Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:2933

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-05-2015
Datum publicatie
01-06-2015
Zaaknummer
C-16-378766 - HA ZA 14-797
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

samenhang artikel 7 Rv bij niet-hoofdelijke gebondenheid onder overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/378766 / HA ZA 14-797

Vonnis in incident van 6 mei 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [postcode] [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M.L. Veldhuijzen te Dordrecht,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van de staat Delaware, Verenigde Staten

THE SPECTRANETICS CORPORATION,

gevestigd te Colorado Springs,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPECTRANETICS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Leusden,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. K. de Vries te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser], Spectranetics en Spectranetics International worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 30 juni 2014, met producties 1-25

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, met producties 1-2

  • -

    de akte vermindering van eis, tevens conclusie van antwoord in het incident, met producties 1-4

  • -

    de pleidooien van 19 februari 2015 en de daarbij overgelegde pleitnotities van mr. De Vries en mr. Veldhuijzen

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Spectranetics vordert dat de rechtbank zich internationaal onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de tegen haar gerichte vorderingen. [eiser] verweert zich tegen deze incidentele vordering tot onbevoegdverklaring met een beroep op artikel 7 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hij legt aan zijn vorderingen in de hoofdzaak de stelling ten grondslag dat Spectranetics en Spectranetics International hoofdelijk jegens hem aansprakelijk zijn voor royalty’s uit een door hen met Pillco Ltd. (hierna: Pillco) gesloten licentieovereenkomst. De vorderingen tegen beide vertonen naar zijn stelling daarom in de zin van artikel 7 Rv een zodanige samenhang, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Spectranetics weerspreekt dit verweer met de stelling dat Spectranetics International niet kan worden aangesproken uit deze licentieovereenkomst omdat deze daarbij geen partij is. Daarom al ontbreekt de door [eiser] gestelde samenhang, aldus Spectranetics.

2.2.

De licentieovereenkomst die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag legt, geeft een licentie aan de licentienemer tot het verkopen, verhuren of onder andere titel leveren van geoctrooieerde zaken aan derden voor eigen gebruik van deze zaken door die derden, met inbegrip van een gebruikslicentie voor die derden, maar met uitsluiting van de mogelijkheid van enige andere (sub)licentie. Aldus is (door)verkoop door een ander dan de licentienemer niet toegestaan en levert dat daar waar het octrooi geldt, ook inbreuk daarop op. De licentieovereenkomst definieert (minimaal 40%) dochterondernemingen van Spectranetics tevens als licentienemer. Volgens de uitleg van [eiser] ziet dit tevens op (minimaal 40%) dochterondernemingen die ten tijde van het sluiten van de licentieovereenkomst door Spectranetics, nog niet waren opgericht – zoals Spectranetics International –, voor zover die de voorwaarden van de overeenkomst althans bij of na oprichting mochten hebben aanvaard.

2.3.

Dat – onder het op de overeenkomst toepasselijke recht – door een dergelijke aanvaarding een zodanige dochteronderneming partij kan worden bij de licentieovereenkomst, weerspreekt Spectranetics niet. Zij betwist evenwel dat van de zijde van Spectranetics International een dergelijke aanvaarding stilzwijgend of anderszins heeft plaatsgevonden. Dit standpunt van Spectranetics impliceert dat zijzelf stelselmatig de licentie heeft geschonden – door aan haar dochteronderneming Spectranetics International onder de licentie vallende zaken te verkopen, niet met het oog op eigen gebruik door Spectranetics International van die zaken, in overeenstemming met de (sub)licentie, maar, in strijd daarmee, met het oog op (door)verkoop daarvan. Ook impliceert het dat Spectranetics International daarvan evenzo stelselmatig heeft geprofiteerd en, daar waar het octrooi mocht gelden, inbreuk daarop heeft gepleegd. Om deze reden komt dit standpunt van Spectranetics, dat Spectranetics International de (voorwaarden van) de licentieovereenkomst niet heeft aanvaard, de rechtbank voorshands niet aannemelijk voor, althans niet in zodanige mate dat in het kader van dit incident van de juistheid ervan kan worden uitgegaan.

2.4.

Als aldus wordt uitgegaan, in het kader van dit incident, van gebondenheid van Spectranetics International aan de licentieovereenkomst en ook van de door [eiser] gestelde hoofdelijkheid van Spectranetics en Spectranetics International daaronder, is sprake van een klassiek geval van samenhang, in verband waarmee redenen van doelmatigheid in de zin van artikel 7 Rv een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, met het oog op het vermijden van tegenstrijdige beslissingen. Twee gedaagden worden dan immers aansprakelijk gehouden voor dezelfde schuld.

2.5.

Wanneer niet wordt uitgegaan van hoofdelijkheid, neemt dat de samenhang tussen de procedures tegen Spectranetics en Spectranetics International evengoed niet weg. Nog steeds zal dan in beide hoofdzaken het door Spectranetics zelf ingenomen standpunt dat Spectranetics International niet aan de licentieovereenkomst is gebonden, moeten worden beoordeeld (verondersteld dat Spectranetics haar standpunt op dit onderdeel in de hoofdzaak niet verlaat). Voor de hoofdzaak tegen Spectranetics International spreekt dit voor zichzelf: dit standpunt vormt een betwisting van de grondslag van de vordering.

2.6.

Ook echter in de hoofdzaak tegen Spectranetics zal hierover moeten worden geoordeeld. Als daarin immers dit standpunt zou worden verworpen, zou dit betekenen
– nog steeds uitgaande van niet-hoofdelijkheid – dat Spectranetics niet aansprakelijk kan worden gehouden voor royalty’s op door haar aan Spectranetics International geleverde en door deze doorverkochte zaken. Daarvoor zou Spectranetics International dan immers, als licentienemer, eigen royalty’s verschuldigd zijn. Maar als bedoeld standpunt van Spectranetics in de hoofdzaak tegen Spectranetics zou worden gevolgd, zou zij aansprakelijk zijn voor royalty’s over al haar verkopen, ook die aan haar dochteronderneming Spectranetics International. In beide hoofdzaken speelt aldus deze zelfde (belangrijke) vraag, en is er een risico van tegenstrijdige beslissingen daarover wanneer die hoofdzaken door verschillende rechters zouden worden beoordeeld. Ook andere beslissende kwesties kunnen in beide (hoofd)zaken opkomen, met ook daarbij het risico van tegenstrijdige beslissingen wanneer die door verschillende rechters zouden worden beoordeeld. Bijvoorbeeld is daarbij te denken aan de vraag – volgens de onweersproken stelling van [eiser], kennelijk gebaseerd op desbetreffende verweren van Spectranetics c.s. in eerdere procedures tussen Spectranetics c.s. en (vermeende) rechtsvoorgangers van [eiser] – of de rechten van Pillco onder de licentieovereenkomst wel rechtsgeldig op de (vermeende) rechtsvoorgangers van [eiser] en uiteindelijk dus ook op [eiser] zelf zijn overgegaan.

2.7.

Het voorgaande betekent dat aan de voorwaarden van artikel 7 Rv is voldaan en dat de rechtbank de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal afwijzen.

2.8.

Spectranetics zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt Spectranetics c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.356,00,

3.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 juni 2015 voor conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.1

1 type: JWF 4231 coll: RS 4234