Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:2005

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2015
Datum publicatie
31-03-2015
Zaaknummer
16-659760-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van corrumperen minderjarige door tonen geslachtsdeel. Veroodeling wegens schennis van de eerbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/659760-13 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 25 maart 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [postcode] te [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2015.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: Op 19 mei 2013 in de trein zijn geslachtsdeel heeft getoond en betast tegenover de minderjarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]).

Subsidiair: Op 19 mei 2013 met ontbloot geslachtsdeel in de trein heeft gezeten.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2

Het oordeel van de rechtbank

4.2.1

De vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij –kort gezegd- zijn geslachtsdelen heeft getoond en betast in het bijzijn van [slachtoffer], terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij nog geen 16 jaar oud was, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een bewezenverklaring van dit feit moet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar oud was. De wetgever heeft het leeftijdsvereiste niet willen objectiveren. Verdachte heeft op 20 mei 2013 bij de politie verklaard dat hij dacht dat ze (de rechtbank begrijpt [slachtoffer]) 18 of 20 jaar was en dat zijn handelen heel kwetsend is voor een jong persoon. Verder volgt uit het dossier niet hoe deze [slachtoffer] eruit zag en dus of zij er mogelijk ouder uitzag dan haar kalenderleeftijd.

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar oud was. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het primair aan hem ten laste gelegde.

4.2.2

Het bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte heeft dit feit bij de politie bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten1:

- De verklaring van verdachte d.d. 20 mei 2013;2

- Het informatief gesprek met [slachtoffer] d.d. 23 mei 2013;3

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 19 mei 2013 in Nederland, zich opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de trein van Zwolle naar Amersfoort, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van twee weken.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een geldboete en daarnaast een voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openbare schennis van de eerbaarheid. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voor (minderjarige) getuigen een traumatische ervaring kan zijn wanneer zij volkomen onverwacht met een dergelijk handelen worden geconfronteerd. Dat blijkt ook uit de verklaring van de minderjarige [slachtoffer] in deze zaak. Daarnaast wordt dergelijk gedrag in het algemeen als onfatsoenlijk en aanstootgevend beschouwd. Gelet op het strafblad van verdachte kan worden aangenomen dat verdachte hiervan op de hoogte is. Hij is immers meerdere malen, weliswaar langere tijd geleden, veroordeeld wegens -kort gezegd- schennis van de eerbaarheid.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 26 januari 2015. Zoals reeds aangegeven volgt hieruit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd. Hieruit volgt dat verdachte vaker zijn geslachtdelen in publieke ruimten toont. Naar eigen zeggen doet hij dat in de trein, op het strand of in een café. Verdachte omschrijft zichzelf als een grens-zoeker op dit vlak. Omdat verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, beschikt de rechtbank niet over andere informatie over de persoon van verdachte waarmee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat.

Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het primair aan hem ten laste gelegde, zal de rechtbank een andere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is naast een onvoorwaardelijke geldboete.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 239 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

- Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid

- Het bewezen verklaarde levert op:

Schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

- Verklaart het bewezene strafbaar.

- Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) week.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

- Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

- De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mrs. N.E.M. Kranenbroek en M.P. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 maart 2015.

Mr. M.P. Glerum is niet in de gelegenheid die vonnis mede te ondertekenen.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Primair

hij op of omstreeks 19 mei 2013, te Harderwijk, althans in de trein van Zwolle

naar Amersfoort, althans in Nederland,

[slachtoffer], geboren [1999], van wie verdachte wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat zij de leeftijd van zestien jaren nog niet

had bereikt, met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen om getuige te zijn van

seksuele handelingen,

immers heeft hij verdachte

terwijl hij schuin tegenover, althans binnen het gezichtsveld van die [slachtoffer]

zat,

- zijn geslachtsdelen uit zijn broek gehaald en/of

- zichzelf afgetrokken, althans zijn (blote) geslachtsdelen betast;

art 248d Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 mei 2013 te Harderwijk, althans in Nederland, zich

opzettelijk oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd,

te weten in de trein van Zwolle naar Amersfoort, met ontbloot geslachtsdeel

heeft bevonden;

art 239 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344.1.5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 20 mei 2013 met nummer [nummer].

3 Het proces-verbaal informatief gesprek zeden, opgemaakt d.d. 29 mei 2014, met nummer [nummer].