Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:2097

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
15-04-2015
Zaaknummer
16-701833-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, oa. ter zake van deelname aan een criminele organisatie, heling van auto's en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/701833-12 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 3 maart 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te Utrecht op [1974],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2013, 13 juni 2013, 6 november 2014 en 17 februari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van diefstal, (gewoonte)heling en/of (gewoonte)witwassen;

Ten aanzien van feit 2:

primair: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012 samen met anderen een (grote) hoeveelheid auto’s heeft gestolen;

subsidiair: in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012 samen met anderen een (grote) hoeveelheid auto’s heeft geheeld;

Ten aanzien van feit 3:

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 samen met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door geldbedragen (tot een totaalbedrag van 107.322 euro) te verwerven, voorhanden te hebben, over te dragen en/of om te zetten, terwijl hij wist dat deze voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf.

Ten aanzien van feit 4:

op 6 november 2012 samen met anderen heeft geteeld, in elk geval aanwezig heeft gehad ongeveer 4,5 kilo hennep en een plak hasjiesj;

Ten aanzien van feit 5:

op 19 november 2012 vijftig scherpe patronen voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 1 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde ten aanzien van de Porsche Cayenne ([kenteken]) en de Volkswagen Polo ([kenteken]) niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft gevorderd verdachte hiervan vrij te spreken.

Ten aanzien van de Volkswagen Caddy acht de officier van justitie de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 3 ten laste gelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 4

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder feit 4 ten laste gelegde overtreding van de Opiumwet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 5

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 5 ten laste gelegde voorhanden hebben van scherpe patronen niet overtuigend bewezen kan worden en vordert verdachte van dit feit vrij te spreken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1, feit 2 primair en subsidiair, feit 3, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde.

Hiertoe heeft de raadsman verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, en daarbij enkel ingaan op die standpunten die deugdelijk zijn onderbouwd en zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1

Vrijspraak ten aanzien van feit 2 primair: diefstal

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van drie personenauto’s, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijsmiddelen bevat. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.

4.3.2

Vrijspraak ten aanzien van feit 5: Wet Wapens en Munitie

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte op 19 november 2012 vijftig scherpe patronen voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft het feit ontkend en uit de verklaring van getuige [K] blijkt dat hij in de seizoenen 2011, 2012 en 2013 telkens de caravan van [verdachte] huurde en daar verbleef. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen dat de scherpe patronen van verdachte waren, dan wel dat hij wist dat de scherpe patronen in zijn caravan lagen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder feit 5 ten laste gelegde.

4.3.3

Feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2 subsidiair: opzetheling

Partiele vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de ten laste gelegde opzetheling niet kan worden bewezen ten aanzien van de Volkswagen Polo (kenteken [kenteken]) en de Porsche Cayenne ([kenteken]).

Ten aanzien van deze auto’s blijkt uit het dossier dat het gaat om zogenaamde ‘verzekeringsauto’s’. Deze auto’s zijn door de rechtmatige eigenaar aan verdachte en diens medeverdachten gegeven, waarna door de eigenaar een valse aangifte is gedaan van diefstal om vervolgens een valse claim bij de verzekering in te kunnen dienen. Opzetheling vereist echter dat het goed ten aanzien waarvan wordt geheeld, afkomstig dient te zijn van een voorafgaand misdrijf. Daarvan is ten aanzien van deze ‘verzekeringsauto’s’ geen sprake, nu de auto’s met instemming van de rechtmatige eigenaar aan verdachte en zijn medeverdachten zijn gegeven. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van opzetheling van voornoemde auto’s.

Feiten en omstandigheden ten aanzien van de VW Caddy met kenteken [kenteken]

Aangever [aangever 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 25 oktober 2011 heb ik de bestelauto geparkeerd. Toen ik op 26 oktober 2011 bij de parkeerplaats kwam zag ik dat de auto er niet meer stond. Het betreft een bestelauto van het merk Volkswagen, type Caddy, kleur wit, voorzien van Pools kenteken [kenteken]. Ik weet dat er in de auto een Track en Trace systeem aanwezig is.2

Verbalisanten [A] en [B] hebben –zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 26 oktober 2011 te 12:43 uur zagen wij het voertuig, een witte Volkswagen Caddy, staan te Amersfoort. Wij hebben ons onopvallend dienstvoertuig geparkeerd en hadden goed zicht op voornoemd voertuig. Wij zagen dat de bestuurder van een zwarte Volkswagen Golf achter de witte Volkswagen Caddy parkeerde en uitstapte. Wij zagen dat de bestuurder van de zwarte Volkswagen Golf achter het stuur van de witte Volkswagen Caddy ging zitten.3

Wij hebben de man gevraagd om uit te stappen. Wij hoorden de man zeggen: “Ik moest de auto alleen maar ophalen” en “de sleutels zouden onder de mat liggen”. Ik zag dat verdachte was genaamd:[medeverdachte 1].4

Verbalisanten [C] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Onder verdachte [medeverdachte 1] werden op 26 oktober 2011 een 3-tal mobiele telefoon in beslag genomen. Een van deze telefoons bleek voorzien van het telefoonnummer [nummer]. Uit de historische verkeersgegevens blijkt het volgende:

- Op 26-10-2011 te 11:55 uur straalt de GSM van [medeverdachte 1] de zendmast aan Brugwal 5 te Nieuwegein aan;

- Op 26-10-2011 te 12:29 uur wordt [medeverdachte 1] gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer[nummer] ten name van [verdachte];

- De GSM van [verdachte] straalt dan eveneens de zendmast aan Brugwal 5 te Nieuwegein aan. [verdachte] is eigenaar van de [zaaknaam] gevestigd te [adres], welke binnen 400 meter van de zendmast Brugwal is gelegen;

- Vervolgens wordt [medeverdachte 1] om 12:43 uur aangehouden bij de gestolen Volkswagen Caddy in Amersfoort;

- Na de aanhouding van [medeverdachte 1] heeft [verdachte] om 14:13 uur een sms verstuurd aan [medeverdachte 1].5

Verdachte [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

V: Er is ook nog die zaak geweest in Amersfoort he, met die Caddy. A: Ging ik eerst naar [verdachte] toe en gaf ik [verdachte] zijn geld en toen zei [verdachte] van daar en daar staat een witte auto, daar in die straat staat een witte auto, daar kan je hem ophalen. [D] weet ervan. Maar 1 en 1 is 2, ik kom daar aan, ben er met mijn eigen auto naartoe gereden, heb mijn eigen auto erachter gezet.6 Ik ging eerst naar [verdachte], toen kreeg ik van [verdachte] een adres waar die stond. Op een briefje. Ik keek of de auto open stond, zocht de sleutel, had [verdachte] verteld, ik werd toen aangehouden. V: Weet jij wie die Caddy heeft neergezet? A: [D] en [verdachte] regelden dat onderling met zijn tweetjes. Ik kreeg alleen de opdracht van [verdachte] van daar staat een auto, die kan je ophalen.7

4.3.4

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 subsidiair

Ten aanzien van de Volkswagen Caddy

De verdediging heeft aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van heling ten aanzien van de Volkswagen Caddy, nu alleen medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart over de betrokkenheid van verdachte. De ondersteuning van de verklaring van [medeverdachte 1], namelijk de telecomdata, staat in een te ver verwijderd verband.

De rechtbank is van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Volkswagen Caddy. De bewezenverklaring steunt niet slechts op de verklaring van [medeverdachte 1], die zegt dat hij de auto in opdracht van [verdachte] moest ophalen, maar ook op de telecomgegevens. Daaruit blijkt immers dat [medeverdachte 1] vlak voordat hij wordt aangehouden bij de gestolen Volkswagen Caddy een mast aanstraalt in de buurt van het bedrijf van verdachte. Dit is in lijn met de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij eerst naar het bedrijf van verdachte is gegaan. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij daar van verdachte het adres heeft gekregen waar hij de Volkswagen Caddy kon ophalen. Voorts blijkt uit de telecomgegevens dat [medeverdachte 1] vlak voor zijn aanhouding wordt gebeld door de telefoon van verdachte, waarbij de telefoon van verdachte dezelfde mast in de buurt van zijn bedrijf aanstraalt en dat [medeverdachte 1] na zijn aanhouding een sms ontvangt van de telefoon van verdachte. De rechtbank ziet hierin voldoende ondersteuning voor de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte hem opdracht heeft gegeven om de gestolen Volkswagen Caddy op te halen.

4.3.5

Feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3: witwassen

Verbalisant van [E] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Beginsaldo:

Uit de uitgeleverde rekeningafschriften blijkt onder andere dat op 30 december 2009 een contante opname heeft plaatsgevonden van € 100,-. Daar er geen andere betalingen zijn verricht aan uitgaven middels de bankrekening is het aannemelijk dat dit bedrag is uitgegeven, waardoor het beginsaldo op € 0,- gesteld kan worden.

Eindsaldo contant geld:

Tijdens de doorzoeking in november 2012 in zowel het pand van de [zaaknaam] als in de woning van verdachte [verdachte] en zijn vriendin [F] te [woonplaats] werd geen contant geld aangetroffen. Op basis van bovenstaande bevindingen kan het eindsaldo op € 0,- gesteld worden.

Kasadministratie [zaaknaam]:

Op 6 november 2012 is tijdens de doorzoeking in [zaaknaam] onder andere de administratie in beslag genomen. Tevens werd door de voormalig boekhouder en huidige boekhouder diverse administratie uitgeleverd. De in beslag genomen kasadministratie is nader beoordeeld. Hieruit blijkt onder andere dat in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een bedrag van € 89.910,- contant is opgenomen vanuit de kas. In de periode 1 januari 2012 tot en met 8 november 2012 is volgens de kasadministratie een bedrag van

€ 78.868,- contant opgenomen vanuit de kas.

Per saldo is er mogelijk een contante inkomende geldstroom op basis van de kasadministratie van [zaaknaam] geweest van € 166.778,-.8

Contante opnamen bankrekeningen:

Uit de door de Rabobank uitgeleverde gegevens en vanuit het strafrechtelijk onderzoek Merel verkregen rekeningafschriften blijkt dat in de periode 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 contante opnamen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van [zaaknaam] en [verdachte].

Van de bankrekening ten name van [verdachte] is in totaal € 15.235,- contant opgenomen.

Van de bankrekening ten name van [zaaknaam] is in totaal € 2.283,- contant opgenomen.

Per saldo is er mogelijk een contante inkomende geldstroom van € 17.518,- geweest.

Totale legale contante inkomsten:

In de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 heeft [verdachte] alleen legale inkomsten gehad vanuit zijn onderneming in de jaren 2011 en 2012. In totaal heeft [verdachte]

€ 184.296,- aan contante inkomsten genoten.9

Contante stortingen bankrekeningen:

Op de bankrekening ten name van [verdachte] hebben de volgende contante stortingen plaatsgevonden:

2010: € 31.756,-

2011: € 16.851,-

2012: € 23.420,-

----------------------

Totaal: € 72.027,-

Op de bankrekening ten name van [zaaknaam] hebben de volgende contante stortingen plaatsgevonden:

2011: € 106.418,-

2012: € 81.895,-

----------------------

Totaal: € 188.313,-

Per saldo is in de periode 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 een contante uitgaande geldstroom van € 260.340,- geweest.

Contante betaling leasetermijnen/boetes BMW M5 [kenteken]:

Bij AGN Auto’s wordt vanaf 13 april 2012 een personenauto, BMW M5, kenteken [kenteken], geleased op naam van verdachte [verdachte]. De maandelijkse termijnen van € 743,49 werden contant voldaan door verdachte [verdachte]. Het totaalbedrag van contant betaalde termijnen bedraagt € 5.663,-. Tevens werd een tweetal facturen van AGN Auto’s met betrekking tot opgelopen boetes ad € 365,- contant voldaan door [verdachte].

Per saldo is in de periode 13 april 2011 tot en met 8 november 2012 een contante uitgaande geldstroom van € 6.028,- geweest.10

Contante aankoop Volkswagen Scirocco (zwart):

De betreffende auto werd door [G] bij [zaaknaam] afgeleverd. [G] verklaarde dat hij in [zaaknaam] € 8.000,- ontving van een man, welke man hij op een politiefoto herkent als verdachte [verdachte].

Per saldo is in de periode 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 een contante uitgaande geldstroom van € 8.000,- geweest.

Contante betaling staanplaats Camping Betuwestrand:

Uit het overzicht van betalingen ontvangen door Camping Betuwestrand blijkt dat over de periode 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 totaal een bedrag van € 6.750,- contant is betaald voor de staanplaats.11

Per saldo is in de periode 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 een contante uitgaande geldstroom van € 6.750,- geweest.

Contante betaling maandelijkse bijdrage ex-partner en kinderen:

De ex-partner van [verdachte], [H] en [verdachte] zijn sinds 1 februari 2011 uit elkaar en [verdachte] betaalde sinds die tijd de bijdrage van € 500,- per maand aan [H].

Per saldo is in de periode 1 februari 2011 tot en met 8 november 2012 een contante uitgaande geldstroom van € 10.500,- geweest.

Totale contante betalingen en stortingen:

Totale contante betalingen en stortingen: € 260.340 + 6.028 + 8.000 + 6.750 + 10.500 = € 291.618,-.

Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen is het vermoeden gerezen dat het verschil van de contante inkomsten en uitgaven (€ 291.618 minus € 184.296), namelijk een bedrag van € 107.322,- van een andere dan legale bron van inkomsten afkomstig is.12

4.3.6

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De verdediging heeft een alternatieve berekening opgesteld en daartoe verschillende argumenten aangevoerd. De rechtbank zal hierna per punt ingaan op hetgeen is aangevoerd door de verdediging.

Beginsaldo

Het beginsaldo per 1 januari 2010 is bij de kasopstelling op € 0,- gezet. De stelling van de verdediging is dat verdachte op dat moment echter ook over contant geld beschikte. Verdachte noemt daarbij een bedrag van € 26.750,-, bestaande uit € 8.000,- vanwege een schadevergoeding in een strafzaak die in 2009 is uitbetaald en een bedrag ter zake van de in die strafzaak teruggegeven auto van € 18.750,-. De rechtbank is echter van oordeel dat bij de kasopstelling wordt gekeken naar contante inkomsten. Gesteld, noch gebleken is dat de per bank uitgekeerde € 8.000,- door verdachte contant is opgenomen in 2009 en dat de auto door hem contant is verkocht in 2009. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan deze stelling van verdachte en houdt het beginsaldo van de kasopstelling op basis van de bevindingen in het witwasdossier op € 0,-.

Contante inkomsten

De kasopstelling gaat uit van legale inkomsten uit het bedrijf van verdachte, [zaaknaam], in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012 van € 166.778,-. De verdediging heeft dit niet betwist en de rechtbank gaat hier derhalve ook van uit. Wel heeft de verdediging aangevoerd dat [zaaknaam] per 1 december 2010 is gestart en er ook in die maand een kasonttrekking aan [zaaknaam] is geweest in dezelfde orde van grootte als de bijna twee jaar daarna, te weten € 7.500,- per maand. De rechtbank acht deze verklaring reëel en verhoogt het legaal contant inkomen uit [zaaknaam] met € 7.500,-, tot een bedrag van € 174.278,-.

Zoals hierboven reeds is gebleken zijn van de bankrekening ten name van [verdachte] en de bankrekening ten name van [zaaknaam] in totaal € 17.518,- aan contanten opgenomen.

De rechtbank stelt het legale contante inkomen van verdachte derhalve op € 191.796,- (174.278,- + 17.518,-).

Overige contante inkomsten

Verkoop BMW X5

De verdediging heeft aangevoerd dat de contante betaling door [J] aan verdachte ten behoeve van de verkoop van de BMW X5 ten onrechte niet is meegerekend. Het gaat om een bedrag van € 15.000,- dat verdachte van deze [J] zou hebben ontvangen. De rechtbank acht de verklaring aannemelijk en rekent derhalve € 15.000,- als extra inkomen mee. Het subsaldo aan contante inkomsten komt daarmee op € 206.796,-.

Volkswagen Scirocco

De verdediging heeft aangevoerd dat de Volkswagen Scirocco ten behoeve van de handel van [zaaknaam] is gebruikt. Op verzoek van een klant zou de auto worden verkocht. Die klant heeft daarvoor € 9.000,- betaald. Verdachte kon vrijelijk over dat bedrag beschikken. Bij de contante kaspositie van verdachte moet dus € 9.000,- worden opgeteld. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, nu de verklaring wordt ondersteund door de verklaring van de vriendin van verdachte, [F]. De uitgave ten behoeve van de koop van de Volkswagen Scirocco, te weten € 8.000,-, is in de kasopstelling wel verantwoord. Echter, de gestelde ontvangst van € 9.000,- wordt in de kasopstelling niet verantwoord. De rechtbank verhoogt het bedrag van contante inkomsten derhalve met

€ 9.000,- en komt daarmee op een subtotaal van € 215.796,-.

Staanplaats camping

De verdediging heeft aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat verdachte niet de enige gebruiker is geweest van de caravan. Uit de verklaring van [K] bij de rechter-commissaris blijkt dat hij verdachte € 2.500,- per seizoen heeft betaald om gebruik te mogen maken van de caravan. In de ten laste gelegde periode is dat in totaal € 5.000,- geweest. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk, gelet op de verklaring van [K] hierover. In de kasopstelling is een bedrag van € 6.750,- aan contante uitgaven meegenomen ten behoeve van de betaling aan Camping Betuwestrand. Echter, het bedrag van € 5.000,- dat verdachte heeft ontvangen van [K] is niet verantwoord in de kasopstelling. Het bedrag aan contante inkomsten moet derhalve met € 5.000,- worden verhoogd. De rechtbank komt daarmee op een subtotaal van € 220.796,- aan contante inkomsten.

Totaal contante inkomsten

De rechtbank gaat - gelet op het voorgaande - uit van een bedrag van € 220.796,- aan totale contante inkomsten van verdachte.

Contante uitgaven

Contante stortingen op bankrekening

Uitgangspunt is het in de witwasberekening genoemde bedrag van contante uitgaven van 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 van € 291.618,-. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte in 2010 (tot en met februari 2011) nog een relatie had met [H], hetgeen ook blijkt uit haar verklaring bij de rechter-commissaris. Uit de bankrekeningafschriften blijkt dat verdachte niet de enige gebruiker was van die bankrekening. Immers blijkt dat ook huur, ziektekostenverzekering, Eneco en Vitens ten behoeve van beiden van deze rekening wordt afgeschreven. Nu zowel verdachte als mevrouw [H] over deze rekening konden beschikken, kan het daarop contant gestorte bedrag van € 31.756,- niet zonder meer aan verdachte worden toegeschreven. Hetzelfde geldt voor een storting in januari 2011 van € 2.250,-. De verdediging heeft derhalve aangevoerd dat een bedrag van € 34.000,- in mindering dient te worden gebracht op de post contante stortingen.

De rechtbank volgt dit standpunt van de verdediging ten dele. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de helft van de bankstortingen wel aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank zal het bedrag van contante uitgaven door verdachte derhalve verminderen met

€ 17.000,-.

Betaling alimentatie ex-partner en kinderen

De verdediging heeft aangevoerd dat uit de verklaring van [H] bij de rechter-commissaris blijkt dat de afspraak was dat verdachte € 500,- per maand aan alimentatie aan haar zou betalen, maar dat zij hooguit € 1.500,- van verdachte heeft ontvangen, omdat verdachte die afspraak niet is nagekomen. De rechtbank volgt deze verklaringen van verdachte en zijn ex-partner [H]. De kasopstelling gaat uit van een contante uitgaande geldstroom van € 10.500,- over de periode van 1 februari 2011 tot en met 8 november 2012. Gelet op de verklaring van [H] corrigeert de rechtbank het bedrag van contante uitgaven derhalve met € 9.000,-.

Totale contante uitgaven

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een bedrag van

€ 265.618,- (€ 291.618,- minus € 17.000,- minus € 9.000,-) aan contante uitgaven heeft gehad in de ten laste gelegde periode.

Verhullen/verbergen

De rechtbank stelt, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, vast dat verdachte in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012 gelden heeft verworven en voorhanden heeft gehad, waarvoor geen legale herkomst is te vinden. De rechtbank gaat er vanuit dat deze gelden uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Om in dit geval tot een bewezenverklaring van witwassen te komen, moet de verdachte het geld niet slechts voorhanden hebben gehad, maar zijn gedragingen moeten ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld (HR 25 maart 2014, NJ 2014, 302). De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van de volgende contante gelden is vast komen te staan dat deze geldbedragen zijn overgedragen aan derden:

- € 1.500 aan alimentatie aan de ex-partner van verdachte;

- € 1.750,- aan contante betalingen aan Camping Betuwestrand;

- € 6.028,- aan contante betalingen ten behoeve van de leasetermijnen en boetes van de BMW.

Ten aanzien van die bedragen is vast komen te staan dat verdachte deze contante gelden niet slechts voorhanden heeft gehad, maar ook heeft overgedragen en daarmee de criminele herkomst heeft verhuld.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een bedrag van

€ 9.278,- heeft witgewassen in de ten laste gelegde periode. Van het overige ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

De rechtbank is tevens van oordeel, gelet op de langere periode, dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.3.7

Feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1: criminele organisatie

Behalve de hiervoor genoemde bewijsmiddelen ten aanzien van de opzetheling van de Volkswagen Caddy (feit 2) en het witwassen (feit 3) zoals hiervoor onder 4.3.2 en 4.3.4 opgesomd, neemt de rechtbank met betrekking tot de ten laste gelegde criminele organisatie nog het volgende in aanmerking.

De werkwijze

Uit het proces-verbaal van onderzoek naar deelneming aan een criminele organisatie blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Hal E op het bedrijventerrein NOACK werd sinds één jaar verhuurd aan [D]. In december 2011 heeft deze [D] het contract verlengd met nogmaals één jaar.13 [L] is chauffeur van een vrachtwagen met oplegger en verklaarde dat hij tot twee keer toe vroeg in de ochtend bij de loods aan de Soesterweg is geweest om restanten van voertuigen op te halen. Hij had daarvoor een afspraak met [D]. De eerste keer was op 15 december 2011 en de tweede keer op 9 januari 2012.14

Uit onderzoek naar de telecom van verdachte [medeverdachte 1] blijkt dat een van de telefoonnummers die in gebruik is bij [medeverdachte 1] over een periode van 22 juli 2011 tot 20 januari 2012 veelvuldig een paal gelegen in de omgeving van de Soesterweg aanstraalt. Verdachten wisselden regelmatig van telefoon en telefoonnummer.

Getuige [getuige 1], de terreinbeheerder van bedrijventerrein NOACK, heeft verklaard dat hij naast [D] ook een andere man bij de loods zag, genaamd [M]. [M] demonteerde in loods E auto’s. Hij deed hetzelfde als [D]. Voorts verklaarde [getuige 1] dat hij tot twee keer toe camera’s had uitgezet voor [M] omdat deze wilde langskomen.15

In de auto van [medeverdachte 1] werd een NL stempel aangetroffen, welke wordt gebruikt bij het vervaardigen van kentekenplaten. [medeverdachte 1] verklaarde dat hij deze stempel van [verdachte] had gekregen en gebruikte bij het laten maken van vervalste kentekenplaten.16 Hij haalde blanco kentekenplaten bij [verdachte] en liet in opdracht van [verdachte] kentekenplaten drukken bij [N].17

Uit onderzoek naar de telecom van verdachten [D] en [medeverdachte 1] blijkt dat er vanaf 26 juli 2011 tot de ontdekking van de loods veelvuldig contact is tussen de telefoonnummers die in gebruik zijn van beide verdachten. Eveneens blijkt dat er veelvuldig contact is tussen een telefoonnummer van [medeverdachte 1] en een telefoonnummer van [verdachte]. [D] en [verdachte] maakten gebruik van één op één telefoontoestellen, die [D] kreeg van [verdachte].18 [D] verklaarde dat hij van [verdachte] een telefoon had gekregen waar hij alleen contact met [verdachte] mee mocht hebben en dat hij drie of vier keer zo’n telefoon met simkaart had gekregen van [verdachte], waarop [verdachte] het oude toestel mee terug nam.19

Verdachte [medeverdachte 2] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik zag dat zowel [M] als [D] in deze loods auto’s uit elkaar haalden. [M] deed het lichte werk. [D] deed het zware werk.20

De goede auto-onderdelen werden verkocht. [D] had daar klanten voor. [M] kon alles verkopen. Er was een kale jongen uit Utrecht. Ik heb deze kale meermalen bij de loods gezien. Ik zag dat die kale meermalen een auto bij de loods bracht.21

[M] vertelde mij dat hij kentekenplaten liet namaken. Ik zag in zijn auto een stapel kentekenplaten liggen.

Ik heb in oktober/november zeker 70 a 80 autochassis in de loods van [D] en [M] zien liggen. [O](de rechtbank begrijpt: de stiefzoon van getuige [medeverdachte 2]) huurde de loods vanaf april 2011. Ik zag dat [M] en [D] toen al in de loods werkzaam waren en auto’s demonteerden. Ik weet dat er auto’s in de omgeving van de loods stonden. [M] of [D] werden dan gebeld en kregen te horen waar er een auto stond.

Aan de verdachte werden getoond de politiefoto’s van [D] [D], [M] [medeverdachte 1] en [verdachte]. Ik herkende de foto van [M] en [D]. Ook toonde u mij een foto van een man zonder haar. Ik herken deze man als “de kale” waarover ik zojuist sprak.22

De handgeschreven briefjes

Verbalisant [C] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 28 augustus 2012 vond er een doorzoeking plaats op het woonadres van [D] [D] op de [adres] te [woonplaats]. Bij genoemde doorzoeking werd in een personenauto een handgeschreven briefje aangetroffen. Op genoemd briefje staan een 12-tal automerken en types vermeld met hierachter 2 bedragen vermeld. [D] verklaarde dat hij dit handgeschreven briefje van [verdachte] gekregen had. [D] verklaarde dat op dit briefje auto’s stonden die aan [verdachte] aangeboden zouden zijn. Het eerst genoemde bedrag zou de prijs zijn waarvoor [verdachte] de auto’s in kon kopen. Het tweede bedrag zou het bedrag zijn waarvoor [verdachte] de voertuigen vervolgens aan [D] te koop aanbood.

Op 6 november 2012 werd een doorzoeking gehouden in de woning van [verdachte] aan de [adres] te [woonplaats]. In de woning van [verdachte] werd eveneens een handgeschreven briefje aangetroffen met hierop exact dezelfde modellen en type voertuigen als op het handgeschreven briefje aangetroffen bij [D] [D]. Op dit handgeschreven briefje stonden exact dezelfde prijzen vermeld als de (verkoop)prijzen zoals vermeld op de brief van [D] [D].23

De verklaringen van de verdachten

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

U, voorzitter, houdt mij de twee lijstjes op pagina’s 3520 en 3521 van het dossier voor. Dat lijstje is mij aangeboden door een jongen om aan [D] te laten zien of hij er wat mee kon. Het ging om schadeauto’s of wat er precies mee gebeurd was weet ik niet. De genoemde prijzen zijn wat ik eraan kon verdienen. Ik heb dat met [D] besproken.24

Medeverdachte[medeverdachte 3] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

V: Met wie haalde je die auto’s uit elkaar? A: Met hem, het is [M]. V: Met [M] bedoel je [M] [medeverdachte 1]? A: Ja, dat klopt.25 Ik wist dat het gestolen auto’s waren.26 De kale bracht de Audi. De witte Porsche heb ik van hem gekocht.27 Opmerking: foto getoond van [verdachte]. A: Dit is de kale.28 V: Zijn er nog andere voertuigen gebracht door de kale? A: Ja, hij kwam wel eens vaker.29 V: Wat was het belang van [verdachte] bij de loods? A: Ik kocht wel eens een ding van hem. Hij verdiende wat en ik verdiende wat. Hij was een soort van tussenpersoon.30 Het was de kale die de Audi A3 bracht.31

De verdachte [D] wordt een lijstje met daarop kentekens getoond. A: Kon ik kopen. V: Wat zijn de verschillen tussen de bedragen op het lijstje? A: Dat is het verschil wat hij eraan kon verdienen. In de eerste rij staat het bedrag waarvoor hij hem kocht en de tweede rij staat het bedrag wat ik ervoor moest betalen. Het is ook niet mijn handschrift op dat briefje.32

Medeverdachte J.H. [medeverdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

[D] was met mij aan het werk in die loods. [verdachte] weet dat ik er slecht bij zit en had gezegd ik heb wel werk voor je. Het zat niet goed, sowieso niet, dat was mijn gevoel. Dat er teveel nieuwe dingen binnen gebracht werden. Teveel nieuwe auto’s. De Audi moest gesloopt worden voor die kale. [verdachte] heeft hem gebracht.33

[verdachte] en [D] die hebben een telefoon, en die spreekt met die gasten en die weet van tevoren al van er staat een bus en zus en zo, van pak daar de auto maar op of er wordt nu een auto gebracht.34

Kijk als die kale kwam, dan kwam die wat brengen, zoals met die Audi. Omdat [verdachte] die dingen levert aan hem, die auto’s. [verdachte] had contact met [D] daarover en ik kreeg opdracht van [D], haal hem ff op, of hij reed mee.35 V: Dus [D] moest [verdachte] betalen omdat hij een auto had geleverd? A: Ja en dat geld moest ik dan brengen.36 V: Welke voertuigen heeft die kale zelf aangeleverd? A: Een A-3-tje en een Opel Meriva.37

V: Wat is de relatie tussen [verdachte] en die Porsche Cayenne? A: Ik wist niet beter dan dat is de auto van [verdachte] en die moest kort. [D] vertelde dat die door [verdachte] zelf gebracht was en die hij kort gemaakt moest worden.38

[D] en [verdachte] verdienden eraan. [D] kocht van [verdachte], sloopte het, verkocht het, ik deed de binnenkant.39

Ik haal de platen bij [verdachte], de blanco platen. Voor [verdachte] worden elke keer de platen en de nummers gemaakt. Ik krijg het kenteken mee van [verdachte] en de blanco platen en klaar, dan laat ik ze maken. En daarna breng ik ze terug bij [verdachte].40

4.3.8

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie dient te worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een organisatie, dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat de verdachte aan die organisatie heeft deelgenomen. Voor een criminele organisatie moet er sprake zijn van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen. Voor de deelneming is van belang dat betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012: BW5132). Deelneming impliceert opzet, dat wil zeggen dat verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651). Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in artikel 140 Sr is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2011:BO9814).

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachten [D] en [medeverdachte 1] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Het oogmerk van deze organisatie was gericht op het verkrijgen van personenauto’s door het plegen van een misdrijf, dan wel door mensen te benaderen die over een van misdrijf verkregen personenauto konden beschikken. De organisatie richtte zich tevens op het bewegen van mensen tot het doen van valse aangifte van diefstal van hun voertuig, waarop deze werd overgenomen door de organisatie.

De voertuigen werden in ontvangst genomen, gedemonteerd en in onderdelen verkocht voor geldelijk gewin, waardoor witwassen eveneens het oogmerk van de organisatie was. De organisatie richtte zich verder op het opzettelijk maken dan wel laten maken van vervalste kentekenplaten, om de ware aard van de gestolen voertuigen te verhullen.

Voorts was er sprake van duurzaamheid. Verdachte [D] huurde de loods aan de Soesterweg te Amersfoort sinds 1 januari 2011 en heeft verklaard direct te zijn begonnen met het demonteren van gestolen auto’s. [verdachte] was betrokken bij het aanleveren van auto’s aan [D]. [medeverdachte 1] is er rond april 2011 bij gekomen. Verschillende getuigen hebben verklaard dat zij honderden auto’s in de loods naar binnen hebben zien gaan. De loods is op 15 januari 2012 door de politie opgerold.

Daarnaast was er sprake van een duidelijke structuur en organisatiegraad. Medeverdachte [D] was verantwoordelijk voor de demontage van de auto’s en de verkoop van onderdelen. Medeverdachte [medeverdachte 1] zorgde naast het demonteren van de auto’s voor het ophalen van de auto’s die in de wijk geparkeerd stonden. Ook trad hij op als tussenpersoon voor de stelers en zorgde hij voor de aanvoer van auto’s. Verder liet hij valse kentekenplaten drukken. Verdachte onderhield contact met de stelers en trad op als tussenpersoon bij de verkoop van de gestolen voertuigen aan [D] en [medeverdachte 1] en ontving daar commissie voor. Verder vonden er ontmoetingen plaats tussen [D], [medeverdachte 1] en verdachte en werd er gebruik gemaakt van één-op-één-telefoons.

Vrijspraak voor een deel van de ten laste gelegde periode

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor een deel van de ten laste gelegde periode dient te worden vrijgesproken, namelijk de periode na 15 januari 2012, nu voor deze langere periode onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is.

4.3.8

Feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 4: Opiumwet

Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de doorzoeking ter inbeslagneming blijkt – zakelijk weergegeven – het volgende:

Op 6 november 2012 bevond ik mij in de woning [adres] te [woonplaats].[F] verklaarde als volgt: [verdachte] staat hier sinds september/oktober van dit jaar ingeschreven. Hij is dus daadwerkelijk woonachtig op dit adres.41 Tijdens de doorzoeking werd in het slaapvertrek van deze woning een grote zwarte tas aangetroffen. In deze tas bevond zich een dichtgeknoopte vuilniszak, welke vol zat met gedroogde henneptoppen. Voorts bevond zich in deze tas een grote dicht gesealde tas, inhoudende vermoedelijk gedroogde henneptoppen. Tijdens de verdere doorzoeking werd in beslag genomen een plak hasj, aangetroffen in het dressoir.42

Verbalisant [P] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 10 november 2012 testte ik een 6-tal cannabisproducten. Deze zijn afkomstig uit een tweetal zakken die werden aangetroffen tijdens een onderzoek in een woning. Het betreft hier een vuilniszak met een inhoud van 1.89 kg droge henneptoppen en een strijkzak met een inhoud van 2.87 kg droge henneptoppen. Totaal betrof het 4.76 kg droge henneptoppen. Ik nam uit elke zak van 3 henneptoppen een monster. Ik testte de monsters. Middels de verkleuring van de cannabistest werd bevestigd dat het om hennepplanten, dan wel delen of producten daarvan ging, en wel van het soort Cannabis. Ik zag tevens aan de kleur en het uiterlijk en rook aan de geur, dat het delen van hennepplanten waren van het soort Cannabis vermeld op lijst 2, onderdeel B, van de Opiumwet.43

Verbalisanten [Q]en [R] hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:

Op 14 november 2012 werd een onderzoek ingesteld aan een hoeveelheid verdovende middelen die in beslaggenomen waren op het adres [adres] te [woonplaats]. De aangeboden partij bestond uit 188,76 gram bruine, samengeperste substantie.44 Het brok bruine samengeperste substantie werd door ons herkend als hasjiesj. De aangeboden hoeveelheid werd indicatief getest met de cannabistest. De test gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.45

Verdachte [F] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

V: Bij de zoeking in de woning aan de [adres] is een zwarte sporttas aangetroffen in de slaapkamer. Van wie is deze sporttas? A: Die sporttas stond er niet toen ik naar bed ging. [verdachte] is later thuisgekomen. Ik ben ’s ochtends wakker gemaakt door jullie en toen hoorde ik dat die sporttas er stond.

V: En de plak hasj? Deze lag in een laatje van het dressoir in de woning. A: Dat hoor ik ook voor het eerst. Hij is in ieder geval niet van mij.46

4.3.9

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 4

Partiele vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat het bestanddeel medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu een nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De rechtbank is voorts, met de verdediging, van oordeel dat ten aanzien van het bereiden en/of verwerken van hennep onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is, waardoor verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Aanwezig hebben van hennep en hasjiesj

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van het aanwezig hebben van hennep en heeft daartoe aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van hennep in zijn woning, dan wel dat hij de tas daar heeft neergezet. Ten aanzien van de plak hasj in het dressoir heeft de verdediging aangevoerd dat die niet zonder meer aan verdachte toe te schrijven is, aangezien verdachte niet de enige was die op dat adres verbleef.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In de woning van verdachte en zijn vriendin [F] is een sporttas met henneptoppen aangetroffen en een plak hasj. De vriendin van verdachte heeft verklaard dat zij de sporttas niet heeft zien staan toen zij ging slapen, dat verdachte later is thuisgekomen en dat zij de sporttas voor het eerst ’s ochtends heeft gezien. De rechtbank heeft geen redenen om aan te nemen dat er in de tussentijd nog iemand anders dan verdachte in de woning is geweest, die de sporttas daar neer heeft gezet. Hetzelfde geldt voor de plak hasj. Ook daarvan verklaart de vriendin van verdachte dat zij daar niets van af weet en heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te denken dat iemand anders dan verdachte de plak hasj in hun woning heeft gelegd.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2011 tot en met 15 januari 2012 te Nederland en/of Duitsland en/of België, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- diefstal (in vereniging/door middel van braak) in de zin van artikel 311 4e en/of 5e lid van het Wetboek van Strafrecht en

- ( gewoonte)heling in de zin van artikel 416 en/of 417 van het Wetboek van Strafrecht en

- gewoontewitwassen in de zin van artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht;

2.

Subsidiair

op één tijdstip in de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012 te Amersfoort en/of Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander, een auto te weten:

- een personenauto merk VW, type Caddy, kenteken [kenteken], weggenomen tussen

25 en 26 oktober 2011 te Zeist,

hebben verworven en voorhanden hebben gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

in de periode van 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012, te Amersfoort, [woonplaats], en/of Culemborg, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte telkens voorwerpen, te weten telkens geldbedragen, verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl hij telkens wist dat bovenomschreven voorwerpen telkens - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;

4.

op 6 november 2012 te [woonplaats], opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van in totaal ongeveer 4,5 kilo hennep en een plak hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Ten aanzien van feit 1: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

Ten aanzien van feit 3: gewoontewitwassen;

Ten aanzien van feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen bij uitspraak.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het tijdsverloop in deze zaak. De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst op 28 maart 2013. Verdachte heeft in de tussentijd geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Langdurige aanvullende detentie zal tot gevolg hebben dat de stabiele factoren in het leven van verdachte, te weten zijn gezin en zijn bedrijf [zaaknaam], op de tocht komen te staan. Zonder de aanwezigheid van verdachte in [zaaknaam], zal het bedrijf nauwelijks winstgevend zijn.

De recidive op de justitiële documentatie van verdachte is beperkt.

Ten aanzien van de criminele organisatie heeft de verdediging verzocht om te kijken naar de rol van verdachte. Indien verdachte al een rol heeft gespeeld, is zijn bijdrage lang niet zo groot als van de twee hoofdpersonen.

De verdediging heeft de rechtbank derhalve verzocht om af te zien van het opleggen van een aanvullende onvoorwaardelijke straf.

De verdediging heeft voorts verzocht om de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak af te wijzen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende iets minder dan een jaar meermalen gestolen auto’s en auto’s waarmee verzekeringsfraude werd gepleegd aangeleverd aan een loods waar de medeverdachten deze auto’s demonteerden en de onderdelen verkochten. Getuigen hebben verklaard dat zij honderden auto’s rijdend de loods hebben zien binnengaan, om er vervolgens in losse onderdelen weer uit te komen en hebben de loods als ‘slachterij’ omschreven. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan opzetheling van een Volkswagen Caddy en gewoontewitwassen. Dergelijke feiten dragen bij aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen, en daarmee aan het voortduren van diefstal en verduistering van auto’s. Het witwassen van gelden heeft bovendien een ontwrichtende werking op de integriteit van het financieel en economisch verkeer en op de openbare orde. Verdachte heeft enkel gehandeld uit eigen financieel belang. De rechtbank rekent dit verdachte aan. Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij een grote hoeveelheid henneptoppen en een plak hasj aanwezig heeft gehad.

In vergelijking met de medeverdachten heeft verdachte echter een minder grote rol gehad in het geheel. Verdachte was de leverancier van een aantal gestolen auto’s, terwijl de medeverdachten een groot aantal gestolen auto’s in ontvangst hebben genomen en hebben gedemonteerd om de losse onderdelen te verkopen. De rechtbank weegt dit mee in de strafoplegging. Verdachte heeft echter, in tegenstelling tot de medeverdachten, geen openheid van zaken willen geven en neemt geen verantwoordelijkheid voor de feiten die hem verweten worden.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en ten aanzien van de Opiumwet. Verdachte heeft meermalen gevangenisstraffen opgelegd gekregen voor soortgelijke delicten. Laatstelijk is verdachte op 8 juli 2008 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Uit het reclasseringsadvies van 14 februari 2013 blijkt dat omdat verdachte niet op de huidige verdenkingen ingaat, op de leefgebieden onvoldoende openheid van zaken geeft en op relevante vragen geen antwoord geeft, de reclassering een beperkt beeld van verdachte heeft gekregen. De reclassering ziet geen meerwaarde in het opleggen van reclasseringscontact. Eerder heeft betrokkene niet meegewerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de op te leggen straf te bepalen dat een deel daarvan voorwaardelijk zal zijn, gelet op het feit dat verdachte meermalen gevangenisstraffen opgelegd heeft gekregen en daar kennelijk geen lessen uit getrokken heeft.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank acht - alles afwegende - een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Opheffing schorsing voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen bij de uitspraak. De maatschappelijke belangen bij een onmiddellijke hervatting van de detentie van verdachte wegen, mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak, naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het belang van verdachte om in vrijheid af te wachten totdat de rechterlijke uitspraak in zijn zaak onherroepelijk is.

9 Het beslag

Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals beschreven op de beslaglijst die achter dit vonnis is gehecht. De officier van justitie heeft gevorderd om ten aanzien van de goederen waar conservatoir beslag op ligt, te weten de personenauto Volkswagen Scirocco en het horloge van het merk Rolex, geen beslissing te nemen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de imitatiehorloges retour kunnen naar verdachte (goederen 6 tot en met 11).

De verdediging heeft verzocht om ten aanzien van het conservatoire beslag wel bij vonnis een beslissing te nemen. Voorts heeft de verdediging verzocht om de overige goederen te retourneren aan verdachte, voor zover verdachte daarvan geen afstand heeft gedaan.

De rechtbank zal ten aanzien van de goederen met nummers 1 (personenauto Volkswagen Scirocco) en 2 (horloge Rolex) geen beslissing nemen, nu daar thans conservatoir beslag op rust.

Ten aanzien van de goederen met nummers 4 tot en met 12 is de rechtbank van oordeel dat deze goederen geretourneerd kunnen worden aan verdachte.

10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 5] en[benadeelde 6] hebben een vordering ingediend met betrekking tot de door hen geleden schade.

De rechtbank is van oordeel dat de betrokkenheid van verdachte bij de heling van de auto’s waar de vorderingen van de benadeelde partijen op zien, niet kan worden vastgesteld.

Nu niet is gebleken dat het bewezen geachte feit, te weten deelname aan een criminele organisatie, de benadeelde partijen rechtstreeks schade heeft toegebracht, zijn de benadeelde partijen in de vorderingen niet-ontvankelijk.

De rechtbank zal de benadeelde partijen veroordelen in de kosten, tot op heden begroot op nihil.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63, 140, 416, 420ter en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

Verklaart het onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair: medeplegen van opzetheling;

Ten aanzien van feit 3: gewoontewitwassen;

Ten aanzien van feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van het beslag

Gelast de teruggave aan verdachte van:

4. 3.00 STK Boek

VW studie

808579

5. 2.00 STK Papier

-

808579

6. 1.00 STK Horloge

IWC imitatie

758202

7. 1.00 STK Horloge

imitatie

758200

8. 1.00 STK Horloge KL: zwart

imitatie

758182

9. 1.00 STK Horloge KL: zwart

imitatie

758189

10. 1.00 STK Horloge

Rolex

758180

11. 1.00 STK Horloge

Rolex

758157

12. 4.00 STK Paper

-

763504.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] [benadeelde 3], [benadeelde 4], [benadeelde 4] en [benadeelde 6] allen niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vorderingen kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten, tot op heden begroot op nihil.

Ten aanzien van de voorlopige hechtenis

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Perrick, voorzitter,

mrs. A.M. Verhoef en J.G. van Ommeren, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Elk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2015.

Mrs. Perrick en Van Ommeren zijn buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 8 november 2012

te Amersfoort en/of Nieuwegein, althans in Nederland en/of Duitsland en/of

België, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk

had het plegen van misdrijven, namelijk

- diefstal (in vereniging/door middel van braak) in de zin van artikel 311 4e

en/of 5e lid van het Wetboek van Strafrecht en/of

- ( gewoonte)heling in de zin van artikel 416 en/of 417 van het Wetboek van

Strafrecht en/of

- ( gewoonte)witwassen in de zin van artikel 420 bis/ter van het Wetboek van

Strafrecht;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 8 november 2012 te De Meern en/of Zeist, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (grote)

hoeveelheid auto's te weten :

- een personenauto (merk Porsche, type Cayenne, [kenteken])(weggenomen

tussen 25 en 26 december 2011 te De Meern) en/of

- een personenauto (merk VW, type Polo, kenteken [kenteken])(weggenomen op 15

januari 2012 te De Meern) en/of

- een personenauto (merk VW, type Caddy, kenteken [kenteken])(weggenomen tussen

25 en 26 oktober 2011 te Zeist),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 8 november 2012 te De Meern, Zeist, Amersfoort en/of Nieuwegein,

althans in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een (grote)

hoeveelheid auto's te weten :

- een personenauto (merk Porsche, type Cayenne, [kenteken])(weggenomen

tussen 25 en 26 december 2011 te De Meern) en/of

- een personenauto (merk VW, type Polo, kenteken [kenteken])(weggenomen op 15

januari 2012 te De Meern) en/of

- een personenauto (merk VW, type Caddy, kenteken [kenteken])(weggenomen tussen

25 en 26 oktober 2011 te Zeist),

heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben

overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die auto(s) wist/wisten dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks 1 januari 2010 tot en met 8 november 2012, te Amersfoort,

Nieuwegein, en/of Culemborg, althans in Nederland en/of Duitsland en/of

België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van

het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, immers

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) (een)

voorwerp(en), te weten (telkens) één of meer geldbedrag(en) (tot een totaalbedrag van 107.322 euro), verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans

van een voorwerp, te weten die auto(s) en/of auto-onderdelen en/of dat/die

geldbedrag(en), gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens)

wist/wisten dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

(zie het zaaksdossier witwassen d.d. 6 maart 2013 ten aanzien van verdachte)

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 6 november 2012 te Nieuwegein, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 4,5

kilo hennep, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in

elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende

hennep, en/of een plak hasjies, in elk geval een hoeveelheid van materiaal bevattende een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hennep en/of

hashish een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 19 november 2012 te Beesd, gemeente Geldermalsen, munitie

van categorie III, te weten vijftig (scherpe) patronen, type 9mm, voorhanden

heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1], mede namens The Wiendels Group, d.d. 26 oktober 2011, p. 2970.

3 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 oktober 2011, p. 2980.

4 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 oktober 2011, p. 2981.

5 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 oktober 2012, p. 2945.

6 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte J.H. [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 58 van het afzonderlijk aanvullend proces-verbaal met nummer 2012012596.AANV.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte J.H. [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 59 van het afzonderlijk aanvullend proces-verbaal met nummer 2012012596.AANV.

8 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 maart 2013, p. 9 van het dossier witwassen [verdachte].

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 maart 2013, p. 10 van het dossier witwassen [verdachte].

10 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 maart 2013, p. 11 van het dossier witwassen [verdachte].

11 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 maart 2013, p. 12 van het dossier witwassen [verdachte].

12 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 maart 2013, p. 13 van het dossier witwassen [verdachte].

13 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3462.

14 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3463.

15 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3464.

16 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3465.

17 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3476.

18 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3468.

19 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 januari 2013, p. 3475.

20 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], d.d. 2 oktober 2012, p. 2551.

21 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], d.d. 2 oktober 2012, p. 2552.

22 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2], d.d. 2 oktober 2012, p. 2553.

23 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 november 2012, p. 3518.

24 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 17 februari 2015.

25 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2009.

26 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2010.

27 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2011.

28 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2012.

29 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2018.

30 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2019.

31 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2028.

32 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [D], d.d. 28 augustus 2012, p. 2031.

33 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 25.

34 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 26.

35 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 27.

36 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 28.

37 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 29.

38 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 31.

39 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 35.

40 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1], d.d. 11 april 2013, p. 42.

41 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 november 2012, p. 2387.

42 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 november 2012, p. 2388.

43 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 10 november 2012, p. 3139.

44 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 november 2012, p. 3141.

45 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 november 2012, p. 3142.

46 Een schriftelijk bescheid, te weten een proces-verbaal van verhoor van verdachte [F], d.d. 6 november 2012, p. 2563.