Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3687

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
19-06-2015
Zaaknummer
C-16-376316 - HA ZA 14-718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fout accountant. Schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/376316 / HA ZA 14-718

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen,

advocaat mr. V.M. Besters te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

voorheen handelend onder de naam [bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde,

advocaat mr. N.E.N. de Louwere te Waalre.

Partijen zullen hierna [eiseres sub 1] (eiseres sub 1), [eiseres sub 2] (eiseres sub 2), [eiseressen] (eiseressen) en [gedaagde] (gedaagde) worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres sub 1] houdt alle aandelen in het kapitaal van [eiseres sub 2] en heeft tot 27 mei 2011 alle aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) gehouden. [eiseres sub 1] was tot 27 mei 2011 bestuurder van [bedrijf 2]. [bedrijf 2] is een vennootschap die een bemiddelingsbureau in thuiszorg exploiteert.

2.2.

[gedaagde] (voorheen [bedrijf 1] geheten) exploiteert een accountantskantoor en heeft op 2 juni 1999 een offerte aan [bedrijf 2] uitgebracht voor het verrichten van accountantswerkzaamheden. Die offerte is geaccepteerd. [gedaagde] heeft sedertdien gedurende vele jaren alle accountantswerkzaamheden voor niet alleen [bedrijf 2], maar ook voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] verricht.

2.3.

[bedrijf 2] heeft in de periode tot 27 mei 2011 jarenlang omzetbelasting over de niet‑AWBZ geïndiceerde bemiddelingsdiensten voor de thuiszorg aan de belastingdienst afgedragen. Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft de staatssecretaris van Financiën besloten om bemiddelingsdiensten voor kinderopvang vrij te stellen van omzetbelasting, dit met terugwerkende kracht tot 9 februari 2006 (hierna: het vrijstellingsbesluit). Het vrijstellingsbesluit heeft mede tot gevolg dat ook de niet‑AWBZ geïndiceerde bemiddelingsdiensten in de thuiszorg (hierna: de bemiddelingsdiensten) vanaf 9 februari 2006 zijn vrijgesteld van omzetbelasting.

2.4.

[gedaagde] heeft [eiseres sub 1] geadviseerd over en begeleid bij de verkoop van [bedrijf 2]. Alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] zijn op 27 mei 2011 verkocht en geleverd aan [bedrijf 3] (hierna: de koper). De koopprijs bedroeg € 94.447,00.

2.5.

De koper heeft op 30 mei 2011 namens [bedrijf 2] een bedrag van € 237.876,00 aan afgedragen omzetbelasting over bemiddelingsdiensten in de periode van 2006 tot en met april 2011 van de belastingdienst teruggevraagd. De belastingdienst heeft dit bedrag aan [bedrijf 2] betaald.

2.6.

De koper heeft na de overname van [bedrijf 2] (namens [bedrijf 2]) een bedrag van € 7.322,19 van [eiseres sub 1] geclaimd. [eiseres sub 1] heeft op advies van [gedaagde] aan deze claim voldaan.

2.7.

[eiseres sub 1], [eiseres sub 2], [bedrijf 2] en een andere aan [eiseres sub 1] gelieerde vennootschap vormden tot 27 mei 2011 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting (hierna: de fiscale eenheid). De bankrekening van de fiscale eenheid was dezelfde als de bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: de bankrekening van [bedrijf 2]).

2.8.

De koper heeft op 30 mei 2011 namens [bedrijf 2] een suppletieaangifte omzetbelasting over het jaar 2010 gedaan en € 20.680,00 van de belastingdienst teruggevraagd. De belastingdienst heeft dit bedrag op 23 augustus 2011 naar de bankrekening van [bedrijf 2] overgemaakt.

2.9.

[gedaagde] heeft op 21 juni 2011 namens de fiscale eenheid een suppletieaangifte omzetbelasting over het jaar 2010 gedaan en € 39.916,00 van de belastingdienst teruggevraagd. De belastingdienst heeft dit bedrag op € 32.826,00 gesteld en na aftrek van het hiervoor genoemde bedrag van € 20.680,00 op 16 mei 2012 aan de fiscale eenheid betaald.

2.10.

[gedaagde] heeft na 27 mei 2011 namens de fiscale eenheid suppletieaangiften omzetbelasting gedaan over juni 2011, juli 2011, augustus 2011 en september 2011. De belastingdienst heeft in totaal € 4.788,00 (€ 348,00 plus € 65,00 plus € 3.581,00 plus € 794,00) naar de bankrekening van [bedrijf 2] overgemaakt.

2.11.

[eiseressen] heeft [bedrijf 2] tevergeefs gesommeerd tot betaling van het bedrag van € 20.680,00 en van het bedrag van € 4.788,00.

2.12.

[gedaagde] heeft bij factuur 87888, gedateerd op 8 augustus 2012, een bedrag van € 1.428,00 aan [eiseres sub 1] in rekening gebracht. Het factuurbedrag is een voorschot op in rekening te brengen bedragen. Hetzelfde geldt voor factuur 94349 ter hoogte van € 1.815,00, gedateerd op 19 april 2013. [gedaagde] heeft bij factuur 96671, gedateerd op 16 juli 2013, een bedrag van € 5.543,22 aan [eiseres sub 1] in rekening gebracht voor administratieve werkzaamheden, voor fiscale werkzaamheden, voor werkzaamheden in verband met de jaarrekening 2011 en voor werkzaamheden in verband met de loonadministratie.

2.13.

[gedaagde] heeft bij factuur 87894, gedateerd op 8 augustus 2012, een bedrag van € 1.190,00 aan [eiseres sub 2] in rekening gebracht. Het factuurbedrag is een voorschot op in rekening te brengen bedragen. [gedaagde] heeft bij factuur 96673, gedateerd op 16 juli 2013, een bedrag van € 879,16 aan [eiseres sub 2] in rekening gebracht voor werkzaamheden in verband met de jaarrekening 2011.

2.14.

[eiseressen] heeft, nadat [gedaagde] haar in rechte had betrokken, een bedrag van € 12.142,60, zijnde de factuurbedragen vermeerderd met rente en kosten, aan [gedaagde] voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseressen] vordert, na wijziging van eis, naar de rechtbank begrijpt:

1.

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres sub 1] door bij de verkoop van [bedrijf 2] geen rekening te houden met de mogelijkheid van teruggave van het bedrag van € 237.876,00 aan afgedragen omzetbelasting over de periode van 2006 tot en met april 2011 en

 [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 237.876,00 aan schadevergoeding aan [eiseres sub 1], met de wettelijke handelsrente vanaf 27 mei 2011,

2.

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres sub 1] door [eiseres sub 1] foutief te adviseren over de claim van de koper ter hoogte van € 7.322,19, waardoor [eiseres sub 1] dit bedrag onverschuldigd aan de koper heeft betaald, en

 [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 7.322,19 aan schadevergoeding aan [eiseres sub 1], met de wettelijke handelsrente vanaf 28 december 2011,

3.

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres sub 1]:

- door te laat de suppletieaangifte omzetbelasting over het jaar 2010 te doen,

- door niet tijdig de bankrekening van de fiscale eenheid bij de belastingdienst te doen wijzigen,

- door niet tijdig de samenstelling van de fiscale eenheid bij de belastingdienst te doen wijzigen,

- door bij de verkoop van [bedrijf 2] geen rekening te houden met de mogelijkheid van teruggave van een bedrag van € 20.680,00 aan ten onrechte afgedragen omzetbelasting over het jaar 2010

- en (in ieder geval) door vóórdat de suppletieaangifte omzetbelasting over dat jaar werd gedaan niet te controleren of de bankrekening van de fiscale eenheid bij de belastingdienst was gewijzigd,

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiseressen] hierdoor geleden schade,

 [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de suppletieaangifte omzetbelasting over het jaar 2010 aan [eiseressen], op straffe van een dwangsom,

 [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseressen] geleden schade, op te maken bij staat,

4.

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres sub 1]

- door te laat de suppletieaangifte omzetbelasting over de periode juni tot en met september 2011 te doen,

- door niet tijdig de bankrekening van de fiscale eenheid bij de belastingdienst te doen wijzigen,

- door niet tijdig de samenstelling van de fiscale eenheid bij de belastingdienst te doen wijzigen,

- door bij de verkoop van [bedrijf 2] geen rekening te houden met de mogelijkheid van teruggave van een bedrag van € 4.788,00 aan ten onrechte afgedragen omzetbelasting over de periode juni tot en met september 2011

- en (in ieder geval) door vóórdat de suppletieaangifte omzetbelasting over die periode werd gedaan niet te controleren of de bankrekening van de fiscale eenheid bij de belastingdienst was gewijzigd,

 te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiseressen] hierdoor geleden schade,

 [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de suppletieaangiften over de periode juni tot en met september 2011 aan [eiseressen], op straffe van een dwangsom,

 [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseressen] geleden schade, op te maken bij staat,

5.

 [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 12.142,60 aan [eiseressen], met de wettelijke handelsrente vanaf 28 april 2014,

6.

 [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, primair te begroten op de daadwerkelijk door [eiseressen] gemaakte buitengerechtelijke kosten, subsidiair op € 3.061,70 door toepassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten,

 [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, primair te begroten op de daadwerkelijk door [eiseressen] in deze procedure gemaakte kosten, subsidiair op de hiervoor geldende forfaitaire bedragen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vorderingen sub 1

4.1.

[eiseressen] legt aan haar vorderingen sub 1 het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft [bedrijf 2] er nimmer op gewezen dat de bemiddelingsdiensten zijn vrijgesteld van omzetbelasting. [gedaagde] had in ieder geval bij de verkoop van [bedrijf 2] er rekening mee moeten houden dat [bedrijf 2] het bedrag van € 237.876,00 van de belastingdienst kon terugvragen. [gedaagde] heeft dat echter niet gedaan; het bedrag van € 237.876,00 is niet verdisconteerd in de verkoopprijs van [bedrijf 2]. [eiseres sub 1] heeft door het nalaten van [gedaagde] tot dit bedrag schade geleden.

4.2.

[gedaagde] stelt dat [eiseres sub 1] niet tijdig heeft geklaagd. Volgens [gedaagde] had [eiseres sub 1] op grond van artikel K van de algemene voorwaarden van [gedaagde] binnen 30 dagen na ontdekking van de gestelde fout moeten reclameren, maar heeft zij dat niet gedaan. [eiseressen] betwist dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt. [bedrijf 2] heeft destijds de offerte van 2 juni 1999 van [gedaagde] geaccepteerd. De offerte vermeldt dat de dienstverlening van [gedaagde] geschiedt volgens haar Algemene Leverings- en Betalingsvoorwaarden. Dit betekent dat door de acceptatie van de offerte de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn geworden op de tussen [gedaagde] en [bedrijf 2] gesloten overeenkomst van opdracht tot het verrichten van accountantswerkzaamheden. [gedaagde] heeft op grond van deze overeenkomst vanaf 1999 alle accountantswerkzaamheden voor [bedrijf 2] verricht. Omdat [gedaagde] vanaf 1999 onder dezelfde voorwaarden alle accountantswerkzaamheden heeft verricht voor [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en die vennootschappen tot de verkoop van [bedrijf 2] zeer nauw waren gelieerd aan [bedrijf 2] – zo vormden de drie vennootschappen tezamen met een vierde vennootschap een fiscale eenheid voor de omzetbelasting waarvoor [gedaagde] aangifte deed en hadden de vier vennootschappen één (indirect) bestuurder en aandeelhouder ([A]) – moet de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde] worden geacht ook te zijn overeengekomen voor de ten behoeve van [eiseres sub 1] (en [eiseres sub 2]) verrichte accountantswerkzaamheden. Verder geldt dat de algemene voorwaarden destijds ook ter hand zijn gesteld; de offerte vermeldt immers, zoals [gedaagde] heeft gesteld en [eiseressen] niet heeft weersproken, dat de algemene voorwaarden op de achterzijde van de eerste bladzijde staan. [eiseressen] heeft zich dan ook tevergeefs op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden beroepen.

4.4.

Dit betekent echter nog niet dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht van [eiseres sub 1] tot het adviseren over en begeleiden van de verkoop van [bedrijf 2]. De in 1999 overeengekomen dienstverlening ziet, zo blijkt uit de uitgebreide beschrijving in de offerte, op gebruikelijke accountantswerkzaamheden, zoals het verzorgen van aangiften van belastingen, het opstellen en bespreken van jaarrekeningen en het verzorgen van loonadministratie. Het adviseren over en het begeleiden van de verkoop van een vennootschap zijn geen gebruikelijke accountantswerkzaamheden; verkoop van een vennootschap gaat in de regel gepaard met andere (grotere) belangen en risico’s. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande dat de overeenkomst van opdracht tot verkoopadvisering- en begeleiding los moet worden gezien van de vanaf 1999 lopende overeenkomst van opdracht tot het verrichten van accountantswerkzaamheden. Niet is gesteld of gebleken dat partijen ook voor de verkoopadvisering en -begeleiding de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn overeengekomen. Die algemene voorwaarden zijn daarop dan ook niet van toepassing. Het beroep van [gedaagde] op artikel K van die algemene voorwaarden kan al daarom niet slagen.

4.5.

[gedaagde] stelt dat bestuurder [eiseres sub 1] al vanaf 2005 volledig op de hoogte was van alles wat met omzetbelasting over de bemiddelingsdiensten in de thuiszorg te maken heeft en van de onduidelijkheid over het antwoord op de vraag of [bedrijf 2] verplicht was die omzetbelasting af te dragen. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres sub 1] verder in 2006 bewust gekozen voor het afdragen (en niet terugvragen) van omzetbelasting over de bemiddelingsdiensten van [bedrijf 2], omdat zij wilde voorkomen dat de belastingdienst bij [bedrijf 2] aangesloten zzp’ers zou aanmerken als werknemers in loondienst.

4.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook al zouden de stellingen van [gedaagde] op dit punt juist zijn – [eiseressen] betwist die stellingen uitdrukkelijk – dan nog had [gedaagde] bij de verkoop van [bedrijf 2] rekening moeten houden met het feit dat de vanaf 9 februari 2006 tot en met april 2011 afgedragen omzetbelasting over de bemiddelingsdiensten kon worden teruggevraagd. [gedaagde] wist in ieder geval vanaf 2008, toen het vrijstellingsbesluit werd genomen, dat dit soort bemiddelingsdiensten (met terugwerkende kracht vanaf 9 februari 2006) was vrijgesteld van omzetbelasting. Elke (mogelijke) onduidelijkheid hierover was weggenomen. [gedaagde] had dan ook ten tijde van de verkoop van [bedrijf 2] moeten beseffen dat [bedrijf 2] nog een vordering op de belastingdienst had van € 237.876,00 aan over de periode van 9 februari 2006 tot en met april 2011 afgedragen omzetbelasting. [gedaagde] heeft deze vordering echter niet onder de activa in de overnamebalans opgenomen, waardoor de verkoopprijs € 237.876,00 hoger zou zijn geweest, of op een andere wijze bij de verkoop betrokken, bijvoorbeeld door namens [eiseres sub 1] te bedingen dat het recht op teruggaaf aan haar toekwam. [gedaagde] heeft dan ook niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan; [gedaagde] is bijgevolg tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht tot verkoopadvisering- en begeleiding.

4.7.

[eiseressen] heeft ter comparitie onbetwist gesteld dat de door [bedrijf 2] voor de bemiddelingsdiensten ontvangen vergoedingen vaste vergoedingen zijn die door de overheid zijn vastgesteld en dat de door [bedrijf 2] in de periode van 9 februari 2006 tot en met april 2011 afgedragen omzetbelasting uit die vergoedingen werden betaald. Dit betekent, anders dan [gedaagde] meent, dat de in die periode afgedragen (en toen niet teruggevraagde) omzetbelasting de door [eiseres sub 1] geleden schade is. [bedrijf 2] zou immers de volle vaste vergoedingen hebben behouden in het geval zij geen omzetbelasting zou hebben afgedragen. [eiseres sub 1] heeft dan ook tot een bedrag van € 237.876,00 schade geleden. [gedaagde] moet deze schade vergoeden. Van een beperking van de aansprakelijkheid van [gedaagde], zoals [gedaagde] heeft betoogd, kan geen sprake zijn, al omdat de algemene voorwaarden waar [gedaagde] zich in dit verband op beroept, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet van toepassing zijn op de overeenkomst van opdracht tot verkoopadvisering en -begeleiding.

4.8.

[eiseressen] vordert de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, de zogenoemde wettelijke handelsrente, over de schadevergoeding. Deze rente is niet toewijsbaar. De wettelijke handelsrente heeft uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot schadevergoeding kan daartoe niet worden gerekend (vgl. HR 28 juni 2013; ECLI:NL:HR:2013:40). Wel toewijsbaar is de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW en wel vanaf 27 mei 2011. Nakoming van de verplichting van [gedaagde] om bij de verkoop van [bedrijf 2] rekening te houden met het van de belastingdienst terug te vragen bedrag van € 237.876,00, is immers vanaf 27 mei 2011 - de datum van verkoop en overdracht van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] - blijvend onmogelijk geworden (artikel 6:74 lid 2 BW).

4.9.

[eiseres sub 1] heeft geen (gebleken) zelfstandig belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Deze wordt daarom afgewezen.

Vorderingen sub 2

4.10.

[eiseressen] legt aan haar vorderingen sub 2 het volgende ten grondslag. De koper heeft na de koop van [bedrijf 2] (namens [bedrijf 2]) een bedrag van € 7.322,19 van [eiseres sub 1] geclaimd. [eiseres sub 1] heeft op advies van [gedaagde] aan die claim voldaan. Dat advies was fout. Het bedrag is onverschuldigd betaald.

4.11.

[gedaagde] stelt dat [eiseres sub 1] niet tijdig heeft geklaagd. Volgens [gedaagde] had [eiseres sub 1] op grond van artikel K van de algemene voorwaarden van [gedaagde] binnen 30 dagen na ontdekking van de gestelde fout moeten reclameren, maar heeft zij dat niet gedaan.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Het advies van [gedaagde] valt onder de gebruikelijke accountantswerkzaamheden. De algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn dan ook van toepassing. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog. Het verweer van [gedaagde] dat niet tijdig is geklaagd, verwerpt de rechtbank. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen op welk moment [eiseres sub 1] heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van haar te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat het advies (volgens haar) foutief was, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop [eiseres sub 1] heeft geklaagd, gelet op artikel K van de algemene voorwaarden, te lang is geweest (vgl. HR 12 december 2014; ECLI:NL:HR:2014:3593). [gedaagde] heeft dat echter niet gedaan.

4.13.

Uit de e-mail van 16 december 2011 van de aan [bedrijf 2] verbonden persoon [B] aan de aan [gedaagde] verbonden persoon [C] (productie XVII bij dagvaarding, bladzijde 4, derde alinea) blijkt dat [bedrijf 2] tweemaal een bedrag van € 7.322,19 aan [eiseres sub 1] heeft betaald, terwijl [bedrijf 2] dat bedrag maar eenmaal was verschuldigd aan [eiseres sub 1]. [C] heeft vervolgens aan [eiseres sub 1] geadviseerd eenmaal een bedrag van € 7.322,19 aan [bedrijf 2] terug te betalen. Dat advies was bijgevolg niet foutief. Op [eiseres sub 1] rustte immers de verplichting om het door [bedrijf 2] onverschuldigd aan haar betaalde bedrag terug te betalen. De vorderingen sub 2 moeten dan ook worden afgewezen.

Vorderingen sub 3

4.14.

[eiseressen] legt aan haar vorderingen sub 3 het volgende ten grondslag. [gedaagde] had bij de verkoop van [bedrijf 2] ook rekening moeten houden met het feit dat over het jaar 2010 een bedrag van € 20.680,00 aan omzetbelasting kon worden teruggevraagd van de belastingdienst. [gedaagde] heeft dat echter niet gedaan; het bedrag van € 20.680,00 is niet verdisconteerd in de verkoopprijs van [bedrijf 2]. De koper heeft vrijwel direct na de overname van [bedrijf 2], namelijk op 30 mei 2011, namens [bedrijf 2] een suppletieaangifte van € 20.680,00 over het jaar 2010 gedaan. De belastingdienst heeft dit bedrag op de bankrekening van [bedrijf 2] overgemaakt. [eiseres sub 1] heeft door het nalaten van [gedaagde] dan ook tot een bedrag van € 20.680,00 schade geleden.

4.15.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook hier geldt dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] niet van toepassing zijn; de grondslag ziet immers op tekortschieten van [gedaagde] in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht tot verkoopadvisering en begeleiding. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog. De op algemene voorwaarden gebaseerde verweren van [gedaagde] moeten al om deze reden worden verworpen.

4.16.

Hier geldt evenzeer dat [gedaagde] niet heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot te werk zou zijn gegaan en dat [gedaagde] bijgevolg is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht tot verkoopadvisering- en begeleiding. Uit de brief van de belastingdienst van 5 september 2013 (productie XIII bij dagvaarding) leidt de rechtbank af dat het bedrag van € 20.680,00 toekwam aan [bedrijf 2]. [gedaagde] had dit moeten weten en had dan ook bij de verkoop van [bedrijf 2] daarmee rekening moeten houden door dit in de koopsom te verdisconteren. [gedaagde] heeft dat niet gedaan en dient daarom de schade die [eiseres sub 1] hierdoor heeft geleden, het bedrag van € 20.680,00, aan [eiseres sub 1] te vergoeden.

4.17.

Aan het vorenstaande kan het verweer van [gedaagde] dat de belastingdienst na de overname van [bedrijf 2] ten onrechte het bedrag van € 20.680,00 heeft verrekend met een suppletieaangifte van de fiscale eenheid over het jaar 2010 (zie 2.9), niet afdoen.

Ook in het geval de belastingdienst niet zou hebben verrekend, dan nog zou het bedrag van € 20.680,00 aan door [bedrijf 2] afgedragen omzetbelasting over het jaar 2010 niet via de fiscale eenheid in het vermogen van [eiseres sub 1] zijn teruggevloeid. Uit de e-mail van 14 augustus 2013 van [D], verbonden aan [bedrijf 4], aan de advocaat van [eiseressen] (productie XV bij dagvaarding) blijkt immers dat de suppletieaangifte van de fiscale eenheid over het jaar 2010 niet mede het door [bedrijf 2] over 2010 terug te vragen bedrag van € 20.680,00 omvatte.

4.18.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet nodig, omdat de schadeomvang direct kan worden vastgesteld. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat [eiseres sub 1] in dit verband mogelijk meer schade heeft geleden dan voormelde schade van € 20.680,00.

4.19.

[eiseressen] vordert afgifte van de suppletieaangifte over het jaar 2010, zodat zij kan beoordelen hoe het bedrag van € 20.680,00 over [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] moet worden verdeeld. De rechtbank wijst deze vordering bij gebreke van voldoende belang af. Zoals uit het voorgaande blijkt, komt het schadebedrag van € 20.680,00 volledig aan [eiseres sub 1] toe.

4.20.

Ook hier geldt dat niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW toewijsbaar is over het schadebedrag, maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, dit vanaf 27 mei 2011. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog.

4.21.

[eiseres sub 1] heeft geen (gebleken) zelfstandig belang bij de gevorderde verklaringen voor recht. Deze worden daarom afgewezen.

Vorderingen sub 4

4.22.

[eiseressen] legt aan haar vorderingen sub 4 het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft na de overname van [bedrijf 2] namens de fiscale eenheid suppletieaangiften omzetbelasting gedaan over juni 2011, juli 2011, augustus 2011 en september 2011 ter grootte van een (terug te betalen) bedrag van in totaal € 4.788,00. Omdat [gedaagde] ten tijde van de overname van [bedrijf 2] nog niet het bankrekeningnummer van de fiscale eenheid bij de belastingdienst had doen wijzigen, is het bedrag op het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] overgemaakt. [gedaagde] is gelet hierop tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht met betrekking tot het uitvoeren van accountantswerkzaamheden.

4.23.

[gedaagde] stelt dat [eiseres sub 1] niet tijdig heeft geklaagd. Volgens [gedaagde] had [eiseres sub 1] op grond van artikel K van de algemene voorwaarden van [gedaagde] binnen 30 dagen na ontdekking van de gestelde fout moeten reclameren, maar heeft zij dat niet gedaan.

4.24.

De rechtbank overweegt als volgt. Het werk dat [gedaagde] volgens [eiseressen] heeft nagelaten, namelijk het tijdig doen wijzigen van het bankrekeningnummer van de fiscale eenheid, valt onder de gebruikelijke accountantswerkzaamheden. De algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn dan ook van toepassing. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog. Het verweer van [gedaagde] dat niet tijdig is geklaagd, verwerpt de rechtbank. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen op welk moment [eiseres sub 1] heeft ontdekt of bij een redelijkerwijs van haar te vergen onderzoek had behoren te ontdekken dat [gedaagde] nalatig was, alsmede dat het tijdsverloop vanaf dat moment tot aan het moment waarop [eiseres sub 1] heeft geklaagd, gelet op artikel K van de algemene voorwaarden, te lang is geweest (vgl. HR 12 december 2014; ECLI:NL:HR:2014:3593). [gedaagde] heeft dat echter niet gedaan.

4.25.

Uit de brief van 15 november 2011 van [gedaagde] aan de belastingdienst (productie XII bij dagvaarding; blz. 6 en 7) blijkt dat de belastingdienst in totaal € 4.788,00 op het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] heeft overgemaakt. [gedaagde] stelt weliswaar dat zij tijdig bij de belastingdienst wijziging van het bankrekeningnummer van de fiscale eenheid heeft gevraagd, maar heeft die stelling niet adequaat onderbouwd. De kopie van de aanvraag “wijziging rekeningnummer” die zich bij de stukken bevindt (productie XII bij dagvaarding; blz. 5), heeft betrekking op wijziging van het bankrekeningnummer van [eiseres sub 1] en niet van de fiscale eenheid (met als moeder [eiseres sub 1]). Uit de e-mail van 24 januari 2012 van de belastingdienst aan [A] (productie XII bij dagvaarding; blz. 8) blijkt verder dat het bij de belastingdienst bekende bankrekeningnummer van de fiscale eenheid op dat moment, dus maanden na de betaling van in totaal € 4.788,00, nog steeds het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] was. Sterker nog: in deze e-mail geeft de belastingdienst aan [A] aan dat door hem in de tot dan toe meegezonden stukken geen enkel stuk was aangetroffen waaruit de belastingdienst was gebleken dat om wijziging van het bankrekeningnummer van de fiscale eenheid was verzocht. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande van uit dat [gedaagde] niet tijdig wijziging van het bankrekeningnummer van de fiscale eenheid bij de belastingdienst heeft gevraagd, waardoor de belastingdienst het bedrag van € 4.788,00 op het bankrekeningnummer van [bedrijf 2] heeft overgemaakt. [eiseressen] heeft door dat nalaten van [gedaagde] tot dat bedrag schade geleden. Die schade dient [gedaagde] te vergoeden.

4.26.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet nodig, omdat de schadeomvang direct kan worden vastgesteld. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat [eiseressen] in dit verband mogelijk meer schade heeft geleden dan voormelde schade van € 4.788,00.

4.27.

[eiseressen] vordert afgifte van de hier aan de orde zijnde suppletieaangifte, zodat zij kan beoordelen hoe het bedrag van € 4.788,00 over [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] moet worden verdeeld. Deze vordering, waartegen [gedaagde] geen specifiek verweer heeft gevoerd, is toewijsbaar. De gevorderde dwangsom zal worden vastgesteld op een bedrag van € 100,00 per dag tot een maximum van € 5.000,00.

4.28.

Ook hier geldt dat niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW toewijsbaar is over het schadebedrag, maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog. De rechtbank zal rente toewijzen vanaf 15 november 2011. Uit de brief van 15 november 2011 van [gedaagde] aan de belastingdienst (productie XII bij dagvaarding; blz. 6 en 7) blijkt dat de belastingdienst het bedrag van € 4.788,00 in ieder geval op dat moment op de bankrekening van [bedrijf 2] had overgemaakt.

4.29.

[eiseressen] heeft geen (gebleken) zelfstandig belang bij de gevorderde verklaringen voor recht. Deze worden daarom afgewezen.

Vordering sub 5

4.30.

[eiseressen] legt aan haar vordering sub 5 ten grondslag dat zij het bedrag van € 12.142,60, zijnde de factuurbedragen zoals genoemd in 2.12 en 2.13, vermeerderd met rente en kosten, onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald.

4.31.

De rechtbank overweegt als volgt. De facturen hebben betrekking op gebruikelijke accountantswerkzaamheden. De algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn bijgevolg van toepassing. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor op dit punt overwoog.

4.32.

[gedaagde] stelt dat [eiseressen] niet tijdig, dat wil zeggen niet binnen de in artikel K van de algemene voorwaarden genoemde termijn van dertig dagen na de factuurdata heeft geklaagd.

4.33.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de e-mail van 12 februari 2013 van [eiseressen] aan [gedaagde] (productie 7 bij akte zijdens [eiseressen]) blijkt dat [eiseressen] toen heeft gereclameerd. Twee facturen (87888 en 87894) dateren weliswaar van een half jaar daarvóór, van 8 augustus 2012, maar bij die twee facturen zijn alleen voorschotten (termijnen) in rekening gebracht. De andere drie facturen (94349, 96671 en 96673), waarvan twee eindfacturen waarbij werkzaamheden in rekening zijn gebracht, dateren van na de e-mail van 12 februari 2013.

4.34.

[eiseressen] heeft ter comparitie haar stelling dat een aantal facturen niet is voorzien van een urenspecificatie (en bijgevolg onvoldoende is gespecificeerd) laten varen. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat zij [gedaagde] geen opdracht heeft gegeven voor werkzaamheden in verband met de aangifte voor de inkomstenbelasting 2011.

4.35.

[eiseressen] stelt dat zij voor het boekjaar 2011 opdracht aan [gedaagde] heeft gegeven voor het maken van publicatiestukken ter deponering, niet voor het samenstellen van een jaarrekening, zoals in rekening is gebracht. [gedaagde] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan.

4.36.

[gedaagde] heeft ter comparitie gesteld dat zij voor het maken van publicatiestukken ter deponering € 500,00 minder in rekening brengt dan voor het samenstellen van een jaarrekening. [eiseressen] heeft deze stelling niet gemotiveerd betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Het door [eiseressen] gestelde feit dat haar huidige accountant maar € 150,00 rekent voor het maken van publicatiestukken ter deponering, is in dit verband niet van belang; het gaat er immers om wat [gedaagde] voor de werkzaamheden in rekening zou hebben gebracht.

4.37.

Het voorgaande betekent dat [eiseressen] € 500,00 van het bedrag van € 12.142,60 onverschuldigd heeft betaald. Het bedrag van € 500,00 is dan ook toewijsbaar.

Ook hier geldt dat niet de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW toewijsbaar is over dit bedrag, maar de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. De wettelijke handelsrente ziet uitsluitend op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot terugbetaling omdat zonder rechtsgrond is betaald, kan daartoe niet worden gerekend. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 25 augustus 2014, de dag van dagvaarding. Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde] eerder in verzuim is komen te verkeren.

Vorderingen sub 6

4.38.

[eiseressen] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten, primair te begroten op de daadwerkelijk door haar gemaakte kosten en subsidiair op € 3.061,70 door toepassing van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (hierna: het besluit).

4.39.

De toewijsbare geldvorderingen hebben geen betrekking op situaties waarin het besluit van toepassing is. De rechtbank moet daarom beoordelen of sprake is van redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat daarvan, gelet op de buitengerechtelijke activiteiten, sprake is voor zover het gaat om het subsidiair gevorderde bedrag van € 3.061,70. Dit bedrag is (nagenoeg) in overeenstemming met de staffel van het besluit. [eiseressen] heeft niet gemotiveerd gesteld dat de daadwerkelijk door haar gemaakte kosten hoger zijn geweest en dat het redelijk was om die kosten te maken.

4.40.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Het door [eiseressen] ter comparitie gestelde feit dat [gedaagde] nooit het gesprek over de gemaakte fouten heeft willen aangaan is, zo al juist, geen grond voor toekenning van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten. Het salaris van de advocaat zal dan ook op de gebruikelijke wijze, aan de hand van het liquidatietarief, worden begroot:

- dagvaarding € 80,17

- griffierecht 3.829,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.909,17

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 237.876,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 27 mei 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres sub 1] te betalen een bedrag van € 20.680,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 27 mei 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseressen] te betalen een bedrag van € 4.788,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 15 november 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de suppletieaangiften van de fiscale eenheid over de periode van juni 2011 tot en met september 2011 aan [eiseressen] af te geven, dit op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximaal aan dwangsommen te verbeuren bedrag van € 5.000,00,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseressen] te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 25 augustus 2014 tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseressen] tot op heden begroot op € 7.909,17,

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom, mr. R.J. Verschoof en mr. A.J. Reitsma, bijgestaan door mr. H.G. van Soolingen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.