Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3500

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2015
Datum publicatie
11-06-2015
Zaaknummer
C-16-371642 - FA RK 14-4155
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Kindgebonden budget komt in mindering op behoefte. Onvoldoende onderbouwd waarom van aanbeveling Trema moet worden afgeweken. Samengesteld gezin. Bemiddelingsprovisie over salaris man vermijdbaar gelet op Waadi.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/16/371642 / FA RK 14-4155

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking van 27 mei 2015

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster, hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. J.H. Six-van der Werf,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder, hierna te noemen: de man,

advocaat mr. H.J. Witkamp.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw, ingekomen ter griffie op 24 juni 2014;

  • -

    het aanvullende verzoekschrift van de zijde van de vrouw, tevens intrekking nevenverzoek;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de man, tevens houdend zelfstandige verzoeken;

  • -

    het verweerschrift van de zijde van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man;

  • -

    de correspondentie, waaronder met name:

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 21 oktober 2014;

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de vrouw, gedateerd 17 april 2015;

o de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 17 april 2015;

o het F-formulier (met bijlage) van de zijde van de vrouw, gedateerd 29 april 2015;

  • -

    het stuk als door de vrouw ter zitting is overgelegd;

  • -

    de draagkrachtberekening als door de man ter zitting is overgelegd.

1.2.

De hierna te noemen minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij zijn daartoe op 5 november 2014 door de rechter gehoord.

1.3.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 april 2015. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn op [1995] te [woonplaats] met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [1997];

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2001].

2.3.

Partijen oefenen van rechtswege het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3 Beoordeling van het verzochte

3.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Verder verzoekt zij te bepalen dat de inhoud van het ouderschapsplan wordt opgenomen in de beschikking. Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de man een bijdrage levert in de kosten van haar levensonderhoud. Ter zitting heeft zij haar oorspronkelijke verzoek tot vaststelling van een gebruiksvergoeding ingetrokken.

3.2.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw ten aanzien van de partneralimentatie. Verder verzoekt hij bij wijze van zelfstandig verzoek de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Daarnaast verzoekt hij de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] te wijzigen. Ten slotte verzoekt hij te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] per datum van de beschikking bij hem wordt bepaald.

Ontvankelijkheid

3.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient het verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan te bevatten, waarin in ieder geval afspraken zijn opgenomen over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de informatie- en consultatieregeling en de kinderalimentatie.

3.4.

Door de vrouw is een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan overgelegd, dat aan de vereisten van artikel 815 Rv voldoet. Om die reden acht de rechtbank partijen ontvankelijk in hun verzoeken tot echtscheiding. Uit de nadien ingekomen stukken volgt echter dat partijen thans van mening verschillen over de vraag bij wie [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats dient te hebben en welk bedrag aan kinderalimentatie is verschuldigd. Aangezien partijen het op deze punten niet eens kunnen worden, zal de rechtbank daarin hierna zelf voorzien.

Echtscheiding

3.5.

De verzoeken tot echtscheiding zijn gegrond op de stelling dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De duurzame ontwrichting is tussen partijen niet in geschil, zodat deze vaststaat. De verzoeken kunnen dan ook worden toegewezen.

Opname ouderschapsplan

3.6.

De vrouw verzoekt de tussen partijen getroffen regelingen als vermeld in het ouderschapsplan op te nemen in de beschikking. Zoals hiervoor onder punt 3.4. is vermeld, verschillen partijen echter van mening over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] en de kinderalimentatie. Om die reden zal de rechtbank het ouderschapsplan slechts gedeeltelijk opnemen in de beschikking, te weten met uitzondering van de artikelen 2.1 (wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2]) en 7.1 (kinderalimentatie).

Hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2]

3.7.

De man verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] met ingang van de datum van deze beschikking bij hem te bepalen. Hij voert daartoe aan dat hij [minderjarige 2] maar weinig ziet en graag meer tijd met haar door wil brengen. Hij acht het ook voor [minderjarige 2] van belang dat zij meer tijd met haar halfbroertje ([minderjarige 3]) door kan brengen. Om dit te bewerkstelligen acht de man een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] aangewezen. Dit levert volgens hem minder onrust op dan een uitbreiding van de zorgregeling. Verder wijst hij erop dat hij zich heeft verdiept in het autisme van [minderjarige 2]. Hij acht zichzelf in staat [minderjarige 2] de structuur te bieden die zij nodig heeft.

3.8.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en concludeert tot afwijzing. Zij stelt dat een wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] niet in haar belang is. Gelet op het autisme van [minderjarige 2] acht zij het niet verstandig haar uit haar vertrouwde omgeving te halen. Zij wijst erop dat zij tijdens het huwelijk altijd het grootste deel van de zorg voor [minderjarige 2] heeft gehad en zich goed heeft verdiept in het autisme van [minderjarige 2]. Verder acht zij de man niet in staat om betere zorg te bieden voor [minderjarige 2]. De man heeft gezondheidsproblemen en moet regelmatig naar het ziekenhuis voor behandelingen en operaties. Hij laat de verzorging van [minderjarige 2] regelmatig aan zijn nieuwe partner ([A]) over, wat niet altijd goed verloopt met name ook vanwege de taalbarrière. Ten slotte geeft de vrouw wel te kennen open te staan voor een uitbreiding van een zorgregeling, maar merkt daarbij op dat de man ook aandacht zal moeten schenken aan de wens van [minderjarige 2] om vaker alleen met hem te zijn.

3.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is het belang van [minderjarige 2] er het meest bij gediend dat zij haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw blijft houden. Niet is gebleken dat het niet goed zou gaan met [minderjarige 2] bij de vrouw dan wel dat zij het daar niet naar haar zin zou hebben. Weliswaar heeft [minderjarige 2] bij haar verhoor te kennen gegeven meer tijd met haar vader door te willen brengen, maar dit brengt nog niet met zich dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] moet worden gewijzigd. Een dergelijke wijziging is namelijk erg ingrijpend van aard en de rechtbank vreest dat dit veel onrust voor [minderjarige 2] met zich zou brengen. Daarbij komt dat [minderjarige 2], gelet op haar autisme, meer dan een gemiddeld kind behoefte heeft aan rust, structuur en duidelijkheid. De rechtbank wijst het verzoek van de man dan ook af en zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de vrouw bepalen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat beter aan de wens van [minderjarige 2] kan worden tegemoet gekomen door de zorgregeling uit te breiden. De rechtbank geeft dan ook aan partijen in overweging om in gezamenlijk overleg en in samenspraak met de orthopedagoog een uitbreiding van de zorgregeling te bespreken.

Kinderalimentatie voor [minderjarige 2]

3.10.

De man verzoekt de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2015 te wijzigen in € 225,50 per maand, althans een zodanig lager bedrag dan € 468,-- per maand, telkens bij achterafbetaling aan de vrouw te voldoen zolang [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft, met de bepaling dat de man na 1 januari 2015 te veel aan de vrouw heeft betaald wordt gerestitueerd door middel van verrekening met toekomstige alimentatiebetalingen. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Wijziging van omstandigheden

3.11.

Ter onderbouwing van zijn verzoek stelt de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Per 1 januari 2015 ontvangt de vrouw immers een hoger kindgebonden budget, waarvan zij voor een groter deel de kosten van [minderjarige 2] kan voldoen. Verder stelt hij dat hij de bijdrage slechts hoeft te voldoen tot het moment waarop de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij hem is bepaald.

3.12.

De vrouw heeft betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. Zij stelt daartoe dat de verhoging van het kindgebonden budget (de alleenstaande ouderkop) in de plaats is gekomen voor de alleenstaande ouderkorting die zij eerder ontving. Het inkomen van de vrouw is dan ook feitelijk gelijk gebleven, maar alleen op een andere wijze samengesteld. Indien bij de berekening van de kinderalimentatie rekening zou worden gehouden met de verhoging van het kindgebonden budget, dan leidt dit ertoe dat de vrouw er per saldo op achteruit gaat. Ook wijst zij erop dat het kindgebonden budget met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd, indien haar financiële situatie verandert.

3.13.

Vaststaat dat de vrouw per 1 januari 2015 een aanzienlijk hoger kindgebonden budget zal ontvangen, vanwege veranderde fiscale wetgeving. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit voldoende reden om de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] opnieuw te beoordelen. De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag in hoeverre het kindgebonden budget in mindering moet worden gebracht op de behoefte van [minderjarige 2].

Behoefte voor aftrek kindgebonden budget

3.14.

De man heeft gesteld dat de eerder tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie was berekend op basis van een behoefte van [minderjarige 2] van € 587,50 per maand bedraagt. Voor zover de rechtbank deze behoefte opnieuw zal berekenen op basis van het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan, stelt hij – zo begrijpt de rechtbank – dat zijn inkomen destijds circa € 36.000,-- bruto per jaar bedroeg.

3.15.

De vrouw betwist dat is overeengekomen dat de behoefte van [minderjarige 2] (voor aftrek van het kindgebonden budget) € 587,50 per maand zou bedragen. Volgens haar is daar ook niets over opgenomen in het ouderschapsplan. Zij stelt dat de behoefte moet worden berekend aan de hand van het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Bij de berekening van dit gezinsinkomen dient volgens de vrouw uit te worden gegaan van een gemiddelde winst uit onderneming van de man van € 125.000,-- bruto per jaar. Zij acht het niet redelijk om alleen aan te sluiten bij de winst uit onderneming ten tijde van het uiteengaan. Op dat moment was de winst niet representatief voor hetgeen de man tijdens het huwelijk verdiende. Volgens de vrouw bedroeg het netto inkomen van de man (uitgaande van een gemiddelde winst van € 125.000,-- bruto per jaar) € 7.296,-- per maand en van de vrouw € 1.756,-- per maand. Aan de hand van dit gezinsinkomen en de tabellen kosten kinderen over 2014 stelt de vrouw de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op het maximum van € 1.425,-- per maand, zodat de behoefte van [minderjarige 2] € 712,50 per maand bedraagt.

3.16.

Door de vrouw is gemotiveerd betwist dat partijen waren overeengekomen dat de behoefte van [minderjarige 2] € 587,50 per maand zou bedragen. Verder wordt in het ouderschapsplan met geen woord gerept over de behoefte van [minderjarige 2]. Gelet hierop zal de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] berekenen aan de hand van het netto-gezinsinkomen van partijen. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto inkomen van de vrouw € 1.756,-- per maand bedroeg, zodat de rechtbank daarvan uit zal gaan. De rechtbank is verder van oordeel dat voor de bepaling van het netto inkomen van de man niet alleen moet worden uitgegaan van de winst die hij ten tijde van het uiteengaan behaalde. Uit de door vrouw overgelegde cijfers blijkt immers dat deze winst aanmerkelijk lager was dan in de voorafgaande jaren. Daarbij sluit de rechtbank niet uit dat de aanstaande scheiding tussen partijen de oorzaak is geweest van deze lagere winst. Om die reden acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van de door de vrouw gestelde gemiddelde winst van € 125.000,-- bruto per jaar. Dit bedrag vindt ook steun in de door de vrouw overgelegde cijfers. Gelet op het voorgaande sluit de rechtbank aan bij het door de vrouw gestelde netto-gezinsinkomen en de daarmee corresponderende behoefte van beide kinderen van € 1.425,-- per maand. De rechtbank becijfert de behoefte van [minderjarige 2] (voor aftrek van het kindgebonden budget) dan ook op een bedrag van € 712,50 per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt deze behoefte € 718,-- per maand.

Behoefte na aftrek kindgebonden budget

3.17.

De man stelt verder dat op de behoefte van [minderjarige 2] het volledige kindgebonden budget dat de vrouw ontvangt in mindering moet worden gebracht, een en ander conform de aanbevelingen van het Tremarapport. Hij biedt daarbij wel aan om in ieder geval een bedrag van € 225,-- per maand te betalen voor [minderjarige 2].

3.18.

De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en stelt dat slechts het kindgebonden budget exclusief de alleenstaande ouderkop in mindering moet worden gebracht op de behoefte. Zij voert daartoe aan dat zij er anders per saldo op achteruit zou gaan, omdat voor haar de alleenstaande ouderkorting is komen te vervallen. Verder acht zij het onredelijk dat de man structureel minder hoeft bij te dragen, omdat de vrouw een hoger kindgebonden budget ontvangt. Bovendien zou, indien het kindgebonden budget later wordt gewijzigd, de vrouw achteraf bezien te weinig kinderalimentatie hebben ontvangen.

3.19.

De vrouw beroept zich erop – zo begrijpt de rechtbank – dat toepassing van de aanbevelingen van het Tremarapport ertoe leidt dat zij er onevenredig op achteruitgaat, in vergelijking met de situatie voor de invoering van de alleenstaande ouderkop. De rechtbank overweegt dat dit een reden zou kunnen zijn om toepassing van de aanbeveling achterwege te laten, maar zal daar in dit geval niet toe overgaan. De vrouw heeft immers niet met een rekenvoorbeeld aangetoond dat zij bij toepassing van de aanbeveling minder te besteden heeft dan in de situatie waarbij de alleenstaande ouderkop buiten beschouwing wordt gelaten. De rechtbank zal dan ook de aanbeveling volgen.

Onderhoudsplichten van de man

3.20.

De man heeft met zijn nieuwe partner een zoon, genaamd [minderjarige 3], die is geboren op [2014]. Aangezien de man ook onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 3], dient zijn draagkracht over [minderjarige 2], [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te worden verdeeld en wel naar rato van de behoefte van de kinderen. Om die reden zal de rechtbank hierna de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] becijferen.

Behoefte van [minderjarige 1]

3.21.

De behoefte van [minderjarige 1] dient, evenals de behoefte van [minderjarige 2], te worden bepaald aan de hand van het netto-gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Haar behoefte kan dan ook worden gesteld op € 718,-- per maand, zoals hiervoor onder punt 3.16. is becijferd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man geen kindgebonden budget ontvangt, aangezien zijn inkomen (zo blijkt hieronder) daarvoor te hoog is.

Behoefte van [minderjarige 3]

3.22.

De man stelt dat de behoefte van [minderjarige 3] kan worden gesteld op hetzelfde bedrag als de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], voor aftrek van het kindgebonden budget. Hij stelt verder dat zijn nieuwe partner niet over inkomen beschikt en dat om die reden de totale behoefte van [minderjarige 3] voor zijn rekening komt. Ter onderbouwing van deze stelling voert hij aan dat zijn nieuwe partner nog niet lang in Nederland woont en nog bezig is om voet aan de grond te krijgen met haar eigen bedrijf. Zij moet om daarvoor hoge reclamekosten maken, waardoor zij nog geen winst kan maken met haar bedrijf. Bovendien stelt hij dat, als zijn nieuwe partner meer gaat werken, er meer kosten voor de kinderopvang gemaakt zullen worden, zodat zij er per saldo niet op vooruit zal gaan.

3.23.

De vrouw acht de door de man gestelde behoefte van [minderjarige 3] te hoog. Zij stelt dat de behoefte van [minderjarige 3] moet worden berekend aan de hand van het inkomen van de man op dit moment (waarbij zij ervan uitgaat dat de nieuwe partner van de man geen inkomen heeft). Op het inkomen van de man dienen dan eerst de kosten die hij voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft in mindering te worden gebracht, voordat de behoefte van [minderjarige 3] volgens de tabellen wordt vastgesteld. Zij stelt immers dat de man zijn verplichtingen richting [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al had, voordat [minderjarige 3] werd geboren. Verder stelt de vrouw dat van de nieuwe partner mag worden verwacht dat zij de helft van de behoefte van [minderjarige 3] voor haar rekening neemt. Volgens de vrouw zijn er immers geen belemmeringen voor de nieuwe partner van de man om meer inkomen te genereren. Daarbij merkt zij op dat, gelet op de aard van het bedrijf van de nieuwe partner van de man (voedingscoaching), zij ook vanuit huis haar werkzaamheden zou kunnen verrichten.

3.24.

De rechtbank is van oordeel dat de behoefte van [minderjarige 3] niet gelijk kan worden gesteld aan die van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor aftrek van het kindgebonden budget. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben immers in een andere gezinssamenstelling geleefd dan [minderjarige 3] en waarin van een ander inkomen werd geleefd. Voor de behoefte van [minderjarige 3] moet dan ook worden gekeken naar het inkomen dat de man en zijn nieuwe partner gezamenlijk besteden. Daarbij dienen de kosten die de man tot op heden voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft gehad in aanmerking te worden genomen. Dit deel van het gezamenlijke inkomen werd immers al besteed aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en is daarom nooit ten goede gekomen aan [minderjarige 3].

3.25.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de nieuwe partner van de man niet of nauwelijks inkomsten heeft. Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de hierna onder punt 3.27. te melden gegevens, wat leidt tot een netto inkomen van € 6.243,-- per maand. Wat de kosten van [minderjarige 1] betreft sluit de rechtbank aan bij de hiervoor onder punt 3.21. becijferde behoefte van € 718,-- per maand. Voor de kosten van [minderjarige 2] gaat de rechtbank uit van het tot op heden door de man betaalde bedrag aan kinderalimentatie van € 468,-- per maand. Na aftrek van voormelde kosten bedraagt het besteedbare inkomen € 5.057,-- per maand. Gelet op dit inkomen en de tabellen kosten kinderen voor een gezin met één kind, becijfert de rechtbank de behoefte van [minderjarige 3] op (afgerond) € 800,-- per maand.

3.26.

De rechtbank is verder van oordeel dat van de nieuwe partner van de man mag worden verlangd dat zij de helft van deze behoefte van [minderjarige 3] voor haar rekening neemt. Op haar rust immers de verplichting als onderhoudsplichtige ouder om zich in te spannen om in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 3] te voorzien. Verder is de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet gebleken dat er voor de nieuwe partner van de man belemmeringen bestaan om een (hoger) inkomen te verwerven. Gelet op het voorgaande becijfert de rechtbank de behoefte van [minderjarige 3] aan een bijdrage van de man op € 400,-- per maand.

Draagkrachtvergelijking

3.27.

Vervolgens zal de rechtbank de draagkracht van de man en de vrouw berekenen en met elkaar vergelijken om ieders aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] te bepalen.

Draagkracht van de man

3.28.

Voor de berekening van de draagkracht van de man verwijst de rechtbank naar de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening, tenzij daarvan hierna wordt afgeweken. Voor zover deze gegevens als vermeld in de draagkrachtberekening tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

3.29.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een inkomen uit loondienst heeft van € 143.182,-- bruto per jaar, inclusief emolumenten en na aftrek van de bruto pensioenpremies. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat de man een netto pensioenpremie van € 2.184,-- per jaar dient te voldoen.

3.30.

De man stelt verder dat bij de bepaling van zijn inkomen rekening moet worden gehouden met een bemiddelingsfee van € 2.200,-- per maand die hij aan [bedrijf 1] moet betalen. Ter onderbouwing hiervan verwijst de man naar de door hem als productie 5 overgelegde bemiddelingsovereenkomst. De man verklaart dat, voordat hij als werknemer in dienst trad bij [bedrijf 2], hij daar al als zelfstandige was gedetacheerd. Deze detachering was tot stand gekomen via bemiddeling door [bedrijf 1]. In ruil voor deze bemiddeling diende de man een provisie van 20% over zijn omzet aan [bedrijf 1] te voldoen. Door de indiensttreding van de man bij [bedrijf 2] zag [bedrijf 1] deze provisie verdwijnen. Ter compensatie hiervan heeft [bedrijf 1] bedongen dat de man een bemiddelingsfee van 20% dient te voldoen over zijn salaris, zijnde € 2.200,-- per maand. Omdat deze fee voor de man een niet-verwijtbare en niet-vermijdbare last vormt, verzoekt de man hiermee rekening te houden bij de bepaling van zijn draagkracht. Daarbij geeft de man te kennen dat, hoewel de kans groot is dat deze fee voor hem niet fiscaal aftrekbaar is, er bij de berekening van mag worden uitgegaan dat hij hier wel een fiscaal voordeel over heeft.

3.31.

De vrouw heeft betwist dat met de bemiddelingsfee rekening moet worden gehouden. Allereerst betwist zij dat een dergelijke bemiddelingsfee is overeengekomen. Zij acht het onwaarschijnlijk dat de man een vergoeding moet betalen aan [bedrijf 1] om te mogen werken bij [bedrijf 2]. Daarbij wijst de vrouw erop dat de broer van de man eigenaar is van [bedrijf 1]. Zij vermoedt dat de bemiddelingsfee slechts is overeengekomen om te voorkomen dat het volledige inkomen van de man zou worden meegewogen bij de vaststelling van de onderhoudsbijdragen. Verder stelt zij dat, voor zover er inderdaad een bemiddelingsfee is overeengekomen, deze last voor de man vermijdbaar is. Volgens de vrouw is de overeenkomst ten aanzien van deze fee immers nietig of vernietigbaar op grond van het Nederlandse recht en meer in het bijzonder op grond van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Waadi). Zij stelt daartoe allereerst dat Nederlands recht van toepassing is op de bedongen bemiddelingsfee, ondanks het feit dat in de als productie 5 overgelegde overeenkomst een keuze is gemaakt voor Belgisch recht. Volgens de vrouw is immers van een internationale zaak geen sprake, aangezien [bedrijf 2] in Nederland is gevestigd en de man ook in Nederland werkt. Vervolgens stelt zij dat het beding omtrent de bemiddelingsfee in strijd is met het bepaalde in artikel 9a Waadi. In dat artikel is bepaald dat degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt geen belemmeringen in de weg mag leggen voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst na afloop van de terbeschikkingstelling tussen de arbeidskracht en degene aan wie hij ter beschikking is gesteld. Volgens de vrouw is er hier sprake van het ter beschikking stellen van een arbeidskracht door [bedrijf 1] en vormt de bedongen bemiddelingsfee een belemmering als bedoeld in het artikel. Het beding ten aanzien van de bemiddelingsfee is dan op grond van het tweede lid van artikel 9a Waadi nietig, aldus de vrouw. Subsidiair stelt zij dat de overeengekomen bemiddelingsfee vernietigbaar is op grond van artikel 3 lid 1 Waadi, waarin is bepaald dat bij het verrichten van arbeidsbemiddeling geen tegenprestatie van de werkzoekende wordt bedongen. Zij stelt dat van de man mag worden verwacht dat hij de nietigheid of vernietigbaarheid inroept van het beding. Gelet hierop is volgens de vrouw van een niet-vermijdbare last geen sprake en dient dan ook geen rekening te worden gehouden met deze last bij de bepaling van de alimentatie.

3.32.

Uit de door de man als productie 5 overgelegde overeenkomst en uit de door hem als productie 8 overgelegde nota’s volgt dat de man een bemiddelingsfee van € 2.000,-- per maand aan [bedrijf 1] voldoet. Naar het oordeel van de rechtbank dient echter geen rekening te worden gehouden met deze last en wel gezien het volgende. Door de vrouw is gemotiveerd betwist dat deze last voor de man niet te vermijden is door te stellen dat het beding nietig is dan wel vernietigbaar op grond van de Waadi. De man heeft ter zitting daaromtrent allereerst verklaard dat volgens hem Nederlands recht (en dus de Waadi) niet van toepassing is, aangezien [bedrijf 1] een Belgisch bedrijf is en er een keuze is gemaakt voor Belgisch recht. De rechtbank gaat aan deze stelling van de man voorbij. Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 van de Verordening nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (ook wel bekend als de Rome I-Verordening) mag een rechtskeuze er immers niet toe leiden dat een werknemer de bescherming verliest die hij zou hebben op grond van het recht dat van toepassing was geweest als er geen rechtskeuze zou zijn gedaan (in dit geval Nederlands recht). Dit betekent dat, voor zover het Belgische recht al niet een vergelijkbare bepaling zou kennen, de man zich zou kunnen beroepen op de bescherming die het Nederlandse recht hem biedt, meer in het bijzonder de Waadi.

Verder heeft de man in reactie op de stellingen van de vrouw slechts verklaard dat nu eenmaal vaststaat dat hij de bemiddelingsfee moet voldoen. Gelet echter op de gemotiveerde betwisting van de vrouw omtrent de vermijdbaarheid van de bemiddelingsfee had de man niet met een dergelijke ‘kale’ stelling kunnen volstaan. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de man gelegen om nader inzichtelijk te maken dat hij zich niet van deze last kan bevrijden. De man heeft verder ook niet aangeboden zijn stellingen op dit punt nader te bewijzen, zodat de rechtbank de opgevoerde last buiten beschouwing zal laten.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op het eerste gezicht de overeengekomen bemiddelingsfee een belemmering vormt in de zin van artikel 9a Waadi. De rechtbank beschikt echter over onvoldoende informatie omtrent de omstandigheden waaronder deze bemiddelingsfee is overeengekomen om op dat punt een definitief oordeel te kunnen geven. Dit dient echter voor rekening en risico van de man te komen, aangezien het – zoals hiervoor is overwogen – op zijn weg had gelegen om zijn stelling (dat de last voor hem niet te vermijden was) nader te onderbouwen.

3.33.

Uitgaande van de gegevens als hiervoor onder punt 3.27. zijn vermeld, becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de aangehechte berekening – het netto besteedbaar inkomen van de man op € 6.243,-- per maand. Volgens de draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan: 70% van [6.243 – (0,3 x 6.243 + 875)] -> € 2.447,-- per maand. Gelet op de hiervoor berekende behoeftes van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is hiervan een bedrag van € 595,-- per maand voor [minderjarige 2] beschikbaar.

Draagkracht van de vrouw

3.34.

Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw verwijst de rechtbank naar de door de vrouw als productie 1 bij het F-formulier van 29 april 2015 overgelegde draagkrachtberekening. In afwijking van deze berekening houdt de rechtbank rekening met een WW-uitkering van € 242,-- bruto per vier weken in plaats van per maand. Verder rekent de rechtbank met de tarieven over 2015. Uitgaande van deze gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de aangehechte berekening – het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.557,-- per maand. Volgens de formule bedraagt haar draagkracht dan:

70% van [1.557 – (0,3 x 1.557 + 875)] -> € 150,-- per maand.

Conclusie na draagkrachtvergelijking en zorgkorting

3.35.

Na de vergelijking van ieders draagkracht bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 2] € 287,-- per maand. Tussen partijen is verder niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met een zorgkorting van 15%. Gelet op de resterende behoefte van [minderjarige 2] van € 359,-- per maand bedraagt de zorgkorting € 54,-- per maand. De door de man te betalen kinderalimentatie bedraagt dan € 233,-- per maand.

3.36.

Tussen partijen is verder niet in geschil dat de man met ingang van 1 januari 2015 deze bijdrage dient te voldoen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 233,-- per maand aan de vrouw moet voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2]. Daarbij bepaalt de rechtbank dat deze bijdrage, wat betreft de nog te verschijnen termijnen, bij vooruitbetaling moet worden voldaan. De bijdrage is immers bedoeld om in de kosten van [minderjarige 2] voor die betreffende maand te voorzien.

Verrekening

3.37.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de te veel ontvangen alimentatie vanaf 1 januari 2015 terug moet betalen, door verrekening met de toekomstige termijnen. De vrouw heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de rechtbank dit verzoek van de man zal toewijzen.

Partneralimentatie

3.38.

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 5.000,-- per maand bijdraagt in de kosten van haar levensonderhoud. Zij stelt dat zij behoefte heeft aan een dergelijke bijdrage en acht de man in staat deze bijdrage te voldoen.

3.39.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw en concludeert tot afwijzing. Hij betwist de gestelde behoefte en stelt dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om deze bijdrage te voldoen. Verder maakt hij bezwaar tegen de verzochte ingangsdatum.

Huwelijksgerelateerde behoefte

3.40.

De vrouw stelt de man ten tijde van het uiteengaan (voorjaar 2013) een winst uit onderneming had van € 135.000,-- bruto per jaar en dat haar inkomen uit loondienst destijds € 21.042,-- per jaar bedroeg. Aan de hand van deze inkomens stelt zij haar huwelijksgerelateerde behoefte op een bedrag van € 5.931,-- bruto per maand. Dit komt ook nagenoeg overeen met de uitgaven als vermeld in het als productie 11 bij het F-formulier van 29 april 2015 overgelegde overzicht.

3.41.

De man betwist de door de vrouw gestelde behoefte en stelt dat haar behoefte moet worden vastgesteld aan de redelijkerwijs te verwachten uitgaven. Hij wijst er daarbij op dat de vrouw, volgens het door haar als productie 2 bij het F-formulier van 29 april 2015 overgelegde overzicht, haar uitgaven stelt op circa € 2.442,-- per maand. Daar moeten de kosten van [minderjarige 2] nog van worden afgetrokken, zodat er minder dan € 2.000,-- aan behoefte overblijft, aldus de man. De vrouw zou daarin zelf moeten kunnen voorzien. Verder betwist de man het door de vrouw als productie 11 overgelegde overzicht. Hij stelt daarbij dat het aan de vrouw is om haar behoefte inzichtelijk te maken en dat, bij gebrek daaraan, het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen. Voor zover de rechtbank voor de bepaling van de behoefte van de vrouw, ondanks voormelde stellingen van de man, toch zou aansluiten bij het netto-gezinsinkomen van partijen stelt hij dat zijn inkomen destijds slechts € 36.000,-- bruto per jaar bedroeg.

3.42.

Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de bepaling van de behoefte van de vrouw niet te worden uitgegaan van het door de vrouw als productie 2 overgelegde overzicht. Ter zitting heeft de vrouw immers verklaard dat deze lijst slechts weergeeft wat de vrouw op dit moment in haar beperkte financiële situatie uitgeeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze uitgaven niet representatief zijn voor hetgeen partijen gewend waren ten tijde van het huwelijk uit te geven. De vrouw heeft verder verwezen naar de door haar als productie 11 overgelegde behoeftelijst, maar die behoeftelijst is door de man integraal betwist. Om die reden biedt ook deze lijst onvoldoende houvast voor de rechtbank om de behoefte van de vrouw te berekenen. De conclusie die de man daaraan verbindt, namelijk dat het gehele verzoek tot partneralimentatie moet worden afgewezen, acht de rechtbank echter te verstrekkend. Immers staat vast dat partijen tijdens het huwelijk over een aanzienlijk gezamenlijk inkomen beschikten, waarvan zij de nodige kosten hebben voldaan. Partijen waren dus een zekere mate van welstand gewend. Daar komt bij dat het inkomen van de man aanmerkelijk hoger was dan dat van de vrouw, aangezien de vrouw het merendeel van de zorg voor de kinderen had. Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden geconcludeerd dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage van de man.

3.43.

Bij gebrek aan concrete gegevens omtrent de (verwachte) uitgaven van de vrouw, zal de rechtbank voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaan van de zogenaamde Hofnorm. Zoals hiervoor onder punt 3.15. is vermeld, becijfert de rechtbank het inkomen van de man destijds op € 7.296,-- netto per maand, waarbij de rechtbank voorbij is gegaan aan de stelling van de man dat zijn inkomen slechts € 36.000,-- per jaar bedroeg. Het inkomen van de vrouw destijds bedroeg € 1.756,-- netto per maand. Het netto-gezinsinkomen bedroeg derhalve € 9.052,-- netto per maand. Na aftrek van de kosten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] van (destijds) € 1.425,-- per maand, resteert een bedrag van € 7.627,-- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte kan dan worden gesteld op 60% van dit bedrag, te weten € 4.576,20 per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt dit € 4.612,81 per maand. Gebruteerd bedraagt dit (afgerond) € 8.051,-- per maand.

Aanvullende behoefte

3.44.

De vrouw stelt dat zij per 10 november 2014 is aangewezen op een WW-uitkering, waarvan de hoogte nog onbekend is. Zij is op zoek naar een baan, maar geeft wel te kennen dat zij niet fulltime kan werken, gezien de zorg voor [minderjarige 2]. Gelet op de hoogte van de door haar gestelde huwelijksgerelateerde behoefte is zij niet in staat om volledig in haar behoefte te voorzien.

3.45.

De man heeft betwist dat de vrouw niet volledig in haar behoefte kan voorzien. Volgens hem zou de vrouw wel fulltime kunnen werken, ondanks de zorg voor [minderjarige 2]. Zij ontvangt namelijk een persoonsgebonden budget voor [minderjarige 2], dat zij kan gebruiken om zorg in te kopen, zoals dagbesteding bij een zorgboerderij. Ook heeft de man aangeboden om [minderjarige 2] op te vangen als de vrouw werkt. De vrouw kan aldus worden geacht door middel van een fulltime baan volledig te voorzien in haar behoefte.

3.46.

Naar het oordeel van de rechtbank kan van de vrouw op dit moment niet worden verlangd dat zij volledig in haar behoefte voorziet. Gelet op de zorg die de vrouw voor [minderjarige 2] heeft, acht de rechtbank het niet redelijk om op dit moment van de vrouw te verlangen dat zij fulltime moet gaan werken. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat [minderjarige 2], gelet op haar autisme, meer zorg nodig heeft dan een gemiddeld kind van haar leeftijd. Ook neemt de rechtbank daarbij in overweging dat door de vrouw gemotiveerd is betwist dat [minderjarige 2] voldoende persoonsgebonden budget ontvangt om aanvullende zorg in te kopen. Bovendien acht de rechtbank de vrouw, ook indien zij wel fulltime zou gaan werken, niet in staat om volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien, gelet op het grote verschil tussen haar huidige inkomen en de hiervoor becijferde huwelijksgerelateerde behoefte. Wel wijst de rechtbank de vrouw erop dat op haar een inspanningsverplichting rust om zoveel mogelijk zelf in haar behoefte te voorzien. Dit betekent onder andere dat van de vrouw mag worden verlangd dat zij – ook na deze procedure – blijft solliciteren en dat, naarmate [minderjarige 2] ouder wordt en minder zorg nodig heeft, zij haar werkzame uren zal uitbreiden. Voor dit moment sluit de rechtbank echter aan bij het inkomen van de vrouw als hiervoor onder punt 3.34. is berekend. Uit deze berekening volgt dat de vrouw een inkomen heeft van € 22.838,-- bruto per jaar, zijnde € 1.903,-- bruto per maand. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan € 6.148,-- bruto per maand.

Draagkracht van de man

3.47.

Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van de navolgende financiële gegevens. Voor zover deze gegevens tussen partijen niet vaststaan, zal de rechtbank hierop gemotiveerd ingaan.

3.48.

Voor de bepaling van het inkomen van de man verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder de punten 3.28 tot en met 3.32 is overwogen.

3.49.

De man stelt verder dat rekening moet worden gehouden met de bijstandsnorm voor een echtpaar. Verder stelt hij dat zijn volledige woonlasten in aanmerking moeten worden genomen en de premie ziektekostenverzekering voor zowel hemzelf als zijn nieuwe partner. Hij voert daartoe aan dat zijn nieuwe partner niet zelf in haar levensonderhoud kan voorzien en dat hij daarom alle lasten volledig zelf moet dragen.

3.50.

De vrouw stelt daarentegen dat rekening moet worden gehouden met de norm voor en alleenstaande en slechts met de helft van de woonlasten. Verder stelt zij dat alleen met de premie ziektekostenverzekering van de man moet worden gerekend. Zij stelt dat van de nieuwe partner van de man mag worden verwacht dat zij voor de helft bijdraagt in de woonlasten en dat zij haar eigen ziektekostenverzekering voldoet. Volgens haar zijn er immers geen belemmeringen voor de nieuwe partner van de man om meer inkomen te genereren.

3.51.

Zoals hiervoor onder punt 3.26 is overwogen, is de rechtbank niet gebleken dat er voor de nieuwe partner van de man belemmeringen bestaan om een (hoger) inkomen te verwerven. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat van de nieuwe partner van de man mag worden verwacht dat zij zelf in haar levensonderhoud voorziet. De rechtbank houdt dan ook, conform de aanbevelingen van het Tremarapport, rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 961,-- per maand en de daarin begrepen ‘gemiddelde basishuur’ van € 227,-- per maand en het ‘nominaal deel premie ZVW’ van € 39,-- per maand. Verder neemt de rechtbank alleen de premie ziektekostenverzekering van de man in aanmerking. Volgens de door de man als productie 13 overgelegde nota bedraagt deze premie € 133,81 per maand. Verder houdt de rechtbank ook rekening met het eigen risico van € 31,-- per maand, dat door de vrouw niet is betwist. Ten slotte houdt de rechtbank (conform de stellingen van de vrouw) rekening met de helft van de woonlasten, te weten:

  • -

    een eigenwoningforfait van € 1.586,-- per jaar;

  • -

    een aftrekbare hypotheekrente van € 11.220,-- per jaar;

  • -

    een premie levensverzekering van € 137,50 per maand;

  • -

    een forfait eigenaarslasten van € 47,50 per maand.

3.52.

Gelet op hetgeen hiervoor onder punt 3.32. is overwogen, houdt de rechtbank verder geen rekening met de opgevoerde bemiddelingsfee van € 2.200,-- per maand die de man aan [bedrijf 1] voldoet.

3.53.

Uitgaande van voormelde gegevens becijfert de rechtbank – onder verwijzing naar de aangehechte berekening – de draagkracht van de man op een bedrag van € 2.803,-- per maand. Daarop worden de kosten die de man heeft voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in mindering gebracht. Deze kosten zijn hiervoor becijferd op respectievelijk € 718,-- per maand, € 287,-- per maand (inclusief de zorgkorting) en € 400,-- per maand. Er resteert dan een draagkracht voor partneralimentatie van € 1.398,-- netto per maand, zijnde € 2.912,-- bruto per maand.

Jusvergelijking

3.54.

De man heeft ter zitting gesteld dat er een zogenaamde jusvergelijking moet worden gemaakt om te voorkomen dat de vrouw, door betaling van de partneralimentatie, in een betere positie zou komen te verkeren dan de man. Om die reden zal de rechtbank hierna de huidige financiële situatie van de vrouw beoordelen.

3.55.

Voor de bepaling van het inkomen van de vrouw verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder de punten 3.34. en 3.46. is overwogen. Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende posten, die tussen partijen niet in geschil zijn:

  • -

    de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 961,-- per maand;

  • -

    de huur van € 965,-- per maand;

  • -

    de gemiddelde basishuur van € 227,-- per maand;

  • -

    de korting wegens onredelijke woonlast van € 455,-- per maand;

  • -

    de premie voor de ziektekostenverzekering van € 121,-- per maand;

  • -

    het eigen risico van € 30,-- per maand;

  • -

    het nominaal deel voor de premie ZVW van € 39,-- per maand.

3.56.

Na vergelijking van de financiële situatie van partijen is de rechtbank van oordeel dat de vrouw niet in een betere positie komt te verkeren, indien de man met een bedrag van € 2.912,-- bruto per maand bijdraagt in de kosten van haar levensonderhoud.

Ingangsdatum

3.57.

Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij zijn overeengekomen dat de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw in zou gaan per 1 januari 2015. Gelet op het bepaalde in artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank de ingangsdatum van de partneralimentatie niet eerder bepalen dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Om die reden zal de rechtbank hierna bepalen dat de man met ingang van die datum met een bedrag van € 2.912,-- bruto per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit laat echter onverlet dat partijen ook gebonden zijn aan de tussen hen in onderling overleg gemaakte afspraak.

Proceskosten

3.58.

Gelet op het familierechtelijke karakter van de zaak zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding tussen partijen uit;

4.2.

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw heeft;

4.3.

neemt de onderling tussen partijen getroffen regelingen, als vermeld in het ouderschapsplan van 17 oktober 2014, op in deze beschikking met uitzondering van de artikelen 2.1 (wat betreft de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2]) en 7.1 (kinderalimentatie), onder verwijzing naar de aangehechte en gewaarmerkte kopie van dit ouderschapsplan;

4.4.

bepaalt dat de man met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 233,-- (tweehonderddrieëndertig euro) per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2], wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

4.5.

bepaalt dat de man eventueel te veel betaalde kinderalimentatie voor [minderjarige 2] mag verrekenen met de toekomstige termijnen;

4.6.

bepaalt het bedrag dat de man zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw op € 2.912,-- bruto per maand, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.7.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behoudens het gedeelte onder 4.1.;

4.8.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.9.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W.A. Vonk, (kinder)rechter, in aanwezigheid van de griffier, mr. J.A.M.H. de Wit, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2015.1

1 type: JdW coll: