Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1687

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2015
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
16/700168-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt een voormalig penningmeester van de Utrechtse daklozenkrant Straatnieuws tot een werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. De man heeft van 10 augustus 2012 tot oktober 2013 tenminste €26.241,06 verduisterd.

Contant geld

Krantverkopers van het Straatnieuws kopen bij het afgiftepunt hun kranten en betalen deze kranten direct contant. Het geld wordt in een kluis gedaan. Verdachte beschikte als enige bestuurslid over een sleutel van de kluis en was verantwoordelijk voor het afstorten van het contante geld bij de bank.

Overboeking naar rekening Straatnieuws

De verdachte stortte het geld regelmatig op zijn eigen rekening. Volgens de rechtbank kan niet worden gesproken van verduistering wanneer de verdachte het geld vrijwel meteen of korte tijd later overboekte naar de bankrekening van Straatnieuws. Dit leidt ertoe dat de rechtbank tot een lager verduisterd bedrag komt dan de officier van justitie. De officier van justitie merkte alle contante stortingen van geld van Straatnieuws op de bankrekening van verdachte aan als verduisterde bedragen.

Verduistering

Wél is sprake van verduistering als de verdachte het geld niet direct heeft overgeboekt naar de rekening van de stichting. Deze conclusie wordt ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij, als hij in geldnood verkeerde, geld van de stichting gebruikte om eigen rekeningen te betalen en dat hij dit geld pas (gedeeltelijk) terugbetaalde als zijn financiële positie dat toeliet. Het exacte bedrag dat de verdachte verduisterde is op basis van het dossier niet te achterhalen. De rechtbank stelt daarom vast dat de man een bedrag van tenminste €26.241,06 heeft verduisterd.

Misbruik positie

De rechtbank neemt het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij geld heeft verduisterd van een stichting die zich inzet om daklozen, een kwetsbare groep in de samenleving, een bron van inkomsten te bieden. Hij heeft zijn positie als penningmeester misbruikt, het vertrouwen dat de stichting en de verkopers van het Straatnieuws in hem hadden ernstig geschaad en de stichting financieel gedupeerd.

Strafmaat

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de verdachte al een groot deel van het verduisterde bedrag aan Straatnieuws heeft terugbetaald en dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook houdt de rechtbank rekening met de aanzienlijke en steeds terugkerende negatieve media-aandacht. De rechtbank komt tot een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie werd geëist, omdat de rechtbank tot een lager verduisterd bedrag komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/700168-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 17 maart 2015.

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

woonachtig aan de [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 juli 2012 tot en met 1 oktober 2013 te Utrecht opzettelijk geldbedragen die hij uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als penningmeester van Stichting Straatnieuws onder zich had, heeft verduisterd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de ten laste gelegde periode dient te worden beperkt tot de periode van 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2013. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat in de periode van 1 juli 2012 tot 6 augustus 2012 de bankpas van de rekening van de Stichting Straatnieuws nog niet was geactiveerd, waardoor verdachte nog geen geld op de rekening van de stichting kon storten. Vanaf 10 augustus 2012 heeft verdachte, aldus de officier van justitie, een bedrag van € 67.658,85 dan wel een bedrag van € 59.648,58 van de stichting aan zichzelf ter beschikking gesteld om dit naar eigen goeddunken te besteden. Door dit geld bij de stichting weg te halen en zichzelf daarover de volledige vrije beschikking te geven, heeft verdachte zich deze gelden wederrechtelijk toegeëigend. Dat verdachte inmiddels een deel van het verduisterde bedrag heeft terugbetaald doet daaraan, aldus de officier van justitie, niet af. Door het storten op zijn eigen rekening, door geld over te boeken naar zijn eigen rekening en door met de pas van de stichting privé te pinnen heeft verdachte zich heer en meester gemaakt van die gelden en is de wederrechtelijke toe-eigening voltooid.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft allereerst vrijspraak bepleit van het onderdeel op de tenlastelegging dat verdachte het verduisterde goed onder zich zou hebben gehad uit hoofde van een dienstbetrekking. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat verdachte bestuurslid was van de Stichting Straatnieuws in de functie van penningmeester en dat er geen sprake was van een dienstbetrekking. Ten aanzien van het resterende deel van de tenlastelegging heeft de verdediging primair gesteld dat verdachte in algemene zin bekent dat hij geld van de stichting heeft gebruikt voor privédoeleinden, maar dat de hoogte van het door verdachte verduisterde bedrag, op basis van de zich in het dossier bevindende gegevens, niet kan worden vastgesteld. De verdediging heeft er daarbij op gewezen dat op de vordering van de officier van justitie door de bank niet de originele rekeningafschriften van verdachte zijn overgelegd. In het dossier bevinden zich alleen gegevens van de rekeningnummers van verdachte die in de Excel-bestanden zijn opgenomen. Gelet hierop kan, aldus de verdediging, de authenticiteit van deze gegevens niet worden vastgesteld en kunnen deze gegevens niet worden gebruikt voor het bewijs. Dit betekent dat op grond van de in het dossier aanwezige stukken slechts bewezen kan worden verklaard dat sprake is van verduistering van enig geldbedrag. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat op grond van de Excel-bestanden kan worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van € 70.400,75 heeft gestort op zijn eigen rekeningen, maar dat hij ook een bedrag van € 41.283,70 van zijn rekeningen heeft doorgestort naar de rekening van de stichting. Van die door verdachte naar de rekening van de stichting doorgestorte bedragen kan niet worden gezegd dat hij zich die gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van het verschil tussen de op de rekeningen van verdachte gestorte bedragen en de door hem naar de rekening van de SSU doorgestorte bedragen van € 29.117,05 dienen de door verdachte op de locatie Zevenwouden gestorte bedragen (totaal € 8.010,--) te worden afgetrokken, nu de op die locatie gestorte contante bedragen geen geld van de stichting was, maar privé-inkomsten van verdachte uit lopende theatervoorstellingen. Dit betekent, aldus de verdediging, dat het door verdachte verduisterde bedrag hooguit kan worden vastgesteld op een bedrag van € 21.107,05. Dit bedrag heeft verdachte inmiddels in zijn geheel terugbetaald aan de Stichting.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs1

Sinds 1 juli 2012 was verdachte penningmeester van de Stichting Straatnieuws te Utrecht (hierna: de SSU).2 De SSU is de uitgever van de Utrechtse daklozenkrant. De werkwijze van de SSU is als volgt. Krantverkopers van het Straatnieuws kopen bij het afgiftepunt hun kranten in en betalen deze kranten direct contant. Het geld dat de verkopers bij het afgiftepunt afgeven, wordt ingeboekt en in een kluis gedaan. Verdachte beschikte als enige bestuurslid van de SSU over een sleutel van deze kluis en was in zijn hoedanigheid van penningmeester verantwoordelijk voor het uitnemen van het gestorte geld uit de kluis en het afstorten van dat geld bij de bank.3 Hiertoe beschikte verdachte over een bankpasje van de bankrekening van de SSU. Dit bankpasje is op 6 augustus 2012 geactiveerd.4

Op 15 januari 2014 heeft [naam], voorzitter van de SSU, aangifte gedaan tegen verdachte van verduistering van gelden van de SSU in zijn functie van penningmeester. In de aangifte is vermeld dat [naam] er in september 2013 achter kwam dat verdachte geld had verduisterd van de SSU.5 Verdachte heeft met ingang van 1 oktober 2013 zijn functie van penningmeester bij de SSU neergelegd.6

Verdachte heeft verklaard dat hij gelden van de SSU, die hij diende af te storten op de bankrekening van de SSU, (deels) op zijn eigen bankrekening heeft gestort, dat hij deze gelden niet allemaal heeft overgemaakt naar de bankrekening van de SSU en dat hij de niet doorgestorte bedragen voor eigen gebruik heeft aangewend.7 Ook heeft hij verklaard dat hij twee keer voor privé gebruik geld heeft gepind met de bankpas van de SSU, één keer op het vliegveld van Schiphol en één keer op een vliegveld in Griekenland.8 Dit betreft gezien de bankafschriften van de SSU een bedrag van in totaal € 120,--.9

In het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte zijn ter vaststelling van de hoogte van het verduisterde bedrag de gegevens van de bankrekeningen van de SSU en van verdachte over de periode van 1 juli 2012 tot en met 1 oktober 2013 strafrechtelijk gevorderd.

Aan de hand van deze gegevens zijn in opdracht van het Openbaar Ministerie overzichten gemaakt van de door verdachte op zijn eigen bankrekeningen contant gestorte bedragen en de door verdachte van zijn bankrekeningen naar de bankrekening van de SSU overgeboekte bedragen.

Hieruit komt naar voren dat verdachte:

- in de periode van 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2013 bedragen van totaal € 60.173,85 heeft gestort op zijn bankrekeningen (met uitzondering van het afstortpunt Zevenwouden te Utrecht, zie hieronder onder de bewijsoverwegingen);10

- in de periode van 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2013 van zijn bankrekeningen bedragen van totaal € 37.952,76 heeft overgemaakt op de bankrekening van de SSU.11

Daarnaast heeft de rechtbank aan de hand van de zich in het dossier bevindende gegevens vastgesteld dat verdachte op 19 juni 2013 nog een bedrag van € 3.500,-- van de bankrekening van de SSU heeft overgemaakt naar zijn bankrekening.12 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij ook dit bedrag van € 3.500,-- voor eigen gebruik heeft aangewend.13

Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat op 5 september 2013 nog een bedrag van € 400,-- is overgeschreven van de bankrekening van de SSU naar de bankrekening van verdachte.14

Bewijsoverwegingen

Verduistering

Gelet op de bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte, stelt de rechtbank vast dat verdachte in de periode van 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2013 gelden van de SSU heeft verduisterd. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de periode van 13 juli 2012 tot 10 augustus 2012 niet kan worden geoordeeld dat sprake was van verduistering. Verdachte beschikte gedurende die periode nog niet over een geactiveerde bankpas van de rekening van de SSU, en kon toen het contant door de Straatnieuwsverkopers in de kluis gestorte geld niet op de rekening van de SSU storten. Hij moest dit geld eerst op een andere bankrekening storten, voordat hij het kon overmaken naar de bankrekening van de SSU. Wat betreft deze periode kan dan ook niet geoordeeld worden dat verdachte het opzet had zich de op zijn rekening gestorte gelden van de SSU wederrechtelijk toe te eigenen.

De hoogte van het verduisterde bedrag

De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanknopingspunt ziet voor het oordeel dat zoals door de verdediging gesteld de zich in het dossier bevindende Excel-bestanden van de bankrekeningnummers van verdachte niet van de bank van verdachte afkomstig zijn. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de officier van justitie ter terechtzitting dat dit de gegevens zijn zoals deze door de bank zijn aangeleverd. Er zijn door de verdediging ook geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou kunnen blijken dat deze gegevens niet door de bank zijn aangeleverd, noch is elders uit gebleken dat deze gegevens niet de authentieke gegevens van de bankrekening van verdachte zouden zijn. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat alle door verdachte gedane overboekingen naar de rekening van de SSU, die op de Excel-bestanden voorkomen, ook zijn terug te vinden op de zich in het dossier bevindende bankrekeningafschriften van de SSU. Het verweer van de verdediging dat deze Excel-bestanden niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, wordt dan ook verworpen.

Dit betekent dat de rechtbank deze Excel-sheets zal gebruiken bij de beoordeling van de hoogte van het verduisterde bedrag.

Betreffende de hoogte van dit bedrag stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ten aanzien van alle door verdachte contant op zijn rekening gestorte bedragen sprake is van verduistering, nu deze gestorte bedragen gelden van de SSU zijn en verdachte als heer en meester over deze gelden heeft beschikt.

De verdediging heeft gesteld dat ten aanzien van de bedragen die verdachte vanaf zijn rekening heeft doorgestort naar de rekening van de SSU geen sprake is van verduistering.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gesproken van verduistering in de gevallen waarin verdachte een geldbedrag van de SSU contant op zijn bankrekening stortte en dit bedrag geheel of gedeeltelijk vrijwel meteen of korte tijd later overboekte naar de bankrekening van de SSU. Ten aanzien van die overgeboekte bedragen kan immers niet worden gezegd dat verdachte het opzet had die bedragen voor zichzelf te gebruiken en zich die bedragen dus opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend, bijvoorbeeld in die zin dat hij die bedragen eerst ten eigen nutte heeft aangewend/uitgegeven en pas daarna heeft terugbetaald.

Uit de bankafschriften en overzichten van de bankrekeningen van de SSU en van verdachte blijkt dat in ieder geval een aantal afstortingen en overboekingen onder deze categorie vallen.

Wél is sprake van verduistering ten aanzien van die bedragen die verdachte niet vrijwel meteen of korte tijd later heeft overgeboekt naar de rekening van de SSU. Met betrekking tot die bedragen geldt immers dat verdachte hierover als heer en meester heeft beschikt en hij zich die bedragen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Deze conclusie wordt ondersteund door de verklaring van verdachte ter zitting, inhoudende dat hij, als hij in geldnood verkeerde, gelden van de SSU aanwendde om eigen schulden/rekeningen te betalen en dat hij deze gelden pas (gedeeltelijk) terugbetaalde als zijn financiële positie daarvoor ruimte bood.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank een lager bedrag verduisterd acht dan de officier van justitie. De officier van justitie merkt immers alle contante stortingen van gelden van de SSU op de bankrekening van verdachte aan als verduisterde bedragen, terwijl de rechtbank uitsluitend de bedragen die niet (vrijwel) direct zijn overgeboekt, als zodanig aanmerkt.

Op basis van de in het dossier aanwezige stukken is het exacte bedrag dat verdachte heeft verduisterd niet vast te stellen, nu niet voor elke individuele contante storting op de rekening van verdachte kan worden beoordeeld of verdachte de opzet had om dit bedrag voor zichzelf te gebruiken. Verdachte heeft sommige contant op zijn rekening gestorte bedragen direct of korte tijd later geheel overgeboekt naar de rekening van de SSU, maar andere contante stortingen heeft verdachte slechts deels direct of korte tijd later overgeboekt naar de rekening van de SSU. Daarbij komt dat de overboekingen van verdachte naar de rekening van de SSU niet zijn voorzien van een datum kluisopname of een datum van storting op eigen rekening, noch van enig ander kenmerk, zodat niet steeds per overboeking kan worden vastgesteld of sprake is van een overboeking van een kort daarvoor afgestort contant bedrag of een “terugbetaling” van een op een eerder moment verduisterd geldbedrag.

Wat wel kan worden vastgesteld is de hoogte van het verschil tussen de door verdachte contant op zijn bankrekening gestorte bedragen en de bedragen die hij had overgemaakt naar de rekening van de SSU ten tijde van het (strafrechtelijk) onderzoek naar de bankrekeningen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit het bedrag dat verdachte tenminste heeft verduisterd.

De rechtbank berekent de hoogte van dit bedrag als volgt.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte bedragen van de SSU van totaal € 60.173,85 contant op zijn rekening heeft gestort, dat hij een bedrag van € 120,-- heeft gepind voor privé-uitgaven en dat hij bedragen van € 3.500,-- en € 400,-- heeft overgeschreven van de bankrekening van de SSU naar zijn eigen bankrekening. Dit is een bedrag van in totaal € 64.193,85. De rechtbank verwerpt ten aanzien van het bedrag van € 400,-- de stelling van verdachte dat hij van dit geld goederen voor de SSU heeft gekocht, nu dit niet aannemelijk is geworden. De rechtbank wijst er hierbij op dat uit de bankafschriften van de rekening van de SSU volgt dat verdachte andere aankopen ten behoeve van de SSU met bankpas van SSU heeft gepind en dus niet op de door verdachte genoemde wijze ten aanzien van het bedrag van € 400,00.

Ten aanzien van de door verdachte op het afstortpunt Zevenwouden te Utrecht gestorte contante bedragen merkt de rechtbank op dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld of dit gelden zijn die afkomstig zijn van de SSU, of inkomsten betreffen die verdachte op een andere wijze heeft verworven. Door verdachte is gemotiveerd gesteld dat de gelden die hij na 13 juli 2012 op dit afstortpunt Zevenwouden contant heeft gestort, voorvloeien uit contante opbrengsten van zijn theatervoorstellingen. Mogelijk is aan de hand van de boekhouding van de SSU vast te stellen of deze bedragen toch van de SSU afkomstig zijn. Deze boekhouding is echter niet toegevoegd aan het dossier. De rechtbank volgt verdachte dan ook in zijn stelling dat dit stortingen zijn van privégelden.

Ook volgt uit voornoemde bewijsmiddelen dat verdachte een bedrag van € 37.952,76 heeft overgemaakt van zijn bankrekeningen naar de bankrekening van de SSU.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte een bedrag van tenminste

€ 64.193,85- € 37.952,76 = € 26.241,06 heeft verduisterd.

Persoonlijke dienstbetrekking?

Met de verdediging acht de rechtbank, nu verdachte zijn werkzaamheden als vrijwilliger verrichtte en niet (als werknemer) in dienst was van de vereniging, niet bewezen dat er bij het penningmeesterschap van de verdachte sprake was van een persoonlijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op tijdstippen in de periode van 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2013 te Utrecht opzettelijk een grote hoeveelheid geld geheel toebehorende aan de Stichting Straatnieuws Utrecht, welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Verduistering

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht als door de reclassering geadviseerd. De officier van justitie heeft bij haar eis in strafverminderende zin rekening gehouden met de vergaande en soms te vergaande media-aandacht in deze zaak, met de omstandigheid dat verdachte inmiddels een groot deel van het verduisterde bedrag heeft terugbetaald en met de omstandigheid dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht de rechtbank tot een bewezen verklaring komen, primair bepleit om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. De bestraffing van verdachte heeft volgens de verdediging, gelet op de indringende en grensoverschrijdende media-aandacht, al plaatsgevonden. Verdachte is in de media neergezet als “roofraadslid” en is zelfs tot in zijn achtertuin door de media met draaiende camera achtervolgd. Door de voortdurende negatieve berichtgeving is verdachte zijn werk als acteur kwijtgeraakt en lukt het hem niet ander werk te vinden. Ook heeft verdachte vanwege de media-aandacht zijn woning tijdelijk moeten verlaten. Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte het verduisterde bedrag inmiddels heeft terugbetaald en hij volledig heeft meegewerkt aan het door de officier van justitie ingestelde onderzoek. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om te volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, met eventueel daaraan te koppelen voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van verduistering. Als penningmeester van de SSU heeft verdachte een groot geldbedrag van tenminste

€ 26.241,06, dat de SSU en de verkopers van het Straatnieuws aan hem hadden toevertrouwd, verduisterd. De rechtbank acht het bijzonder kwalijk dat verdachte geld heeft verduisterd van een stichting die zich inzet om daklozen, een kwetsbare groep in de samenleving, een bron van inkomsten te bieden. Hij heeft zijn positie als penningmeester misbruikt, het vertrouwen dat de SSU en de verkopers van het Straatnieuws in hem hadden ernstig geschaad en de stichting financieel gedupeerd. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 september 2014 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld;

- het rapport van Reclassering Nederland van 22 oktober 2014, opgesteld door

F. van der Groep, reclasseringswerker. Hierin wordt ter beperking van het recidiverisico geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting bij de forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke instelling.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat bij de bepaling van de straf rekening dient te worden gehouden met de media-aandacht die de zaak tegen verdachte heeft gehad en de schade die hij daarvan heeft ondervonden. De officier van justitie heeft met de gevolgen voor verdachte van deze media-aandacht in het voordeel van verdachte rekening gehouden in haar strafeis.

De rechtbank stelt voorop dat de verantwoordelijkheid van de media in beginsel niet ter toetsing staat van de strafrechter. Wel kan media-aandacht een factor zijn bij de beoordeling van de strafmaat. De media moeten, zo blijkt uit een beslissing van het EHRM (NJ 1999, 710, R.O. 50) bij berichtgeving over een strafzaak rekening houden met het recht op een eerlijk proces op grond van artikel 6 EVRM. Hun commentaar mag de kansen op een eerlijk proces niet schaden noch het vertrouwen ondermijnen van het publiek in de rol van de rechterlijke macht bij de strafrechtstoedeling.

Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen aanvaardbaar dat strafzaken, gelet op hun aard en inhoud, een zekere vorm van media-aandacht met zich brengen, met name ook in het geval van verdachte, die ten tijde van zijn penningmeesterschap bij SSU ook de publieke functie van gemeenteraadslid in Utrecht vervulde. Onbetwist is dat verdachte onderwerp is geweest van aanzienlijke en steeds terugkerende (negatieve) media-aandacht, ook op voor verdachte onverwachte (privé)momenten. Vast staat voor de rechtbank dat deze aanhoudende aandacht voor verdachte zeer belastend is geweest en gevolgen kan hebben voor zijn verdere leven. In onderhavige zaak is gebleken dat verdachte in de media op zodanige wijze is neergezet, dat hij daardoor in zijn persoon lijkt te zijn geschaad. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de op te leggen straf.

Daarnaast zal de rechtbank er bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte rekening mee houden dat verdachte reeds een groot deel van het verduisterde bedrag, te weten een bedrag van € 21.107,05, heeft terugbetaald

Gelet op al het voorgaande, overweegt de rechtbank ten aanzien van de op te leggen straf als volgt. In beginsel is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het strafbare feit waaraan verdachte schuldig wordt bevonden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Gelet evenwel op de media-aandacht in deze zaak, het reeds door verdachte terugbetaalde bedrag en de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een werkstraf van de maximale duur van 240 uur alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met toezicht zoals door de reclassering geadviseerd. Dit is een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd, nu de rechtbank niet de gehele door de officier van justitie ten laste gelegde verduisterde bedragen bewezen acht.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De SSU vordert als benadeelde partij van verdachte een bedrag van € 31.727,00. Deze som is opgebouwd uit het verschil tussen de bedragen die volgens de SSU door verdachte zijn verduisterd en de bedragen die verdachte inmiddels heeft terugbetaald – totaal verschil € 22.652,00- en de kosten die de Stichting heeft moeten maken voor de inschakeling van een forensisch accountant, te weten € 9.075,00.

De officier van justitie en de verdediging hebben zich op het standpunt gesteld dat de SSU in haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard. Kort gezegd is de officier van justitie van mening dat beoordeling van de vordering gelet op de onduidelijkheid over de hoogte van het door verdachte toegeëigende bedragen en gelet op de omstandigheid dat wellicht ook gesproken kan worden van eigen schuld aan de zijde van de SSU een te grote belasting voor het strafproces oplevert. Ook de verdediging is van mening dat de vordering niet van zodanig eenvoudige aard is dat het strafproces zich leent voor behandeling ervan.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vordering van de SSU het volgende. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de SSU en verdachte op 7 oktober 2013 een convenant hebben gesloten. In dat convenant hebben partijen afgesproken dat verdachte het tekort dat bij de SSU door zijn handelen is ontstaan zal terugbetalen. Verder hebben partijen in dat convenant geregeld dat de hoogte van dat tekort zal worden vastgesteld door een onafhankelijke financieel deskundige en dat eventuele onduidelijkheden ten laste van verdachte komen. Vervolgens heeft de SSU het bureau Integis opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de aard en de omvang van mogelijke onregelmatigheden ter zake (uitgaande) geldstromen bij de SSU in samenhang met (de inhoud van) de in dit kader gesloten overeenkomst van 7 oktober 2013 (zie pagina 7 van het rapport van Integis). Integis heeft vervolgens op 19 december 2013 een rapport uitgebracht. Op pagina 3 van dat rapport worden de bedragen vermeld die volgens Integis (mogelijk) door verdachte aan de SSU zijn verschuldigd.

Ter zitting is desgevraagd gebleken dat partijen zich nog gebonden voelen aan de in het convenant gemaakte afspraken. Nergens blijkt overigens ook uit dat het convenant is ontbonden, opgezegd, vernietigd of op een andere wijze haar gelding tussen partijen heeft verloren.

Uit de toelichting op de vordering ter terechtzitting is gebleken dat de SSU de hoogte van haar vordering van € 22.652,00 (het verschil) niet (meer) baseert op het rapport van Integis, maar op haar jaarverslag van 2013, dat door de nieuwe accountant van de SSU is opgesteld. In dat jaarverslag is volgens de SSU rekening gehouden met het verschil tussen het totaal van de kasstaten van de SSU en de door verdachte op zijn privé rekening gestorte bedragen. Dit is een andere berekeningswijze van de geleden schade dan het openbaar ministerie als uitgangspunt heeft genomen om de strafrechtelijke gedraging van verdachte vast te stellen, aldus de SSU.

Uit de hiervoor omschreven omstandigheden kan allereerst worden geconcludeerd dat de Stichting haar schade begroot aan de hand van stukken, waaronder een boekhouding, die geen deel uitmaken van het strafrechtelijk dossier. Of de berekening van de SSU volledig/juist is, kan mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de verdediging op dit punt niet uitsluitend op basis van de door de SSU opgestelde jaarrekening worden vastgesteld. Daar is nader onderzoek voor nodig, zoals ook door de officier van justitie en de verdediging is gesteld. Daar komt bij dat de SSU haar schade mogelijk begroot op grond van een ander stuk (het jaarverslag) dan waarover in het tussen partijen gesloten convenant wordt gesproken (de vaststelling van de schade door een onafhankelijk financieel deskundige, het rapport van Integis). Wat partijen in het convenant precies hebben bedoeld af te spreken over de wijze van de begroting van de schade en welk rapport/onderzoek daarbij als uitgangspunt moet dienen, is een civielrechtelijke vraag en ook voor de beantwoording daarvan is nader onderzoek nodig. Ditzelfde geldt voor de vraag of verdachte de door de SSU gemaakte kosten van € 9.075,00 voor de inschakeling van Integis op grond van het convenant wel of niet verschuldigd is, en zo nee, of een andere civielrechtelijke grondslag maakt dat verdachte bedoelde kosten aan de SSU dient te vergoeden. Deze nader te onderzoeken onderdelen/grondslagen van de vordering van de SSU levert een onevenredige belasting van het strafgeding op en daarvoor is in deze strafprocedure geen ruimte.

Dit alles brengt overigens niet mee dat de SSU in haar gehele vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Uit de door de rechtbank gemaakte berekening van het verschil tussen de bedragen die verdachte in ieder geval ten eigen nutte heeft aangewend en de bedragen die hij heeft terugbetaald, volgt immers dat verdachte tenminste nog een bedrag van € 5.134,01 (€ 26.241,06 - € 21.107,05 (het reeds door verdachte aan de SSU terugbetaalde bedrag)) aan de SSU is verschuldigd. Het ontstaan van deze schuld is een rechtstreeks gevolg van het strafrechtelijk handelen van verdachte. Daarom zal dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2013 tot en met de dag der algehele voldoening, worden toegewezen. In het restant van de vordering wordt de SSU niet ontvankelijk verklaard. Dit deel van de vordering kan de SSU bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verder zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f en 321 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:


Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

kwalificatie

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Verduistering

Strafoplegging

veroordeelt verdachte ter zake van het bewezen verklaarde tot
- een taakstraf, bestaande deze straf uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht en

- een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

De tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van de straf kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland ook als dat inhoudt een meldingsgebod en het volgen van een ambulante behandeling bij Forensische psychiatrie De Waag of een soortgelijke instelling;

draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij de SSU van € 5.134,01 ter zake van materiële schade en het totale bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de SSU € 5.134,01 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening bij niet betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mrs. A. van Maanen en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 maart 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 1 oktober 2013 te Utrecht, althans in Nederland,

opzettelijk 68.686,85 euro, althans, althans 67.686,85 euro, althans 59.648,85 euro, althans een (grote) hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat / die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Stichting Straatnieuws Utrecht, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van / als penningmeester, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar paginanummers betreft dit de paginanummers van het proces-verbaal van politie Regio Utrecht, met dossiernummer nr. PL0900-2014125168 doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 102.

2 Verklaring van verdachte, pagina 23

3 Het proces-verbaal van verhoor [A], boekhouder bij de SSU, pag. 12.

4 Het proces-verbaal relaas, pagina 74.

5 Het proces-verbaal van aangifte, pagina 9.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 23.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 32.

8 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 26.

9 Het geschrift, betreffende de bankafschriften van de SSU, gevoegd bij het dossier, ongenummerd.

10 Het geschrift, betreffende Excel-bestand waarop door verdachte gedane contante stortingen op zijn rekeningnummer zijn vermeld, pagina 65. De rechtbank heeft de bedragen die verdachte tot 10 augustus 2012 contant op zijn rekening heeft gestort op het totale bedrag in mindering gebracht.

11 Het geschrift, betreffende Excel-bestand waarop door verdachte gedane stortingen naar het bankrekeningnummer van de SSU zijn vermeld, pagina 66. De rechtbank heeft de overboeking naar het bankrekeningnummer van de SSU tot 10 augustus 2012 op het totale bedrag in mindering gebracht alsmede een bedrag van € 1.091,89 dat verdachte op 25 september 2013 in het kader van de terugbetalingsregeling aan de SSU heeft terugbetaald.

12 Het geschrift betreffende het Excel-bestand van bankrekeningnummer [rekeningnummer] van verdachte, ongenummerd.

13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 3 maart 2015

14 Het geschrift, betreffende de rekeningafschriften van de bankrekening van de SSU, ongenummerd.