Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:3089

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-05-2015
Datum publicatie
01-05-2015
Zaaknummer
16/659050-15 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man tot 24 maanden gevangenisstraf voor medeplegen poging tot doodslag. Zonder dat er enige aanleiding was heeft verdachte het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, meerdere malen met kracht tegen diens hoofd geschopt. Verdachte is, nadat hij door zijn medeverdachte was weggetrokken, teruggelopen naar het slachtoffer en heeft, terwijl deze overeind probeerde te komen en nog op handen en knieën en met het hoofd naar beneden zat, -als een soort van genadetrap-, het slachtoffer op zijn hoofd naar de grond getrapt.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte en met de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

parketnummer: 16/659050-15 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 mei 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1996] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 april 2015 waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander op 18 januari 2015 geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel geprobeerd heeft die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel openlijk geweld tegen die [slachtoffer] heeft gepleegd, door die [slachtoffer] meerdere malen met kracht (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het lichaam en hoofd te slaan en te trappen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich bedreigd voelde door de man. Zowel aan het begin van de vechtpartij, toen de man hem verbaal bedreigde en hij zijn handen uit zijn zakken wilde halen, als later, toen de man probeerde op te staan nadat hij was gevallen. Hij was bang en wilde zich verdedigen.

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer had. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat aan de hand van de beelden niet vast te stellen is dat er tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] is getrapt. Enkel is te zien dat er in de richting van het bovenlijf wordt getrapt. Waar aangever wordt geraakt is, nu hij met zijn romp en hoofd van de camera af ligt, niet te zien. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het primair ten laste gelegde feit.

De subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan eveneens niet wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte dient eveneens van dat feit vrijgesproken te worden.

De raadsman heeft gesteld dat het meer subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Uit het dossier volgt dat [slachtoffer] op 18 januari 2015 in Hilversum op straat meermalen geschopt is.

[slachtoffer] kan zich van 18 januari 2015 niet veel herinneren. Hij was uit geweest in Hilversum en herinnert zich van het tenlastegelegde slechts dat hij, terwijl hij op de grond lag, een schop tegen zijn hoofd heeft gekregen van een jongen.2

De mishandeling van [slachtoffer] werd vastgelegd met verschillende camera’s van het Gemeentelijk cameratoezicht Hilversum. Verbalisanten [A] en [B] hebben de camerabeelden bekeken en zagen op de beelden van camera 7 dat [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte] in de Leeuwenstraat te Hilversum naar een man toeliepen.

[verdachte] liep voor de man langs en ging voor hem staan, waardoor de man niet verder kon. [medeverdachte] stond links van de man. [verdachte] gaf de man een duw in de richting van [medeverdachte] en gaf tegelijkertijd met zijn rechterarm een klap op de rug van de man. [medeverdachte] pakte de man vast ter hoogte van zijn schouder en schopte hem tegen zijn benen. Terwijl [medeverdachte] de man nog vast had nam [verdachte] een soort aanloop en met een zwaai gaf hij een klap in de richting van het hoofd van de man en schoot deze daarna voorbij. Hierop werd de man door [medeverdachte] tegen zijn benen geschopt. [verdachte] en de man kwamen ten val. [medeverdachte] trok de man van [verdachte] af en sleepte hem een stukje weg.

Terwijl de man op handen en knieën zat gaf [medeverdachte] de man een schop tegen zijn hoofd. [verdachte] en [medeverdachte] schopten daarna allebei een aantal keren achter elkaar tegen en op het hoofd van de man. De man bleef tijdens het schoppen roerloos liggen. Terwijl de man op de grond lag gaf [verdachte] de man een vuistslag in het gezicht.

De man lag vervolgens half op zijn zij. [medeverdachte] hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Dit herhaalde hij nog een keer met zijn hak. [verdachte] schopte met kracht nog een keer tegen de romp van de man, die nog roerloos op de grond lag.

[medeverdachte] versleepte de man een stukje. [verdachte] bukte en gaf een tik op het hoofd van de man. Vervolgens schopte [verdachte] tegen het gezicht van de man, waardoor het hoofd van de man naar achteren ging. [medeverdachte] gaf de man twee “voetvegen” tegen het hoofd.

[medeverdachte] trok [verdachte] bij de man vandaan. [verdachte] trok zich los en [medeverdachte] probeerde hem mee te trekken maar [verdachte] bleef staan. [medeverdachte] liep langzaam weg. De man probeerde op te staan en stond met handen en voeten op de grond. [verdachte] liep naar de man, spreidde zijn armen en hief zijn rechter been op en trapte met kracht naar beneden tegen het hoofd van de man. Deze viel meteen op de grond en bleef roerloos liggen.3

Bij [slachtoffer] werd onder andere het navolgende letsel vastgesteld: een zwelling links boven op het hoofd, een geheel rood verkleurde linker oorschelp, een blauwe verkleuring onder het linkeroog, op de linker bovenarm en op het linker onderbeen.4

[getuige 1] stond in de Leeuwenstraat en zag dat er een man op straat lag en dat deze man in elkaar werd geslagen en vooral tegen zijn hoofd werd geschopt door twee jongens.5

[getuige 2] zag dat er een man op de grond lag en dat deze man meerdere schoppen tegen zijn hoofd kreeg van twee Marokkaanse jongens.6

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 18 januari 2015 samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] in Hilversum was. Zij hadden daar met een man gevochten. Hij had de man geschopt. Hij was de jongen die op de beelden te zien was in een jas met een bontkraag.7

(bewijs)overwegingen

Verklaring verdachte

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat hij zich bedreigd voelde door [slachtoffer], niet aannemelijk. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt waaruit volgt dat [slachtoffer] op enig moment een bedreiging voor verdachte vormde. Nadat [slachtoffer] hen rustig lopend passeerde is verdachte met zijn medeverdachte achter [slachtoffer] aangelopen. [slachtoffer] probeerde vervolgens schuin weg te lopen bij verdachten, die hem bleven volgen en hem uiteindelijk verhinderden verder te lopen. Al die tijd heeft [slachtoffer], zoals verdachte ook zelf heeft verklaard, met gebogen hoofd naar beneden gekeken en zijn handen in zijn zakken gehouden. Uit het verslag van de beelden valt slechts af te leiden dat, nadat verdachte vóór [slachtoffer] stil is gaan staan en hem samen met medeverdachte de doorgang belette, verdachte degenen is die als eerste een duw en een klap geeft.

Vervolgens werd [slachtoffer] terwijl hij op de grond lag en zich niet verdedigde, door verdachte en medeverdachte meermalen tegen zijn hoofd en lichaam getrapt. Nadat verdachte door zijn medeverdachte was weggetrokken, probeerde [slachtoffer] op te staan en zat op handen en knieën op straat. Verdachte is vervolgens teruggelopen naar [slachtoffer] en heeft hem tegen de grond getrapt.

Op geen enkel moment is een dreiging door [slachtoffer] naar verdachte of medeverdachte op de beelden waar te nemen. Voor zover verdachte al een (verbale) dreiging ervoer had hij gedurende de gehele tijd op elk moment de gelegenheid afstand te nemen en weg te lopen. Hij heeft er voor gekozen dit niet te doen.

Schoppen tegen het hoofd

De raadsman heeft gesteld dat op basis van de ter terechtzitting getoonde beelden niet vastgesteld kan worden dat [slachtoffer] tegen zijn hoofd geschopt is.

Uit de verklaringen van [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] volgt dat [slachtoffer] meermalen tegen zijn hoofd is geschopt. Voorts is er bij [slachtoffer] onder andere letsel aan zijn hoofd vastgesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft gevochten en deze geschopt heeft. De rechtbank heeft op grond van het vorenstaande geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verbalisanten [A] en [B] bij het uitkijken van de camerabeelden, zoals deze zijn neergelegd in het proces-verbaal van bevindingen.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, zoals hier de dood van het slachtoffer, is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Er is sprake geweest van een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden ten gevolge van het handelen van verdachte. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte [slachtoffer] tegen de grond gewerkt. Daarop volgde een ware explosie van geweld waarbij [slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en zich niet tegen het geweld kon verdedigen of daar niet toe in staat was, door beide verdachten meerdere malen met geschoeide voeten met kracht op diverse plaatsen op/tegen zijn hoofd werd geschopt. Voorts werd [slachtoffer], terwijl zijn hoofd op de harde ondergrond lag, van boven af op zijn hoofd gestampt.

Niet blijkt van enige terughoudendheid van verdachte of zijn mededader bij het schoppen, trappen, ‘hakken’ of stompen van die [slachtoffer], noch in de plaats waar zij [slachtoffer] raakten of probeerden te raken, noch in de kracht van hun inzet.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het lichaam is. Verdachte moet geacht worden daarvan op de hoogte te zijn. De gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte kunnen dan ook, met name gelet op de kracht en frequentie van de trappen tegen nota bene het hoofd van [slachtoffer], naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van de dood van [slachtoffer], dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken.

De raadsman heeft voorts gesteld dat het opgetreden letsel aan het hoofd van [slachtoffer] niet past bij het veronderstelde gewelddadig handelen, aangezien er weinig letsel te zien was. De rechtbank merkt op dat het feit dat het zichtbare letsel beperkt leek te zijn gebleven niet afdoet aan het risico dat door verdachte en medeverdachte is genomen, indien met kracht meermalen tegen het hoofd van een ander mens wordt geschopt. Dodelijk (hersen)letsel kan ook het gevolg zijn, indien er weinig tot geen uitwendig waarneembaar letsel is.

Op basis van het bovenstaande wordt het verweer van de verdediging, dat geen sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer], verworpen.

Medeplegen

De rechtbank is tevens van oordeel dat sprake is van medeplegen. Verdachte is samen met zijn medeverdachte achter [slachtoffer] aangelopen. Zij hebben hem samen tegen de grond gewerkt, waarna de hiervoor omschreven geweldshandelingen door beide verdachten werden gepleegd. Verdachte heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd van het door hem en zijn medeverdachte op [slachtoffer] uitgeoefende geweld en heeft van het begin tot het eind actief deelgenomen aan de geweldshandelingen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom gesproken worden van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte ten aanzien van de poging tot doodslag.

De rechtbank acht, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met zijn medeverdachte ten minste met voorwaardelijk opzet geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door hem meerdere malen met kracht tegen het hoofd te schoppen.

4.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op18 januari 2015 te Hilversum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer]

- vastgehouden en/of vervolgens tegen het lichaam geschopt/getrapt en

- meermalen tegen het hoofd gestompt/geslagen en

- tegen de benen geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en

- ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) meermalen met veel kracht tegen het hoofd en tegen het lichaam, geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en

- terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan met veel kracht tegen het hoofd geschopt/getrapt waardoor deze wederom op de grond viel,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1

De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

medeplegen poging tot doodslag

5.2

De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen, welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven. Zonder dat daartoe enige aanleiding was heeft verdachte [slachtoffer], terwijl deze op de grond lag, meerdere malen met kracht tegen diens hoofd geschopt. Verdachte is, nadat hij door zijn medeverdachte was weggetrokken, teruggelopen naar [slachtoffer] en heeft, terwijl deze overeind probeerde te komen en nog op handen en knieën en met het hoofd naar beneden zat, -als een soort van genadetrap-, [slachtoffer] op zijn hoofd naar de grond getrapt.

Door dit forse geweld in het uitgaansleven heeft verdachte grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en gezondheid van het slachtoffer, maar ook op diens vertrouwen in mensen om hem heen en in de maatschappij. [slachtoffer] ondervindt tot op heden nog steeds de lichamelijke en psychische klachten ten gevolge van dit feit en is daarvoor onder medische behandeling. Voorts veroorzaken dergelijke feiten, zeker als het feit plaatsvindt op de openbare weg en er mensen getuigen van zijn, gevoelens van onveiligheid en onrust bij deze getuigen in het bijzonder en in de maatschappij in het algemeen.

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, maar niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 3 april 2015. Bij verdachte is in het verleden een oppositionele gedragsstoornis vastgesteld. Om hier meer over te kunnen zeggen is een nieuw persoonlijkheidsonderzoek nodig. Verdachte heeft aangeven niet mee te willen werken aan diagnose en behandeling. Er worden risico’s gezien op vrijwel alle leefgebieden. De vele in het verleden ingezette hulp werd doorgaans geweigerd en de problematiek werd gebagatelliseerd. Verschillende gezinsleden hebben justitiële contacten en de ouders zijn niet in staat de nodige structuur te bieden. Verdachtes problematiek neemt aanhoudend toe en de hulpverleners zien geen mogelijkheden meer voor verdere hulpverlening. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Verdachte legt de oorzaak van hetgeen is gebeurd volledig buiten zichzelf en heeft tot het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting op geen enkel moment blijk gegeven het kwalijke van zijn handelen in te zien. Verdachte heeft geen spijt betoond over hetgeen hij

[slachtoffer] heeft aangedaan en de gevolgen daarvan voor die [slachtoffer] en zijn familie.

De enkele opmerking bij zijn laatste woord dat het hem spijt overtuigt niet.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van verdachte en met de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf gelijk aan die door de officier van justitie is geëist, passend en geboden en zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, opleggen.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het feit en de persoon van verdachte, geen aanknopingspunten voor een voorwaardelijk strafdeel en ziet geen enkele ruimte voor een lichtere of andere sanctie.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.597,00 waarvan

€ 1.345,00 ter zake materiële schade en € 2.252,00 ter zake immateriële schade, met daarbij de wettelijke rente en toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

7.2

het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist en heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3

het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van de benadeelde partij levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering kan dan ook worden toegewezen voor een bedrag van € 3.597,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 18 januari 2015 tot de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank bepalen dat voor zover het toegekende bedrag door de mededader is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens eveneens hoofdelijk- de schadevergoedingsmaatregel opleggen, eveneens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

8 Het beslag

De officier van justitie heeft de teruggave aan de rechthebbende gevorderd van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde schoenen, merk Royaums.

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de schoenen aan verdachte, aangezien voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen poging tot doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe voor een bedrag van

€ 3.597,00, waarvan € 1.345,00 ter zake materiele schade en € 2.252,00 ter zake immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan de benadeelde partij, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

- veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen € 3.597,00, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 januari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- Bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Beslag

- gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- een paar schoenen, merk Royaums.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.E. Somsen, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 mei 2015.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 18 januari 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld:

zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) die [slachtoffer]

- tegen het lichaam geduwd en/of geslagen en/of

- vastgehouden en/of (vervolgens) tegen het lichaam geschopt/getrapt en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen het hoofd gestompt/geslagen en/of

- tegen de benen geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) meermalen met veel kracht tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam, geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan) met veel kracht tegen het hoofd geschopt/getrapt waardoor deze wederom op de grond viel,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 18 januari 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of geslagen en/of

- het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben vastgehouden en/of (vervolgens) tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben gestompt/geslagen en/of

- meermalen, althans éénmaal, tegen de benen van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) meermalen met veel kracht tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer], heeft/hebben geschopt/getrapt en/of gestompt/geslagen en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan) met veel kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft/hebben geschopt/getrapt waardoor deze wederom op de grond is gevallen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 18 januari 2015 te Hilversum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Leeuwenstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans éénmaal,

- duwen en/of slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- vasthouden van het lichaam van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) het schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en/of

- stompen/slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer] en/of

- schoppen/trappen tegen de benen van die [slachtoffer] waardoor die [slachtoffer] op de grond is gevallen en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] (roerloos) op de grond lag) met veel kracht tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer] schoppen/trappen en/of stompen/slaan en/of

- ( terwijl die [slachtoffer] probeerde op te staan) met veel kracht schoppen/trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer] waardoor deze wederom op de grond is gevallen;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het proces-verbaal nummer PL0900-2015018939. De door de rechtbank in de voetnoten aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

2 proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 78 en 79.

3 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 91 tot en met 94.

4 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer], pagina 83.

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], met bijlagen, pagina 67.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], met bijlage, pagina 78.

7 Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 april 2015.