Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3943

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
16/661149-15; 16/016850-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man tot 26 maanden gevangenisstraf waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar voor poging doodslag. De rechtbank stelt naast de algemene voorwaarden als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich moet melden bij Tactus en zich blijven melden zo frequent en lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Ook moet verdachte zich laten behandelen in het Piet Roordakliniek voor maximaal een jaar.

De rechtbank rekent de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe. Ook is rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten aanleiding zouden kunnen zijn tot het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name de wenselijkheid van een ononderbroken behandeling in de Piet Roordakliniek, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie grotendeels overnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummers: 16/661149-15; 16/016850-15 (ter terechtzitting gevoegd) (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 4 juni 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

thans verblijvende in de Piet Roordakliniek te Zutphen.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. H.M.G. Peters, advocaat te Breukelen.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

Feit 1 primair: op 6 februari 2015 te Amersfoort heeft geprobeerd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk te doden, door als bestuurder van een personenauto met een snelheid van 140 km/h in te rijden op het dienstvoertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten en/of dat voertuig op zeer korte afstand is genaderd;

Feit 1 subsidiair: op 6 februari 2015 te Amersfoort heeft geprobeerd [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door als bestuurder van een personenauto met een snelheid van 140 km/h in te rijden op het dienstvoertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten en/of dat voertuig op zeer korte afstand is genaderd;

Feit 1 meer subsidiair: op 6 februari 2015 te Amersfoort [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door opzettelijk meermalen als bestuurder van een personenauto met een snelheid van 140 km/h in te rijden op het dienstvoertuig waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten en/of dat voertuig op zeer korte afstand is genaderd;

Feit 2: op 6 februari 2015 te Amersfoort en/of te Hilversum en/of te Laren als bestuurder van een personenauto, terwijl hij onder invloed was van cocaïne, gedragingen heeft verricht waardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

op 31 december 2014 te Leusden uit een bedrijfsautomaat van Sita Recycling Leusden geld heeft gestolen door middel van braak.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Wat betreft feit 1 heeft de officier van justitie gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen. Verdachte is weliswaar van rechts naar links gereden om de politie achter zich te houden, maar er was geen sprake van een inrijdende beweging.

Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat verdachte geen opzet heeft gehad om toe of in te rijden op de auto waarin [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zaten.

Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van een poging doodslag of een poging zware mishandeling, omdat verdachte uit vrije wil direct weer terugstuurde. Er is dus sprake van vrijwillige terugtred.

Uiterst subsidiair kan volgens de verdediging niet worden bewezen dat verdachte opzet had om de agenten van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. In het uiterst subsidiaire geval kan slechts de meer subsidiair ten laste gelegde bedreiging worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor het ten laste gelegde cocaïnegebruik. Ook dient vrijspraak te volgen van de ten laste gelegde snelheden, nu de exacte snelheden nergens zijn gemeten of anderszins zijn vastgesteld.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte het ten laste gelegde feit bekent.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:1

Verdachte heeft verklaard dat hij op Isselt politie tegenkwam. Hij ging rijden via de A1, Hilversum, Amersfoort. Hij ging zigzaggen. Hij reed met zijn eigen auto, een Chevrolet.2

Verdachte heeft verder verklaard dat hij onder invloed van cocaïne was.3

Verdachte heeft ook verklaard dat hij een keer op de verkeerde rijbaan in Nieuwland, Amersfoort, was en dat de maximaal toegestane snelheid op industrieterrein De Isselt 50km/u is.4

Bewijsmiddelen feit 1:

Verbalisant [verbalisant 1] was op 6 februari 2015 bijrijder van een opvallend dienstvoertuig. Haar collega [verbalisant 2] was de bestuurder. Ter hoogte van de Larenseweg, gemeente Laren, zag zij het verdachte voertuig rijden. Ze zag dat [verbalisant 2] en zij de A1 op reden. Zij werden het eerst achtervolgende voertuig. Zij zag dat haar collega [verbalisant 2] op de eerste rijbaan reed. Zij zag dat zij met hun voertuig gelijk naast de verdachte reden. Terwijl zij de verdachte recht in zijn ogen aankeek, zag zij dat hij een stuurbeweging maakte met zijn voertuig hun kant op. Zij zag dat hij naar links stuurde en zag hierbij zijn voertuig richting hun voertuig komen. Zij zag dat de verdachte terug stuurde naar rechts. Zij hadden links van hen alleen de vangrail en konden niet uitwijken.

Zij zag dat de verdachte heel snel een stuurbeweging maakte, wederom naar links richting hun voertuig. Zij keek hierbij in de ogen van de verdachte. In een oogopslag zag zij op de kilometerteller van hun dienstvoertuig dat zij 140 km/u reden.5

De verdachte is aangehouden. Verdachte: [verdachte], geboren op [1988] te [geboorteplaats].6

Verbalisant [verbalisant 2] was op 6 februari 2015 de bestuurder van een opvallend dienstvoertuig. Hij was samen met collega [verbalisant 1], die naast hem op de bijrijdersstoel zat. Hij is als eerste voertuig met optische en geluidsignalen achter de verdachte gaan rijden. Hij heeft een inhaalmanoeuvre ingezet. Hij zag dat de verdachte plotseling een stuurbeweging maakte naar links. Hij zag dat het voertuig op zijn dienstvoertuig afkwam. Hij zag dat hij hierna direct terugstuurde. Hij was zich ervan bewust dat er links van hem bijna tot geen uitwijkruimte was. Links naast hem was direct een vangrail. Ik hoorde mijn collega schreeuwen dat hij ons wederom wilde rammen. Hij zag dat ditmaal het voertuig in zijn beleving twee keer zo snel naderde. Hij moest hierbij een uitwijkmanoeuvre inzetten met ongeveer 145 km/u naar de linkerzijde van de rijstrook. Dit om te voorkomen dat de verdachte met zijn voertuig hen zou aanrijden.7

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben in een aanvulling op de hierboven genoemde processen-verbaal aanvullend geverbaliseerd. Verbalisanten zagen dat verdachte op hun dienstvoertuig af kwam rijden. De tussenafstand tussen het voertuig van verdachte en hun dienstvoertuig was ongeveer 1,5 meter. Direct hierna stuurde verdachte terug naar rijstrook twee (de rechter rijstrook van twee rijstroken). Het voertuig van verdachte schoot daarop abrupt en snel richting verbalisanten. Verbalisanten zagen dat het voertuig hen bijna raakte. [verbalisant 1] schat dat de afstand tussen hun dienstvoertuig en het voertuig van verdachte ongeveer 30 centimeter was. [verbalisant 2] verklaart dat hij naar links moest uitwijken en een noodremming moest uitvoeren. De afstand tussen het dienstvoertuig en de vangrail aan de linkerzijde was daarop ongeveer 30 centimeter.8

Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de verdachte de oprit van de A1 ter hoogte van toerit Laren opreed. Hij zag dat verdachte zijn snelheid verhoogde tot ongeveer 160 km/u. Hij zag dat de verdachte zich op de tweede rijstrook bevond. Hij zag dat de auto van de Landelijke Eenheid over de eerste rijstrook de verdachte wilde passeren. Hij zag dat het voertuig van de verdachte plots van richting veranderde. Hij zag namelijk dat het voertuig ineens in de richting van het voertuig van de Landelijke Eenheid reed. Hij zag dat de auto van de Landelijke Eenheid naar links moest uitwijken en tevens de retoucheerstrook nodig had om een aanrijding te voorkomen.9

Bewijsmotivering feit 1:

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat de tweede stuurbeweging die verdachte heeft gemaakt een inrijdende beweging op het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is geweest. Het standpunt dat verdachte geen inrijdende beweging heeft gemaakt, wordt dus weerlegd door de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. [verbalisant 1] heeft verklaard dat zij zowel tijdens de eerste als de tweede stuurbeweging oogcontact met verdachte had. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het daarom niet anders zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door zijn gedraging zou inrijden op het voertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij als gevolg van de inrijdende beweging van verdachte een uitwijkmanoeuvre moest inzetten om te voorkomen dat verdachte hen zou aanrijden. Dit wordt bevestigd door verbalisant [verbalisant 3]. Dat geen aanrijding heeft plaatsgevonden is dus het gevolg geweest van een niet van de wil van verdachte afhankelijke omstandigheid, zodat het beroep op vrijwillige terugtred moet worden verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat naar de aard van de gedraging van verdachte, te weten het inrijden op het dienstvoertuig van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], en de omstandigheden waaronder hij deze heeft verricht, namelijk rijdende met een snelheid van ongeveer 140 km/u terwijl het dienstvoertuig zich naast hem bevond en dit voertuig weinig tot geen uitwijkruimte had, verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn gedraging een ongeval zou kunnen plaatsvinden waardoor de inzittenden van dat voertuig zouden kunnen komen te overlijden. Indien twee auto’s met die snelheid met elkaar in aanraking komen is naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk dat een dusdanig ongeval zou kunnen plaatsvinden dat een bestuurder komt te overlijden. Dat is niet anders indien het een geoefend bestuurder blijkt te betreffen.

Bewijsmiddelen feit 2:

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] reden op 6 februari 2015 in een dienstvoertuig op het industriegebied De Isselt. Zij zagen een personenauto rijden. Zij zagen dat het voertuig linksaf sloeg en de Heliumweg op reed. De bestuurder verhoogde zijn snelheid naar ongeveer 100 km/u.

Vervolgens zagen zij dat het voertuig linksaf sloeg de N199/Bunschoterstraat op. Zij zagen dat de snelheid opgelopen was tot 120 km/u. Zij zagen dat het voertuig een Chevrolet was. Vervolgens zagen zij dat het voertuig zijn snelheid weer verhoogde en op hen uitliep. Zij reden op dat moment 130 km/u. Zij zagen dat de bestuurder bleef rijden met een snelheid van ongeveer 130 km/u waar 80 km/u was toegestaan.10 Zij zagen dat de achtervolging verder ging op de Jonkvrouw Foeytweg. Zij zagen dat het voertuig linksaf sloeg op de rotonde. Zij zagen op dat moment dat het voertuig aan het spookrijden was. Zij zagen dat het voertuig rechtsaf sloeg de Nijkerkerstraat op. Ze zagen dat het voertuig de kruising Nijkerkstraat / Amersfoortsestraat overstak en daarbij een vrachtwagen, welke van rechts kwam, op een haar na miste.11

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben gerelateerd dat alle genoemde straatnamen zich in de gemeente Amersfoort bevinden.12

Verbalisant [verbalisant 3] reed op 6 februari 2015 in een politievoertuig te Amersfoort. Hij zag dat de verdachte de kruising tussen de Nijkerkstraat en de Westerdorpstraat naderde. Hij zag dat op dat moment een witte vrachtwagen de kruising op kwam rijden, komende vanaf de Amersfoortseweg. Hij zag dat de verdachte met hoge snelheid over de kruising reed zonder daarbij af te remmen of voorrang te verlenen aan het overige verkeer. Hij zag dat de chauffeur van de vrachtwagen ternauwernood een aanrijding kon voorkomen door extreem hard te remmen.

Hij zag dat de verdachte de Rijksweg A1 opreed richting Amsterdam. Hij zag dat de verdachte zijn snelheid verhoogde tot ongeveer 160 km/u.

Hij zag dat verdachte met een snelheid van meer dan 100 km/u de kruising overstak van de Bergpas met de op- en afrit A1-Amersfoort Noord. Hij zag dat verdachte hierbij niet afremde en een rood verkeerslicht negeerde. Hij zag dat de verdachte wederom de Rijksweg A1 op reed richting Amsterdam. Hij zag dat verdachte zijn snelheid verhoogde tot ongeveer 160 km/u.13

Verbalisant [verbalisant 3] zag dat de verdachte de oprit van de A1 ter hoogte van toerit Laren opreed. Hij zag dat verdachte wederom zijn snelheid verhoogde tot ongeveer 160 km/u. Hij zag dat de verdachte zich op de tweede rijstrook bevond. Hij zag dat de auto van de Landelijke Eenheid over de eerste rijstrook de verdachte wilde passeren. Hij zag dat het voertuig van de verdachte plots van richting veranderde. Hij zag namelijk dat het voertuig ineens in de richting van het voertuig van de Landelijke Eenheid reed. Hij zag dat de auto van de Landelijke Eenheid naar links moest uitwijken en tevens de retoucheerstrook nodig had om een aanrijding te voorkomen.14

Bewijsmotivering feit 2:

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is voor het ten laste gelegde cocaïnegebruik. Daarin volgt de rechtbank de verdediging niet. De verdachte heeft bekend dat hij ten tijde van het tenlastegelegde onder invloed van cocaïne was. Artikel 341, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt weliswaar dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van de verdachte, maar het is vaste rechtspraak dat dit voorschrift de tenlastelegging als geheel betreft en niet ieder afzonderlijk onderdeel. De verklaring van verdachte is dus voldoende voor een bewijsverklaring op dit punt.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Nu verdachte dit ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering met hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.

1. de bekennende verklaring van verdachte;15

2. de aangifte van [aangever] namens Sita Recycling Leusden.16

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

Feit 1 primair:

op 6 februari 2015 in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal, als bestuurder van een personenauto met zeer hoge snelheid, te weten circa 140 km/u, is ingereden op het dienstvoertuig waarin die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich bevonden/reden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2:

op 6 februari 2015 in de gemeente Amersfoort en/of Laren en/of Hilversum, in elk geval in het arrondissement Midden-Nederland, als bestuurde van een voertuig, personenauto, daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, terwijl hij, verdachte, onder invloed was van cocaïne,

  • -

    op de Heliumweg heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/u, en

  • -

    vervolgens op de N199/Bunschoterweg heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 km/u, en

  • -

    vervolgens op de Jonkvrouw Foeytweg op de weghelft/rijbaan die bestemd is voor het tegemoet komend verkeer is gaan rijden en blijven rijden en aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan rijden en blijven rijden (zogenaamd spookrijden), en

  • -

    vervolgens op de Nijkerkerstraat, op de kruising van die weg met de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Amersfoortseweg, een voor hem van rechts komende bestuurde van een vrachtwagen geen voorrang heeft verleend, immers die bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, tengevolge waarvan de van rechts komende vrachtwagen hard moest afremmen, teneinde een aanrijding met de personenauto van hem, verdachte, te voorkomen, en

  • -

    vervolgens op de afrit Amersfoort A1 – Amersfoort Noord, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij met onverminderde snelheid doorgereden, en

  • -

    vervolgens op de Rijksweg A1 richting Amsterdam heeft gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 130 km/u, en

  • -

    vervolgens op de Rijksweg A1 richting Amersfoort meerdere malen is ingereden op een dienstvoertuig en dat dienstvoertuig op korte afstand is genaderd, waardoor dit dienstvoertuig moest uitwijken en moest afremmen om een aanrijding met de personenauto van hem, verdachte, te voorkomen,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

op 31 december 2014 te Leusden met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfsautomaat heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan Sita Recycling Leusden, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

Feit 1 primair: Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van feit 1 en het 7e gedachtestreepje van feit 2 sprake is van eendaadse samenloop. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan echter geen sprake, omdat de strekking van de betrokken strafbepalingen (artikel 287 Sr en artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994) niet vergelijkbaar is.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt.

Bij de stukken van het dossier bevindt zich de rapportage Pro Justitia van 10 april 2015, opgemaakt door [A], GZ-psycholoog. Deze rapportage houdt onder meer in dat verdachte vanaf zijn basisschooltijd bekend is met impulsiviteit, (motorische) onrust en een slechte concentratie. Vanaf zijn 17e gebruikt hij cocaïne, aanvankelijk voor de kick, maar de laatste periode ook steeds vaker als wijze om minder stress te ervaren. Er is bij verdachte sprake van een psychiatrische stoornis, te weten een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit en cocaïne afhankelijkheid. In de persoonlijkheid van verdachte zijn ook antisociale kenmerken zichtbaar, maar door de grote overlap met de psychiatrische stoornis zijn er onvoldoende gronden om te spreken van een persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het ten laste gelegde waren de psychiatrische stoornissen aanwezig en werden de gedragskeuzes daardoor beïnvloed. Verdachte is in enigszins beperkte mate in staat geweest zijn wil conform zijn inzicht te bepalen. Bout adviseert om de feiten in verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en volgt dit advies.

Gelet op het voorgaande kunnen de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte worden toegerekend, zodat hij, zij het in verminderde mate, strafbaar is voor zijn handelen.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie in de zaak met parketnummer 16/661149-15 bewezen geachte feit 1 primair en het in de zaak met parketnummer 16/016850-15 bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 28 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden zouden moeten worden gesteld reclasseringstoezicht met een ambulante behandeling en het voortzetten van de klinische behandeling in de Piet Roordakliniek zolang als de kliniek dat nodig acht, doch voor maximaal 1 jaar.

De officier van justitie heeft verder gevorderd dat verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 16/661149-15 bewezen geachte feit 1 primair zal worden veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 5 jaren.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat ten aanzien van de in de zaak met parketnummer 16/661149-15 bewezen geachte overtreding (feit 2) een geldboete zal worden opgelegd van € 100,-.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen reden is verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen, omdat het CBR al maatregelen heeft getroffen. Verdachte moet meewerken aan een onderzoek naar zijn drugsgebruik (bestaande uit een lichamelijk en een psychiatrisch onderzoek). Ook is de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst. Dat blijft in ieder geval zo lopende het onderzoek en mogelijk langer. Een tweede ontzegging is ongewenst.

De verdediging heeft verder verzocht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen. Wat betreft de straf voor de overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeersweg 1994 sluit de verdediging zich aan bij de eis van de officier van justitie.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door met hoge snelheid met zijn auto op hun dienstvoertuig in te rijden, terwijl zij weinig tot geen ruimte hadden om uit te wijken. Het is aan de stuurmanskunst van [verbalisant 2], en niet aan verdachte, te danken dat geen daadwerkelijke aanrijding heeft plaatsgevonden. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij op deze manier het leven van twee mensen op het spel heeft gezet. Voor en na deze poging tot doodslag heeft een achtervolging plaatsgevonden waarbij verdachte zeer gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan diefstal met braak van geld uit een bedrijfsautomaat van zijn toenmalige werkgever. Dit is een ergerlijk feit, dat schade en overlast meebrengt voor de benadeelde.

Zoals hiervoor overwogen rekent de rechtbank de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe. Ten aanzien van de persoon van verdachte houdt de rechtbank verder rekening met de justitiële documentatie van 6 mei 2015 waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Ook houdt de rechtbank rekening met de reclasseringsadviezen van Tactus Verslavingszorg van 13 februari 2015, 15 april 2015 en 4 mei 2015. De reclassering adviseert om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij in het kader van reclasseringstoezicht met de reeds ingezette klinische behandeling kan worden ingezet op problematische leefgebieden ter voorkoming van recidive. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting en een klinische opname op te leggen.

In zijn rapportage Pro Justitia van 10 april 2015 adviseert [A] het volgende. . Om kans op herhaling te beperken zal verdachte behandeld moeten worden om de symptomen van de ADHD te verminderen. Een doel van behandeling zal moeten zijn het vergroten van besef en inzicht in zijn eigen valkuilen en het vergroten van copingmechanismen. Abstinentie van cocaïne is daarbij een voorwaarde. Een dergelijke klinische behandeling kan plaatsvinden in de Piet Roordakliniek, waar betrokkene al is aangemeld of een soortgelijke forensische verslavingskliniek, in het kader van bijzondere voorwaarde bij een (gedeeltelijke) voorwaardelijke straf. De rechtbank volgt dit advies.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten aanleiding zouden kunnen zijn tot het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, met name de wenselijkheid van een ononderbroken behandeling in de Piet Roordakliniek, zal de rechtbank de eis van de officier van justitie grotendeels overnemen. De rechtbank zal aldus aan verdachte de volgende straffen opleggen:

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 1 primair, dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 24 maanden voorwaardelijk (gelet op het in artikel 14a lid 2 Sr opgenomen maximum) en een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 1 primair:

Een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs al ingevorderd is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat een ontzetting van de rijbevoegdheid van lange duur geboden is. De eventueel door het CBR te treffen maatregelen bieden daartoe onvoldoende garantie, zodat de rechtbank voorbij gaat aan het verweer van de raadsvrouw dat een rijontzegging onnodig, ongewenst en niet passend is.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 2

Op grond van artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht moet voor elke overtreding afzonderlijk straf worden opgelegd. De rechtbank legt uitsluitend om die reden ten aanzien van deze overtreding een geldboete van € 100,- op.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden toegewezen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15

De verdediging heeft aangevoerd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] moeten worden afgewezen, dan wel dat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de in de pleitnota genoemde jurisprudentie.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

De verdediging heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij Sita Recycling kan worden toegewezen tot een (voorschot)bedrag van € 250,- en dat de benadeelde partij haar vordering voor het overige moet aanbrengen bij de civiele rechter.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partijen ieder afzonderlijk als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade hebben geleden. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt de schade begroot op de gevorderde bedragen. De vorderingen zullen dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van Sita Recycling Leusden, niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het in deze zaak bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft het ontvreemde bedrag moet worden uitgegaan van € 250,-. Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn dat bedrag te betalen. De vordering zal op dat punt dan ook worden toegewezen.

De vordering met betrekking tot de herstelkosten van € 1.380,58 zal ook worden toegewezen. Deze schadepost is met de offerte van deze kosten voldoende onderbouwd.

De rechtbank is echter van oordeel dat de vordering met betrekking tot de taxatiekosten en de arbeidsuren van het fraudeteam onvoldoende is onderbouwd. Sita Recycling zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

De vordering kan aldus worden toegewezen tot een bedrag van € 1.630,58 , te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van Sita Recycling Leusden voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24, 24c, 45, 36f, 57, 62, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15:

Feit 1 primair: Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Feit 2: Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 1 primair, dagvaarding met parketnummer 16/016850-15:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 26 (zesentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 24 (vierentwintig) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. Veroordeelde moet zich (uiterlijk) 5 dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is melden bij Tactus Reclassering Zutphen en zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht. Aangezien veroordeelde momenteel verblijft in een kliniek (Verlengde Ooyerhoekseweg 30, 7207 BJ Zutphen) betekent dit dat de meldplicht gedurende zijn verblijf in die kliniek, daar plaatsvindt.

5. Veroordeelde moet zich op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling laten opnemen in de Piet Roordakliniek of een soortgelijke intramurale instelling, voor de duur van maximaal een jaar, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

6. Veroordeelde moet zich laten behandelen in het kader van nazorg bij de forensische polikliniek Amethist en soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan Tactus Reclassering Zutphen opdracht veroordeelde toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 1 primair:

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 ( drie) jaren.

Dagvaarding met parketnummer 16/661149-15, feit 2:

Veroordeelt verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 16/661149-15 onder 2 bewezenverklaarde feit tot een geldboete van € 100,00 (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 2 (twee) dagen.

Benadeelde partijen

Wijst de vordering van [verbalisant 1] toe tot € 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 1] aan de Staat € 500,00 (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [verbalisant 2] toe tot € 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [verbalisant 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 2] aan de Staat € 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van Sita Recycling Leusden toe tot € 1.630,58 ( zestienhonderdertig euro en achtenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan Sita Recycling Leusden voornoemd.

Verklaart Sita Recycling Leusden voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van Sita Recycling aan de Staat € 1.630,58 (zestienhonderdertig euro en achtenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2014 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 32 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de dag waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. C.A.M. van Straalen en V.M.A. Sinnige, rechters, in tegenwoordigheid van C.W.M. Maase-Raedts, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Parketnummer 16/661149-15:

1.

Primair

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 6 februari 2015 in de

gemeente Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1]

[verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] van het leven te beroven, met dat opzet

meermalen, althans éénmaal, als bestuurder van een personenauto met zeer hoge

snelheid (te weten circa 140 km/u) is toe- en/of ingereden op het

(dienst)voertuig waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich bevonden/reden

en/of dat (dienst)voertuig op zeer korte afstand is genaderd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 6 februari 2015 te Amersfoort en/of Hilversum en/of Laren,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, althans éénmaal, als bestuurder van een personenauto

met zeer hoge snelheid (te weten circa 140 km/u) is toe- en/of ingereden op

het (dienst)voertuig waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich bevonden/reden

en/of dat (dienst)voertuig op zeer korte afstand is genaderd,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 6 februari 2015 te Amersfoort en/of Hilversum en/of Laren,

althans in het arrondissement Midden-Nederland, [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2]

[verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend

meermalen, althans éénmaal, als bestuurder van een personenauto met zeer hoge

snelheid (te weten circa 140 km/u) toe- en/of ingereden op het

(dienst)voertuig waarin die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] zich bevonden/reden

en/of dat (dienst)voertuig op zeer korte afstand genaderd;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

op of omstreeks 6 februari 2015 in de gemeente Amersfoort en/of Laren en/of

Hilversum, in elk geval in arrondissement Midden-Nederland, als bestuurder van

een voertuig (een personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar

verkeer openstaande weg(en), terwijl hij, verdachte, onder invloed was van

cocaïne,

- op de Heliumweg met een snelheid van ongeveer 100 km/h heeft gereden,

althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat

voertuig toegestane maximumsnelheid van 50 km/h, in elk geval met een

(aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse

geboden was, en/of

- ( vervolgens) op de N199/Bunschoterstraat met een snelheid van ongeveer 130

km/h heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter

plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 km/h, in elk

geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer

ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) de Jonkvrouw Foeytweg, op de weghelft/rijbaan die bestemd is

voor het tegemoet komend verkeer is gaan rijden en/of blijven rijden en/of

aldus tegen het verkeer/de rijrichting in is gaan rijden en/of blijven rijden

(zogenaamd spookrijden) waarbij het over die weghelft/rijbaan rijdend(e)

(tegemoetkomend) verkeer (één of meerdere personenauto('s) (sterk en/of hard)

moesten (af)remmen en/of uitwijken, teneinde een aanrijding met de

personenauto van hem, verdachte, te voorkomen, en/of

- ( vervolgens) op de Nijkerkerstraat, op de kruising of splitsing van die weg

met de voor het openbaar verkeer openstaande weg(en), de Amersfoortsestraat,

een voor hem van rechts komende bestuurder van een vrachtwagen geen voorrang

heeft verleend, immers die bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd

zijn weg te vervolgen, tengevolge waarvan de van rechts komende vrachtwagen

(hard/ en/of sterk) moest (af)remmen, teneinde een aanrijding met de

personenauto van hem, verdachte, te voorkomen, en/of

- ( vervolgens) op de afrit Amersfoort A1 - Amersfoort Noord, (nabij de

kruising met de Bergpas), geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat

een gebod of verbod inhoudt, immers is hij niet gestopt voor een voor zijn

rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar

is hij (met onverminderde snelheid) doorgereden, en/of

- ( vervolgens) op de Rijksweg A1 richting Amsterdam met een snelheid van

ongeveer 160 km/h heeft gereden, althans met een (aanzienlijk) hogere snelheid

dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 130 km/h,

in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig

verkeer ter plaatse geboden was, en/of

- ( vervolgens) op de Rijksweg A1 richting Amersfoort één of meerdere malen,

met een snelheid van ongeveer 160 km/h is toe- en/of ingereden op een

(dienst)voertuig en/of dat (dienst)voertuig op zeer korte afstand is genaderd,

waardoor dit (dienst)voertuig moest uit wijken en/of moest afremmen om een

aanrijding met de personenauto van hem, verdachte, te voorkomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Parketnummer 16/016850-15:

hij op of omstreeks 31 december 2014 te Leusden, althans in het

arrondissement Midden-Nederland met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een bedrijfsautomaat heeft weggenomen een hoeveelheid

geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Sita

Recycling Leusden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal met dossiernummer PL0900-2015039791, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 52. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 6 februari 2015, pagina 30.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 februari 2015.

4 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2015.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 14-15.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 16.

7 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 17-18.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2015, pagina 46-47.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 10.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 6.

11 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 7.

12 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 6.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 9.

14 Proces-verbaal van bevindingen van 6 februari 2015, pagina 10.

15 De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2015.

16 Proces-verbaal van aangifte, opgenomen op pagina 3-4 van het proces-verbaal dossiernummer PL0900-2015001796 van politie eenheid Midden-Nederland, in de wettelijke vorm opgemaakt en doorgenummerd van 1 tot en met 16.