Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1658

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
C-16-334409 - HA ZA 12-1343
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming koopovereenkomst? Verkrijgende of bevrijdende verjaring van eigendomsrecht of recht van erfpacht? Onrechtmatige daad?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/334409 / HA ZA 12-1343

Vonnis van 11 maart 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.M.C. Marius-van Eeghen te ‘s-Gravenhage,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAATSBOSBEHEER,

zetelend te Driebergen-Rijsenburg,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.F. Mesu-Abbekerk te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en Staatsbosbeheer genoemd worden.

1 De procedure

in conventie en in reconventie

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 april 2013;

  • -

    akte nadere producties van [eiser];

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    de brief van 27 september 2013 van mr. A.M.C. Marius-van Eeghen met producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 september 2013, voortgezet op 2 oktober 2013;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie tevens akte houdende wijziging en vermeerdering van eis in conventie met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie met een productie;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte tot rectificatie tevens akte houdende wijziging van eis;

  • -

    akte tot rectificatie van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Nederlandse Staat heeft in 1927 een gebied met Duingrond op Terschelling (Midsland aan Zee) ter grootte van 140 ha (hierna: de grond) in voortdurende erfpacht uitgegeven aan de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer, de N.V. Exploitatie Maatschappij Terschelling (hierna ook: de Exploitatie Maatschappij), voor het ‘stichten van een badplaats’. Vervolgens is het gehele gebied door de Exploitatie Maatschappij opgedeeld in verschillende percelen en is het recht van erfpacht met betrekking tot de verschillende kavels doorverkocht aan verschillende partijen.

2.2.

Omstreeks 1950 heeft de heer [A] (hierna: [A]) een deel van het recht van erfpacht gekocht van een drietal partijen, te weten van [B], [C] en de Exploitatie Maatschappij.

2.3.

Bij notariële akte van 11 juli 1956 heeft [D], de vader van [eiser] (hierna: [D]), het voortdurende recht van erfpacht met betrekking tot een perceel van de grond met een oppervlakte van 44.005 m2 voorheen kadastraal bekend als Terschelling perceel [nummer] (hierna: perceel A) gekocht en geleverd gekregen van de heer [A] (hierna: [A]). De koopprijs van ƒ 30.000,-- is door [D] aan [A] voldaan.

2.4.

Perceel A was ten tijde van de koop door [D] reeds als een vakantieoord in gebruik, genaamd “[naam]”. Op perceel A was ten tijde van de aankoop door [D] reeds het Paviljoen [naam] gesitueerd.

2.5.

Op of omstreeks 1959 heeft [D] het recht van erfpacht met betrekking tot een ander deel van de grond met een oppervlakte van 1,35 hectare, destijds kadastraal bekend als Terschelling perceel [nummer] (hierna: perceel B) gekocht van de Exploitatie Maatschappij (de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer). In dat kader heeft de Exploitatie Maatschappij [D] bij brief van 19 december 1959 onder meer het volgende geschreven:
“(…) Wij kwamen overeen, dat de afname van de voormelde ruim 13.000 m2 tegen een prijs van ƒ0,50 per m2 aldus zal geschieden, dat door u nog vóór het einde van dit jaar een bedrag van ƒ 1500,- in mindering zal worden betaald (…), terwijl het alsdan resterende bedrag, na opmeting van het terrein nog nauwkeurig te berekenen, door u zal worden betaald in drie gelijke jaarlijkse termijnen, en wel vervallende één derde ultimo 1961 en één derde ultimo 1962.
Het notariële transport zal plaats vinden tegelijk met de betaling van de laatste termijn, voor een door u aan te wijzen notaris, met conditie: kosten koper. (…)”.

De juridische levering van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B aan [D] heeft nooit plaatsgevonden.

2.6.

De Exploitatie Maatschappij is op 1 februari 1969 ontbonden met aanwijzing van een vereffenaar met de taak de vereffening te doen geschieden onder overdracht van alle activa en passiva aan de Nederlandse Staat als enig aandeelhouder. Bij notariële akte van 10 september 1969 zijn alle activa van de Exploitatie Maatschappij, waaronder het aan de Exploitatie Maatschappij toekomende voortdurende recht op erfpacht voor het gedeelte van het perceel [nummer] ter grootte van ongeveer 1.60.60 ha (perceel B), overgedragen aan de Nederlandse Staat met de vaststelling dat dit recht door de overdracht aan de Nederlandse Staat als gevolg van vermenging is teniet gegaan. In de akte is voorts te lezen:

“(…) 7. Terzake voormelde overdracht is nog bepaald en overeengekomen:

(…) c. de Staat verbindt zich de met betrekking tot de percelen, waarvan het recht van erfpacht is overgedragen, (…) ook de overige verplichtingen, waartoe de voormelde naamloze vennootschap zich met betrekking tot die percelen tegenover derden verbond, te zullen nakomen, zodat derden door het tenietgaan van het overgedragen erfpachtsrecht geen nadeel ondervinden.(…)”

Staatsbosbeheer is in 1998 verzelfstandigd.

2.7.

Omstreeks 1980 heeft [D] na verkregen instemming van Staatsbosbeheer op perceel B een chalet gebouwd, dat medio jaren ‘90 door brand is verwoest.

2.8.

Omstreeks de jaren 1980 heeft tussen [D], het Kadaster en (de rechtsvoorgangster van) Staatsbosbeheer correspondentie plaatsgevonden over de tenaamstelling in het Kadaster van perceel B.

2.9.

In een brief van 2 december 1992 heeft Staatsbosbeheer [eiser] ten aanzien van het perceel B onder meer het volgende geschreven:
“(…) Naar aanleiding van uw brief van 5 november j.l. heb ik op het kadaster te Leeuwarden laten onderzoeken op wiens naam het perceel Terschelling [nummer], groot 5.91.20 ha, staat.
Zoals u op bijgevoegd kadastraal uittreksel kunt zien heeft u van dit perceel 4.30.60 ha in erfpacht. Hiervoor betaalt u ook erfpachtscanon.
Het overige deel van het perceel, groot 1.60.60 ha. staat nog volledig op naam van het Staatsbosbeheer.

Volgens onze administratieve gegevens (teruglopend tot de vijftiger jaren) kunt u rechten doen gelden op ± 1,3 ha hiervan. Echter de notariële afhandeling hiervan hebt u nooit ter hand genomen. Indien u dit alsnog wilt opnemen met uw notaris dan kan vastlegging alsnog geschieden. (…)”.

2.10.

Bij notariële leveringsakte van 27 november 1995 heeft [eiser] het voortdurend recht van erfpacht van de perceel A alsmede het appartementenhotel met toebehoren van [D] gekocht voor een bedrag van ƒ 1.240.000,-- en heeft de levering daarvan aan hem plaatsgevonden.

2.11.

In de periode van 2004 tot 2007 heeft tussen [eiser] en de Openbare Registers correspondentie plaatsgevonden over aanwijzing van de grens tussen de percelen A en B.

2.12.

Bij brief van 9 maart 2009 heeft [eiser] Staatsbosbeheer het volgende geschreven, voor zover van belang:

“(…) Uw uitnodiging wordt echter in de weg gestaan door een storende aantekening bij het Kadaster. Hier wordt n.l. onterecht vermeld dat ik slechts een gedeelte van perceel Terschelling [nummer] in erfpacht heb, terwijl dit perceel in zijn geheel op mijn naam moet staan.

Ondanks dat Staatsbosbeheer zelf ook heeft geconstateerd dat deze aantekening onterecht is en dat zij alleen het bloot eigendom heeft laat zij deze situatie voortduren. (…)”.

2.13.

Vervolgens is er tussen [eiser] en Staatsbosbeheer gecorrespondeerd over de tenaamstelling van het perceel B.

2.14.

Op 30 maart 2011 heeft Staatsbosbeheer [eiser] ten aanzien van perceel B onder meer het volgende geschreven:
“(…) In reactie op uw brief bericht ik u over de ontwikkelingen rondom uw recht van erfpacht waarvan de oppervlakte ter discussie wordt gesteld wegens hiaten uit het verleden.

Wij willen graag deze juridische en kadastrale onduidelijke situatie voor u en ons voor de toekomst oplossen. Hiervoor hebben wij onderzoek laten doen naar de notariële akten die rond de totstandkoming van het perceel van toepassing zijn alsmede naar de toenmalige correspondentie uit de archieven.


Hieruit is gebleken dat de betreffende notariële akten niet toereikend zijn aangezien de afspraken nooit zijn geformaliseerd of ingeschreven bij het Kadaster. Dit is ook de reden waarom wij in het verleden hebben verondersteld dat een groot deel van het perceel in volledig eigendom aan Staatsbosbeheer toekomt. (…)”.

2.15.

Bij brief van 4 augustus 2011 heeft Staatsbosbeheer [eiser] onder meer het volgende geschreven:

“(…) Zoals aangegeven in mijn brief van 23 maart 2011 heb ik de erfpachtsituatie rondom perceel [nummer] op Terschelling juridische laten beoordelen. (…)

Een mogelijke rechtsvordering uit de onderhandse overeenkomst is verjaard. Vooralsnog wil ik daarom geen gevolg geven aan uw verzoek om het gehele kadastrale perceel kadastraal vast te laten leggen als in erfpacht bij u. Met deze uitkomst wil ik de deur naar volledige erfpacht van perceel [nummer] niet definitief dicht doen. (…)”.

2.16.

Bij brief van 13 augustus 2012 heeft [eiser] Staatsbosbeheer onder meer geschreven dat hij het door Staatsbosbeheer in haar hiervoor onder 2.9 weergegeven brief van

2 december 1992 gedane aanbod aanvaardt.

2.17.

Vervolgens heeft Staatsbosbeheer bij brief van 11 oktober 2012 [eiser] onder meer het volgende geschreven:
“(…) Zoals eerder aangegeven in mijn brief van 4 augustus 2011, als onderbouwd in de brief van 19 juli 2012, sta ik op het standpunt dat de onderhandse koop van het recht van erfpacht uit 1959 is verjaard. Vanaf het begin is bij u en/of uw vader bekend dat dit deel van het recht van erfpacht niet is gepasseerd bij de notaris. Desondanks heeft u nooit concrete stappen genomen om hier verandering in aan te brengen. De door u betaalde canon is gebaseerd op de 43.210 m2 die u in erfpacht heeft. Voor het overige deel van het perceel (15.910 m2) is ook geen erfpachtcanon betaald. Thans kan door de werking van de juridische verjaring geen passering van een transportakte meer worden afgedwongen. (…)

In uw brief van 13 augustus 2012 verwijst u naar het schrijven van Staatsbosbeheer des dato 2 december 1992. Ook van het voorstel in deze brief heeft u geen gebruik gemaakt waardoor dit aanbod eveneens is verjaard nadat de vordering opeisbaar is geworden. (…)”.

2.18.

Bij brief van 5 november 2012 heeft de raadsvrouwe van [eiser] namens hem Staatsbosbeheer onder meer gesommeerd om mee te werken aan de te naamstelling op naam van [eiser] van het perceel B.

3 De vordering en het verweer


in conventie

3.1.

[eiser] vordert – na wijziging van eis – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven:

I. te verklaren voor recht dat:
a) [eiser] rechthebbende is op het perceel B (1) primair als eigenaar en (2) subsidiair als erfpachter;
b) ) de huidige registratie bij het Openbare Registers voor zover het gaat om de perceel B onjuist is en gewijzigd behoort te worden, zodanig dat [eiser] wordt vermeld als zijnde de rechthebbende op primair de eigendom van het perceel B en subsidiair de erfpacht van perceel B;
c) [eiser] er recht op heeft dat het perceel B in de Openbare Registers op zijn naam wordt gesteld en dat Staatsbosbeheer daaraan haar volledige medewerking behoort te verlenen;
d) eventuele aanspraken van Staatsbosbeheer op revindicatie van het perceel B zijn verjaard;
e) dat de tussen partijen voor het perceel B genoemde terrein toe te passen erfpachtsvoorwaarden gelijk zullen zijn aan die als omschreven in de akte van 11 juli 1956;

II. Staatsbosbeheer te veroordelen tot:
a.1) het ten spoedigste, althans binnen 8 dagen na het door de rechtbank te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, verlenen van toestemming en volledige medewerking aan inschrijving van de tenaamstelling van het perceel B op naam van [eiser] in de Openbare Registers (1) primair: aan [eiser] als eigenaar en (2) subsidiair aan [eiser] als erfpachter;
a.2) het ten spoedigste, althans binnen 8 dagen na het door de rechtbank te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, verlenen van volledige medewerking aan een notariële akte tot levering van het perceel B op naam van [eiser] in de Openbare Registers (1) primair aan [eiser] als eigenaar en (2) subsidiair aan [eiser] als erfpachter;
b) het verlenen aan medewerking aan inschrijving in de Openbare Registers overeenkomstig artikel 3:17 lid 1 sub i en f BW en artikel 3:27 en 3:28 BW van primair de eigendom en subsidiair de erfpacht van het perceel B ten name van [eiser] alsmede aan de doorhaling van de huidige aantekening in de Openbare registers;
c) het afleggen van een verklaring tot waardeloosheid van de huidige inschrijving in de Openbare Registers als bedoeld in artikel 3:27 en 3:28 BW;
d) betaling aan [eiser] van een dwangsom van € 1.000,--, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor elke dag dat Staatsbosbeheer verzuimt te voldoen aan haar verplichtingen ingevolge het hiervoor gestelde onder II sub a.1) dan wel a.2), b) en c), te rekenen vanaf de 8ste dag na de betekening aan Staatsbosbeheer van het door de rechtbank in deze procedure te wijzen vonnis;
e) tot voldoening aan [eiser] van de door hem als gevolg van de handelwijze van Staatsbosbeheer, inhoudende weigering de bedoelde medewerking te geven, geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
f) de buitengerechtelijke kosten te stellen op 2 punten overeenkomstig het rapport Voorwerk II;

III. te bepalen dat in geval Staatsbosbeheer niet aan het door de rechtbank te wijzen vonnis binnen 8 dagen na betekening heeft voldaan, deze uitspraak overeenkomstig artikel 3:300 lid 1 en 2 BW in de plaats treedt van de toestemming van Staatsbosbeheer om het perceel B in de Openbare Registers op naam van [eiser] te stellen, primair als eigenaar en subsidiair als rechthebbende op de erfpacht en tevens dat de daarbij behorende formaliteiten tot effectuering daarvan in de Openbare Registers worden ingeschreven, alsmede

IV. Staatsbosbeheer te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de kosten van deze procedure en het nasalaris ten bedrage van € 131,-- in geval van niet-betekening van het vonnis en € 199,-- in geval van betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de volledige proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het onderhavige vonnis voldoening daarvan heeft plaatsgevonden.

3.2.

[eiser] stelt daartoe primair dat hij op grond van de destijds tussen [D] en (de rechtsvoorganger van) Staatsbosbeheer gesloten koopovereenkomst ten aanzien van het recht van erfpacht betreffende perceel B nog steeds aanspraak kan maken op de levering en tenaamstelling in de openbare registers van zijn recht van erfpacht met betrekking tot perceel B.

Subsidiair stelt [eiser] dat hij door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar van het perceel B is geworden dan wel het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B heeft verkregen.
Verder stelt [eiser] dat Staatsbosbeheer jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door niet te willen meewerken aan de tenaamstelling. De dientengevolgde door [eiser] geleden schade, waaronder de waardedaling van het onroerend goed en de kosten van rechtsbijstand, dient Staatsbosbeheer aan hem te vergoeden, aldus nog steeds [eiser].

3.3.

Staatsbosbeheer voert gemotiveerd verweer.

in reconventie

3.4.

Staatsbosbeheer vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:
I. voor recht te verklaren dat de juridische (erfpacht)grens tussen perceel A en perceel B is gesitueerd zoals aangegeven op de luchtfoto die als productie 11 aan de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie is gehecht;

subsidiair:
II. de (erfpacht)grens tussen perceel A en perceel B op grond van artikel 5:47 BW te bepalen als aangegeven op de luchtfoto die als productie 11 de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie is gehecht, althans de (erfpacht)grens in goede justitie vast te stellen;

primair en subsidiair:
III. [eiser] te veroordelen in de kosten van het geding, met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na den het te dezen te wijzen vonnis en met veroordeling van [eiser], conform het liquidatietarief begroot op € 205,-- dan wel ingeval van betekening € 273,--.

3.5.

[eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in conventie en in reconventie

3.6.

Op de (overige) stellingen en verweren van partijen wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De rechtbank stelt vast dat niet is weersproken dat [eiser] na het overlijden van [D] als rechtsopvolger onder algemene titel in de rechten en verplichtingen van [D] is getreden, zodat hiervan ook in het navolgende wordt uitgegaan. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de rechten en verplichtingen van de Exploitatie Maatschappij in het kader van de vereffening na de ontbinding van die Maatschappij zijn overgedragen aan de Nederlandse Staat en - na de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer - vervolgens rusten bij Staatsbosbeheer.

Nakoming van de koopovereenkomst

4.2.

[eiser] heeft zijn vordering primair gebaseerd op de stelling dat hij op grond van de tussen [D] en de Exploitatie Maatschappij in 1958 gesloten koopovereenkomst aangaande het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B de volledige koopprijs heeft voldaan, zodat hij aanspraak kan maken op levering van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B.

4.3.

Als meest verstrekkend verweer heeft Staatsbosbeheer hiertegenover aangevoerd dat de rechtsvordering tot levering van het recht van erfpacht betreffende perceel B op grond van nakoming van de koopovereenkomst sinds 1 januari 1993 is verjaard.

4.4.

De rechtbank stelt voorop dat tot 1 januari 1992 overeenkomstig het bepaalde in artikel 2004 BW (oud) een algemene verjaringstermijn van dertig jaar gold en dat de verjaringstermijn van start ging op het moment dat de bevoegdheid om onmiddellijk de naleving van een verbintenis te eisen was ontstaan, ongeacht of de schuldeiser op dat moment reeds met het bestaan van de verbintenis op de hoogte was (zie bijvoorbeeld HR 3 november 1995, LJN ZC1867, NJ 1998/380).

Sinds 1 januari 1992 geldt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, een en ander als bepaald in artikel 3:307 lid 1 BW. Als hoofdregel voor de rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen geldt dat conform het bepaalde in artikel 3:313 BW de verjaringstermijn een aanvang neemt vanaf de dag volgende op de dag dat onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd.

4.5.

Voorts wordt voorop gesteld dat blijkens artikel 73 Overgangswet NBW geldt dat, indien er sprake is van een verjaringstermijn van een jaar of langer, zoals in het hiervoor bedoelde artikel 3:307 BW het geval is, en indien deze termijn is aangevangen onder de werking van het BW (oud), het per 1 januari 1992 geldende recht inzake de aanvang, de omvang en de aard van die termijn niet van toepassing tot een jaar na 1 januari 1992. Er is dan dus een uitgestelde werking van één jaar. Het oude recht blijft zodoende nog één jaar, derhalve tot 1 januari 1993, van toepassing. De termijn(en) van artikel 3:307 BW wordt (worden) in dat geval geacht niet te zijn voltooid vóór de afloop van het jaar 1992.

4.6.

Op grond van het bepaalde in de koopovereenkomst als geciteerd in onderdeel 2.5 hiervoor, is het recht op juridische levering opeisbaar met de laatste termijnbetaling van de koopprijs. Indien en voor zover moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiser] dat [D] de koopprijs voor het recht van erfpacht betreffende perceel B in periode van 1959 tot en met 1963 geheel aan de Exploitatie Maatschappij heeft betaald, is de verjaringstermijn in het onderhavige geval op zijn vroegst op enig moment in het jaar 1963, derhalve onder de werking van het oude BW, gaan lopen. De per 1 januari 1992 geldende kortere verjaringstermijn is dan ook pas na 1 januari 1993 van toepassing, een en ander overeenkomstig het hiervoor genoemde artikel 73 Overgangswet NBW.

4.7.

Vóór ommekomst evenwel van de in het onderhavige geval geldende verjaringstermijn van 30 jaar is de verjaring van de rechtsvordering van [D] tot levering van het recht van erfpacht betreffende perceel B met de brief van 2 december 1992 van Staatsbosbeheer (zie 2.9) gestuit, een en ander als bedoeld in artikel 3:318 BW. Op grond van dit artikel kan de verjaring worden gestuit door erkenning door de wederpartij van het recht van de gerechtigde. In genoemde brief heeft Staatsbosbeheer [D] geschreven dat hij volgens haar administratieve gegevens rechten kon doen gelden op perceel B, dat hij de notariële afhandeling daarvan echter nog niet ter hand had genomen en dat – als hij dit nog wenste – vastlegging van dat recht alsnog geldend diende te maken. Deze schriftelijke mededeling is naar het oordeel van de rechtbank een erkenning als bedoeld in artikel 3:318 BW die tot gevolg heeft gehad dat de lopende verjaring ter zake de rechtsvordering van [D] tot levering van het recht van erfpacht van perceel B is gestuit, waarna op grond van het bepaalde in artikel 3:319 BW juncto 3:307 BW op 2 december 1992 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen.

4.8.

Het voorgaande brengt mee dat de rechtsvordering van [eiser] tot levering van het recht van erfpacht van perceel B dan ook in ieder geval op 2 december 1997 was verjaard, tenzij voordien rechtsgeldige stuiting heeft plaatsgevonden. Nu niet is gesteld en ook niet is gebleken dat de verjaring op enig moment voor 2 december 1997 rechtsgeldig is gestuit, is de conclusie dat de verjaringstermijn reeds op 2 december 1997 was verstreken. Het door Staatsbosbeheer gedane beroep op verjaring slaagt dan ook.

4.9.

Anders dan door [eiser] is gesteld levert het door Staatsbosbeheer gedane beroep op verjaring geen misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 lid 2 BW op en is een dergelijk beroep evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [eiser] heeft in dit verband geen gedragingen gesteld en ook is niet anderszins gebleken van feiten en omstandigheden die bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen opwekken dat Staatsbosbeheer zich jegens hem niet op verjaring zou beroepen. Daarbij is van belang dat niet is gesteld en ook niet is gebleken dat Staatsbosbeheer op enig moment heeft erkend dat de overdracht van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B was voltooid en dat [D] om die reden rechthebbende zou zijn geworden van het recht van erfpacht. De enkele omstandigheid dat er sinds 1992 regelmatig overleg is geweest tussen [D] en Staatsbosbeheer over juridische situatie ten aanzien van perceel B maakt dit niet anders. Het lag immers op de weg van [D] om de levering te bewerkstelligen. Anders dan door [eiser] is gesteld is de omstandigheid dat Staatsbosbeheer geen belang heeft bij het terugnemen van perceel B, wat daarvan verder ook zij, onvoldoende om de conclusie dat sprake is van misbruik van recht te rechtvaardigen. In het licht van het voorgaande is van misbruik van recht dan ook geen sprake.

4.10.

[eiser] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat verjaring niet aan de orde kan zijn, aangezien Staatsbosbeheer in de brief van 2 december 1992 een toezegging, althans een onvoorwaardelijk aanbod tot levering van het recht van erfpacht betreffende perceel B als bedoeld in artikel 6:218 BW heeft gedaan, dat bedoelde brief kan worden beschouwd als een verklaring als bedoeld in artikel 3:37 BW zonder beperking naar tijd, dat Staatsbosbeheer haar aanbod niet heeft herroepen en dat [eiser] dit aanbod op 13 augustus 2012 schriftelijk heeft aanvaard. Deze stelling wordt gepasseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Staatsbosbeheer [D] in genoemde brief slechts een aanbod gedaan om alsnog mee te werken aan de levering van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B. Een dergelijk schriftelijk aanbod vervalt op grond van artikel 6:221 BW wanneer het niet binnen een redelijke termijn wordt aanvaard. De vraag welke termijn voor de aanvaarding als redelijk kan worden beschouwd, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Naar het oordeel is van een redelijke termijn voor aanvaarden in het onderhavige geval geen sprake, nu [eiser] eerst bij brief van 13 augustus 2012 (zie hiervoor onder 2.16), derhalve twintig jaar later, het aanbod van Staatsbosbeheer heeft aanvaard. Anders dan door [eiser] is gesteld kan uit de brief van 2 december 1992 niet worden afgeleid dat Staatsbosbeheer zonder tijdsbepaling bereid was aan de levering mee te werken. De door [eiser] naar voren gebrachte stelling dat van Staatsbosbeheer, die deel uitmaakt van de Nederlandse overheid, nog meer dan anders mag worden verwachten dat met burgers gesloten overeenkomsten als de onderhavige - kennelijk ook nadat geruime tijd en de voor verjaring gehanteerde wettelijke termijnen zijn verstreken - worden geëerbiedigd, vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Voor zover [eiser] in dit verband heeft bedoeld te stellen dat Staatsbosbeheer jegens hem heeft gehandeld in strijd met de voor haar als overheidsinstelling geldende algemene beginselen van behoorlijk bestuur, wordt hieraan voorbijgegaan, nu [eiser] heeft nagelaten nader toe te lichten en te onderbouwen welk beginsel naar zijn stelling door Staatsbosbeheer is geschonden. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel nopen zijn door [eiser] gesteld noch gebleken. Dit alles leidt tot de conclusie dat het aanbod van Staatsbosbeheer dan ook is komen te vervallen.

4.11.

De rechtbank is voorts van oordeel dat met de in deze procedure in het geding gebrachte stukken niet is komen vast te staan dat door of namens Staatsbosbeheer jegens [D] een concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan om het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B te leveren. Een dergelijke door Staatsbosbeheer gedane concrete toezegging kan, anders dan [eiser] heeft gesteld, ook niet uit de eerdergenoemde brief van 2 december 1992 worden afgeleid.

4.12.

Anders dan door [eiser] is gesteld levert een succesvol beroep op verjaring geen ongerechtvaardigde verrijking van Staatsbosbeheer op. [D] heeft destijds in 1963 de koopprijs van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B weliswaar aan de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer betaald overeenkomstig de daarop betrekking hebbende koopovereenkomst, maar [D] heeft vervolgens zelf de levering van het bedoelde recht niet bewerkstelligd. Nu niet is gesteld of gebleken dat (de rechtsvoorgangster van) Staatsbosbeheer in dat kader enig verwijt kan worden gemaakt, dient de omstandigheid dat [D] destijds wel de koopprijs heeft voldaan voor zijn eigen rekening en risico te blijven. Om die reden is van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake.

4.13.

Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtsvordering van [eiser] tot levering van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B is verjaard. De overige verweren in dit verband, waaronder het door Staatsbosbeheer gedane verweer dat als gevolg van vermenging geen recht van erfpacht meer bestaat, behoeven dan ook geen bespreking meer.

Verkrijgende verjaring van eigendomsrecht of van recht van erfpacht

4.14.

Het debat van partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of [eiser] door verkrijgende verjaring een eigendomsrecht of het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B heeft verkregen.

4.15.

[eiser] heeft in dit verband gesteld dat sedert 1950, 1956 of in ieder geval vanaf 1958 sprake is geweest van bezit en gebruik van zowel perceel A als perceel B en dat de verjaringstermijn inmiddels ruimschoots is verstreken. Staatsbosbeheer heeft dit gemotiveerd betwist.

4.16.

Voorop wordt gesteld dat voor verkrijgende verjaring, zowel onder het huidige recht (artikel 3:99 BW) als onder het oude recht (artikel 2000 oud BW), bezit te goeder trouw is vereist, welk bezit voortdurend, onafgebroken en ondubbelzinnig dient te zijn.

Onder het oude recht gold, zoals bepaald in artikel 2000 (oud) BW, een verjaringstermijn van twintig jaar bij bezit uit hoofde van een wettige titel en in andere gevallen een verjaringstermijn van dertig jaar. In het onderhavige geval is sprake van een koopovereenkomst met betrekking tot perceel B en geldt dus een verjaringstermijn van twintig jaar. Onder het huidige recht geldt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:99 BW en verjaringstermijn van 10 jaar. Tevens geldt onder het huidige recht de regel als verwoord in artikel 3:23 BW, voor het geval het beroep op goede trouw is gebaseerd op onbekende feiten welke wel bekend zouden zijn geweest bij raadpleging van de registers.

4.17.

Ook indien en voor zover ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van bezit van het eigendomsrecht of recht van erfpacht betreffende perceel B door [D], hetgeen door Staatsbosbeheer is bestreden, gaat een beroep op verkrijgende verjaring niet op, nu naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van goede trouw aan de zijde van [D]. [eiser] heeft immers zelf gesteld dat [D] midden jaar 1980 besefte dat de registratie van zijn aanspraken met betrekking tot perceel B niet juist in het kadaster was geregistreerd, in die zin dat perceel B nog niet op zijn naam stond en dat levering van het recht van erfpacht nog diende plaats te vinden. Voorts blijkt ook uit de brief van 18 april 1967 van [D] (overgelegd als bijlage B bij productie 46 bij akte nadere producties van [eiser]) dat [D] zich bewust was dat de notariële levering ten aanzien van het recht van erfpacht ten aanzien van perceel B nog diende plaats te vinden. Immers in bedoelde brief heeft [D] geschreven: “dat ik natuurlijk accoord ga met notariële overdracht van de door mij gekochte en reeds betaalde 13500 m2 grond.”. Verder is van belang dat [D] het recht van erfpacht met betrekking tot perceel A ook door notariële akte geleverd had gekregen. Onder voormelde omstandigheden wist en moest [D] weten dat voor een rechtsgeldige overdracht van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B nog een levering bij notariële akte vereist was. Naar het oordeel van de rechtbank is onder voormelde omstandigheden van de voor verkrijgende verjaring vereiste goede trouw dan ook geen sprake.

Bevrijdende verjaring van het eigendomsrecht of recht van erfpacht

4.18.

Nu zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.17 is overwogen geen sprake is van goede trouw aan de zijde van [D] komt de rechtbank thans toe aan de beoordeling of [eiser] zich met succes kan beroepen op bevrijdende verjaring.

4.19.

Staatsbosbeheer heeft betwist dat sprake is van bevrijdende verjaring, nu perceel B voor 1995 nimmer door [D] in bezit is genomen en ook na 1995 niet door [eiser]. Er is steeds slechts sprake is geweest van houderschap. De koper aan wie een stuk grond is verkocht – of een recht van erfpacht met betrekking tot een stuk grond – maar aan wie nog niet juridisch is geleverd, is immers tot het moment van juridische levering slechts houder voor de verkoper. [D] is derhalve als gevolg van de koop, zoals vastgelegd in de brief van 19 december 1959, krachtens rechtsverhouding het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B gaan houden voor de Exploitatie Maatschappij. Na de koop in 1959 zijn door [D] geen bezitsdaden verricht. Nu nimmer sprake is geweest van bezit is de in artikel 3:105 BW genoemde termijn nimmer aangevangen, aldus Staatsbosbeheer.

4.20.

De rechtbank stelt allereerst vast dat op grond van het bepaalde in artikel 3:105 BW ook voor de bezitter die niet te goeder trouw is de mogelijkheid bestaat om door verjaring rechthebbende te worden. Zodra de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit door Staatsbosbeheer wordt voltooid, verkrijgt de bezitter het recht op het goed. Dit geschiedt van rechtswege. Zoals bepaald in artikel 3:306 BW verjaart een rechtsvordering tot revindicatie van de eigenaar na twintig jaar.

4.21.

Bevrijdende verjaring onder het oude recht had echter geen verkrijgende verjaring tot gevolg. Ingevolge artikel 93 van de Overgangswet nieuw BW wordt artikel 3:105 BW van toepassing één jaar na inwerkingtreding van deze wet, derhalve op 1 januari 1993, met betrekking tot degene die alsdan een goed bezit indien de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is voltooid. Het goed gaat dus een jaar na inwerkingtreding van het huidige BW op de bezitter over, tenzij in het tussenliggende jaar de verjaring is gestuit.

4.22.

Het hiervoor overwogene betekent dat indien komt vast te staan dat [D] sinds 1956, althans sinds 1959 bezit van het eigendomsrecht of recht van erfpacht betreffende perceel B heeft gehad de onderhavige verjaringstermijn van 20 jaar is verstreken op 1 januari 1993, tenzij (de rechtsvoorganger van) Staatsbosbeheer de verjaring van de rechtsvordering tot revindicatie rechtsgeldig heeft gestuit. Het ontbreken van goede trouw aan de zijde van [D] is zoals hiervoor al is overwogen niet relevant.

4.23.

De rechtbank verwerpt de stelling van [eiser] dat hij door verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3:105 BW een eigendomsrecht ten aanzien van perceel B heeft verkregen, aangezien de contractuele verhouding tussen [D] en (de rechtsvoorgangster van) Staatsbosbeheer aan een dergelijke verjaring in de weg staat. Vaststaat immers dat destijds tussen de Exploitatie Maatschappij en [D] een koopovereenkomst is gesloten ten aanzien van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B. Ten aanzien van de eigenaar van het perceel (thans Staatsbosbeheer) dat in erfpacht is uitgegeven zal de erfpachter ([D]) reeds daarom geen aanspraak kunnen maken op eigendom door verkrijgende of bevrijdende verjaring. Daarbij komt dat [D] en [eiser] nimmer jegens de Exploitatiemaatschappij en/of Staatsbosbeheer het standpunt hebben ingenomen dat zij niet erfpachter maar eigenaar zijn van perceel B. Een en ander leidt ertoe dat in ieder geval geen sprake is van een door verjaring verkregen eigendomsrecht door [D] of [eiser].

4.24.

Het geding tussen partijen spitst zich vervolgens toe op de vraag of sprake is van bezit of inbezitneming van het recht van erfpacht ten aanzien van perceel B door [D].

4.25.

Onder bezit dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:107 BW te worden verstaan het houden van een goed voor zichzelf. Een recht van erfpacht valt als (beperkt) vermogensrecht onder het begrip “goederen” als gedefinieerd in artikel 3:1 BW.

Bij de beantwoording van de vraag of [D] voor zichzelf dan wel voor de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer hield heeft als uitgangspunt te gelden het vermoeden van artikel 3:109 BW, inhoudende dat degene die een goed houdt wordt vermoed dit goed voor zichzelf te houden. Voorts bepaalt artikel 3:108 BW dat de vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 volgende wetsartikelen worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. De (niet naar buiten blijkende) interne wil om als rechthebbende op te treden, is derhalve voor het zijn van bezitter van geen betekenis. Het komt aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Artikel 3:112 BW bepaalt dat bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Artikel 3:113 BW bepaalt dat een goed in bezit wordt genomen door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen; wanneer daarvan sprake is wordt door de verkeersopvatting bepaald (artikel 3:108 BW). Wanneer een goed in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor een inbezitneming onvoldoende, aldus het tweede lid van artikel 3:113 BW. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de inbezitneming van een goed waarvan een ander reeds bezitter is, slechts kan bestaan in een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting de oorspronkelijke bezitter niet meer als zodanig kan gelden.

4.26.

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van bezit van het recht van erfpacht door [D] (en later [eiser]) en overweegt daartoe als volgt.

4.27.

Daarbij is allereerst van belang dat vaststaat dat tussen de rechtsvoorganger van Staatsbosbeheer en [D] een koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot het recht van erfpacht ten aanzien van perceel B en dat alleen de levering van genoemd recht nog diende plaats te vinden. Voorts is van belang dat uit hetgeen door partijen over en weer is gesteld en mede gelet op de tot op heden overgelegde stukken kan worden afgeleid dat na het sluiten van de koopovereenkomst weliswaar geen levering van bedoeld recht van erfpacht heeft plaatsgevonden, maar dat tussen partijen geen discussie heeft bestaan over de vraag of [D] het (bezit van het) recht van erfpacht had verkregen. Partijen hebben uitsluitend gediscussieerd over de precieze omvang van perceel B. Een en ander wordt ook bevestigd door de brief van 2 december 1992, waarin Staatsbosbeheer het recht van erfpacht betreffende perceel B van [D] ondubbelzinnig heeft erkend. Tegen deze achtergrond is de conclusie dat sprake is van bezit van het recht van erfpacht van perceel B door inbezitneming door [D] dan ook gerechtvaardigd. De door Staatsbosbeheer naar voren gebrachte stelling dat nu de koop van het recht van erfpacht niet is gevolgd door levering daarvan de koper ([D]) nooit bezitter is geworden van het recht van erfpacht leidt niet tot een ander oordeel. Er kunnen zich immers gevallen voordoen waarin de koper ([D]) krachtens de rechtsverhouding met de verkoper (de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer) jegens deze gerechtigd is, vooruitlopend op de levering van het recht van erfpacht ten aanzien van perceel B, zich over het gekochte recht van erfpacht de feitelijke macht te verschaffen en deze op een zodanige wijze uit te oefenen dat naar de in het verkeer geldende opvattingen de koper, [D], moet worden beschouwd als de bezitter van het verkochte (zie HR 9 september 2011 NJ 2012, 312). Zoals hiervoor reeds is overwogen is in het onderhavige geval de conclusie gerechtvaardigd dat ondanks dat de levering niet heeft plaatsgevonden toch sprake is van bezit van het recht van erfpacht.

De enkele omstandigheid dat [D] geen canon heeft betaald leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarbij weegt mee dat [eiser] ter comparitie heeft aangeboden alsnog de verschuldigde canon aan Staatsbosbeheer te voldoen.

Alle omstandigheden bezien in onderling verband en samenhang leiden tot de conclusie dat dat [D] sinds 1958 het bezit heeft gehad van het recht van erfpacht met betrekking tot perceel B. Het door partijen gevoerde debat over de vraag of [D] daadwerkelijk macht uitoefende over perceel B, of die macht kenmerkend was voor het bezit van een recht van erfpacht en of [D] dat recht ongestoord heeft uitgeoefend, behoeft gelet op het voorgaande dan ook geen bespreking meer.

4.28.

Nu sinds 1958 sprake is geweest van bezit van het recht van erfpacht ten aanzien van perceel B was de rechtsvordering van de rechtsvoorgangster van Staatsbosbeheer tot beëindiging van het bezit dan ook na ommekomst van 20 jaar en grond van de overgangswet op 1 januari 1993 verjaard. [eiser] kan zich derhalve met succes beroepen op bevrijdende verjaring. [eiser] heeft zodoende als rechtsopvolger van [D] het recht van erfpacht betreffende perceel B verkregen.

4.29.

Ten aanzien van de toepasselijke erfpachtsvoorwaarden overweegt de rechtbank dat Staatsbosbeheer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de erfpachtsvoorwaarden zoals omschreven in de notariële akte van 11 juli 1956 ook ten aanzien van het recht van erfpacht betreffende perceel B van toepassing zijn. De enkele door Staatsbosbeheer aangevoerde omstandigheid dat het haar voorkeur heeft dat het natuurgebied onbebouwd blijft en dat bedoelde voorwaarden het mogelijk maken dat perceel B toch wordt bebouwd, is onvoldoende om te concluderen dat deze niet van toepassing zijn. Nu geen andere feiten en omstandigheden zijn gesteld die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, is de conclusie dat de in de notariële akte van 11 juli 1956 omschreven erfpachtsvoorwaarden van toepassing zijn.

Onrechtmatige daad

4.30.

[eiser] heeft zijn vordering hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 3.1 onder II sub e) gebaseerd op artikel 6:162 BW, stellende dat Staatsbosbeheer jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele omstandigheid dat (de rechtsvoorgangster van) Staatsbosbeheer niet wenste mee te werken aan de juiste tenaamstelling is in ieder geval onvoldoende om te concluderen tot onrechtmatigheid. Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank in dit verband dat [eiser] wel heeft gesteld dat hij als gevolg van het handelen van Staatsbosbeheer schade heeft geleden, maar [eiser] heeft, ondanks de gemotiveerde betwisting door Staatsbosbeheer, op geen enkele wijze aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat [eiser] daadwerkelijk enige schade heeft geleden. [eiser] heeft zijn stelling op geen enkele wijze met bewijsstukken onderbouwd. Reeds daarom is de gevorderde verwijzing naar de schadestaat niet toewijsbaar.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.31.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Slotsom

4.32.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat gevorderde verklaring voor recht hiervoor weergegeven 3.1 onder I sub d) en e) toewijsbaar is. Voorts is toewijsbaar het gevorderde onder 3.l sub II onder b) en c), een en ander met inachtneming van na te melden termijn.

4.33.

Ten aanzien van de gevorderde dwangsom (zie 3.1 sub II onder d) en het gevorderde weergegeven onder 3.1 sub III geldt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op het door partijen gevoerde debat, geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Staatsbosbeheer niet aan de veroordelingen zal voldoen. Het gevorderde weergegeven onder 3.1 sub II onder d en sub III dient reeds om die reden te worden afgewezen.

4.34.

Staatsbosbeheer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 92,16

- griffierecht € 267,00

- salaris advocaat € 1.582,00 (3,5 x € 452,--)

Totaal € 1.941,16

4.35.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.36.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

in reconventie

4.37.

Tussen partijen staat de oppervlakte van perceel A en B, samen 59.120 m2, niet ter discussie.

4.38.

Wel staat tussen partijen ter discussie waar precies de juridische (erfpacht)grens loopt tussen perceel A en B.

4.39.

Nu evenwel in conventie is beslist dat [eiser] ook ten aanzien van perceel B het recht van erfpacht heeft verkregen, heeft Staatsbosbeheer geen belang meer bij de vaststelling van de juridische grens tussen perceel A en B. Het gevorderde dient dan ook te worden afgewezen.

4.40.

Staatsbosbeheer zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 791,-- (3,5 x 0,5 x
€ 452,--) aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat eventuele aanspraken van Staatsbosbeheer op revindicatie van het kadastrale perceel Terschelling [nummer] en [nummer] zijn verjaard;

5.2.

verklaart voor recht dat de tussen partijen voor het kadastrale perceel Terschelling [nummer] en [nummer] toe te passen erfpachtsvoorwaarden gelijk zullen zijn aan die als omschreven in de akte van 11 juli 1956;

5.3.

veroordeelt Staatsbosbeheer binnen veertien dagen na betekening van het onderhavige vonnis medewerking te verlenen aan inschrijving in de Openbare Registers overeenkomstig artikel 3:17 lid 1 sub i en f BW en artikel 3:27 en 3:28 BW van de erfpacht van het perceel Terschelling [nummer] en [nummer] ten name van [eiser] alsmede aan de doorhaling van de huidige aantekening in de Openbare Registers;

5.4.

veroordeelt Staatsbosbeheer binnen veertien dagen na betekening van het onderhavige vonnis een verklaring tot waardeloosheid van de huidige inschrijving in de Openbare Registers als bedoeld in artikel 3:27 en 3:28 BW af te leggen;

5.5.

veroordeelt Staatsbosbeheer in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.941,16, te voldoen binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt Staatsbosbeheer, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,

- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening;

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

5.9.

wijst het gevorderde af;

5.10.

veroordeelt Staatsbosbeheer in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 791,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en in het openbaar uitgesproken op
11 maart 2015.1

1 type: He/4069 coll: