Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3262

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-05-2015
Datum publicatie
12-05-2015
Zaaknummer
2746811 UM 14-358
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor het trajectcontrolesysteem dat wordt gebruikt op de A2 is een wettelijke basis. Een man had een boete van 45 euro gekregen omdat hij op de A2 bij Breukelen de maximale snelheid met 8 km/u had overtreden. Tegen deze beslissing stelde hij beroep in bij de kantonrechter. Volgens de man maakt het trajectcontrolesysteem inbreuk op zijn privacy.

De kantonrechter oordeelt dat in de Politiewet voldoende wettelijke grondslag is te vinden voor het gebruik van het huidige systeem. Hij neemt daarbij in overweging dat er sprake is van een geringe inbreuk op de privacy, dat de registratie van niet-overtreders binnen 72 uur wordt gewist en dat weggebruikers door bebording op de hoogte worden gesteld van de controle.

Ook is voldaan aan de overige eisen die artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet stellen.

Wetsverwijzingen
Grondwet
Grondwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/171
JBP 2015/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

locatie Utrecht

zaaknummer: 2746811 UM 14-358

CJIB-nummer: 165256337

beslissing d.d. 12 mei 2015

inzake

[betrokkene], wonende te [woonplaats], [adres],

verder ook te noemen: betrokkene.

gemachtigde: mr. B.A. Boer.

Verloop van de procedure

Bij brief van 13 maart 2013, ontvangen op 13 maart 2013, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, gegeven op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), bekend onder bovengenoemd CJIB-nummer.

Betrokkene is in de gelegenheid gesteld alle op het beroepschrift betrekking hebbende stukken in te zien.

Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is behandeld ter zitting van

28 april 2015. Betrokkene is, met zijn raadsman, verschenen. Namens de officier van justitie is verschenen de heer [A], werkzaam bij de CVOM.

Vervolgens heeft de kantonrechter op 12 mei 2015 deze beslissing gegeven.

De procedure

Aan betrokkene is een sanctie van € 45,00 opgelegd omdat hij op 20 september 2012 om 09.37 uur op de A2 te Breukelen met een personenauto (kenteken [kenteken]) de maximale snelheid met 8 km/h zou hebben overtreden.

Tegen dit besluit heeft betrokkene beroep ingesteld welk beroep de officier van justitie met het besluit van 2 februari 2013 ongegrond heeft verklaard.

Tegen dit besluit heeft (de gemachtigde van) betrokkene beroep bij de kantonrechter ingesteld. Namens de officier van justitie is tijdens de zitting van 28 april 2015 verzocht het beroep van betrokkene ongegrond te verklaren.

De standpunten

De gemachtigde van betrokkene heeft -kort gezegd- aangevoerd dat het trajectcontrolesysteem waarmee de gedraging zou zijn geconstateerd een inbreuk op de privacy van betrokkene maakt. Op grond van het bepaalde in artikel 8, lid 2 EVRM en artikel 10, lid 2 Grondwet vereist een dergelijke inbreuk een wettelijke grondslag maar het trajectcontrolesysteem mist die grondslag. Daarnaast voldoet het gebruik van het systeem niet aan de overige voorwaarden van artikel 8 EVRM. De uitkomst van dit systeem kan dan ook niet als bewijs worden gebruikt.

Namens de officier van justitie is -kort gezegd- aangevoerd dat voor de beperkte inbreuk op de privacy van betrokkene waarvan in dit geval sprake is, geen specifiekere wettelijke grondslag noodzakelijk is dan thans bestaat en gevonden kan worden in de Politiewet, het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV1990) en de Wet politiegegevens.

Het oordeel van de kantonrechter

De wettelijke grondslag zoals vereist in artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet


Ter onderbouwing van zijn stelling dat een wettelijke grondslag ontbreekt heeft de gemachtigde van betrokkene ten eerste verder verwezen naar de Memorie van Toelichting bij het wetvoorstel met betrekking tot de invoering van het nieuwe artikel 126jj Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Met dat artikel wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor het vastleggen en bewaren van kentekengegevens door de politie. Volgens de raadsman volgt reeds daaruit dat die grondslag er nu niet is.
De kantonrechter volgt deze stelling niet. Uit bedoelde Memorie van Toelichting blijkt dat met de invoering van het nieuwe artikel 126jj Sv wordt bedoeld een wettelijke grondslag te creëren voor een nieuwe ‘regeling van het vastleggen en bewaren van kentekengegevens’. Uit deze toelichting blijkt verder dat die nieuwe regeling -bij daadwerkelijke invoering- veel ruimere mogelijkheden biedt voor het gebruik van kentekengegevens dan de huidige regeling. Zo zou de nieuwe wettelijke regeling onder meer tot gevolg hebben dat kentekengegevens gedurende meerdere weken kunnen worden bewaard zonder dat op het moment van vastlegging een concrete aanleiding bestaat en zonder dat het bewaren ervan noodzakelijk is voor uitvoering van de politietaak. Bij het trajectcontrolesysteem waarmee de gedraging van betrokkene is geconstateerd, worden kentekengegevens -zo is ter terechtzitting namens de officier van justitie duidelijk gemaakt- alleen geregistreerd om snelheidsovertredingen vast te kunnen stellen en worden gegevens van niet-overtreders binnen 72 uur automatisch gewist. Slechts in uitzonderlijke, specifiek bij wet geregelde gevallen worden de gegevens gebruikt voor een ander doel dan de verkeershandhaving.

De nieuwe regeling biedt dus veel ruimere mogelijkheden voor het gebruik van kentekengegevens dan het thans voorliggende trajectcontrolesysteem. Het op dit moment ontbreken van een wettelijke grondslag voor de nieuwe regeling, betekent dan ook geenszins dat die wettelijke grondslag tevens ontbreekt voor het huidige trajectcontrolesysteem.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat het gebruik van het systeem thans een wettelijke grondslag ontbeert heeft de gemachtigde van betrokkene verder aangevoerd dat die basis noch in de Politiewet noch in de artikelen 141 en 142 Sv kunnen worden gevonden.

De kantonrechter stelt vast dat de politie ingevolge artikel 3 van de Politiewet 2012 onder meer tot taak heeft te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde. In dat kader dient controlerend en handhavend te worden opgetreden, ook in het kader van de verkeersveiligheid. Gezien deze politietaak is de kantonrechter, overigens in lijn met hetgeen daarover in eerdere jurisprudentie wordt aangenomen, van oordeel dat in dit artikel van de Politiewet voldoende wettelijke grondslag kan worden gevonden voor de inbreuk op de privacy van betrokkene als waarvan thans sprake is. Daarbij neemt de kantonrechter uitdrukkelijk in overweging dat er naar zijn oordeel sprake is van een geringe mate van inbreuk, dat de registratie bij niet-overtreders binnen 72 uur wordt gewist en dat weggebruikers door bebording op de hoogte worden gesteld van het bestaan van de controle en zich daarmee bewust kunnen zijn van de plaatsvindende registratie.

De gemachtigde van betrokkene heeft in dit kader nog gesteld dat de, ook door de Hoge Raad gemaakte, koppeling met de Politiewet geen stand kan houden nu daarbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat er bij trajectcontrole meer opnames worden gemaakt van niet-strafbare, dan van wel-strafbare gedragingen. Ook deze stelling kan niet slagen. Het is immers inherent aan het succesvol kunnen inzetten van het gebruikte systeem dat alle kentekens bij binnenkomst van het traject en bij het verlaten ervan worden geregistreerd. Dat daarbij, voor zolang als nodig voor de uitvoering van deze taak, gegevens van niet overtreders worden opgeslagen, is dan ook onontkoombaar en maakt bedoelde koppeling niet onjuist.

De overige eisen van artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet

Namens betrokkene is aangevoerd er door het gebruik van trajectcontrole sprake is van strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit nu door het gebruik van flitspalen hetzelfde doel kan worden bereikt met een minder vergaande inbreuk op de privacy weggebruikers.

De kantonrechter stelt ten eerste vast dat door het gebruik van trajectcontrole over een langer traject snelheid kan worden gecontroleerd. Dit doel kan niet worden bereikt door de inzet van flitspalen nu daarmee snelheid wordt gecontroleerd op alleen de plaats van de flitspaal.

Ten tweede is ter terechtzitting door de vertegenwoordiger van de officier van justitie uitgelegd dat door het gebruik van trajectcontrole een digitale koppeling kan worden gemaakt met de kentekengegevens van de RDW waardoor exact voor elk passerend voertuig kan worden vastgesteld wat de daarvoor geldende maximumsnelheid is en, pas daarna, of er sprake is van een snelheidsovertreding. Een dergelijke koppeling is slecht denkbaar bij het gebruik van flitspalen indien daarmee, zoals door betrokkene wordt bepleit, alleen overtreders mogen worden gefotografeerd. Immers, eerst ná controle van de gegevens van de trajectcontrole met de gegevens van de RDW, kan voor alle passerende voertuigen worden vastgesteld wat de daarvoor geldende maximumsnelheid is en of er sprake is van een snelheidsovertreding.

De kantonrechter is reeds om deze twee redenen van oordeel dat het doel, te weten een snelheidscontrole over langere afstand van alle passerende voertuigen, niet bereikt kan worden met de door betrokkene voorgestelde flitscontrole.

Conclusie

Uit het vorenstaande volgt dat er voor het gebruik van de bedoelde trajectcontrole weldegelijk een wettelijke basis bestaat, te weten in de Politiewet. Verder volgt uit het vorenstaande dat ook is voldaan aan de overige eisen die artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet stellen. Van bewijsuitsluiting van de gegevens verkregen met de bedoelde trajectcontrole zoals bepleit door betrokkene, kan dan ook geen sprake zijn.

Nu betrokkene overigens geen gronden heeft aangevoerd, en er voor de kantonrechter ook ambtshalve geen redenen zijn, te oordelen dat de officier van justitie niet op goede gronden tot zijn besluit heeft kunnen komen, zal de kantonrechter het beroepschrift van betrokkene ongegrond verklaren.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van Maanen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2015.

de griffier de kantonrechter

N.C. Lens mr. A. van Maanen

Bent u het met de beslissing op uw beroep niet eens, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, doch alleen indien:

a. de opgelegde sanctie meer dan € 70,-- bedraagt, of

b. het beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005 te 3500 DA Utrecht en dient door degene die bij de Afdeling Strafrecht beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

DEZE BESLISSING IS VERZONDEN OP