Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1378

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
C-16-354579 - HA ZA 13-770
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schade als gevolg van ontruiming Ubica-panden. Vorderingen van de Gemeente, Politie en (gecedeerde vorderingen) omwonenden wordt toegewezen. Aansprakelijkheid voor groepshandelingen op grond van artikel 6:166 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/369
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/354579 / HA ZA 13-770

Vonnis van 18 maart 2015

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE POLITIE,

zetelend te Den Haag,

eiseressen,

advocaat mr. N. Vloemans te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2 [gedaagde sub 2]

wonende te [woonplaats],

3 [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4 [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

5 [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6 [gedaagde sub 6],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

7 [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats],

8 [gedaagde sub 8],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

9 [gedaagde sub 9],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat gedaagden sub 1, 6, 7 en 9: mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

advocaat gedaagden sub 2, 3, 4, 5 en 8: mr. M.A.R. Schuckink Kool te Den Haag.

Partijen zullen hierna de Gemeente Utrecht, de Politie en [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 maart 2014,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

2 De feiten

2.1.

In de nacht van 24 op 25 mei 2013 hebben de Gemeente Utrecht en Politie klachten binnengekregen over overlast. Deze overlast werd veroorzaakt vanuit een tweetal panden gelegen aan [adres] en [adres] te [woonplaats] (de Ubica-panden). Er werden autobanden in brand gestoken, verfbommen gegooid, vuurwerk afgestoken en er was sprake van geluidsoverlast.

2.2.

De Gemeente Utrecht en Politie hebben gezamenlijk besloten in te grijpen met behulp van de Mobiele Eenheid van de Politie. De Politie heeft een inval gedaan in de Ubica-panden. In en om de Ubica-panden heeft de Politie tien personen aangetroffen, waaronder [gedaagden] Zij werden allemaal aangehouden.

2.3.

Voorafgaand aan en tijdens deze actie is schade ontstaan aan eigendommen van de Gemeente Utrecht en Politie. Er werden afvalbakken, lantarenpalen en banken bij het stadhuis beschadigd/vervuild en er is politiemateriaal beschadigd. De Gemeente Utrecht en Politie hebben op 24 juni 2013 [gedaagden] voor deze schade aansprakelijk gesteld.

2.4.

Op 18 november 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vonnis gewezen in een strafzaak tegen [gedaagden], waarbij zij zijn veroordeeld wegens het opzettelijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen. Een tiende persoon die werd aangetroffen in de Ubica-panden werd vrijgesproken. [gedaagden] hebben cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In cassatie is onder meer aan de orde de vraag of het Gerechtshof tot bewezenverklaring had mogen komen. Op het moment van het wijzen van dit vonnis is niet bekend dat in cassatie een uitspraak is gedaan.

2.5.

De Gemeente Utrecht heeft bij brieven van 8 juli 2013 en 9 oktober 2014 de omwonende en omliggende ondernemers van de Ubica-panden aangeboden hun vorderingen tot vergoeding van schade over te nemen. Op 22 juli 2013, 4 oktober 2013 en 11 oktober 2013 hebben drie betrokkenen, te weten: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3/4], van dit aanbod gebruik gemaakt. Zij hebben hun vorderingen voor een totaalbedrag van € 3.430,34 bij akte overgedragen.

3 Het geschil

3.1.

De Gemeente Utrecht en Politie vorderen samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van respectievelijk € 30.835,79 en € 29.105,07, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

De Gemeente Utrecht en Politie hebben het navolgende aangevoerd.

3.2.1.

[gedaagden] hebben ieder voor zich een onrechtmatige daad gepleegd jegens de Gemeente Utrecht en Politie (artikel 6:162 BW). Uit het arrest van het Gerechtshof blijkt dat sprake is van openlijke geweldpleging. Hoewel niet kan worden vastgesteld wie van de gedaagden welke verfbom gooide, geldt dat zij aanwezig waren in de Unica-panden en ieder voor zich hebben meegedaan aan het verstoren van de openbare orde.

3.2.2.

[gedaagden] zijn als groep aansprakelijk voor de schade van de Gemeente Utrecht en Politie (artikel 6:166 BW). [gedaagden] zijn, samen met één andere persoon, in de Ubica-panden aangehouden. Uit hun gedragingen kan worden afgeleid dat zij doelbewust en gecoördineerd te werk zijn gegaan bij het verstoren van de openbare orde en het toebrengen van de schade. [gedaagden] bevonden zich op strategische posities in en om de Ubica-panden. Zij moeten over deze posities overleg hebben gehad. [gedaagden] beschikten over vuurwerk, autobanden en verfbommen. Het gebruik daarvan heeft altijd schade tot gevolg. Het is niet juist dat er gedurende de nacht personen de Ubica-panden in en uit zijn gegaan.

3.2.3.

De Gemeente Utrecht en Politie hebben de schade aan hun eigendommen laten herstellen. De Gemeente Utrecht heeft de kosten van schoonmaak en herstel begroot op een bedrag van € 27.405,45 (exclusief btw). In dit bedrag zijn begrepen de kosten van afsluiting van de Ubica-panden ten bedrage van € 3.146,45 (exclusief btw). De schade van omwonende en omliggende ondernemingen (de gecedeerde vorderingen) beloopt een bedrag van € 3.430,34. De totale vordering van de Gemeente Utrecht bedraagt derhalve € 30.835,79. De Politie heeft de kosten van schoonmaak en herstel van haar eigendommen begroot op een totaalbedrag van € 29.105,07 (exclusief btw).

3.3.

[gedaagden] voeren verweer als volgt.

3.3.1.

Er is geen bewijs voor een onrechtmatige daad van [gedaagden] Zij zijn weliswaar veroordeeld voor openlijke geweldpleging, maar deze veroordeling is niet in kracht van gewijsde gegaan. In het strafproces is vooralsnog alleen de aanwezigheid van [gedaagden] in een van de Ubica-panden onderdeel van de bewijsvoering. [gedaagden] wordt in strafrechtelijke zin verweten dat zij zich onvoldoende van de openlijke geweldpleging hebben gedistantieerd. Dit is geen onrechtmatige daad van [gedaagden]

3.3.2.

[gedaagden] behoren niet tot een groep in de zin van artikel 6:166 BW. Het enkele gezamenlijk verblijven in twee met elkaar verbonden panden is daarvoor onvoldoende. Het doel van [gedaagden] bestond in beginsel uit een vreedzaam protest tegen een voorgenomen ontruiming. Er was geen collectieve intentie tot het gebruiken van geweld. De Ubica-panden zijn in omvang zo groot dat niet iedere daarin aanwezige weet wat zich in andere gedeelten van het pand heeft afgespeeld. Het was voor [gedaagden] niet mogelijk zich te distantiëren van het geweld, zonder hun eigen vreedzame protest op te geven.

3.3.3.

De schade van de Gemeente Utrecht en Politie is onvoldoende onderbouwd. Er zijn geen facturen overgelegd of bewijs van betaling van kosten. Het is niet duidelijk waarom politieholsters zijn vervangen, terwijl de pistolen niet zijn vervangen. Het is niet duidelijk waarom kleding moet worden vervangen en niet kan worden hersteld. Er is geen verband tussen de schade van [betrokkene 1] en het onrechtmatig handelen. De vordering van [betrokkene 2] is onderbouwd door middel van een offerte van 1 oktober 2013. Het is ongeloofwaardig dat dit iets met de gebeurtenissen op 24 en 25 mei 2013 te maken heeft. De vordering van [betrokkene 3/4] is niet inzichtelijk. De ligging van het pand van [betrokkene 3] maakt het praktisch onmogelijk dat er schade aan dit pand is ontstaan.

3.3.4.

[gedaagden] doen een beroep op matiging, waarbij een rol moet spelen dat hun schuld niet verder gaat dan de aanwezigheid in het pand. Hun inkomsten en vermogen staan vergoeding van de schade niet toe.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Individuele aansprakelijkheid

4.1.

De Gemeente Utrecht en Politie hebben onvoldoende feiten aangevoerd waaruit blijkt van een individueel onrechtmatig handelen van [gedaagden] Op grond van artikel 161 Rv levert een vonnis van de Nederlandse strafrechter dwingende bewijskracht op, indien het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, daarin het gestelde feit bewezen is verklaard en het vonnis op tegenspraak is gewezen. In het onderhavige geval is geen sprake van een vonnis dat kracht van gewijsde heeft gekregen, nu [gedaagden] cassatie hebben ingesteld. Daar komt bij dat de Gemeente Utrecht en Politie geen inzicht hebben gegeven in de feiten die in het vonnis bewezen zijn verklaard. De Gemeente Utrecht en Politie hebben volstaan met de stelling dat [gedaagden] in eerste en tweede aanleg veroordeeld zijn wegens openlijke geweldpleging. Wat de individuele (bewezenverklaarde) gedragingen van [gedaagden] zijn geweest en hoe deze gedragingen schade hebben veroorzaakt, blijkt niet uit de stellingen van de Gemeente Utrecht en Politie. Een veroordeling voor openlijke geweldpleging kan weliswaar duiden op een onrechtmatig handelen, maar zonder dat specifiek wordt gesteld waaruit de openlijke geweldpleging heeft bestaan, kan geen causaal verband worden vastgesteld tussen individuele handelingen van [gedaagden] en de schade.

4.2.

Het enkele feit dat [gedaagden] zich hebben begeven in de Ubica-panden en hadden besloten zich te verzetten is onvoldoende om vast te stellen dat sprake is van onrechtmatig handelen met schade tot gevolg. Ter comparitie is van de zijde van de Gemeente Utrecht en Politie opgemerkt dat niet kon worden vastgesteld of [gedaagden] daadwerkelijk hebben gegooid met verfbommen of vuurwerk, (geluids)overlast hebben veroorzaakt of brand hebben gesticht. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat [gedaagden] individueel onrechtmatig hebben gehandeld, als gevolg waarvan de Gemeente Utrecht en Politie de gestelde schade hebben geleden. De vordering van de Gemeente Utrecht en Politie wordt afgewezen voor zover zij is gegrond op artikel 6:162 BW.

Groepsaansprakelijkheid

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat personen aanwezig in en om de Ubica-panden hebben gegooid met verfbommen en vuurwerk, (geluids)overlast hebben veroorzaakt en brand hebben gesticht. Dergelijke handelingen zijn als onrechtmatig te kwalificeren. In artikel 6:166 BW is bepaald dat [gedaagden] hiervoor aansprakelijk zijn, indien zij hebben behoort tot de groep, waarvan één of meerdere personen onrechtmatig schade aan de Gemeente Utrecht en Politie heeft toegebracht en de kans op het aldus toebrengen van schade [gedaagden] van hun gedragingen in groepsverband had behoren te weerhouden.

4.4.

Voor het aannemen van een groepsverband is vereist dat [gedaagden] aan groepsgedragingen hebben deelgenomen en dat zij zich hiervan bewust waren. [gedaagden] bevonden zich in en om de Ubica-panden van waaruit de verfbommen en het vuurwerk zijn gegooid. Zij hadden een gezamenlijk doel, namelijk zich te verzetten tegen een ontruiming van de Ubica-panden. De Gemeente Utrecht en Politie hebben gesteld, welke stelling [gedaagden] onvoldoende gemotiveerd hebben betwist, dat zij zich op strategische punten in en om het pand hadden gepositioneerd. Ook indien hun voornemen uitsluitend was zich vreedzaam te verzetten, geldt dat [gedaagden] hiermee onderdeel zijn van een groep. Voldoende voor het aannemen van een groepsverband is immers dat [gedaagden] zich ervan bewust waren dat zij niet zelfstandig handelden, maar dat hun verzet tegen de ontruiming (gewild of ongewild) onderdeel is geworden van het geheel van de gedragingen van anderen met eenzelfde doel. Dat anderen minder vreedzame middelen wilden inzetten, maakt niet dat zij als een andere groep moeten worden gezien.

4.5.

Het verweer van [gedaagden] dat er sprake is geweest van verschillende groepen, omdat personen gedurende de nacht de Ubica-panden in en uit zijn gegaan, is onvoldoende gemotiveerd. [gedaagden] hebben geen duidelijkheid gegeven over hun precieze betrokkenheid en waarom zij wel of niet tot een bepaalde groep zouden behoren. [gedaagden] zijn aangehouden in en om de Ubica-panden. In en om de Ubica-panden was gedurende de gehele nacht sprake van onrechtmatigheden. Er is onder dergelijke omstandigheden geen aanleiding verschillende groepen te onderscheiden. Als [gedaagden] vanaf het begin aanwezig zijn geweest, geldt dat zij bij de groep van aanwezigen in en om de Ubica-panden horen. Dit is niet anders als zij zich later bij deze groep hebben gevoegd.

4.6.

Gelet op het voorgaande staat voldoende vast dat [gedaagden] behoorden tot een groep en dat een of meer van de leden van deze groep onrechtmatig hebben gehandeld.

4.7.

Voor aansprakelijkheid van [gedaagden] is voorts vereist dat de kans op de schade hen van hun gedragingen in groepsverband hadden behoren te weerhouden. Nodig is in de eerste plaats dat de gezamenlijkheid van het handelen de kans op schade verhoogt, met name door het ontstaan van een sfeer die het gevaar oproept of vergroot. In de tweede plaats is nodig dat [gedaagden] deze kans bewust hebben aanvaard. De navolgende omstandigheden zijn bij de beoordeling van dit punt van belang.

4.7.1.

Het ingrijpen van de Politie tijdens de bewuste nacht was niet het gevolg van een aangezegde ontruiming van de Ubica-panden. Er was weliswaar een arrest gewezen, waarin de ontruiming werd bevolen, maar een aanzegging tot ontruiming was niet de aanleiding voor het ingrijpen door de Politie. In en om de Ubica-panden werd ernstige overlast veroorzaakt en er werd in de dichtbebouwde binnenstad van Utrecht brand gesticht. Het ingrijpen door brandweer was noodzakelijk. De in de Ubica-panden aanwezige groep was hiervoor verantwoordelijk. Toen de brandweer arriveerde, bleek zij niet in staat om branden te blussen, omdat zij werd gehinderd door verfbommen en vuurwerk. Vervolgens heeft de Politie in samenspraak met de Gemeente Utrecht besloten in te grijpen. Hieruit blijkt dat in en om de Ubica-panden geen vreedzame sfeer bestond, nog voordat de Politie tot ontruiming van de panden had besloten en het verzet van [gedaagden] begon.

4.7.2.

In de Ubica-panden heeft de Politie verfbommen, vuurwerk en autobanden aangetroffen. De aanwezigheid hiervan vergroot de kans dat een gezamenlijk verzet tegen een ontruiming schade aan de omgeving zal veroorzaken. [gedaagden] hebben onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij niet zouden hebben geweten dat in het pand verfbommen, vuurwerk en autobanden aanwezig waren. De Ubica-panden zijn groot, maar zonder nadere toelichting van de zijde van [gedaagden] over waar in de panden zij verbleven, kan niet worden vastgesteld dat de panden zo groot waren dat een van hen niet op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van deze middelen. Daar komt bij dat vanuit de Ubica-panden al volop gebruik werd gemaakt van de verfbommen, het vuurwerk en was brand gesticht, nog voordat het beoogde vreedzame verzet was begonnen.

4.7.3.

Uit het voorgaande blijkt dat de ontruiming van de Ubica-panden is begonnen met een ernstige verstoring van de openbare orde door de in en om de Ubica-panden aanwezige groep. Er was sprake van geluidsoverlast en brandstichting. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een vreedzaam verzet tegen een ontruiming zoals [gedaagden] zouden hebben beoogd. Een daadwerkelijk vreedzaam verzet is [gedaagden] onmogelijk gemaakt door het optreden van de groep. De actie van de Politie was erop gericht een einde te maken aan de verstoring van de openbare orde en niet op een ontruiming van de Ubica-panden. Een groep die uit is op vreedzaam verzet, moet zich niet voegen bij een groep die uit is op gewelddadig verzet, maar zich daarvan distantiëren. [gedaagden] hebben dat bewust niet gedaan. Door binnen de groep te blijven, hebben [gedaagden] de verdere vernielingen ondersteund. Hun blijvende aanwezigheid in en om de Ubica-panden heeft bijgedragen aan het voortduren van het onrechtmatige verzet tegen het ingrijpen door de Politie en brandweer.

4.8.

Gelet op het voorgaande, geldt dat [gedaagden] de kans op het ontstaan van de schade door hun aanwezigheid in de groep hebben vergroot en deze kans bewust hebben aanvaard. Een vreedzaam verzet tegen een ontruiming heeft in de regel niet de onderhavige schade tot gevolg, maar de kans op schade is groot als anderen het verzet gaan ondersteunen door het plegen van geweld en vernielingen. [gedaagden] hadden zich niet bij deze groep mogen voegen of hun verzet tegen de ontruiming moeten staken, met als logisch gevolg dat de vernielingen sneller zouden stoppen.

4.9.

De conclusie uit het voorgaande is dat [gedaagden] aansprakelijk zijn voor geleden schade op grond van artikel 6:166 BW.

Schade

4.10.

Op grond van artikel 6:97 BW kan de omvang van de schade worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Kan de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan kan zij worden geschat.

4.11.

Uit artikel 6:166 BW volgt dat [gedaagden] zich niet aan mede-aansprakelijkheid kunnen onttrekken door zich te beroepen op het ontbreken van een causaal verband tussen hun gedragingen in groepsverband en de door de Gemeente Utrecht en Politie geleden schade. Voldoende is dat een causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van een of meer van de groepsleden en de schade. Zoals hiervoor werd overwogen, bestaat dit onrechtmatig handelen uit het gooien van verfbommen en vuurwerk, het veroorzaken van overlast en brandstichting. Onderdeel van de door de Gemeente Utrecht gevorderde schadevergoeding zijn de kosten voor afsluiting van de Ubica-panden ten bedrage van € 3.146,45 (exclusief btw). Uit de stellingen van de Gemeente Utrecht volgt, gelet op het verweer van [gedaagden], onvoldoende dat deze schade verband houdt met voormeld onrechtmatig handelen. De vordering van de Gemeente Utrecht wordt op dit punt derhalve afgewezen.

4.12.

De gecedeerde schadevordering van [betrokkene 1] ad € 77,49 is het gevolg van de onrechtmatige overlast. Hierdoor heeft zij een klant de kosten van een hotelovernachting moeten terugbetalen. Het verweer van [gedaagden] wordt verworpen.

4.13.

De door [betrokkene 2] gecedeerde vordering ad € 437,85 wordt onderbouwd door middel van een offerte van 1 oktober 2013. Deze offerte is weliswaar afgegeven lang nadat het onrechtmatig handelen heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt echter, anders dan [gedaagden] hebben gesteld, niet dat deze schade niet zou zijn geleden. De schade heeft blijkens de offerte betrekking op het schoonmaken van 10 ramen en kozijnen van roet en verf aan de [adres]. Dergelijk schade is het voorzienbare gevolg van het onrechtmatige handelen. Het verweer van [gedaagden] wordt verworpen.

4.14.

De Gemeente Utrecht heeft aanspraak gemaakt op een door [betrokkene 3] (althans [betrokkene 4]) gecedeerde vordering ten bedrage van € 2.915,00. Uit de bij deze akte van cessie gevoegde factuur blijkt een schade ten bedrage van € 2.809,00. Dit laatste bedrag kan worden toegewezen. De stelling van [gedaagden] dat het pand van [betrokkene 3] gezien de ligging daarvan niet kan zijn beschadigd, is onvoldoende onderbouwd en wordt verworpen. Het pand van [betrokkene 3] ligt op nummer [nummer], terwijl de Ubica-panden op nummers [nummer] en [nummer] zijn gelegen. Zonder nadere toelichting van de zijde van [gedaagden] is niet duidelijk waarom het buurpand geen schade zou kunnen hebben opgelopen. Het verweer van [gedaagden] wordt verworpen.

4.15.

Voor het overige komt voldoende vast te staan dat de kosten van het schoonmaken en herstellen van eigendommen door de Gemeente Utrecht en de Politie verband houden met de gevolgen van verfbommen en vuurwerk. De Gemeente Utrecht heeft deze schade begroot op een bedrag van € 24.259,00 (zijnde: € 27.405,45 verminderd met de afsluitingskosten ad € 3.146,45). De Politie heeft haar schade begroot op een bedrag van € 29.105,07. De Gemeente Utrecht en Politie hebben hun schade voldoende onderbouwd. De overlegde begroting geeft inzicht in de verschillende schadeposten en de omvang van de schadeposten is voldoende komen vast te staan, ook zonder dat de Gemeente Utrecht en Politie de gemaakte kosten van herstel verder onderbouwen. Daarbij is van belang dat het ontstaan van een schade van deze omvang voorzienbaar was en past bij de verschillende opgevoerde kostenposten. [gedaagden] hebben hun stelling dat deze schade niet daadwerkelijk is ontstaan, onvoldoende feitelijk onderbouwd en zij hebben onvoldoende concreet gemaakt welke van de aangevoerde posten in omvang niet zouden kunnen kloppen. Er is geen aanleiding voor nadere bewijsopdrachten. Het verweer van [gedaagden] wordt derhalve verworpen.

4.16.

Gelet op al het voorgaande, wordt de schade van de Gemeente Utrecht begroot op een totaalbedrag van € 27.583,34 (zijnde € 24.259,00 + € 77,49 + € 437,85 + € 2.809,00). De schade van de Politie wordt begroot op een totaalbedrag van € 29.105,07.

Matiging

4.17.

Op grond van artikel 6:109 BW kan een wettelijke verplichting tot schadevergoeding worden gematigd. Hierbij is van belang of de toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Uit de stellingen van [gedaagden] volgt niet welke kennelijk onaanvaardbare gevolgen een toewijzing van de volledige schadevergoeding zou hebben. [gedaagden] hebben geen inzicht in hun gezamenlijke inkomsten en/of vermogens gegeven. Daar komt bij dat de aard van de aansprakelijkheid is gegrond op het onrechtmatig groepsoptreden van [gedaagden] Het gebruik van vuurwerk, verfbommen en het stichten van brand in de binnenstad van Utrecht had een veel grotere schade tot gevolg kunnen hebben dan nu wordt toegewezen. [gedaagden] hebben de kans op het ontstaan van deze schade aanvaard, zodat hen geen beroep op matiging toekomt.

Rente en kosten

4.18.

De gevorderde wettelijke rente kan op basis van de stellingen van de Gemeente Utrecht en Politie worden toegewezen vanaf het moment waarop de schade in ieder geval was ontstaan, namelijk 25 mei 2013. Op basis van de stellingen van partijen kan niet worden vastgesteld dat de beschadigingen al op 24 mei 2013 een feit waren.

4.19.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Gemeente Utrecht hebben niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk hebben gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.20.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente Utrecht en Politie worden begroot op:

- dagvaarding € 99,81

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.093,81

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan de Gemeente Utrecht te betalen een bedrag van € 27.583,34 (zevenentwintigduizend vijfhonderddrieëntachtig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 25 mei 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan de Politie te betalen een bedrag van € 29.105,07 (negentwintigduizend honderdvijf euro en zeven eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 25 mei 2013 tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente Utrecht en Politie gezamenlijk tot op heden begroot op € 3.093,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de Gemeente Utrecht of Politie volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2015.1

1 type: PJN/4256 coll: ML/4324