Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3339

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-05-2015
Datum publicatie
18-05-2015
Zaaknummer
UTR 15/2193
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verschillende verkeersbesluiten genomen ter voorkoming van sluipverkeer in de wijk Pijlsweerd te Utrecht. Gelet op de toelichting van verweerder ter zitting acht de voorzieningenrechter vooralsnog aannemelijk dat verweerder alle bij het besluit betrokken belangen (m.b.t. de luchtkwaliteit en de veiligheid) bij de besluitvorming heeft betrokken. De motivering van de besluitvorming is echter summier gebleken. In de bodemprocedure zal daarom moeten worden bezien of dit consequenties heeft. Mede omdat onderhavige verkeersbesluiten onderdeel uitmaken van een geheel aan maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment meer gewicht toe aan het belang van verweerder bij handhaving van de verkeersbesluiten dan aan het belang van verzoekers bij schorsing daarvan. Het verzoek is daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/2193

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, te Utrecht, mede namens:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2], [adres] te [woonplaats];

[verzoeker 3], [adres] te [woonplaats];

[verzoeker 4], [adres] te [woonplaats];

[verzoeker 5] en [verzoeker 6], [adres] te [woonplaats]; en

[verzoeker 7], [adres] te [woonplaats],

samen te noemen: verzoekers,

(gemachtigde: drs. C. van Oosten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Brouwer en O. van Schaick).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 december 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder verschillende verkeersmaatregelen genomen om sluipverkeer in de wijk Pijlsweerd te Utrecht tegen te gaan.

Bij besluit van 10 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van [verzoeker 7] niet-ontvankelijk verklaard, en de bezwaren van de overige verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekers hebben voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2015. Verzoekers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde(n).

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op het feit dat verweerder reeds op 28 april 2015 is gestart met de werkzaamheden die nodig zijn om uitvoering te kunnen geven aan de beoogde verkeersmaatregelen en deze maatregelen volgens planning per 8 juni 2015 in werking zullen treden, acht de voorzieningenrechter spoedeisend belang aanwezig.

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1 van de Awb kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken en beroep instellen. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX2597), volgt dat een persoon slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit is indien hij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.

5. De voorzieningenrechter overweegt dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2], wonende aan de [adres], in ieder geval als belanghebbende bij de onderhavige verkeersbesluiten kunnen worden aangemerkt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de beoogde verkeersmaatregelen onder meer betrekking hebben op de [straat], waar deze verzoekers woonachtig zijn. Zo wordt op de [straat] tweerichtingsverkeer ingevoerd en wordt op de [straat] ter hoogte van de Singelstraat een dynamische knip ingevoerd. De verkeersbesluiten zijn derhalve van directe invloed op de woonomgeving van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], zodat zij bij deze besluiten een bijzonder, individueel belang hebben dat zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.

6. Ten aanzien van de vraag of de Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht (de Stichting) als belanghebbende bij onderhavige verkeersbesluiten kan worden aangemerkt overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens artikel 2.1 van haar statuten heeft de Stichting als doelstelling: “bestrijding van de luchtverontreiniging in Utrecht en de regio Utrecht en het tegengaan van blootstelling aan verontreinigde lucht, die schadelijk is voor de gezondheid en het milieu”. Zij tracht haar doel te bereiken door:

- “ het geven van voorlichting, onderzoek en advies aan burgers, buurt- en wijkcomités, gemeentebesturen en politieke partijen teneinde gedragsverandering te bewerkstelligen en besluitvorming te beïnvloeden;

- rechtsmiddelen in te stellen (zowel bestuursrechtelijk als civielrechtelijk) tegen besluiten, plannen en situaties in de stad en de regio Utrecht, die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu in verband met verontreiniging van de lucht, waarbij onder meer het verkeer een belangrijke rol speelt”.

7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat op voorhand niet vast dat het statutaire doel van de Stichting, zowel in functioneel als in territoriaal opzicht, voldoende onderscheidend is om op grond daarvan te kunnen aannemen dat het belang van de Stichting rechtstreeks betrokken is bij de onderhavige verkeersbesluiten. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat het instellen van rechtsmiddelen volgens rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 mei 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD2647), in de regel niet kan worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Bovendien geldt ten aanzien van de onderhavige verkeersbesluiten geen wettelijke verplichting tot het verrichten van een luchtkwaliteitsonderzoek en is het ook maar de vraag of de luchtkwaliteit hier in het geding is. Gelet hierop zal naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de bodemprocedure nader moeten worden bezien of de Stichting als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

8. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat ook ten aanzien van [verzoeker 5] en [verzoeker 6], woonachtig op de [adres], [verzoeker 3], woonachtig op de [adres], [verzoeker 4], woonachtig op de [adres], en [verzoeker 7], woonachtig op de [adres], niet zonder meer vaststaat dat zij een bijzonder, individueel belang hebben bij de onderhavige verkeersbesluiten dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers. Hun woningen zijn, anders dan bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2], niet gelegen langs de wegen waarop de verkeersbesluiten betrekking hebben. Vooralsnog is ook niet gebleken dat onderhavige verkeersbesluiten rechtstreekse gevolgen hebben voor de verkeersintensiteit en de luchtkwaliteit ter plaatse van hun woningen. Dat zij gebruik maken van de in geding zijnde wegen alsmede dat zij door de verkeersbesluiten via andere (om)wegen hun woning zullen moeten bereiken maakt, gelet op rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 maart 2002 (AB 2002, 173), nog niet dat zij een bijzonder en individueel belang hebben. Ook de omstandigheid dat verweerder de bewoners uit de omliggende straten heeft uitgenodigd om over de plannen mee te denken maakt, anders dan verzoekers hebben betoogd, niet dat deze bewoners daarom als belanghebbende bij onderhavige verkeersbesluiten kunnen worden aangemerkt. Nu beantwoording van de vraag of de hiervoor genoemde verzoekers als belanghebbende bij de onderhavige verkeersbesluiten kunnen worden aangemerkt meer aandacht vergt dan in deze voorlopige-voorzieningenprocedure kan worden geboden, zal dit in de bodemprocedure nader aan de orde moeten komen.

9. Aangezien het beroep van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], zoals hiervoor onder 5 is overwogen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval ontvankelijk is, zal worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

10. Verzoekers voeren aan dat verweerder met onderhavige verkeersbesluiten in feite uitvoering geeft aan de maatregel ‘knijp Monicabrug’, waarmee verweerder het verkeer op de Weerdsingel beoogt terug te dringen. Hierdoor is sprake van misbruik van bevoegdheden, aldus verzoekers. Tegen de maatregel ‘knijp Monicabrug’ kan geen beroep worden ingesteld omdat deze maatregel alleen een andere afstelling van de verkeerslichten betreft. De bewoners zijn vanaf het begin in de waan gebracht dat de ‘knijp’ vaststond en dus niet ter discussie kon worden gesteld. Nu verweerder het bestreden besluit vrijwel alleen motiveert met argumenten over de noodzaak van de ‘knijp’ zou het volgens verzoekers niet meer dan redelijk zijn dat de kritiek van verzoekers tegen de ‘knijp Monicabrug’ wordt betrokken bij de beoordeling van de vraag of verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt en de nodige kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Volgens verzoekers wordt met het ‘knijpen’ van het verkeer op de route Oudenoord-Weerdsingel de verkeersdruk en de daarmee samenhangende luchtverontreiniging verplaatst naar onder meer de Amsterdamsestraatweg, waardoor de luchtkwaliteit aldaar verder verslechtert. Volgens verzoekers voldoet de luchtkwaliteit op de Weerdsingel aan de norm, maar wordt de norm op de Amsterdamsestraatweg overschreden. Verweerder is hier in het bestreden besluit nauwelijks op ingegaan. Het had volgens verzoekers voor de hand gelegen dat verweerder het bestreden besluit zou hebben onderbouwd met een recent luchtkwaliteitsonderzoek. Verzoekers zijn van mening dat het bestreden besluit reeds hierom niet deugdelijk is gemotiveerd en voorbereid.

11. Verzoekers betogen voorts dat de verkeersbesluiten leiden tot extra overlast en verkeersonveiligheid op de Amsterdamsestraatweg en de [straat]. Zo moeten bewoners omrijden om hun eigen huis te bereiken, hetgeen extra tijd kost en leidt tot meer luchtverontreiniging. Verder ontstaat voor voetgangers aan het begin van de Amsterdamsestraatweg een onveilige situatie doordat het mogelijk wordt vanaf de Amsterdamsestraatweg de [straat] in te slaan. Ook ontstaat hierdoor op de [straat] een parkeerroute waardoor het drukker zal worden in de Otterstraat, de Kruisweg en de [straat]. De [straat] is bovendien een drukke fietsroute. Niet alleen worden de fietsers door onderhavige maatregelen aan extra luchtverontreiniging blootgesteld, ook de veiligheid gaat er op achteruit, aldus verzoekers. Verweerder is hier niet op ingegaan en heeft ook geen verkeersberekeningen aan de verkeersbesluiten ten grondslag gelegd, aldus verzoekers. Verder is verweerder volgens verzoekers ook niet ingegaan op de bezwaren tegen de opheffing van de geslotenverklaring voor vrachtwagens.

12. Volgens rechtspraak van de ABRvS, bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraak van 25 juli 2012, komt verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit een ruime beoordelingsmarge toe. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet in strijd is met wettelijke voorschriften dan wel de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

13. De voorzieningenrechter stelt vast dat het betoog van verzoekers, voor zover dit is gericht tegen de verplaatsing van de verkeersdrukte en de luchtverontreiniging van de Weerdsingel naar onder meer de Amsterdamsestraatweg, ziet op de gevolgen van de maatregel ‘knijp Monicabrug’. Deze maatregel, die uitsluitend een aanpassing van de verkeerslichten betreft en waarvoor derhalve geen verkeersbesluit nodig is, maakt geen onderdeel uit van onderhavige verkeersbesluiten. De onderhavige besluiten zien immers uitsluitend op de verkeersmaatregelen in de wijk Pijlsweerd. De ‘knijp Monicabrug’ is derhalve, evenals hetgeen hiertegen is aangevoerd, in onderhavige procedure niet aan de orde en zal daarom bij de beoordeling buiten beschouwing worden gelaten.

14. Wat betreft de gevolgen van onderhavige besluitvorming voor de luchtkwaliteit overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is verweerder niet gehouden onderhavige verkeersbesluiten zelfstandig aan luchtkwaliteit te toetsen. Dit laat echter onverlet dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit in het kader van de verplichte belangenafweging in de onderhavige besluitvorming kunnen worden betrokken. Hoewel dit uit onderhavige verkeersbesluiten niet zonder meer blijkt en verweerder ter zake ook geen stukken heeft overgelegd acht de voorzieningenrechter, gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, voldoende aannemelijk dat een dergelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. Zo heeft verweerder aangegeven dat de straten binnen de wijk Pijlsweerd niet afzonderlijk zijn onderzocht op luchtkwaliteit, maar dat op de hoofdwegen rondom de wijk wel berekeningen zijn uitgevoerd. Nu op deze hoofdwegen aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan, kan volgens verweerder worden gesteld dat ook in de straten binnen de wijk, waar een lagere verkeersintensiteit geldt, aan de luchtkwaliteitsnormen wordt voldaan. Bovendien zien de verkeersbesluiten op het tegengaan van het sluipverkeer in de wijk, waardoor de luchtkwaliteit enkel zal verbeteren, aldus verweerder. Gelet hierop ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voor de hand dat onderhavige verkeersmaatregelen zullen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit in de wijk Pijlsweerd dan wel op de omliggende hoofdwegen, ondanks dat (sommige) bewoners uit de wijk Pijlsweerd wellicht moeten omrijden om hun woning te bereiken. Daarbij hebben verzoekers niet gesteld dat de luchtkwaliteitsnormen in de wijk op dit moment worden overschreden en hebben zij hun standpunt dat de beoogde verkeersmaatregelen tot een achteruitgang van de luchtkwaliteit zullen leiden op dit moment ook niet met stukken onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt.

15. Ten aanzien van de gevolgen van de onderhavige verkeersbesluiten voor de veiligheid in de wijk Pijlsweerd, met name op de kruising van de [straat] en de Amsterdamsestraatweg, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Hoewel ook dit niet duidelijk uit de besluitvorming blijkt heeft verweerder ter zitting meerdere keren benadrukt dat de belangen van de verschillende verkeersdeelnemers integraal zijn afgewogen. Verweerder heeft daarbij aangegeven dat in de aanloop naar onderhavige besluitvorming regulier overleg heeft plaatsgevonden met verkeersdeskundigen, alsook met buurtbewoners en de school op de hoek van de [straat] en de Amsterdamsestraatweg. Naar aanleiding hiervan zijn volgens verweerder reeds in het voortraject verschillende veiligheidsmaatregelen voor fietsers en voetgangers genomen. Hoewel verweerder niet heeft aangegeven om wat voor maatregelen het concreet gaat en wanneer deze precies zijn genomen, is het treffen van deze maatregelen door verzoekers niet ontkend. Verweerder is ter zitting voorts ingegaan op de opheffing van de geslotenverklaring voor vrachtwagens. Zo heeft verweerder toegelicht dat de bestaande geslotenverklaring betrekking had op doorgaand vrachtverkeer, en dat er een uitzondering gold voor bestemmingsvrachtverkeer. Nu het doorgaand vrachtverkeer als gevolg van de aan te brengen knips uit de wijk zal verdwijnen wordt de geslotenverklaring volgens verweerder overbodig. De voorzieningenrechter acht deze uitleg helder. De stelling van verzoekers dat er alsnog vrachtverkeer van pakketdiensten de wijk in zal rijden, treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen doel nu dit vrachtverkeer als bestemmingsverkeer moet worden aangemerkt. Hoewel het op de weg van verweerder had gelegen een en ander in de besluitvorming toe te lichten, acht de voorzieningenrechter, gelet op de toelichting van verweerder ter zitting, vooralsnog aannemelijk dat verweerder alle bij het besluit af te wegen belangen bij de besluitvorming heeft betrokken.

16. Alles overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de motivering van de besluitvorming ten aanzien van de hiervoor genoemde beroepsgronden vrij summier is gebleken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal in de bodemprocedure moeten worden bezien of dit consequenties heeft, nu verweerder eerst ter zitting een deugdelijke motivering heeft gegeven en inzicht heeft gegeven in de afweging van de bij de verkeersbesluiten betrokken belangen. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment, mede met het oog op de invoering van de maatregel ‘knijp Monicabrug’ op 8 juni 2015, aan het belang van verweerder bij handhaving van de besluitvorming, dat wil zeggen: het voorkomen van sluipverkeer, meer gewicht toekomt dan aan het belang van verzoekers bij schorsing daarvan, temeer nu onderhavige verkeersmaatregelen onderdeel uitmaken van een geheel aan maatregelen in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

17. De voorzieningenrechter komt zodoende tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D. de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.