktober 2013 in de Gemeente Lelystad, en/of (elders) in

Nederland (telkens) opzettelijk een geldbedrag van (in totaal) 43.450,00 euro,

althans een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorend aan [aangever 1] en/of [aangever 2], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) verdachte

(telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door opnamen met

de van voornoemde personen ontvangen pinpas(sen) en pincode(s) van hun

bankrekening(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op basis van de aangifte, het proces-verbaal van bevindingen betreffende het dossier van Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland (MDF) over het contact met aangeefster en de getuigenverhoren van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Zij acht de verklaring van verdachte, dat hij in overleg en met toestemming van aangeefster heeft gehandeld, niet geloofwaardig.

Primair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van diefstal van € 43.450,00, omdat verdachte het geld van aangeefster met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen door aangeefster onjuist te informeren over het daadwerkelijke doel van het opnemen van het geld.

Subsidiair, ervan uitgaande dat verdachte toestemming had van aangeefster om het geld op te nemen, levert het handelen van verdachte verduistering op nu er in elk geval geen toestemming was voor het vervolgens zich toe-eigenen van het geld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich het geld van aangeefster wederrechtelijk heeft toegeëigend of het oogmerk daartoe had. De verklaring van aangeefster staat lijnrecht tegenover de verklaring van verdachte en er is geen steunbewijs dat sprake is geweest van (oogmerk van) wederrechtelijke toe-eigening van het geld.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de optelsom van het gepinde geld in 2011 in het dossier onjuist is en dat het totaalbedrag dat zou zijn gestolen of verduisterd daarmee komt op maximaal € 43.450,-. Op dit bedrag dient het geld dat is geschonken, in ieder geval de € 5.600,- van het gekochte bed en de € 4.000,- waarover de heer [aangever 1] tegen het MDF heeft gesproken, in mindering te worden gebracht. Tot slot dient de verklaring van aangeefster dat verdachte geld van haar mocht gebruiken bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag te worden betrokken, waarbij de raadsvrouw zich refereert aan het oordeel van de rechtbank over de hoogte van dat bedrag.

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Uit de bankafschriften van aangeefster van haar bankrekening bij de ABN AMRO van de jaren 2012 en 2013 volgt dat de volgende totaalbedragen zijn opgenomen bij een geldautomaat:

  • -

    in 2012 € 36.500;

  • -

    in 2013 € 11.000.2

In totaal is er in de periode 2012 tot en met 2013 een bedrag van € 47.500,- opgenomen. Uit het bankafschriften dossier blijkt dat de opnames telkens te Lelystad hebben plaatsgevonden.3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode van 2012 tot en met 2013 geld van de rekening van aangeefster heeft opgenomen met de pinpas van aangeefster, waarvan hij als enige de pincode wist.4

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte na het overlijden van haar man haar volledige administratie deed en dat hij daartoe beschikte over de bankpas met bijbehorende pincode. Naast het betalen van de rekeningen kreeg zij maandelijks van verdachte € 300,- en soms

€ 400,- leefgeld.5 Verdachte mocht zeker geen € 1000,- van haar rekening pinnen, zij wist niet eens dat hij elke keer € 1000,- pinde, en zij heeft nooit toestemming gegeven om zo’n groot bedrag in één keer te kunnen pinnen.6 Wel kwam verdachte op enig moment met de mededeling dat er geld van haar rekening gehaald moest worden, omdat aangeefster dit anders aan de belasting zou moeten betalen. Dit geld zou verdachte in zijn kluis bewaren.7 Toen aangeefster meedeelde dat zij haar geld terug wilde hebben, gaf verdachte aan dit niet te hebben.8

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van het vorengaande vast dat verdachte in de ten laste gelegde periode geld heeft opgenomen van de bankrekening van aangeefster met haar pinpas en de daarbij behorende pincode. Er zijn geen aanwijzingen dat iemand anders dan verdachte geld van de bankrekening van aangeefster heeft opgenomen. Verdachte had als enige het pinpasje en de pincode tot zijn beschikking.

Uit het dossier volgt dat verdachte voor een deel van die pintransacties toestemming heeft gekregen van aangeefster om geld op te nemen. Uit de aangifte blijkt echter dat aangeefster niet voor alle geldopnames toestemming heeft gegeven. Alleen verdachte verklaart dat er toestemming zou zijn gegeven door aangeefster. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig, omdat hij zowel bij de politie als ter terechtzitting wisselende verklaringen heeft afgelegd over de hoogte van de door hem gepinde bedragen, over de frequentie van het pinnen en over wat er met het opgenomen geld is gebeurd. In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat er een fiscale reden was om een groot geldbedrag van de bankrekening van aangeefster op te nemen, omdat aangeefster door de voor haar als oudere geldende regels geen vermogensbelasting behoefde te betalen onder een zeer groot vrijgelaten bedrag.

Het deel van het geld dat verdachte zonder toestemming van aangeefster van haar rekening heeft opgenomen, heeft hij zich wederrechtelijk toegeëigend. Het oogmerk daartoe bestond op het moment dat hij ging pinnen. Verdachte had weliswaar de pinpas en de bijbehorende pincode van aangeefster rechtmatig onder zich, maar die rechtmatigheid geldt niet ten aanzien van de pintransacties die zonder toestemming van aangeefster zijn gedaan. De als eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde diefstal met een valse sleutel kan daarom bewezen worden.

De als tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde verduistering kan ook wettig en overtuigend bewezen worden voor de geldbedragen die met toestemming van aangeefster zijn opgenomen. Verdachte mocht geld van aangeefster opnemen met als doel om dat ten behoeve van haar te bewaren, dus had hij dit geld rechtmatig onder zich. Verdachte had zich (een deel van) dat geld echter niet mogen toe-eigenen. Uit de aangifte blijkt dat hij dat wel heeft gedaan.

Omdat niet precies kan worden vastgesteld welk bedrag verdachte heeft gestolen en welk bedrag verdachte heeft verduisterd, zal de rechtbank geen concrete bedragen bewezen verklaren.

Anders dan de officier van justitie gaat de rechtbank bij de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten uit van een periode van 9 februari 2012 tot en met 26 oktober 2013, nu niet duidelijk is geworden of verdachte vóór het overlijden van de man van aangeefster al dan niet met toestemming (van aangeefster dan wel van haar man) geld van de rekening heeft opgenomen.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op de wijze zoals blijkt uit de bewezenverklaring.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op tijdstippen in de periode van 9 februari 2012 tot en met 26 oktober 2013 in de Gemeente Lelystad, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een

pinautomaat) heeft weggenomen meer geldbedragen, toebehorende aan [aangever 2], waarbij verdachte het weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (pinpas met bijbehorende pincode);

en

hij op tijdstippen in de periode van 9 februari 2012 tot en met 26 oktober 2013 in de Gemeente Lelystad, (telkens) opzettelijk meer geldbedragen, toebehorend aan [aangever 2], en welke geldbedragen verdachte (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door opnamen met de van voornoemde persoon ontvangen pinpas en pincode van haar bankrekening, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Van het onder het eerste cumulatief alternatief en het tweede cumulatief alternatief meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Het eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde:

Verduistering, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uur.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht er rekening mee te houden dat verdachte nooit eerder in aanraking is gekomen met justitie en dat hij naar beste kunnen heeft meegewerkt aan het onderzoek.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en verduistering van geldbedragen door al dan niet met toestemming geld te pinnen en zich dat geld (deels) toe te eigenen. Het slachtoffer is een bejaarde vrouw, die verdachte al zo’n 30 jaar kende en die verdachte haar financiële administratie heeft toevertrouwd. Verdachte heeft slechts uit hang naar financieel gewin gehandeld en heeft hierbij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte behoorlijke financiële schade opgelopen. Daarnaast brengen dit soort feiten gevoelens wantrouwen, onrust en onveiligheid met zich.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, blijkens een op zijn naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 februari 2015.

Gelet op het voorgaande, omdat zowel de ten laste gelegde diefstal als de ten laste gelegde verduistering bewezen is verklaard en vanwege de grote hoeveelheid geld die met het strafbare handelen van verdachte is gemoeid, acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.

9 SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte geldbedragen van [aangever 2] heeft gestolen dan wel verduisterd. Hoewel niet kan worden vastgesteld welke bedragen met toestemming en welke bedragen zonder toestemming van aangeefster door verdachte wederrechtelijk zijn toegeëigend, acht de rechtbank redelijk en billijk dat aan [aangever 2] een totaalbedrag van € 22.800,- wordt vergoed. Dit bedrag is gebaseerd op de volgende feiten en omstandigheden.

Zoals al eerder overwogen, gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte vanaf 9 februari 2012, na het overlijden van de man van [aangever 2], zich geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het totaal aan opgenomen geldbedragen in die periode bedraagt een bedrag van € 40.400,-.

Op basis van de verklaring van [aangever 2] wordt ervan uitgegaan dat verdachte van het opgenomen geld € 400,- leefgeld per maand contant aan haar heeft gegeven. Het aantal maanden berekend vanaf februari 2012 tot november 2013 is 21. Het door aangeefster totaal ontvangen leefgeld bedraagt daarmee € 8.400,-.

Daarnaast blijkt uit de verklaring van [aangever 2] dat zij een bedrag ter hoogte van € 3.500,- heeft geschonken aan [verdachte] voor de aanschaf van slaapkamermeubilair .

Totaal opgenomen februari 2012 tot november 2013 € 40.400,00

Totaal leefgeld februari 2012 tot november 2013 € 8.400,00 –

Geschonken geldbedrag aankoop slaapkamermeubilair € 3.500,00 –

-----------------

Totaal € 28.500,00

Op basis van de verklaring van [aangever 2], dat [verdachte] wel wat geld van haar rekening mocht gebruiken, zal de rechtbank het voornoemde bedrag verlagen tot een bedrag van € 25.000,00.

Tot slot dient op dit bedrag € 2.200,00 in mindering te worden gebracht, omdat dit bedrag bij [verdachte] in de kluis is aangetroffen en in beslag is genomen en reeds aan [aangever 2] is geretourneerd. Hiermee komt het aan [aangever 2] te vergoeden bedrag op € 22.800,00.

Omdat [aangever 2] geen vordering benadeelde partij heeft ingediend, zal de rechtbank ambtshalve aan verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van

€ 22.800,00, bij gebreke van betaling te vervangen door hechtenis voor de duur van 149 dagen, te betalen ten behoeve van benadeelde [aangever 2].

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 310, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het eerste cumulatief alternatief en het tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder het eerste cumulatief alternatief en het tweede cumulatief alternatief meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze, zoals hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 240 uren;

Schadevergoedingsmaatregel

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 22.800,00 ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 149 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan het slachtoffer komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan het slachtoffer daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en R.D. van Heffen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Verstraaten, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2015.

Mrs. De Weerd en Van Heffen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2014007371, doorgenummerd 1 tot en met 166.

2 Pagina 131.

3 Bankafschriften [aangever 2], onderdeel uitmakend van het ongenummerde “bankafschriften Dossier”.

4 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2015.

5 Pagina 14.

6 Pagina 18.

7 Pagina.15.

8 Pagina 15.