Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:2946

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2015
Datum publicatie
08-05-2015
Zaaknummer
UTR 14-5552
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:1892, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor 5 jaar voor het tijdelijk inrichten en gebruiken van het perceel t.b.v. een modelvliegclub. Gebrek in de belangenafweging, niet te herstellen. Vernietiging met instandlating rechtsgevolgen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6897
Milieurecht Totaal 2016/6454
JBO 2015/204 met annotatie van D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2015-0127 met annotatie van Marieke Kaajan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/5552

Uitspraak van de meervoudige kamer van 16 april 2015 in de zaak tussen

[eiseres], te [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: voorheen mr. S. Haak, nu mr. F.B. van Schendel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Verkerk).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de vereniging Modelvliegclub Midden Nederland, te Utrecht, vergunninghoudster

(gemachtigde: mr. dr. R.M. Schnitker).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster (MVC) een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de duur van vijf jaar verleend voor het tijdelijk inrichten en gebruiken van het perceel Ringkade, kadastrale gemeente Oudenrijn, sectie D, perceelnummer 86 te De Meern (perceel) ten behoeve van een modelvliegclub voor de activiteiten bouwen, afwijking van de bestemming en milieu.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Tegelijkertijd is het verzoek om een voorlopige voorziening (UTR 14/5539) behandeld, waartoe de voorzitter van de meervoudige kamer als voorzieningenrechter optrad.

Ter zitting zijn verschenen namens eiseres [eiseres] en haar voormalige gemachtigde mr. S. Haak. Voorts zijn namens eiseres verschenen [A] (specialist Rundergezondheidsdienst Deventer), [B], [C] (werkzaam bij het bureau [naam] & [naam] bv), [D] en [E].

Namens verweerder is verschenen zijn gemachtigde, bijgestaan door [F].

Namens MVC zijn verschenen [G] (voorzitter) en [H] (bestuurslid), bijgestaan door mr. Schnitker. Voorts zijn voor MVC ter zitting verschenen [I] (werkzaam bij Bureau [naam] bv) en [J] (veehouder).

Ter zitting is het onderzoek aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling te komen. Voorts is ter zitting afgesproken dat in het geval partijen niet tot een minnelijke regeling komen, eiseres een onderzoek zal verrichten naar het effect van vliegen met modelvliegtuigen op de koeien van eiseres.

Bij brief van 12 januari 2015 heeft MVC de rechtbank verzocht om hervatting van het onderzoek ter zitting. Bij brief van 2 februari 2015 heeft eiseres datzelfde verzoek aan de rechtbank gedaan.

Het onderzoek is hervat ter zitting van 10 maart 2015. Namens eiseres is verschenen

[eiseres] en (haar nieuwe) gemachtigde mr. Van Schendel. Tevens is verschenen [A] voornoemd.
Namens verweerder is verschenen gemachtigde mr. Verkerk en [K].
Namens MVC zijn verschenen voorzitter [G] en bestuurslid [H], bijgestaan door mr. Schnitker. Voorts is verschenen [J].

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is eigenaar van op een afstand van ongeveer 35 m naast het perceel gelegen gronden (graslanden) die zich uitstrekken tussen [straatnaam] en [straatnaam]. Eiseres gebruikt deze gronden voor de uitoefening van haar veehouderijbedrijf met voornamelijk zoogkoeien, gevestigd aan de Heijcopperkade.

2. Op 29 juli 2012 heeft [H] een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het tijdelijk gebruiken en inrichten van het perceel ten behoeve van de modelvliegclub. Het perceel ligt in het midden van polder Rijnenburg en is eigendom van de gemeente Utrecht. Het gebruik van de polder is nu nog agrarisch, maar in de toekomst is hier woningbouw voorzien.

3. Bij besluit van 12 juli 2013 heeft verweerder onder toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan MVC een omgevingsvergunning verleend voor de duur van vijf jaar voor het inrichten en gebruiken van het perceel. Bij uitspraak van
31 oktober 2013 heeft deze rechtbank dat besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen (ECLI:NL:RBMNE:2013:5424). De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de voorbereiding van het nieuw te nemen besluit niet opnieuw met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb hoeft plaats te vinden.

4. Verweerder heeft aan de opdracht van de rechtbank voldaan. Bij het bestreden besluit (van 28 juli 2014) heeft verweerder met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, en in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo aan MVC een omgevingsvergunning verleend voor een periode van vijf jaar voor het tijdelijk inrichten en gebruiken van het perceel ten behoeve van een modelvliegclub. Aan dit besluit heeft verweerder de Ruimtelijke onderbouwing Ringkade (ten westen van nummer [nummer]) van juni 2013 met daarop een aanvulling van 17 juli 2014 ten grondslag gelegd, alsmede de door MVC ingediende bijlagen, waaronder het rapport van Bureau [naam] “modelvliegtuigjes en verstoring van broedvogels in de Heicopsche Polder (Utrecht)” van 9 juli 2014 en diverse verklaringen van onder meer veehouders en een dierenarts.

5. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, onder c en onder e, van de Wabo is het - voor zover hier van belang - verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit (a) het bouwen van een bouwwerk, (c) het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan en (e) het oprichten en het in werking hebben van een inrichting.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo is - voor zover van belang - bepaald dat indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

6. Niet in geschil is dat het inrichten en gebruiken van het perceel ten behoeve van een modelvliegclub in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Vleuten-De Meern, Landelijk gebied” en het bestemmingsplan Partiële herziening van de voorschriften van het bestemmingsplan “Vleuten-de Meern, Landelijk gebied”.

Beroepsgronden, vooraf

7. Bij het bespreken van de beroepsgronden houdt de rechtbank de nummering aan in het beroepschrift van eiseres, waarbij de rechtbank de beroepsgronden in een aantal overkoepelende onderwerpen heeft gegroepeerd. De rechtbank stelt daarbij, alvorens in te gaan op deze onderwerpen en de daaronder geformuleerde beroepsgronden, vast dat eiseres diverse gronden heeft aangevoerd die voorwaardelijk zijn geformuleerd of die onvoldoende concreet en onvoldoende duidelijk zijn. Het betreft beroepsgrond 11, 13, 14, 15, 20, 21, 22, 23, 24, 29 en 31. Deze gronden blijven vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing buiten bespreking en kunnen naar het oordeel van de rechtbank er niet toe leiden dat de verleende tijdelijke omgevingsvergunning niet in stand kan blijven.

De aanvraag en de verleende vergunning (beroepsgronden 2 t/m 10, 12, 26 en 27)

8. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en de toelichting ter zitting voldoende duidelijk is dat [H] de vergunningaanvraag heeft ingediend ten behoeve van MVC. Er bestaat geen onduidelijkheid dat ondanks dat de vergunning op naam van [H] is verleend, MVC in materiële zin als vergunninghoudster moet worden aangemerkt. De beroepsgrond van eiseres dat niet duidelijk is wie de aanvrager en wie de vergunninghouder is, slaagt niet.

9.1

De rechtbank stelt verder vast dat hetgeen vergund is, is gebaseerd op de aanvraag en ziet op de activiteiten:

- bouwen: het plaatsen van een zeecontainer ten behoeve van opslag van onder andere een grasmaaimachine;

- gebruik van gronden in afwijking van het bestemmingsplan: het tijdelijk inrichten en gebruiken van de gronden van het perceel voor het aanleggen van start- en landingsbanen, het aanleggen van een parkeerplaats, het plaatsen van een zeecontainer en het reserveren van een (bouw)volume voor het plaatsen van een clubhuis;

- milieu: het oprichten en in werking hebben van een terrein voor het beoefenen van vliegen met modelvliegtuigen.

Dat er sprake is van een situatie dat verweerder meer en anders heeft vergund dan is aangevraagd, zoals eiseres heeft gesuggereerd, is de rechtbank niet gebleken.

9.2

Niet in geschil is dat voor het clubhuis een aparte omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient te worden aangevraagd, omdat het bestreden besluit alleen ziet op het toestaan van het maximale bouwvolume voor het clubhuis.

9.3

Ter zitting is desgevraagd van de zijde van verweerder toegelicht dat de bij de vergunning behorende bijlagen zien op de ruimtelijke onderbouwing en de aanvulling op de ruimtelijke onderbouwing van 17 juli 2014, het ecologisch onderzoeksrapport “Modelvliegtuigjes en verstoring van broedvogels in de Heicopsche Polder (Utrecht)” van bureau [naam] van 9 juli 2014, de plattegrond- en situatietekening met daarop ingetekend de vliegcirkel van 300 meter, het akoestisch onderzoeksrapport van 23 mei 2012, een bodemonderzoekrapport van 30 augustus 2012 en de beoordeling van het verkennend bodemonderzoek en voorts een aantal verklaringen. De beroepsgronden van eiseres, inhoudend dat niet duidelijk is voor welke gronden de vergunning is verleend, welke stukken onderdeel uitmaken van het bestreden besluit en dat de vliegcirkel geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, slagen dan ook niet.

10. Zoals ter zitting is toegelicht en ook uit de stukken is gebleken, is geen uitwegvergunning aangevraagd omdat er reeds een uitweg aanwezig is. De beroepsgrond van eiseres dat er ten onrechte geen uitwegvergunning is verleend, slaagt dus niet.

11. Voorts is toegelicht en niet in geschil dat de parkeerplaats valt onder de inrichting. Aangezien geen aanlegstelsel in het geldende bestemmingsplan is opgenomen, heeft verweerder het gebruik van de gronden als parkeerplaats, dat in strijd is met het bestemmingsplan, vergund. De beroepsgrond van eiseres dat ten onrechte geen omgevingsvergunning is aangevraagd voor het aanleggen van de parkeerplaats, slaagt daarom niet.

12. Eiseres voert aan dat ten onrechte geen alternatieve locaties zijn onderzocht. Voor zover eiseres daarmee beoogt dat de modelvliegclub op een andere locatie zou moeten komen, overweegt de rechtbank dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet.

13. Eiseres voert ook aan dat de tijdelijkheid niet is geborgd. Voor zover zij betoogt dat de tijdelijkheid onvoldoende vast staat dan wel onvoldoende duidelijk is wanneer de termijn van vijf jaar eindigt, is de rechtbank van oordeel dat voldoende duidelijk is gemaakt dat de vergunning geldt voor een termijn van vijf jaar tot 29 juli 2019 (namelijk vijf jaar na het bestreden besluit). Uit de toelichting ter zitting door verweerder blijkt dat deze periode van vijf jaar is opgenomen niet omdat de activiteiten van MVC een tijdelijke behoefte kennen, maar omdat woningbouw gepland is in de locatie Polder Rijnenburg. Verweerder heeft daarbij benadrukt dat de locatie bedoeld is voor woningbouw en dat naar verwachting binnen vijf jaar gebouwd gaat worden. De verwachting van verweerder en MVC is daarom dat binnen vijf jaar een definitieve locatie is gevonden voor de modelvliegclub. Overigens heeft MVC ter zitting nog uitvoerig toegelicht dat dit ook wat haar betreft een tijdelijke locatie is en dat zij nog voortdurend op zoek is naar een definitieve plek in de regio Utrecht. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de tijdelijkheid voldoende geborgd, zodat de beroepsgrond van eiseres niet slaagt.

Flora-en faunawet onderzoek (beroepsgrond 1 en 25)
14.1 Eiseres voert aan dat het vliegen met modelvliegtuigen boven het perceel en daaromheen een verstorend effect heeft op de flora en fauna. Zij stelt in dat verband ook dat ten onrechte is geconcludeerd dat er geen toestemming ingevolge de Flora-en faunawet hoeft te worden verleend. Eiseres legt in beroep een contra-expertise over van [naam] & [naam] van 3 oktober 2014. Deze contra-expertise was overigens een controle van het rapport van [naam], waarbij echter geen daadwerkelijke inventarisatie in het veld heeft plaatsgevonden, maar een ‘desktop research’. In het beroepsschrift heeft eiseres verder een verklaring van [D] (weidevogelexpert) opgenomen. Hij deelt de mening van [naam] & [naam]. Eiseres voert verder aan dat het door Bureau [naam] uitgevoerde nadere onderzoek niet objectief is uitgevoerd en suggereert dat het onderzoek is gesaboteerd door opzettelijke verstoringen rondom de periode dat het onderzoek is uitgevoerd.

14.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder de conclusies van het nadere rapport van bureau [naam] van 9 juli 2014 ‘Modelvliegtuigjes en verstoring van broedvogels in de Heicopsche Polder (Utrecht)’ ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, waarbij de omgevingsvergunning wordt verleend. Op grond van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat van het vliegen met modelvliegtuigen geen effect op broedvogels en de buizerd uitgaat. Van verstoring in de zin van de Flora-en faunawet is geen sprake. Ter zitting heeft de [I], die namens Bureau [naam] het nadere onderzoek heeft verricht, een toelichting gegeven en inhoudelijk gereageerd op het door [naam] & [naam] overgelegde rapport, alsmede op de aantijgingen dat het onderzoek niet objectief en op de juiste wijze is uitgevoerd en op de suggestie dat er opzettelijk verstoringen hebben plaatsgevonden in de periode rondom het onderzoek. Gelet op de conclusies uit het nadere rapport van 9 juli 2014 en de gemotiveerde toelichting ter zitting door [I] is voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat het onderzoek dat tot de conclusies heeft geleid op een juiste en objectieve wijze is verricht en dat geen sprake is geweest van sabotage van het onderzoek. De bevindingen in het door eiseres overgelegde contra-expertise van [naam] & [naam] van 3 oktober 2014 hebben, mede door de gemotiveerde weerlegging ter zitting, onvoldoende twijfel gezaaid om tot een ander oordeel te komen. Ditzelfde geldt voor de in het beroepschrift opgenomen verklaring van [D]. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Activiteit milieu: het oprichten en het in werking hebben van een inrichting (de beroepsgronden 16 t/m 19)

15. De inrichting is in hoofdzaak bestemd voor (wedstrijd) modelvliegen met modelvliegtuigen en helikopters. Een dergelijke inrichting is in categorie 19.4, onder b, van bijlage I bij het Besluit Omgevingsrecht aangemerkt als een vergunningplichtige inrichting (de zogeheten type-C inrichting). Verweerder heeft overwogen dat de inrichting met inachtneming van de aan de vergunning gehechte voorschriften aan de beste beschikbare technieken voldoet ter voorkoming dan wel beperking van emissies naar de lucht, de bodem en het water, als ook met betrekking tot de geluidsemissies, externe veiligheid en energiebesparing.

Gelet op vaste rechtspraak kan de vergunning op dit punt alleen worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Gelet op het hiernavolgende is de rechtbank van die situatie niet gebleken.

15.1.

Geluid (beroepsgrond 16)
15.1.1 Eiseres stelt dat het bij de vergunningaanvraag overgelegde akoestisch onderzoeksrapport van 23 mei 2012 niet bruikbaar is omdat dat de uitkomsten onvoldoende representatief zijn. Zij stelt dat de geluidsoverlast enorm is.

15.1.2

Verweerder heeft bij de beoordeling van het geluidsniveau en het opstellen van de geluidsvoorschriften de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998)’ gehanteerd. Ter voorkoming dan wel beperking van geluidsoverlast heeft verweerder in de vergunning voorschriften (onder 3.1 en 3.2) opgenomen. In deze voorschriften zijn grenswaarden neergelegd voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau. Verder is in de voorschriften 3.3 tot en met 3.6 voorgeschreven dat MVC de tijden registreert waarop en de aantallen waarmee met gemotoriseerde vliegtuigmodellen wordt gevlogen. Ook is voorgeschreven dat na in gebruik name eenmalig een geluidsonderzoek wordt uitgevoerd ter verificatie van de geprognosticeerde resultaten van het geluidrapport. Controle op en de beoordeling van de meetresultaten vindt overeenkomstig de Handreiking plaats.

15.1.3

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar stellingen in het geheel niet onderbouwt; zo ontbreekt een geluidsrapport. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten gevonden dat verweerder niet van het akoestisch onderzoeksrapport van 23 mei 2012 heeft mogen uitgaan. Verweerder heeft uit het onderzoeksrapport geconcludeerd dat er bij de dichtstbijzijnde woning sprake is van een geluidniveau dat lager is dan de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit. Daarnaast heeft het geraamde aantal uren vliegen overdag en
’s avonds net het maximaal toelaatbare geluidsniveau tot gevolg. Gezien de gestelde geluidsgrenswaarden heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geprognosticeerde niveau voldoet, maar dat wel een eenmalig onderzoek nodig is om te toetsen of de praktijk overeenkomt met de aangevraagde geluidruimte. Daarbij komt nog dat er een nadere voorwaarde in het kader van het beperken van overlast is gesteld, namelijk dat de vlieghoogte buiten het modelvliegterrein tenminste 20 meter bedraagt. De beroepsgrond slaagt niet.

15.2

Luchtkwaliteit (beroepsgrond 17)

15.2.1

Eiseres stelt dat niet aannemelijk is dat geen verslechtering van de luchtkwaliteit zal plaatsvinden.

15.2.2

Gelet op de overwegingen die met betrekking tot dit onderdeel aan de vergunning ten grondslag liggen en gelet op de toelichting ter zitting met betrekking tot de typen vliegtuigen waarmee gevlogen wordt, is de enkele niet onderbouwde stelling van eiseres onvoldoende om te oordelen dat verweerder op grond daarvan de vergunning had moeten weigeren. De beroepsgrond slaagt evenmin.

15.3.

Bodem en veiligheid (beroepsgrond 18 en deels 19)

15.3.1

Eiseres stelt dat in het bestreden besluit geen aandacht is besteed aan het aspect bodemverontreiniging door het vliegen. Voor zover een voorschrift is verbonden aan de vergunning om bodemverontreiniging te beperken stelt eiseres dat dit niet afdoende is. Uit algemeen beschikbare informatie blijkt volgens haar dat vliegtuigen brandstof lekken, dit is in ieder geval –volgens eiseres- zeer aannemelijk, waardoor brandstof op het perceel van eiseres terecht komt. Het aspect veiligheid van de omgeving is door verweerder niet onderzocht, aldus eiseres. Daarbij wijst zij er op dat gemiddeld ongeveer één keer per week een vliegtuig neerstort.

15.3.2

Verweerder heeft als richtlijn voor het bepalen van de bodembedreigende activiteiten, het risico van de bodembedreigende activiteiten en de te nemen bodem beschermende maatregelen en voorzieningen ‘de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten’ gehanteerd. Als potentieel bodembedreigende activiteit is de opslag van verpakte vloeibare brandstof binnen de inrichting aan te merken. Aan het verrichte bodemonderzoek heeft verweerder ontleend dat de huidige kwaliteit van de bodem voldoende is vastgelegd en dat hij daarom in de vergunning een eindsituatieonderzoek heeft voorgeschreven. Bij beëindiging van de activiteiten is daarmee vast te stellen of de bodem als gevolg van de inrichting is verontreinigd.

15.3.3

De rechtbank stelt verder vast dat in de vergunning onder de voorschriften ad 4 is bepaald dat de stoffen zodanig worden bewaard en gebruikt dat geen verontreiniging van de bodem optreedt. Vergunninghoudster dient in dat verband verschillende maatregelen te treffen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen. Deze maatregelen zien met name op de bodem van de inrichting zelf. De door eiseres ingenomen stelling dat het algemeen beschikbare informatie blijkt dat vliegtuigen brandstof lekken, althans dat dit zeer aannemelijk is, is door eiseres niet van een onderbouwing voorzien. Door MVC is toegelicht dat, voor zover gebruik wordt gemaakt van verbrandingsmotoren en niet van elektrische motoren, de in een vliegtuig meegevoerde hoeveelheid brandstof minimaal is. Indien een dergelijk vliegtuig neerstort -waarbij dan ook nog eens de brandstoftank moet openbarsten- vervluchtigt de inhoud daarvan grotendeels, gelet op de aard van de gebruikte brandstoffen. Van lekken boven de bodem van eiseres is dus niet of nauwelijks sprake. Uit de toelichting ter zitting is bovendien niet gebleken dat iedere week een vliegtuig crasht, zoals eiseres niet onderbouwd stelt. Dat af en toe sprake is van een ongewilde landing buiten het perceel betekent nog niet dat sprake is van een neerstortend vliegtuig waarbij mogelijk brandstof zou kunnen weglekken. Ook is toegelicht dat een crash waarbij een tank van een modelvliegtuig lek raakt vrijwel nooit voor komt mede gezien het materiaal van de brandstoftanks.

Alles bij elkaar beschouwd, is de rechtbank niet gebleken dat de in de vergunning opgenomen voorschriften onvoldoende zijn om het bodemrisiconiveau te beperken. Voor wat betreft de veiligheid probeert eiseres in haar beroepschrift de indruk te wekken dat er voortdurend ongelukken plaatsvinden met modelvliegtuigen met al dan niet dodelijke afloop voor mens of dier. Haar onderbouwing wijst echter niet in deze richting en is door MVC ook gemotiveerd ontkent. De beroepsgronden slagen niet.

Ruimtelijke onderbouwing (de gronden 19 (deels), 28, 30 en 32)

16.1

Ten aanzien van het betoog van eiseres in algemene zin dat verweerder bij zijn besluit op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten derde, van de Wabo onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen, overweegt de rechtbank als volgt.

16.2

In de ruimtelijke onderbouwing dient de weerslag op en de ruimtelijke effecten van het project op de omgeving tot uitdrukking te komen. De aanvulling op de ruimtelijke onderbouwing van 17 juli 2014 die nu ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit, in samenhang bezien met de reactienota op de zienswijzen, bevat naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht in hoe de activiteiten van de modelvliegclub zich verhouden tot het agrarisch gebruik van de naastgelegen gronden van eiseres. Voor de ruimtelijke inpasbaarheid is een nader voorschrift opgenomen met betrekking tot de minimale vlieghoogte buiten het modelvliegterrein van 20 meter. Daarmee heeft verweerder gelet op de belangen van het agrarisch gebruik.

De rechtbank is van oordeel dat met de aanvullende ruimtelijke onderbouwing, het akoestisch rapport en het opgenomen nadere voorschrift dat de minimale vlieghoogte 20 meter moet zijn, ruimschoots is voldaan aan de ruimtelijke aspecten en dat het agrarisch gebruik niet onevenredig wordt beperkt. De ruimtelijke onderbouwing voldoet dan ook aan de daaraan te stellen eisen.

17.1

Eiseres heeft ook aangevoerd dat zij door het neerstorten van vliegtuigen op haar perceel het achterste deel van het perceel niet meer kan gebruiken. Zij meent dat een redelijke belangenafweging van haar verlies van broodwinning ten opzichte van het louter recreatieve belang van MVC niet tot een andere conclusie kan leiden dan dat MVC niet boven haar perceel mag vliegen.

17.2

De stelling van eiseres dat zij het achterste deel van haar perceel niet meer kan gebruiken en daardoor haar broodwinning heeft verloren, is in het geheel niet (met cijfers) onderbouwd. Gelet daarop heeft verweerder op dit punt in redelijkheid tot de gemaakte afweging van belangen kunnen komen, die hij aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd.

18.1

De rechtbank overweegt verder met betrekking tot de belangenafweging dat MVC een evident belang heeft bij het vinden van een geschikte locatie voor het kunnen beoefenen van de modelvliegsport. Daartegenover staan de belangen van eiseres om ongehinderd en veilig haar bedrijfsvoering te kunnen blijven uitoefenen.

18.2

Ter zitting van 19 november 2014 is pas duidelijk naar voren gekomen dat voor eiseres het belangrijkste punt is dat in de belangenafweging niet de belangen van haar veestapel zijn meegewogen. Daarbij is gewezen op de specifieke bedrijfsvoering, waarbij jaarrond de zoogkoeien met hun kalveren op het perceel lopen. Deze zoogkoeien behouden hun horens en reageren anders op de modelvliegtuigen boven het weiland dan melkkoeien die onthoornd zijn, aldus eiseres. Een nader onderzoek naar de effecten van het vliegen boven dergelijke koeien is ten onrechte achterwege gebleven. Op de tweede zitting van 10 maart 2015 heeft eiseres specifieker benadrukt dat niet onderkend is dat het er vooral om gaat dat haar koeien het gehele jaar door met hun kalveren in de wei blijven en dus niet gescheiden worden van elkaar. Juist dat betekent dat deze koeien vanwege hun moederinstinct ter bescherming van hun kalveren anders reageren op modelvliegtuigen boven het weiland dan melk- en slachtkoeien, aldus eiseres. Deze stellingen heeft eiseres onderbouwd door te verwijzen naar verklaringen van [A]. Ook wijst zij op kapotgelopen afrasteringen, ingetrapte slootkanten en verwondingen bij de koeien doordat de koeien tijdens het vliegen met modelvliegtuigen zijn opgejaagd en met de hele kudde zijn weggestormd. Ten gevolge van de stress door het vliegen door MVC hebben een aantal koeien de heer [eiseres] in de stal getrapt, waarvan hij nog steeds de lichamelijke gevolgen ondervindt, aldus eiseres.

19. Tijdens de eerste zitting is geconstateerd dat geen onderzoek beschikbaar is, waaruit blijkt dat het vliegen met een modelvliegtuig specifiek boven zoogkoeien die met hun kalveren in de wei blijven, geen effecten op de koeien heeft. Er zijn slechts verklaringen van veehouders waaruit blijkt dat het vliegen met modelvliegtuigen geen effecten op hun koeien heeft, maar dat betreft andere (niet onthoornde en van hun kalveren gescheiden) koeien.
Nu dit voor eiseres belangrijkste aspect in de belangenafweging niet is meegewogen, is er in zoverre een gebrek in de besluitvorming van verweerder. De rechtbank overweegt dat verweerder dit ten tijde van de besluitvorming niet had kunnen voorzien nu dit cruciale aspect specifiek pas ter zitting duidelijk naar voren is gekomen. Aangezien geconstateerd moet worden dat er wel een gebrek is, betekent dit dat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:4 en artikel 3:46 van de Awb.

20. De rechtbank ziet gelet op het hiernavolgende aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Zij neemt in aanmerking dat eiseres een specifieke bedrijfsvoering heeft waarbij de zoogkoeien met hun kalveren het gehele jaar door in het weiland lopen. De stelling van eiseres dat hierdoor haar koeien anders reageren op modelvliegtuigen, waardoor de koeien hekken en slootkanten hebben vernield en de koeien en eiseres zelf verwondingen hebben opgelopen, is door eiseres voorzien van verklaringen en foto’s. Noch uit de verklaringen, noch uit de foto’s kan echter door de rechtbank worden afgeleid dat de vernielingen en verwondingen op één of andere wijze samenhangen met het vliegen door de modelvliegtuigen. Omdat verder een onderzoek ontbreekt waaruit zou blijken dat het vliegen met modelvliegtuigen boven specifiek zoogkoeien met kalveren effecten heeft op hun gedrag, is juist om die reden ter zitting van 19 november 2014 het onderzoek geschorst. Op die zitting is de afspraak gemaakt dat, in het geval partijen niet tot een minnelijke regeling komen, eiseres een onderzoek zal (laten) verrichten of het vliegen van modelvliegtuigen effecten heeft op het gedrag van haar koeien. Vast staat nu dat het onderzoek, zoals was besproken ter zitting, niet is verricht. Van de zijde van eiseres is desgevraagd toegelicht dat een dergelijk onderzoek emotioneel gezien te veel vergt en zij haar koeien niet (verder) in gevaar wil brengen. Dit betekent dat dat wat eiseres stelt met betrekking tot de effecten van het vliegen op haar koeien niet aan de hand van een onderzoek is vast te stellen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de MVC blijkens de toelichting op de zitting van 10 maart 2015 al het redelijke in het werk heeft gesteld om dit onderzoek met alle waarborgen te omkleden, maar dat eiseres om haar moverende redenen er voor heeft gekozen aan dit onderzoek niet te willen meewerken. Dat eiseres niet heeft willen meewerken aan een onderzoek waardoor eiseres haar standpunt dat het vliegen effect heeft op haar koeien niet kan onderbouwen, komt naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiseres.

21. De rechtbank komt tot de conclusie dat weliswaar geconstateerd is dat er een gebrek is in de belangenafweging, maar dat dit gebrek niet te herstellen valt voor verweerder nu eiseres een onderzoek niet toestaat. De rechtbank constateert dat er geen andere stukken zijn die het standpunt van eiseres onderbouwen dat juist haar koeien anders reageren op modelvliegtuigen. Evenmin heeft eiseres stukken aangedragen waaruit een begin van een onderbouwing zou kunnen blijken, bijvoorbeeld een onderzoek waaruit zou kunnen blijken dat verschillende veestapels anders reageren op (meer algemene) verstoringen. Meer in algemene zin kan aan eiseres worden toegegeven dat het toestaan van een modelvliegclub op een naburig perceel mogelijk tot enige overlast voor de veestapel kan leiden. Eiseres’ standpunt dat haar koeien anders zouden reageren op de modelvliegtuigen dan ‘gemiddelde’ koeien, komt de rechtbank ook niet bij voorbaat ondenkbaar voor. Om die reden heeft de rechtbank eiseres immers ook in de gelegenheid gesteld haar standpunt nader te onderbouwen. Verder is het de rechtbank gedurende de beide zittingen opgevallen dat eiseres - [eiseres] dus - zeer begaan is met zijn koeien en zijn bedrijf, maar dat eiseres’ standpunten ook steeds dramatischer werden uitgedragen: “als ze (MVC; toevoeging rechtbank) gaan vliegen, moet ik mijn koeien laten afmaken”. Daarbij heeft eiseres zich laten omringen door vele adviseurs, waarvan het de rechtbank niet in alle gevallen duidelijk is geworden wat deze hebben bijgedragen in het licht van het onderhavige beroep. In elk geval hebben eiseres en deze adviseurs geen begin van een verifieerbare onderbouwing van eiseres’ standpunt kunnen geven. Daarmee staat eiseres’ uitgedragen standpunt uiteindelijk in schril contrast met de -aan eiseres toe te rekenen- geheel ontbrekende onderbouwing daarvan.

De rechtbank ziet daarom uiteindelijk geen andere mogelijkheid dan te concluderen dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften toereikend zijn om de mogelijke veiligheidsrisico’s voor eiseres en het vee te voorkomen dan wel te beperken. Ook anderszins is niet gebleken dat de belangen van eiseres onevenredig worden geschaad.

22. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank als gezegd aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De overige gronden die eiseres zonder specifieke onderbouwing heeft aangevoerd, doen daar niet aan af. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar overweging onder 7 hierboven.

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.225,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

24.1

Wat de kosten betreft voor de inschakeling van de deskundigen, [A] en [C], stelt de rechtbank voorop dat de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als het inroepen van die deskundige redelijk was en de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Het inroepen van een deskundige ter zitting is redelijk, indien degene die de deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan mocht uitgaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De rechtbank dient vervolgens te toetsen of, gelet op het Bpb, de door eiseres gevraagde kostenvergoeding redelijk is.

24.2

Op grond van artikel 1 en 2 van het Bpb, in samenhang met artikel 3 van de Wet Tarieven in strafzaken en artikel 6 van het daarop gebaseerde Besluit tarieven in strafzaken 2003 is een tarief van ten hoogste € 116,09 per uur vastgesteld, vermeerderd met 21% BTW. Van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit tarief zouden rechtvaardigen is de rechtbank niet gebleken. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Bpb worden geen verletkosten gerekend voor uren die zijn besteed aan de reis die de deskundige voor de zitting maakt.

24.3

Voor zover de kosten zien op het verschijnen van de door eiseres meegebrachte deskundigen [A] en [C] komen deze voor vergoeding in aanmerking. De kosten van het bedrijfsbezoek en de daarmee samenhangende reiskosten die [A] heeft gefactureerd, vallen daar niet onder.

Dit betekent dat de vergoeding voor de aanwezigheid van [A] wordt bepaald op totaal € 687,31 inclusief btw. Dit is berekend op basis van twee zittingen van in totaal 4,5 uur x € 116,09, exclusief btw, vermeerderd met de reiskosten op basis van openbaar vervoer 2e klasse Deventer-Utrecht vv op 19 november 2014 en 10 maart 2015 ter hoogte van 2 x € 27,60.

De vergoeding voor de aanwezigheid van [C] wordt bepaald op totaal € 358,97 inclusief btw. Dit is berekend op basis van één zitting van in totaal 2,5 uur x € 116,09, exclusief btw, vermeerderd met de reiskosten op basis van openbaar vervoer 2e klasse Hilversum-Utrecht vv ter hoogte van € 7,80.

24.4

Wat betreft de kosten die [C] in rekening heeft gebracht voor het uitbrengen van het ecologisch onderzoeksrapport is de rechtbank van oordeel dat eiseres ervan mocht uitgaan dat de dit rapport een relevante bijdrage zou leveren voor haar beroep. De kosten van dat rapport kunnen dan ook in aanmerking kunnen komen mits voorzien van een urenspecificatie, wat niet het geval is. Ter zitting is toegezegd dat een dergelijke specificatie nog zou worden overgelegd. Op 7 april 2015 heeft eiseres dezelfde declaraties van [C] overgelegd als die reeds voorafgaand aan de zitting waren ingediend. Nu de beide bedragen niet nader zijn gespecificeerd, anders dan dat 25,5 uur is besteed aan het onderzoek, is de rechtbank van oordeel dat maximaal 10 uur à € 116,09 exclusief btw voor vergoeding in aanmerking komt, zijnde in totaal € 1.404,69 inclusief btw.

24.5

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van particulier onderzoeker [E] inzake de door hem aan eiseres geboden ondersteuning ten bedrage van € 19.624,69 en de kosten van [B] wat betreft reiskosten voor twee bedrijfsbezoeken en het bijwonen van de zitting ten bedrage van € 447,- niet op de voet van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

25. Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

26. Ten aanzien van de derde-partij bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de gemaakte proceskosten, nu de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten en nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die desondanks aanleiding geven voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 381,- aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 3.675,97.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en

mr. M. Heinemann, leden, van de meervoudige kamer van de rechtbank, in aanwezigheid van mr. M.S.D. de Weerd, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 april 2015.

griffier voorzitter

(de griffier is verhinderd deze
uitspraak mede te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.