Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3369

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2015
Datum publicatie
19-05-2015
Zaaknummer
C/16/385671 / FT RK 15/194
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aangehouden beslissing op verzoek dwangakkoord. In de huidige regeling ontbreekt voor het CJIB de verplichting om finale kwijting te verlenen. Het CJIB wordt aldus bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers, die wel afstand doen van het restant van hun vorderingen en niet is gebleken dat de andere schuldeisers hiervan op de hoogte zijn gebracht. De schuldhulpverlener dient een nieuwe, voor alle schuldeisers met dezelfde rang gelijkluidende regeling, op te stellen en aan te bieden. Deze nieuwe regeling behoeft niet voor alle schuldeisers van gelijke rang gelijkluidend te zijn, indien die ongelijkheid maar voor alle schuldeisers kenbaar is en alle schuldeisers met die ongelijkheid (schriftelijk) instemmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/385671 / FT RK 15/194

uitspraakdatum: 23 april 2015

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker sub 1],

geboren op [1960] te [geboorteplaats],

en

[verzoeker sub 2],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

beide wonende te [adres]

[postcode] [woonplaats],

hierna tezamen ook genoemd: verzoekers,

tegen

[verweerder sub 1]

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: schuldeiser 1,

gemachtigde: De Klerk en Vis,

[verweerder sub 2]

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: schuldeiser 2,

[verweerder sub 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: schuldeiser 3,

gemachtigde: Collactive Incasso,

[verweerder sub 4]

kennelijk woonplaats kiezende

ten kantore van haar gemachtigde,

hierna te noemen: schuldeiser 4.

gemachtigde: Vesting Finance.

1 De procedure

1.1.

Verzoekers hebben op 21 januari 2015, tegelijk met een verzoek tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling, een verzoek (hierna: het verzoek) ingediend tot het uitspreken van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (hierna: Fw). Het verzoek richt zich tegen de schuldeisers 1, 2, 3 en 4.

1.2.

Bij faxbericht van 23 maart 2015 heeft schuldeiser 1 kenbaar gemaakt alsnog akkoord te gaan met het hierna nader te omschrijven voorstel van verzoekers, zodat het verzoek voor zover het zich richt tegen schuldeisers 1 geen verdere behandeling behoeft.

De schuldeisers 2, 3 en 4 worden hierna gezamenlijk ook ‘verweerders’ genoemd.

1.3.

Op 16 april 2015 is het verzoek ter zitting behandeld en hierbij zijn verschenen verzoekers en mevrouw [A], schuldhulpverlener van Werk en Inkomen [naam]. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is geen van verweerders verschenen.

2 De feiten

De volgende feiten staan vast.

2.1.

Verzoekers zijn 55 en 52 jaar oud en zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij hebben een inwonende zoon van 22 jaar. Hun inkomsten bestaan uit een WIA-uitkering ten behoeve van mevrouw, aangevuld met een bijstandsuitkering.

Het budget van verzoekers wordt sinds 15 januari 2013 beheerd.

2.2.

De schuldenlast van verzoekers bestaat uit één preferente en 21 concurrente vorderingen en heeft een totaal beloop van € 35.617,32.

2.3.

Verzoekers hebben op 5 januari 2015 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoekers gedurende 36 maanden hun afloscapaciteit reserveren. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van

5,01 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeiser wordt het dubbele geboden. Het aanbod is gebaseerd op een prognose: stijgt het inkomen van verzoekers gedurende de regeling, dan zal een hoger bedrag worden uitgekeerd aan de crediteuren, daalt het inkomen, dan wordt een lager bedrag uitgekeerd.

2.4.

De regeling omvat voor alle schuldeisers behalve het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna te noemen: CJIB) de verplichting van de schuldeisers om na ontvangst van de onder 2.3 bedoelde uitkering aan verzoekers finale kwijting te verlenen voor hun restantvorderingen.

2.5.

De brief van 4 november 2014 waarmee de algemeen directeur van het CJIB namens het CJIB het aanbod heeft aanvaard luidt namelijk – voor zover voor de beoordeling van het verzoek relevant – als volgt:

“Op 29 september 2014 heb ik uw voorstel tot minnelijke schuldregeling op naam van (…) ontvangen. Ik ga hiermee akkoord.

Het restant van de vordering blijft na afloop van de minnelijke schuldregeling opeisbaar. Dit is overeengekomen in artikel 14.1 van het convenant tussen NVVK en het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB)”.
2.6. De vordering van het CJIB bedraagt € 5.300,-. Het betreft, volgens verklaring van verzoekers, boetes voor het onverzekerd hebben van scooters. De boetes zijn derhalve “saneerbaar”: zouden verzoekers het wettelijke schuldsaneringstraject met goed gevolg doorlopen en aldus een ”schone lei” verkrijgen, dan zou het CJIB de mogelijkheid verliezen om voldoening van deze boetes, althans het onbetaalde deel daarvan, van verzoekers af te dwingen.

2.7.

Verzoekers hebben, bij monde van hun schuldhulpverlener, ter zitting verklaard dat de overige schuldeisers niet op de hoogte zijn van de met het CJIB op basis van het in de brief van 4 november 2014 bedoelde NVVK-convenant gemaakte afspraken.

2.8.

De onder 2.3. bedoelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve verweerders aanvaard. De redenen voor weigering zijn niet bekend. Verweerders hebben niet gereageerd op het voorstel.

3 Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1.

Verzoekers hebben in het verzoek de rechtbank verzocht verweerders te bevelen in te stemmen met de onder 2.3. bedoelde schuldregeling. Verzoekers hebben zich hierbij op het standpunt gesteld dat de schuldeisers bij toepassing van de wettelijke schuldsanering geen uitkering kunnen verwachten, nu in een wettelijke schuldsanering de kosten van bewindvoering en het griffierecht voor de deponering van de uitdelingslijst in mindering worden gebracht op het aan de schuldeisers uit te keren bedrag. De kosten gemoeid met de wettelijke schuldsanering zijn dermate hoog dat deze het uit te keren bedrag overstijgen, aldus verzoekers.

4 De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.

Uitganspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat zijn vordering, vermeerderd met rente, volledig wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vorderingen van verweerders, staat het belang van verweerders bij weigering van die regeling in beginsel vast. Dit kan anders worden wanneer verweerders in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat verweerders hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat de in 4.1. genoemde belangenafweging op basis van de nu beschikbare gegevens ten nadele van verzoekers uitvalt. De rechtbank stelt vast dat de aan de schuldeisers voorgehouden beschikbare som op een onjuiste wijze is berekend, dat niet alle schulden en/of schuldeisers bij het aanbod zijn betrokken en dat voorts niet aan alle concurrente schuldeisers hetzelfde aanbod is gedaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de beschikbare som

4.3.

Ter zitting hebben verzoekers, bij monde van de schuldhulpverlener, verklaard dat bij de berekening van de spaarcapaciteit van verzoekers tijdens de minnelijke regeling geen rekening is gehouden met een (fictieve) bijdrage van de inwonende zoon. Ter toelichting hebben zij gesteld dat pas sinds 1 januari 2015 eigen inkomsten verwerft en dat wat hij daarvan afdraagt (€ 300,- per maand) net voldoende is om de kosten van zijn inwoning te dekken. Deze redenering gaat er aan voorbij dat in de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de berekening van de afdrachtplicht/spaarcapaciteit op basis van het VTLB-rapport wel degelijk een positieve correctie op het inkomen zou plaatsvinden in verband met de (fictieve) inkomsten van de zoon. De berekening van het inkomen verzoekers is derhalve niet juist, waardoor ook (de prognose van) hun spaarcapaciteit niet juist is. Dat betekent dat de in de regeling aan de schuldeisers voorgelegde spaarcapaciteit niet kan worden vergeleken met de spaarcapaciteit van verzoekers in het wettelijke traject.

Ten aanzien van de bij het aanbod betrokken schulden en schuldeisers

4.4.

Ter zitting hebben verzoekers, door de rechtbank gevraagd naar het bestaan van eventuele vorderingen uit hoofde van de zorgverzekering die door het CJIB worden geïncasseerd, bij monde van hun schuldhulpverlener verklaard dat deze vorderingen niet op de schuldenlijst zijn opgenomen “omdat deze worden kwijtgescholden na een geslaagde regeling”. Die verklaring is, zonder nadere toelichting, welke toelichting ter zitting niet kon worden gegeven, onbegrijpelijk: gesteld noch gebleken is dat het CJIB afstand heeft gedaan van deze vordering. Daarbij komt dat op grond van artikel 285 lid 1 sub a Fw jo. 96 Fw in of bij het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een staat van “de schulden des boedels” (cursivering rechtbank) te worden opgenomen. Op die staat dienen dus alle bestaande schulden te worden opgenomen: of die schulden al dan niet saneerbaar zijn, is niet relevant. Het aanbod dient immers te worden gedaan aan alle schuldeisers en een juiste berekening van het aangeboden bedrag is alleen dan mogelijk indien de (verwachte) beschikbare som wordt verdeeld over alle schulden.

4.5.

Daarbij komt dat de beantwoording van de in het kader van de beoordeling van het verzoek om toepassing van schuldsaneringsregeling te stellen vraag of verzoekers bij het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden te goeder trouw zijn geweest (art. 288 lid 1 aanhef en sub b Fw) niet mogelijk is, indien geen inzage wordt verstrekt in de totale schuldenlast.

Ten aanzien van de inhoud van het aanbod

4.6.

Verzoekers hebben twee verschillende regelingen aangeboden. De eerste regeling, hiervoor onder 2.3 en 2.4. uitvoeriger weergegeven, is tegen finale kwijting aangeboden aan één preferente en 20 concurrente schuldeisers. De tweede regeling is aangeboden aan het CJIB en betreft de saneerbare boetes van verzoekers. Deze tweede regeling heeft dezelfde inhoud als de eerste, maar de verplichting voor het CJIB om finale kwijting te verlenen ontbreekt.

4.7.

Het CJIB wordt aldus bevoordeeld ten opzichte van de andere schuldeisers, die wel afstand doen van het restant van hun vorderingen. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de andere schuldeisers op de hoogte zijn gebracht van de bevoorrechte positie van het CJIB. De schuldhulpverlener heeft ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat de andere schuldeisers hiervan niet door de schuldhulpverlening op de hoogte zijn gebracht.

4.8.

Die, de andere schuldeisers onbekende, bevoordeling van het CJIB maakt, los van de eerder geconstateerde gebreken in het aanbod, dat de onderhavige regeling niet dwingend kan worden opgelegd aan verweerders. De rechtbank zoekt bij de beoordeling van deze regeling aansluiting bij de dwingend voorgeschreven regels voor de homologatie van een tijdens de schuldsaneringsregeling aangeboden akkoord: artikel 338 lid 2 jo. 153 lid 2 aanhef en sub 2 Fw bepaalt dat de rechtbank de homologatie van een dergelijk akkoord zal weigeren indien het akkoord door begunstiging van een of meer schuldeisers tot stand is gekomen.

Dat de onderhavige begunstiging van het CJIB plaats vindt op grond van afspraken die door de NVVK (de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren) met het CJIB in het convenant zijn gemaakt, doet daar niet aan af. Bij de totstandkoming van dat convenant zijn de andere schuldeisers van verzoekers immers niet betrokken geweest, laat staan dat zij daarmee hebben ingestemd.

Aanhouding van de beslissing

4.9.

Verzoekers hebben zich bij het opstellen van het aanbod moeten verlaten op de door hun gemeente kwantitatief en (daarmee) kwalitatief beschikbaar gestelde schuldhulpverlening. Zij mochten erop vertrouwen dat het aanbod procedureel en inhoudelijk op de juiste wijze tot stand zou zijn gekomen. De onderhavige regeling vertoont echter, zoals hiervoor is overwogen, vele gebreken. Het gaat de rechtbank gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval dan ook te ver om verzoekers nu al op die gebreken “af te rekenen” en het verzoek af te wijzen. Verzoekers verdienen de kans om de gebreken te herstellen en aldus binnen het bestaande traject een nieuw aanbod op te stellen.

4.10.

De rechtbank zal de beslissing op het verzoek dan ook aanhouden tot 23 juli 2015 teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen om de hiervoor onder 4.3. tot en met 4.8 genoemde gebreken in het aanbod te herstellen door het nemen van de volgende stappen:

a. herberekening van de (verwachte) spaarcapaciteit op basis van een juiste lezing van het VTLB-rapport en dus - onder meer - rekening houdend met de inwonende zoon;

b. aanvulling van de schuldenlijst zodat deze alle bestaande schulden en schuldeisers vermeldt;

c. opstellen van een nieuwe, voor alle schuldeisers met dezelfde rang gelijkluidende regeling en het aanbieden van die regeling aan die schuldeisers.

4.11.

De hiervoor in 4.10 onder c bedoelde regeling behoeft niet voor alle schuldeisers van gelijke rang gelijkluidend te zijn, indien die ongelijkheid maar voor alle schuldeisers kenbaar is en alle andere schuldeisers met die ongelijkheid (schriftelijk) instemmen.

4.12.

Een gelijkluidende regeling wordt natuurlijk het meest eenvoudig verkregen indien het CJIB alsnog finale kwijting verleend voor de saneerbare boetes/schulden. Bij weigering door het CJIB staat verzoekers ook ten aanzien van deze schuldeiser in beginsel de weg van het dwangakkoord open.

5 De beslissing

De rechtbank

houdt de beslissing op het verzoek aan tot 23 juli 2015 teneinde verzoekers in de gelegenheid te stellen de stappen te nemen als omschreven onder 4.10.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

23 april 2015.