Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3825

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
UTR 14-6020
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak, weigering WIA-uitkering, medisch en arbeidskundig in orde, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/6020

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats],

eiseres,

(gemachtigde: mr. O. Labordus),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

(gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw).

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat voor eiseres met ingang van 24 februari 2014 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan.

Bij besluit van 28 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen inhoudelijk op een stelling en aanvullende stukken van eiseres te reageren.

Bij brieven van 4 februari 2015 en 11 februari 2015 heeft verweerder gereageerd.

Bij brief van 30 maart 2015 heeft eiseres op de brieven van verweerder gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 29 april 2015 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres was werkzaam als apotheekmedewerker gedurende 21,80 uur per week.

Op 27 februari 2012 is zij vanuit de Werkloosheidswet uitgevallen vanwege psychische klachten en toename van spier- en gewrichtsklachten. Op 16 december 2013 heeft eiseres verweerder verzocht haar in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering.

Vervolgens heeft verweerder de onder “Procesverloop” genoemde besluiten genomen.

2. Eiseres is van mening dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar klachten en beperkingen. Eiseres vindt zichzelf meer beperkt dan verweerder heeft aangenomen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij een ergotherapeutisch advies van 25 september 2014 in het kader van een aangevraagde voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en een verslag van een multidisciplinair overleg op 6 januari 2015 overgelegd. Zij heeft een indicatie voor een rolstoel en woningaanpassingen. Daarnaast wijst eiseres erop dat zij in de Ziektewetperiode verschillende malen door verzekeringsartsen van het Uwv is beoordeeld. Deze kwamen steeds tot de conclusie dat zij niet in staat was (haar maatgevende) arbeid te verrichten dan wel tot re-integratie te komen.

3. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU8290), komt aan rapportages opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) en een arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) een bijzondere waarde toe, mits deze rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Ook mogen deze rapportages niet tegenstrijdig of onsamenhangend zijn en moeten ze tot een dwingende conclusie leiden. Als aan deze voorwaarden is voldaan, brengt dat mee dat verweerder zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapportages mag baseren. Dit betekent niet dat deze rapportages en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar zijn. Het is echter, gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wel aan eiseres om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapportages van het Uwv niet voldoen aan de hiervoor genoemde vereisten of dat de in de rapportages gegeven beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat de in de rapportages gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.

4.1.

Verzekeringsarts Van Oostrum heeft eiseres op 15 januari 2014 onderzocht. Na via de huisarts van eiseres diverse informatie te hebben ontvangen, is de verzekeringsarts in de rapportage van 29 januari 2014 tot de conclusie gekomen dat eiseres duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Er is wel sprake van beperkingen van de mogelijkheden tot functioneren. Zo is eiseres licht beperkt ten aanzien van frequent reiken en frequent buigen tijdens het werk, tillen of dragen, lopen, lopen tijdens het werk, trappenlopen, klimmen, staan en staan tijdens het werk. Eiseres is beperkt ten aanzien van het frequent hanteren van zware lasten tijdens het werk. Met inachtneming van deze beperkingen heeft de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden van eiseres vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 29 januari 2014. Uit het schrijven van de reumatoloog heeft de verzekeringsarts afgeleid dat er na uitgebreid onderzoek geen wezenlijke objectiveerbare afwijkingen zijn aangetoond. Er lijkt sprake te zijn van chronisch pijn die is te duiden als fibromyalgie en chronische vermoeidheid passend bij het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ook is er sprake van schildklierlijden. Er zijn echter geen aanwijzingen voor een onderliggende infectie zoals de ziekte van Lyme, Bartonella of Hepatitis B of C. Er kan dan ook geen oorzaak voor de klachten van eiseres worden aangegeven.

4.2.

In de bezwaarfase heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Tjon-A-Sam na dossierstudie en eigen onderzoek, als vermeld in de rapportage van 22 augustus 2014, geen aanleiding gezien om af te wijken van de primaire medische beoordeling.

In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de aanvullende rapportages van 30 januari 2015 en 10 februari 2015 in reactie op het verslag van het multidisciplinair overleg op 6 januari 2015 erop gewezen dat beoordelingen in het kader van de Wmo binnen een ander beoordelingskader vallen dan de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen in het kader van de sociale verzekeringswetgeving. Wat betreft het ergotherapeutisch advies van 25 september 2014 geldt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep hetzelfde en daarbij komt dat het geen medisch advies is. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij in de Ziektewetperiode meermalen bij een verzekeringsarts is geweest en steeds niet geschikt werd geacht voor het verrichten van werkzaamheden en ook niet voor enige re-integratie-activiteiten, bericht de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een beoordeling in het kader van de Ziektewet een andere is dan een beoordeling in het kader van de Wet WIA. Bovendien heeft verzekeringsarts Van Oostendorp in de rapportage van 27 augustus 2013 geschreven dat hij re-integratie-activiteiten vanwege de defaitistische overtuiging van eiseres en haar partner als zinloos beschouwt. De verzekeringsarts heeft vervolgens opgemerkt dat bij verschillende specialistische onderzoeken geen objectieve afwijkingen zijn geconstateerd die de huidige klachten verklaren. Volgens de verzekeringsarts worden de klachten vooral onderhouden door onderbelasting. De geringe belastbaarheid berust niet op objectief aangetoonde afwijkingen, maar op een consistent leefpatroon op verschillende leefgebieden.

Verzekeringsarts bezwaar en beroep Tjon-A-Sam is op basis hiervan van mening dat de conclusie van de verzekeringsartsen in de Ziektewetperiode dat eiseres niet in staat was (haar maatgevende) arbeid te verrichten dan wel tot re-integratie te komen, niet gebaseerd is op medisch objectiveerbare afwijkingen en niet voortvloeit uit ziekte of gebrek.

5. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen van verweerder een zorgvuldig en volledig onderzoek hebben gedaan, waarbij zij de beschikbare medische gegevens op inzichtelijke wijze hebben betrokken bij hun oordeelsvorming. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet heeft kunnen volgen. Eiseres heeft geen medische gegevens ingebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar conclusie dat aan het ergotherapeutisch advies en het verslag van het multidisciplinair overleg in dit verband niet de betekenis toekomt die eiseres daaraan hecht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit inzichtelijk en toereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de betekenis van de medische beoordelingen in het kader van de Ziektewet. Aan het gegeven dat eiseres zelf haar klachten ernstiger ervaart, kan bij de beoordeling of er arbeidsongeschiktheid bestaat in de zin van de Wet WIA, geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. In het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving is niet het klachtenpatroon als zodanig, maar een positief antwoord op de vraag of een betrokkene op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, bepalend. Eiseres is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat haar beperkingen op 24 februari 2014 ernstiger waren dan die waarmee de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op basis van de beschikbare medische gegevens en hun eigen onderzoek rekening hebben gehouden, hetgeen betekent dat de op 29 januari 2014 vastgestelde FML juist wordt geacht.

6. Ten aanzien van het arbeidskundige aspect van de schatting heeft eiseres geen beroepsgronden naar voren gebracht, anders dan dat zij de functies om medische redenen niet kan verrichten.

Aan eiseres zijn de functies wikkelaar (SBC-code 267050), machinebediende (SBC-code 271093) en assistent consultatiebureau (SBC-code 372091) als passende functies die zij kan vervullen voorgehouden.

Met de motivering op de formulieren resultaat functiebeoordeling gelezen in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige rapportages en de voorliggende gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), is voldoende gemotiveerd dat de drie voorgehouden functies in overeenstemming zijn met de belastbaarheid van eiseres zoals omschreven in de FML van 29 januari 2014. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat, uitgaande van de juistheid van de door verweerder bij eiseres aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, eiseres de werkzaamheden behorende bij de door de arbeidsdeskundige geselecteerde en aan haar voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten. Met deze (theoretische) functies is het verlies aan verdiencapaciteit van eiseres nihil. Zij is daarmee minder dan 35% arbeidsongeschikt, zodat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Willems, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Vonk-Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

21 mei 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.