Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:2712

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2015
Datum publicatie
21-04-2015
Zaaknummer
3991722 UV EXPL 15-144
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werknemer wordt wegens een dringende reden op staande voet ontslagen. Dringende reden is erin gelegen dat werknemer het ziekteverzuimprotocol heeft overtreden. Vast staat dat werknemer ten tijde van het ontslag op staande voet ziek was. Vixia-arrest. Kantonrechter is voorshands van oordeel dat ontslag op staande voet in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden. Loonvordering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0384
AR 2015/686
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 3991722 UV EXPL 15-144 mc/936

Kort geding vonnis van 20 april 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. R. de Rijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid QBTEC B.V.,

gevestigd te Woerden,

verder ook te noemen QBTEC,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. C. van Meines.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de door QBTEC ingediende 20 producties

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van QBTEC.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

QBTEC is een fabrikant van roestvrijstalen frituur- en bakoveninstallaties.

2.2.

[eiser], geboren op [1978], is op 10 juli 2006 in dienst getreden van QBTEC in de functie van Medewerker Plaatwerkerij. Zijn laatstgenoten salaris, gebaseerd op een 38-urige werkweek, bedraagt € 2.735,06 bruto per maand.

2.3.

Tot medio oktober 2014 was [eiser] werkzaam aan de zogenaamde kant-bank. Met behulp van deze machine kunnen roestvrijstalen platen in een bepaalde vorm worden gebogen. [eiser] is opgeleid om deze machine, die wordt aangestuurd door speciale software, te kunnen bedienen. Op 6 oktober 2014 is [eiser] een arbeids-ongeval overkomen bij het verrichten van zijn werkzaamheden aan de kantbank.

2.4.

Nadat [eiser] gedurende twee weken thuis is geweest, heeft hij zich weer voor werkhervatting bij QBTEC gemeld. Ondanks zijn verzoek om weer aan de kantbank te mogen werken, is [eiser] tewerkgesteld op de isolatieafdeling. In december 2014 is [eiser] vervolgens tewerkgesteld op de ketellasserij-afdeling.

2.5.

In de periode van medio december 2014 tot en met de eerste week van 2015 is [eiser] ziek geweest. In de tweede week van januari 2015 heeft [eiser] zijn werk-zaamheden in de ketellasserij hervat. Op 16 januari 2015 heeft [eiser] zich wederom ziek gemeld. Bij deze ziekmelding heeft [eiser] onder meer aangegeven dat hij psy-chische klachten ervaart vanwege het feit dat hij niet meer aan de kantbank mag werken. Om 11.30 uur heeft [eiser] zijn huisarts bezocht, die hem heeft geadviseerd om rust te nemen en om een psycholoog in te schakelen.

2.6.

Bij brief van 16 januari 2015 heeft [B], hoofd personeelszaken van QBTEC, het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“Afgelopen maandag 12 januari ben je na 2 weken ziek (griep-achtige klachten) te zijn ge-weest weer begonnen. Je hebt daarbij aangegeven weer graag op de plaatwerkerij aan de slag te gaan. Onze operation manager, [A], heeft je duidelijk gemaakt dat zulks vooralsnog niet aan de orde is. 2 incidenten in het verleden waarbij jij serieus letsel hebt op-gelopen liggen mede aan deze beslissing ten grondslag. Wij zijn als bedrijf medeverantwoor-delijk voor de veiligheid van onze medewerkers en wij beoordelen jouw inzetbaarheid aan de kantbank in dit licht vooralsnog als niet verantwoord. Bovendien verwachten wij van al onze medewerkers flexibiliteit als het gaat om inzetbaarheid daar waar op dat moment de meeste behoefte aan mankracht is.

Jouw inzetbaarheid elders in het bedrijf is overigens nooit een probleem geweest en voorlo-pig ben je op de ketellasserij te werk gesteld. Blijkbaar zit dit werk je toch dwars want je meldde me vanochtend dat je spanning ervaart en direct een afspraak met de huisarts hebt gemaakt. Vreemd dat je niet eerst naar personeelszaken komt maar direct onder werktijd een afspraak maakt voor onder werktijd. Als het gaat om de invulling van je werkzaamheden, werkdruk of werkgerelateerde ergernissen dan zou intern overleg toch als eerste dienen plaats te vinden. Mogelijkerwijs hadden we in gezamenlijkheid jouw frustraties kunnen wegnemen.

Ik heb je aangeboden om preventief de bedrijfsarts in te schakelen en je gemeld dat als je

vindt dat je toch de huisarts direct wilt spreken daar vrij voor dient te vragen.

Het personeelsreglement geeft over doktersbezoek namelijk het volgende aan:

De werknemer dient het doktersbezoek zoveel mogelijk buiten werktijd te plannen. Bij bezoek aan een arts etc. wordt de fabriekschef/leidinggevende uiterlijk de dag ervoor op de hoogte gesteld.”

Vervolgens ben je, zonder vrij te vragen direct vertrokken.

Voor het niet naleven van de voorschriften aangaande artsenbezoek en het zonder toestem-ming vertrekken ontvang je hierbij een officiële waarschuwing. Ik wil je daarbij ook nog herinneren aan een eerder aan jou verstrekte laatste waarschuwing van 27 december 2012, waarin jou duidelijk is gemaakt dat er bij een volgende onregelmatigheid arbeidsrechterlijke maatregelen, waaronder ontslag op staande voet aan de orde kan zijn.

Ik hoop je aanstaande maandag te spreken om verder invulling te geven hoe om te gaan met de door jou ervaren spanningen en gezamenlijk te komen tot een concrete uitwerking van passende werkzaamheden.”

2.7.

Bij brief van 19 januari 2015 heeft [eiser] aan QBTEC meegedeeld dat hij zich op 16 januari 2015 conform het verzuimreglement heeft ziek gemeld. Verder heeft [eiser] erop gewezen dat een werkgever niet naar eigen bevindingen een medisch oordeel kan vellen en dat hij gehoor zal geven aan de oproep van de bedrijfsarts.

2.8.

Op 21 januari 2015 heeft [eiser] de bedrijfsarts bezocht. In de ‘artsenrappor-tage’ van die datum is onder meer vermeld dat [eiser] is uitgevallen in verband met langer bestaande spanningsklachten die arbeidsgerelateerd zijn, met als gevolg dat hij niet in staat is om normaal te functioneren. Verder heeft de bedrijfsarts aangegeven dat een conflict-situatie aan de spanningsklachten ten grondslag ligt. Als advies heeft de bedrijfsarts vermeld dat er medisch gezien mogelijkheden voor werkhervatting zijn, rekening houdend met de be-perkingen, en dat het van belang is om de arbeidsverhoudingen te verbeteren en oplossingen te zoeken.

2.9.

Bij brief van 22 januari 2015 heeft [B] aan [eiser] meegedeeld dat hij ‘vandaag’ de artsenrapportage heeft ontvangen en dat hij meerdere keren heeft geprobeerd om [eiser] te bellen om een afspraak te maken om deze rapportage te bespreken. Vervolgens heeft [B] het volgende geschreven:

“Helaas was je bij meerdere pogingen onbereikbaar en heb ik een boodschap op je voicemail ingesproken. Wederom blijk je het lastig te vinden voorschriften na te leven. Het personeels-reglement geeft duidelijk aan dat je tijdens verzuim altijd telefonisch bereikbaar moet zijn en bovendien dat je dagelijks van 09:00 tot 12:00 uur thuis aanwezig dient te zijn.

Ik verwacht je morgen (…) om 08:00 uur bij mij op kantoor om de rapportage te bespreken en verder invulling te geven hoe om te gaan met de door jou ervaren spanningen. Bovendien zullen we een concrete invulling gaan geven aan de door de bedrijfsarts aangegeven re-integratiewerkzaamheden.

Om er zeker van te zijn dat dit schrijven je bereikt zal ik hem je persoonlijk overhandigen.”

2.10.

Tijdens het gesprek dat [eiser] op 23 januari 2015 met [B] heeft ge-voerd, is aan [eiser] meegedeeld dat het hem niet zou worden toegestaan om aan de kantbank te gaan werken. Op 26 januari 2015 heeft [eiser] vervolgens zijn werk-zaamheden in de ketellasserij hervat voor 3 x drie uur per week, zoals de bedrijfsarts had geadviseerd.

2.11.

Op 26 februari 2015 heeft [eiser] zich wederom ziek gemeld. Diezelfde dag is [eiser] naar zijn huisarts gegaan, die heeft geconstateerd dat er sprake is van druk-pijnlijke extensoren in de linker onder- en bovenarm en van overbelasting van extensoren in de linker arm. De huisarts heeft geadviseerd om een werkplekonderzoek uit te voeren vanwe-ge het zware eenzijdige werk. Verder heeft de huisarts pijnstilling voor de nacht geadviseerd.

2.12.

Op 2 en 3 maart 2015 heeft [eiser] ‘licht fysiek werk’ in het magazijn verricht.

2.13.

Bij e-mailbericht van 3 maart 2015 heeft [eiser] aan [B] meegedeeld dat hij op 26 februari 2015 omstreeks 09:15 uur heeft gemeld dat hij om 16:10 uur een af-spraak bij de huisarts had en dat hij ‘vanmiddag’ een afspraak met de fysiotherapeut heeft. Ook heeft [eiser] erop gewezen dat hij met zijn re-integratie bezig is en dat er allang een arbeidsdeskundige ingeschakeld had moeten worden.

2.14.

Bij brief van 3 maart 2015 is [eiser] opgeroepen om op 9 maart 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen.

2.15.

Bij brief van 3 maart 2015 heeft [B] het volgende aan [eiser] mee-gedeeld:

“Vanochtend en gisteren hebben wij gesproken over jouw schouderproblematiek. Volgens jou kwam de klacht voort uit langdurig werken in dezelfde houding. Ondertussen is er reeds een consult bij de bedrijfsarts ingepland.

Je hebt mij toen ik erna vroeg verzekerd dat het niets met jouw biljartactiviteiten had te maken omdat je al geruime tijd niet speelt. De vraag van mij kwam voort uit eerdere inciden-ten over een blessure aan je bewegingsapparaat, waarbij je niet in staat was om te werken, maar wel deel te nemen aan een zwaar biljarttournooi. Hiervoor heb je op 19 december en 27 december 2012 van ons een officiële waarschuwing ontvangen.

Opnieuw hebben wij ernstige twijfels over jouw lezing van je schouderproblematiek en vragen ons af of jij hierin wel open kaart speelt. Op verscheidene dagen, in het bijzonder op 12 februari en 18 februari ben je namelijk door verschillende collega’s gesignaleerd terwijl je het bedrijf, omstreeks half drie, verliet in het bezit van een biljartkeu.

Je hebt daarbij tot twee keer toe moedwillig een andere uitgang genomen dan de reguliere.

En je hebt daarbij dus ook niet uitgeklokt. Toen ik je vanochtend vroeg waarom je dit had gedaan weigerde je antwoord te geven. Ook toen ik je meedeelde dat wij recht hebben om te weten waarom je via de overhead deur in de plaatwerkerij (de enige deur zonder camera-bewaking) het pand hebt verlaten zonder uit te klokken persisteerde je in je weigering me dat te vertellen.

Toen ik je gisteren vroeg naar je biljartactiviteiten meldde je me dat je de keu enkel bij je had om er een nieuwe pommerance op te zetten, maar dat je niet gespeeld had. Toen ik je echter confronteerde met de bevindingen van je collega’s vertelde je me dat je inderdaad toch wel kort hebt gespeeld.

In eerdere gevallen (19 december 2012, 27 december 2012, 16 januari 2015) ben jij door ons

officieel gewaarschuwd en hebben wij melding gemaakt van ons verloren vertrouwen in jou

vanwege het vertellen van halve waarheden en verdraaien van feiten.

De afgelopen tijd hebben zich buiten bovenvermelde zaken nog een aantal voorvallen voor-gedaan:

-Zonder noodzaak bellen met huisarts onder werktijd

-Geen contact opnemen met personeelszaken over door jou ervaren spanning aangaande je alternatieve werkzaamheden

-Doktersbezoek plannen onder werktijd op dezelfde dag.

-Vertrekken zonder toestemming

-Niet houden aan verzuimvoorschrift om telefonisch bereikbaar te zijn

-Niet thuis zijn tijdens ziekte.

Daarbij komt dat je in vanaf oktober 2014, met uitzondering van de maand november tot en met heden vrijwel zonder onderbreking voor verschillende kwalen (vinger, griep, psychische problemen en schouderklachten) hebt moeten verzuimen.

Tijdens het verrichten van re-integratiewerkzaamheden vertoon je regelmatig een grote mate van desinteresse. Je voorman heeft je daar ook al over aangesproken.

Gezien al het voorgaande zal het je niet verbazen dat ons vertrouwen hierdoor danig is ge-schaad en vragen we ons af of er ooit nog sprake kan zijn van een vruchtbare voortzetting van jouw dienstverband. Voor ons is de maat nu wel vol. Wij hebben je nu voor de laatste keer gewaarschuwd en zullen bij een volgend incident, hoe gering en van welke aard dan ook di-rect en zonder vooraankondiging over gaan tot ontslag op staande voet.

Ik wil morgenochtend wel met je van gedachte wisselen over de ontstane situatie en daarbij alle scenario’s openhouden. Ik ben wel zeer benieuwd naar jouw insteek en vervolgens ver-taling naar gedrag als je besluit om je ten volle in te zetten om het dienstverband te hand-haven en ons vertrouwen terug te winnen.”

2.16.

Bij e-mailbericht van 4 maart 2015 heeft [eiser] aan [B] bevestigd dat hij zich eerder die dag (om 09:15 uur) voor 100% heeft ziek gemeld.

2.17.

Bij brief van 4 maart 2015 heeft [B] [eiser] op staande voet ontslagen. Hiertoe heeft [B] aangevoerd dat [eiser] op 3 maart 2015, na het lezen van de in overweging 2.15 aangehaalde en aan [eiser] overhandigde brief, heeft geweigerd om met hem en met [C], directeur van QBTEC, in gesprek te gaan over de ontsta-ne situatie en is vertrokken. Verder heeft [B] onder meer gewezen op de aan [eiser] gegeven formele waarschuwingen, het niet nakomen van afspraken, het niet naleven van verzuimvoorschriften en het niet voldoen aan de redelijke verzoeken van de werkgever. “Al de vorenstaande feiten tezamen en ieder feit op zich zijn voor ons voldoende grond om je dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen.”, aldus [B].

2.18.

Op 5 maart 2015 heeft QBTEC voormelde afspraak bij de bedrijfsarts op 9 maart 2015 geannuleerd.

2.19.

[eiser] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging wegens het ontbreken van een ontslagvergunning. Verder heeft [eiser] zich be-schikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid, zodra hij door de bedrijfsarts arbeids-geschikt wordt geacht, en heeft hij aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon.

2.20.

[eiser] heeft feitelijk sinds 4 maart 2015 geen werkzaamheden meer verricht voor QBTEC.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert veroordeling van QBTEC bij wege van voorlopige voorzie-ning om maandelijks en op het daartoe bepaalde tijdstip aan [eiser] te betalen het hem toekomende salaris van € 2.735,06 bruto per maand, ingaande op 1 maart 2015 tot de datum dat de arbeidsovereenkomst op regelmatige wijze zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Verder vordert [eiser] veroorde-ling van QBTEC tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van

€ 833,00 en de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] dat er geen dringende re-denen zijn voor een ontslag op staande voet. Hiertoe heeft [eiser] gesteld dat hij, an-ders dan QBTEC heeft aangevoerd, zich heeft gehouden aan de voorschriften ter zake van het ziek melden. Hieraan heeft [eiser] toegevoegd dat het feit dat hij op 16 januari 2015 om 11:30 uur - en derhalve onder werktijd - naar de huisarts is gegaan, hem niet tegen-geworpen kan worden, gelet op de ernst van de klachten en zijn verzoek om zo spoedig mo-gelijk op consult te komen. Ten aanzien van de ziekmelding op 4 maart 2015 heeft [eiser] gesteld dat hij niet heeft geweigerd om met [B] en [C] in gesprek te gaan, maar dat het hem verstandig leek om het gesprek voort te zetten, nadat hij de bedrijfsarts zou hebben gesproken, met wie ook al een afspraak was gemaakt.

3.3.

QBTEC heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Op de inhoud daarvan zal hierna - voor zover van belang - worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is ook behandeld het op 8 april 2015 door QBTEC jegens [eiser] ingediende verzoekschrift met zaaknummer 4020848 UE VERZ 15-168, waarin QBTEC voorwaardelijk heeft verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens een gewichtige reden, bestaande uit een dringende reden, dan wel veranderingen in de omstandigheden, te ontbinden. De kantonrechter doet bij beschik-king van heden uitspraak in die zaak.

4.2.

De kantonrechter verwijst naar hetgeen hierover staat vermeld in deze beschikking. De beschikking is aan dit vonnis gehecht en de inhoud daarvan wordt geacht hier te zijn ingelast.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiser] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vor-dering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat het aan [eiser] op 4 maart 2015 verleende ontslag op staande voet vernietigbaar is.

De kantonrechter verwijst in dit kader voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, gepubliceerd in JAR 2004/259, waarin onder meer het volgende is overwogen:

“Het hof heeft aan zijn beslissing kennelijk de opvatting ten grondslag gelegd dat de enkele weigering van een werknemer de door de werkgever vastgestelde redelijke voorschriften om-trent controle bij ziekteverzuim na te leven niet een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 oplevert, doch dat daarvan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake kan zijn.

3.3.3.

Deze opvatting is juist. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet uitbrei-ding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Stb. 1996, 134), waarbij art. 7:629 lid 5 (thans lid 6) werd ingevoerd, is het de bedoeling van de wetgever geweest aan het niet-naleven van con-trolevoorschriften als waarvan hier sprake is, slechts de in die bepaling opgenomen sanctie te verbinden. De memorie van toelichting houdt dienaangaande in:

“(...) dat de huidige regeling in het BW de werkgever mogelijkheden biedt controlevoor-schriften te geven. Deze binden de werknemer niet in die zin dat hij rechtstreeks gedwongen kan worden de voorschriften na te leven; zo kan de werknemer te allen tijde weigeren zich te doen controleren. De werkgever kan aan zo’n weigering echter consequenties verbinden in de sfeer van de loondoorbetaling.”

en

“De hoofdlijn blijft, in de lijn van de Wet TZ, dat enerzijds de werkgever zekere voorschrif-ten mag geven en anderzijds de werknemer niet rechtstreeks tot naleving daarvan kan worden gedwongen, maar bij overtreding rekening moet houden met gevolgen voor de loondoor-betaling.”

(Kamerstukken II 1995/96, 24 439, nr.3, blz. 20, 21).

Dat sluit evenwel de mogelijkheid niet uit dat de niet-naleving van de bedoelde voorschriften gepaard gaat met andere feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang, wel het oor-deel wettigen dat een dringende reden in de zin van art. 7:677 lid 1 aanwezig is.”

4.4.

De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat het doktersbezoek na de ziekmelding op 16 januari 2015, welk bezoek om 11:30 uur plaatsvond, niet in strijd is met het ziekteverzuimprotocol dat door QBTEC wordt gehanteerd. Terecht heeft [eiser] er hierbij op gewezen dat in dit protocol is vermeld dat het doktersbezoek zoveel mogelijk buiten werktijd moet worden gepland. Hieruit volgt dat er redenen kunnen zijn op grond waarvan een doktersbezoek onder werktijd gewenst en/of noodzakelijk is. Mede gelet op de verklaring van [eiser] dat de aard van zijn klachten voor hem aanleiding vormden om zo snel mogelijk de huisarts te willen raadplegen, het gegeven dat een consult afhankelijk is van de agenda van de huisarts en het advies van de huisarts om een psycholoog in te scha-kelen en rust te nemen, waarbij ook medicatie is voorgeschreven, waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat het geen ‘loze’ ziekmelding was, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om onder werktijd naar de huisarts te gaan. QBTEC heeft dienaangaande geen feiten en omstandigheden genoemd, die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden. Ook de verklaring van [D], medewerker personeelszaken bij QBTEC, van 3 april 2015 maakt dit niet anders, nu het niet aan haar is om te bepalen of er al dan niet spoed is bij een ziekmelding.

4.5.

QBTEC heeft ter onderbouwing van het ontslag op staande voet ook gewezen op het feit dat [eiser] ondanks zijn ziekmelding van 27 november 2012, met klachten aan het bewegingsapparaat, heeft deelgenomen aan het kampioenschap van de Koninklijke Ne-derlandse Biljart Bond in het weekend van 14 tot en met 16 december 2012, reden waarom hem op 19 december 2012 een officiële waarschuwing is gegeven. Ook in het weekend van 6 tot en met 8 maart 2015 - en derhalve na de ziekmelding van 4 maart 2015 en na het ontslag op staande voet van 4 maart 2015 - heeft [eiser] deelgenomen aan een biljarttoer-nooi. Dienaangaande is de kantonrechter van oordeel dat, nog daargelaten dat de waarschu-wing van 19 december 2012 wel erg ver verwijderd ligt van de datum van het gegeven ont-slag op staande voet, niet is komen vast te staan dat het beoefenen van de biljartsport de ge-nezing van [eiser] heeft belemmerd. In dit kader wordt erop gewezen dat in 2012 en in 2015 niet door een arts is vastgesteld dat [eiser] vanwege zijn klachten niet zou mogen biljarten. Dat een verzuimcoach deze mening is toegedaan, maakt dit niet anders, nu een verzuimcoach geen arts is. De stelling van QBTEC dat [eiser] door te biljarten het ziekteverzuimprotocol heeft overtreden, aangezien deze activiteiten aan zijn herstel in de weg stonden, is dan ook van een onvoldoende onderbouwing voorzien en kan niet als moti-vering voor het ontslag op staande voet dienen.

4.6.

Voor zover QBTEC het niet bereikbaar zijn van [eiser] in de ochtend van 22 januari 2015 aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd, overweegt de kan-tonrechter dat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat hij die ochtend naar de apo-theek was om de door de huisarts voorgeschreven medicijnen op te halen en dat hij na thuis-komst zowel QBTEC als de bedrijfsarts heeft gebeld. Verder is uit de overgelegde stukken gebleken dat [eiser] gevolg heeft gegeven aan de oproep om op 23 januari 2015 om 08:00 uur bij [B] op kantoor te verschijnen. Ten slotte heeft [eiser] niet weer-sproken dat QBTEC de ochtenduren van 22 januari 2015 als opgenomen verlofuren heeft af-geschreven. Van een hiertegen door [eiser] gemaakt bezwaar is niet gebleken. Nu er daarmee per saldo sprake is geworden van een vrije ochtend, is de kantonrechter dat dit argu-ment thans niet meer aan [eiser] tegengeworpen mag worden.

4.7.

Ten aanzien van de door QBTEC gestelde weigering van [eiser] om op 4 maart 2015 het gesprek met [B] en nadien ook met [C] aan te gaan, overweegt de kantonrechter het volgende. Vast staat dat [eiser] zich op 26 februari 2015 heeft ziek gemeld en dat hij zich in de ochtend van 4 maart 2015 nogmaals heeft ziek gemeld. Ook is niet in geding dat [eiser] op 26 februari 2015 naar de huisarts is gegaan, die heeft geconstateerd dat er sprake is van drukpijnlijke extensoren in de linker onder- en bovenarm en van overbelasting van extensoren in de linker arm. De huisarts heeft hierbij geadviseerd om een werkplekonderzoek uit te voeren vanwege het zware eenzijdige werk. Verder is hier-bij van belang dat [eiser] op 3 maart 2015 is uitgenodigd om op 9 maart 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen. Gelet hierop moet het ervoor gehouden worden dat [eiser] ook op 4 maart 2015 nog arbeidsongeschikt was.

Verder is de kantonrechter gebleken dat QBTEC de hiervoor in overweging 2.15 weergege-ven brief op 4 maart 2015 aan [eiser] heeft overhandigd en dat [eiser] me-teen na het lezen ervan is gevraagd om in gesprek te gaan met [B] en [C]. Mede gelet op de inhoud van deze brief, waarin een aantal verwijten aan het adres van [eiser] is opgenomen, en gelet op de inmiddels gemaakte afspraak om op 9 maart 2015 op het spreekuur van de bedrijfsarts te verschijnen, waarbij voorts in ogenschouw moet worden ge-nomen dat [eiser] onder meer vanwege spanningsklachten arbeidsongeschikt was, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] redelijkerwijs heeft kunnen besluiten om op dat moment naar huis te gaan en niet het gesprek met [B] en [C] aan te gaan. Van een grovelijk handelen in strijd met het goed werknemerschap is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, te minder nu [eiser] bij zijn weigering om op dat moment met [B] en [C] in gesprek te gaan, heeft voorgesteld om direct na voormeld be-zoek aan de bedrijfsarts met elkaar in gesprek te gaan.

4.8.

Uit het vorenstaande volgt dat de kantonrechter voorshands van oordeel is dat het gegeven ontslag op staande voet in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden. De loonvordering van [eiser] komt derhalve voor toewijzing in aanmerking.

4.9.

De gevorderde wettelijke verhoging wordt voorlopig (bij wege van matiging) gesteld op 25%, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. De wettelijke verhoging wordt toegekend over de periode van verschul-digdheid van het loon tot de datum van het wijzen van het onderhavige vonnis.

4.10.

Ook de gevorderde wettelijke rente komt als onweersproken voor toewijzing in aanmerking.

4.11.

De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, aangezien niet is gebleken van werkzaamheden die een vergoeding van deze kosten rechtvaardigen.

4.12.

De kantonrechter stelt ten slotte vast dat [eiser] niet heeft gevorderd om QBTEC te veroordelen om hem weder te werk te stellen – ook niet nadat hij weer arbeids-geschikt is geworden. Ter voorlichting van [eiser] merkt de kantonrechter dienaan-gaande op dat het er vooralsnog voor moet worden gehouden dat de arbeidsovereenkomst in stand is gebleven, zodat [eiser] alle verplichtingen ingevolge de arbeidsovereen-komst dient na te komen.

4.13.

QBTEC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroor-deeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,99

- griffierecht € 221,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 720,99

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

5.1.

veroordeelt QBTEC om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 2.735,06 bruto per maand ter zake van loon vanaf 1 maart 2015 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtmatig zal zijn geëindigd;

- de wettelijke verhoging volgens de maatstaf van artikel 7:625 BW, echter met een maximum van 25% over te laat betaalde bruto bedragen;

- het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van respectievelijke opeisbaarheid van de betreffende bedragen tot de dag der voldoening;

5.2.

veroordeelt QBTEC tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,99, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 april 2015.