Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1395

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2015
Datum publicatie
09-03-2015
Zaaknummer
UTR 15/252-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Midden-Nederland heeft vandaag tussenuitspraak gedaan in twee bestuursrechtelijke zaken waarbij de eisers het niet eens zijn met de hoogte van het persoonsgebonden budget dat hun is toegekend in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De rechtbank oordeelde dat de norm voor de collectieve voorziening die de gemeente Utrecht hanteert voor huishoudelijke hulp in redelijkheid is vastgesteld. De gemeente moet wel nader onderzoek doen naar het inzetten van maatwerkmodules in deze twee afzonderlijke gevallen.

Onder de Wmo 2015 hebben gemeenten de opdracht zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning. Hierbij geldt dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. Indien dit niet lukt, kan de gemeente ondersteuning bieden. Bijvoorbeeld op het gebied van huishoudelijke hulp. De gemeente Utrecht doet dit met een collectieve voorziening, eventueel aangevuld met maatwerkmodules.

De eisers ontvangen al jaren hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget. Door de invoering van de nieuwe Wmo per 1 januari 2015 heeft de gemeente Utrecht de huishoudelijke hulp voor de eisers aanzienlijk teruggebracht. De hulp bij het huishouden voor een hoogbejaard echtpaar ging van 5,5 uur per week naar 78 uur op jaarbasis (gemiddeld 1,5 uur per week). In de andere zaak ging de hulp bij het huishouden van 3 uur per week naar 78 uur op jaarbasis. De eisers stelden beroep in tegen de beslissingen van de gemeente.

De eisers voerden aan dat de gemeente zijn besluit van oktober 2014 had gebaseerd op de Wmo 2015 die toen nog niet gold. De rechtbank oordeelde dat de gemeente inderdaad het primaire besluit destijds baseerde op de Wmo 2015, maar dat daarvoor op dat moment geen wettelijke grondslag bestond. Toen de gemeente in januari 2015 besliste op het bezwaar van eisers, was de Wmo 2015 inmiddels in werking getreden. Daarom kon het besluit toen wel op de Wmo 2015 worden gebaseerd.

De gemeente Utrecht heeft de collectieve voorziening voor huishoudelijke hulp vastgesteld op maximaal 78 uur per jaar. De eisers zien niet in hoe zij met 78 uur per jaar (gemiddeld 1,5 uur per week) hun huis schoon kunnen houden. De gemeente heeft uitgelegd dat deze norm tot stand is gekomen in overleg met veertien (kleine, middelgrote en grote) zorginstanties, waarna de cliëntenraad zich erover heeft mogen uitspreken. Er zijn bovendien vijftien zorginstanties die inmiddels contracten hebben gesloten met de gemeente om met die norm van 78 uur per jaar huishoudelijke hulp te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid dit beleid heeft kunnen vaststellen. De norm hoeft dus niet te worden aangepast.

De vraag die partijen daarnaast verdeeld houdt, is of de gemeente voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het inzetten van maatwerkmodules. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente niet naar alle beperkingen van eisers voldoende onderzoek heeft gedaan. De gemeente moet dit onderzoek alsnog uitvoeren en heeft hier vier weken de tijd voor.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 8:80a
Algemene wet bestuursrecht 8:51a
Algemene wet bestuursrecht 8:51b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2015/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 15/252-T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2015 in de zaak tussen

[eiser], eiser en [eiseres], eiseres,
te [woonplaats], gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: C. van den Bergh).

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres over de periode van 1 januari 2015 tot en met 22 maart 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) op basis van 5,5 uur per week voor hulp bij het huishouden toegekend en over de periode van 23 maart 2015 tot en met 22 september 2017 een pgb op basis van 78 uur per jaar (gemiddeld 1,5 uur per week) voor hulp bij het huishouden.

Bij besluit van 2 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is verschenen de dochter van eisers,
[A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen [B], [C] en [D].

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres is 78 jaar oud en voert een huishouden met haar echtgenoot, eiser, die 84 jaar oud is. Eisers ontvingen sinds 14 mei 2007 hulp bij het huishouden in de vorm van een pgb op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Laatstelijk hadden eisers een indicatie voor 5,5 uur per week ten behoeve van licht en zwaar huishoudelijk werk en het doen van de was (kleding en linnengoed). Deze indicatie gold tot 23 maart 2015. De dochter van eisers verleende naast de geïndiceerde 5,5 uur huishoudelijke hulp ook mantelzorg aan eisers.

2. Op 1 januari 2015 is artikel 2.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden, waarmee verweerder de opdracht heeft gekregen zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning. Ook voor die datum had verweerder al de taak zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning, maar waren het toepassingsbereik en de uitgangspunten anders.

3. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder nog niet bevoegd was besluiten te nemen op grond van de Wmo 2015, nu deze wet pas op 1 januari 2015 in werking is getreden.

4. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het primaire besluit is genomen op grond van de Wmo, de Verordening voorzieningen Wmo 2013 en de Beleidsregels Wmo voorzieningen 2014. Verweerder heeft met de besluitvorming beoogd vooruit te lopen op wat de Wmo 2015 voor burgers zal gaan betekenen, een zorgvuldige procedure te doorlopen door mensen in te lichten over de komende veranderingen in de zorg en te anticiperen op wat er daadwerkelijk voor burgers met hun Wmo-indicatie zal veranderen. Dit alles is gedaan met het doel om de overgang van de Wmo naar de Wmo 2015 zorgvuldig te laten verlopen, aldus verweerder.

5. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat het primaire besluit is gebaseerd op de Wmo, duidelijk blijkt dat het primaire besluit inhoudelijk is gebaseerd op de Wmo 2015. Zo wordt in dit besluit overwogen dat vanaf 1 januari 2015 de Wmo verandert en dat verweerder de ondersteuning voor hulp bij het huishouden anders heeft ingericht. Verder staat in dit besluit dat voor de hulp bij het huishouden tot en met 22 maart 2015 sprake is van een overgangsperiode en wordt met ingang van 23 maart 2015 een pgb toegekend op basis van 78 uur per jaar. Dat aantal uren is gebaseerd op de hierna te bespreken Beleidsregels Wmo 2015 (de Beleidsregels), dus ook dat wijst er eenduidig op dat het primaire besluit is gebaseerd op de Wmo 2015. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder op 29 oktober 2014 een besluit heeft genomen dat is gebaseerd op een wettelijke bepaling die op dat moment nog niet gold, te weten artikel 2.1.1 van de Wmo 2015. Aan het primaire besluit ontbreekt dus een wettelijke grondslag. De beslissing op bezwaar is echter genomen op een datum – 2 januari 2015 – waarop artikel 2.1.1 van de Wmo 2015 wel gold. Daarmee is het gebrek dat aan het primaire besluit kleefde, geheeld. Van strijd met het legaliteitsbeginsel is daarom geen sprake meer.
Voor zover eisers hebben willen betogen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het overgangsrecht van artikel 8.9 van de Wmo 2015, slaagt dat betoog niet. Nu verweerder in het bestreden besluit de bestaande indicatie voor 5,5 uur per week in stand heeft gelaten tot het moment dat de oude indicatie verloopt, te weten op 23 maart 2015, heeft hij gehandeld in lijn met het overgangsrecht waaruit volgt dat eerder toegekende rechten blijven voortduren na inwerkingtreding van de Wmo 2015. Dat het aantal uren waarvoor een pgb wordt verstrekt tot
23 maart 2015 niet wijzigt, leidt reeds tot het oordeel dat verweerder in dit geval geen inbreuk heeft gemaakt op een eigendom als bedoeld in artikel 1 Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voor de periode na 23 maart 2015 hadden eisers immers nog geen recht op een voorziening. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. In de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3) is – kort weergegeven – de volgende toelichting gegeven.

Uitgangpunt is dat gemeenten burgers ondersteuning bieden als dat nodig is. Hierbij geldt dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. De betrokkene dient daarbij eerst te kijken in hoeverre hij zelf en zijn directe omgeving een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van zijn situatie. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bij burgers te benutten en te versterken. Indien uit onderzoek van de gemeente blijkt dat (aanvullende) ondersteuning van de gemeente nodig is, beslist de gemeente – binnen de grenzen van wat daarover in het beleidsplan en de verordening bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 2.13 van de Wmo 2015 is vastgelegd – tot verstrekking van een maatwerkvoorziening die bijdraagt aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen.

Het doel van de nieuwe wetgeving is drieledig. In de eerste plaats is beoogd de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning aan te passen aan de veranderende eisen en omstandigheden. Mensen willen zo lang mogelijk thuis kunnen wonen, de regie op hun eigen leven behouden en niet eenzaam zijn. Het is de bedoeling dat mensen ondersteuning en zorg aangeboden krijgen die aansluit op hun persoonlijke omstandigheden en levensfases. De regering heeft daarbij aangegeven van gemeenten te verwachten dat zij het kwaliteitsbeleid in samenspraak met cliëntenorganisaties en aanbieders verder zullen ontwikkelen en voorstellen zullen doen voor kwaliteitsstandaarden voor maatschappelijke ondersteuning. In de tweede plaats is met de Wmo 2015 beoogd de betrokkenheid van mensen bij elkaar te vergroten. Om het wonen in de eigen leefomgeving langer mogelijk te maken en het aantal mensen dat zich eenzaam voelt te verminderen, zal een groter beroep worden gedaan op het sociale netwerk van mensen en daar waar mogelijk ook op vrijwilligers. Ten slotte liggen aan de Wmo 2015 financiële redenen ten grondslag.
Te veel vormen van ondersteuning die mensen ook zelf kunnen organiseren, worden uit de collectieve middelen betaald. De regering heeft ervoor gekozen om in te grijpen en daarmee de ondersteuning en zorg voor kwetsbare mensen in de toekomst veilig te stellen. Voor een deel van de mensen zal de verandering ertoe leiden dat zij zijn aangewezen op een meer algemeen of soberder voorzieningenniveau dan zij gewend waren. Ook zullen mensen te maken krijgen met ondersteuning van kortere duur, waarbij de ondersteuning meer dan nu gericht is op het aanleren van vaardigheden en zelfhulp.

7. Verweerder heeft, zoals de Wmo 2015 voorschrijft, de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (de Verordening) vastgesteld, die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Daarnaast heeft verweerder de Beleidsregels vastgesteld, die eveneens op 1 januari 2015 in werking zijn getreden. Deze regelgeving heeft verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

Artikel 2.2.2, eerste lid, van de Verordening bepaalt dat de door het college aangeboden maatschappelijke ondersteuning een substantiële bijdrage levert aan het realiseren van een, naar het oordeel van de raad, aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid en participatie conform het beleidsplan Wmo.

Artikel 2.3.1, eerste lid, van de Verordening bepaalt – voor zover van belang – dat een cliënt in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening als het college heeft vastgesteld dat sprake is van belemmeringen in de zelfredzaamheid als gevolg van een beperking en de belemmeringen niet in voldoende mate kunnen worden opgelost door de versterking van de eigen kracht, de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers, door gebruik te maken van een oplossing die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd of van voorliggende of algemene voorzieningen.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, het college besluit tot de goedkoopst adequate voorziening.

De Beleidsregels bepalen – voor zover van belang – dat een maatwerkvoorziening wordt geboden in aanvulling op eigen kracht, de inzet van het eigen netwerk of vrijwilligers en de inzet van algemene voorzieningen zoals de ondersteuning vanuit het buurtteam.

In bijlage 1 bij de Beleidsregels is – voor zover relevant – het volgende opgenomen.

Hulp bij het voeren van een huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de klant zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit betekenen dat een deel van het huishouden door de klant wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Indien eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp en mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, kan de gemeente ondersteuning bieden. Voordat hiervan sprake kan zijn, wordt bekeken of een algemene voorziening een (gedeeltelijke) oplossing kan bieden.

Het resultaat van de ondersteuning is dat de betrokkene beschikt over een schoon en leefbaar huis. Dit betekent dat men gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden en indien noodzakelijk dient de was te worden verzorgd. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Het betekent dat het huis niet vervuilt en periodiek schoon wordt gemaakt om zo een algemeen aanvaard basisniveau van schoon te realiseren. Het betekent ook dat er ondersteuning kan plaatsvinden bij het verzorgen van de zware was voor bedden- en linnengoed. Indien belanghebbende regie kan voeren over het eigen leven, mag van hem/haar worden verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en keuzes worden gemaakt.

Tijdens het gesprek met de klant worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Als sprake is van gebruikelijke hulp biedt de gemeente geen ondersteuning. Onderzocht wordt of een persoon op eigen kracht of met hulp van zijn netwerk het gewenste resultaat kan bereiken. Er wordt ook gekeken of er algemene of voorliggende voorzieningen aanwezig zijn die tot het gewenste resultaat kunnen leiden. Pas wanneer de gebruikelijke hulp, de eigen mogelijkheden en algemene voorzieningen niet of onvoldoende van toepassing zijn, zal onderzocht worden in welke mate het gemeentelijk aanbod in ondersteuning kan voorzien.

Gemeentelijke ondersteuning bij het voeren van een huishouden, neemt de verantwoordelijkheid van de klant niet over, maar helpt de klant op weg om het resultaat te behalen. Het resultaat dat behaald dient te worden is een schoon en leefbaar huis. Om dit resultaat te behalen wordt een ‘collectieve voorziening schoon huis’ aangeboden.

De collectieve voorziening schoon huis is een maatwerkvoorziening in collectieve vorm en omvat het lichte en zware schoonmaakwerk en het wassen en drogen van de grote/zware spullen. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair, bedden verschonen en het machinaal wassen van bedden- en linnengoed. Binnen de collectieve voorziening krijgt de klant de beschikking over een maximaal aantal uur ondersteuning per jaar, dat naar eigen inzicht ingezet kan worden voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis. Het maximale aantal uur per jaar wordt verstrekt conform de tabel normering en definities hulp bij het huishouden. Verweerder heeft de collectieve voorziening vastgesteld op maximaal 78 uur per jaar. Het type en de grootte van de woning is niet van invloed op de hoeveelheid te verstrekken hulp. Het onderhoud van een tuin en het verzorgen van huisdieren (niet zijnde hulphonden/dieren) hoort niet bij dit resultaat. De gemeente beschouwt dergelijke aspecten als keuzes waarop de klant zelf invloed kan uitoefenen. De gevolgen hiervan op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

Wanneer als gevolg van objectiveerbare medische beperkingen klanten onvoldoende ondersteund worden door de collectieve voorziening kunnen er resultaatgebieden uit de maatwerkmodules ingezet worden. Hiervan zal alleen sprake zijn als er een extra resultaat of een ander resultaat behaald moet worden.

Ondersteuning vanuit het resultaat ‘een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren’ kan worden geboden als een persoon vanwege geobjectiveerde medische belemmeringen onvoldoende resultaat kan bereiken met het slim inzetten van het maximale aantal uren dat beschikbaar is in de collectieve voorziening, maar inhoudelijk geen ander product nodig heeft. De aanleiding voor inzet van deze module kan onder meer zijn dat een persoon medische beperkingen heeft waaruit een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is of die leiden tot snellere vervuiling van het huis. De extra noodzakelijke schoonmaak dient een medische oorzaak te hebben, welke aantoonbaar is. Dit resultaat wordt met een extra aantal uur ondersteuning op jaarbasis ingezet naast de ondersteuning die geboden wordt vanuit de collectieve voorziening schoon huis. Tabel A normering maatwerkmodules bepaalt onder meer dat voor het resultaat ‘een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren’ maximaal 26 uur per jaar (op basis van 30 minuten per week) kan worden toegekend voor extra bewassing of schoonmaak in verband met incontinentie.

Verder wordt ondersteuning vanuit het resultaat ‘beschikken over schone kleding’ voor een meerspersoonshuishouden voor maximaal 39 uur per jaar (op basis van 45 minuten per week) geboden als een persoon een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van zijn kleding. Het doel van dit resultaat is dat de persoon beschikt over schone kleding. De wasverzorging zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het wassen, het drogen en vouwen van kleding en het terugleggen van kleding in de garderobekast. Het wassen, drogen en opvouwen van beddengoed en linnengoed valt niet onder het resultaat van deze module. Dit valt namelijk onder de collectieve voorziening.

8. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder dient te onderbouwen waarop de norm van de collectieve voorziening van 78 uur per jaar hulp bij het huishouden is gebaseerd en dient te onderbouwen dat hiermee een deugdelijk resultaat kan worden bereikt. Ook met de normen in het verleden, die hoger lagen, werd beoogd een woning op een aanvaardbaar niveau schoon te houden. Het is niet zo dat met de oude normen een woning bovengemiddeld schoon gehouden kon worden; ook deze normen waren scherp en gebaseerd op een deskundige analyse van de zorgbehoefte van de leefeenheid. Eisers zien niet in hoe zij nu met 78 uur per jaar (gemiddeld 1,5 uur per week) aan hulp bij het huishouden hun huis schoon kunnen houden, terwijl zij hiervoor eerst 5,5 uur per week toegekend kregen. Dat het aan eisers zou zijn om prioriteiten te stellen, staat volgens hen los van de vraag of met het toegekende aantal uren de woning schoon kan worden gehouden.

9. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de toegekende hoeveelheid minuten ondersteuning berekend is aan de hand van objectieve criteria, te weten normtijden die voortgekomen zijn uit de praktijk van de thuiszorgorganisaties. Verweerder heeft gesprekken gevoerd met zorgaanbieders. De cliëntenraad heeft daarna de mogelijkheid gekregen commentaar te leveren. De normtijden zijn vervolgens neergelegd in de Beleidsregels. De berekening van de norm van 78 uur per jaar is dan ook zorgvuldig tot stand gekomen, aldus verweerder.

10. De rechtbank stelt voorop dat verweerder op grond van de Wmo 2015 de vrijheid heeft om zijn beleid te bepalen. Dergelijk beleid dient door de rechtbank terughoudend te worden getoetst. Als het beleid die terughoudende toets doorstaat, is het aan eisers om omstandigheden aannemelijk te maken die moeten leiden tot het oordeel dat in hun geval van het door verweerder gevoerde beleid afgeweken moet worden.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid dit beleid heeft kunnen vaststellen. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting uitgelegd dat deze norm tot stand is gekomen in overleg met 14 (kleine, middelgrote en grote) zorginstanties, waarna de cliëntenraad zich erover heeft mogen uitspreken. Pas daarna is de norm van 78 uur in de Beleidsregels neergelegd. Dat overleg heeft plaatsgevonden met de zorgaanbieders en de cliëntenraad om het kwaliteitsbeleid te bepalen en is in lijn met de verwachtingen van de regering, zoals hiervoor opgenomen onder 6. Voorts heeft verweerder ter zitting toegelicht dat inmiddels met 15 zorginstanties contracten zijn afgesloten voor het verlenen van hulp in de huishouding, waarbij daadwerkelijk is uitgegaan van die norm van 78 uur op jaarbasis. De rechtbank overweegt dat in de praktijk zorginstanties zich kennelijk in staat achten om met 78 uur op jaarbasis mensen een aanvaardbaar schoon huis te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook voldoende gemotiveerd dat voor de collectieve voorziening met als resultaat een schoon huis, de norm van 78 uur op jaarbasis in beginsel voldoende kan worden geacht. De rechtbank begrijpt dat met 78 uur op jaarbasis – gemiddeld 1,5 uur per week – hulp in de huishouding aan eisers niet dezelfde hoeveelheid hulp kan worden verleend als met 5,5 uur per week. Indien voor de resterende 4 uur niet op andere wijze hulp kan worden gekregen, zal niet hetzelfde eindresultaat bereikt kunnen worden als voorheen. De Wmo 2015 geeft gemeenten evenwel de vrijheid om zelf invulling te geven aan het begrip “ondersteuning”, waarbij het uitgangspunt van de Wmo 2015 geldt dat mensen zo lang mogelijk in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Niet is gebleken dat de lagere normering van 78 uur per jaar zonder meer afbreuk doet aan dat uitgangspunt. Dat andere gemeenten de hulp bij het huishouden anders invullen en/of een hoger aantal uren tot (algemene) norm stellen, maakt ook niet dat het door verweerder gevoerde beleid onredelijk is. De rechtbank wijst hierbij op de memorie van toelichting, waarin door de wetgever is overwogen dat het voorzieningenniveau tussen gemeenten meer zal gaan verschillen. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom niet.

12. Eisers hebben aangevoerd dat geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. Het onderzoek bestond uit een gesprek bij eisers thuis van ongeveer 10 minuten, waarbij een consulent van verweerder heeft verteld dat de regels zijn veranderd en daarom het aantal uren hulp bij het huishouden wordt teruggebracht naar gemiddeld 1,5 uur per week. Dit is volgens eisers geen zorgvuldig onderzoek, maar is uitsluitend een mededeling van een wijziging van het beleid van verweerder. Eisers hebben voorts aangevoerd dat, gelet op de omvang van de hulp in de huishouding, had moeten worden bezien waarom bij de eerdere toekenning een indicatie voor 5,5 uur per week is gegeven. Vervolgens had moeten worden bezien of de situatie sindsdien is gewijzigd. Vaststaat dat, gelet op de leeftijd van eisers, hun beperkingen langzaam maar zeker zullen toenemen. Eisers hebben vanwege hun beperkingen grotere behoefte aan hulp bij het huishouden. Zij hebben bijvoorbeeld beiden incontinentieproblemen, waardoor het toilet dagelijks schoongemaakt moet worden en ook het beddengoed vaker dan normaal gewassen moet worden. De algemene voorziening is daarom volgens eisers onvoldoende om het gewenste resultaat van een schoon en leefbaar huis te bereiken. Verder hebben eisers gesteld dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt gezegd dat eisers zelf de regie voeren over het huishouden. Dit doet hun dochter.

13. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat wel een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, nu er een huisbezoek heeft plaatsgevonden waarbij de beperkingen van eisers zijn besproken. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in hun geval van de Beleidsregels zou moeten worden afgeweken en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De door eisers gestelde gezondheidsproblemen maken niet dat de normering onjuist, onvolledig of onzorgvuldig is. De gestelde problemen zeggen niets over de geboden ondersteuning en maken ook niet dat meer ondersteuning geboden zou moeten worden, nu de toegekende ondersteuning ziet op het schoonmaken van de woning en de gezondheidsproblematiek van eisers daar geen invloed op heeft. Dat de dochter van eisers ontslag heeft genomen om voor eisers te zorgen is – gelet op de achtergrond van de Wmo 2015 en de nieuwe inzichten omtrent zorgverlening in Nederland – te begrijpen en passend in het beeld. Nu de dochter van eisers een pgb ontvangt als zorgverlener, verwacht verweerder dat zij eisers helpt en ondersteunt. Van (dreigende) overbelasting van de dochter is niet gebleken. Verweerder ziet geen aanleiding om een individuele maatwerkvoorziening toe te kennen, nu niet is gebleken dat er een hogere mate van hygiëne is vereist en ook niet is gebleken dat er bijvoorbeeld meer vervuiling is dan in andere gevallen. Voorts is verweerder niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat meer uren ondersteuning moet worden toegekend.

14. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eisers beperkingen ondervinden waarvoor zij eerder compensatie in de vorm van een pgb voor 5,5 uur hulp bij het huishouden per week op grond van de Wmo toegekend hebben gekregen. Voorts staat tussen partijen vast dat eisers ondersteuning op grond van de Wmo 2015 moet worden geboden, omdat voor het structureel verzorgen in onvoldoende mate eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg of vrijwilligershulp aanwezig is.

15. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank stelt vast dat op 29 oktober 2014 een huisbezoek bij eisers heeft plaatsgevonden waarbij een medewerker van verweerder een gesprek heeft gevoerd met de dochter van eisers, die de (mantel)zorg voor eisers op zich heeft genomen. Tijdens dat gesprek zijn de beperkingen van eisers besproken en is gevraagd of zich wijzigingen hebben voorgedaan. Van dit gesprek is een verslag gemaakt dat is neergelegd in het rapport herindicatie van 29 oktober 2014 (rapport herindicatie).

Eisers hebben voor het eerst in beroep aangevoerd dat zij niet zelf de regie kunnen voeren over het huishouden, maar dat hun dochter dat doet. Verweerder heeft ter zitting met een verwijzing naar het rapport herindicatie, waarin staat dat eisers zelf koffie/thee kunnen zetten en de broodmaaltijd kunnen maken, betwist dat eisers niet de regie over hun huishouden kunnen voeren. Tegen deze achtergrond bezien hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat zij niet in staat zijn de regie over het huishouden te voeren en dat zij hiervoor een hogere indicatie nodig hebben. De beroepsgrond faalt.

Eisers hebben in beroep verder aangevoerd dat verweerder geen rekening heeft gehouden met hun incontinentieproblemen, waardoor vaker dan gebruikelijk het toilet schoongemaakt moet worden en vaker het beddengoed moet worden gewassen. De rechtbank stelt vast dat noch in het gespreksverslag, noch overigens in het rapport herindicatie aanknopingspunten zijn te vinden dat deze problematiek door eisers of hun dochter naar voren is gebracht tijdens het gesprek. De incontinentieproblemen zijn evenmin in de bezwaarfase door eisers naar voren gebracht. Om die reden kan verweerder niet verweten worden dat daarnaar eerder geen onderzoek is gedaan. De in beroep naar voren gebrachte incontinentieklachten zijn door verweerder echter niet als zodanig betwist, zodat de rechtbank uitgaat van het bestaan van de incontinentieklachten. De rechtbank constateert dat in verweerders beleid, zoals hiervoor onder 7. weergegeven, is bepaald dat een betrokkene vanwege incontinentie in aanmerking kan komen voor een maatwerkmodule in aanvulling op de collectieve voorziening. Nu moet worden uitgegaan van het bestaan van incontinentieklachten bij eisers, behoort verweerder nader onderzoek te doen naar de vraag of dit moet leiden tot een hogere indicatie. De stelling van verweerder ter zitting dat eisers incontinentiemateriaal gebruiken en niet is gebleken dat dat niet afdoende is, volstaat daartoe niet. Er is daarom sprake van strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin zorgvuldig onderzoek gedaan naar de noodzaak van een wasvoorziening voor eisers. Uit de stukken betreffende de eerdere indicaties voor hulp bij het huishouden – waaronder de besluiten van verweerder van 10 augustus 2007, 27 mei 2008 en 17 september 2008 en de bijbehorende rapporten van het Centrum Indicatiestelling Zorg – maakt de rechtbank op dat eisers voorheen ook waren geïndiceerd voor hulp bij het huishouden voor het wassen van de kleding. Niet is gebleken dat eisers nu wel zelf de kleding kunnen wassen en daarmee zelf het resultaat van schone kleding, zoals bedoeld in de Beleidsregels en waarvoor een aanvullende module bestaat, kunnen realiseren. Ook is niet gebleken dat verweerder dit onderdeel van de eerdere indicatie bij zijn onderzoek heeft betrokken. Ook op dit punt is het onderzoek onzorgvuldig geweest en in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

16. Zoals hiervoor is overwogen onder 15. is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om de gebreken te herstellen, moet verweerder nader onderzoek doen naar de vraag of eisers, gelet op hun beperkingen, in aanmerking dienen te komen voor de aanvullende module(s) ‘een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren’ en/of ‘beschikken over schone kleding’. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak.

17. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, voorzitter, en mr. G.P. Loman en mr. M.E. Falkmann, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2015.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.