Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1351

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
06-03-2015
Zaaknummer
16.661760-14 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, zware mishandeling, poging tot zware mishandeling, mishandeling op 09 augustus 2014 te Bussum. Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.661760-14 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1975] te [geboorteplaats] (Marokko),

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Almere.

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 18 november 2014 en hervat op

10 februari 2015, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Daarbij is de verdachte verschenen, bijgestaan door mr. H.H.M. Helleman, advocaat te Bussum.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. N.T.R.M. Franken en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met kracht met een mes in de borst en/of de lies en/of de wang en/of de arm, in elk geval in het lichaam, van die[slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met een mes in de borst en/of de lies en/of de arm en/of de wang, in elk geval in het lichaam, van die[slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gedeeltelijk afgebeten oor), heeft toegebracht, door voornoemde[slachtoffer 1] opzettelijk met kracht meermalen, althans éénmaal, in het oor te bijten.

3.

Primair

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, met een mes in het gezicht, althans in/tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen/gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] meermalen, althans éénmaal, met een mes en/of met een vuist in het gezicht, althans in/tegen het lichaam, heeft gesneden/geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

4.

hij op of omstreeks 09 augustus 2014 te Bussum, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] meermalen, althans éénmaal, met een mes in zijn arm heeft gestoken/gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van de inhoud van het dossier de aan verdachte onder

1 primair (poging tot moord), 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op de in het ter zitting overgelegde schriftelijke requisitoir omschreven gronden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord en poging tot doodslag vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs voor voorbedachte raad bij verdachte en wegens gebrek aan bewijs voor de opzet van verdachte op het van het leven willen beroven van [slachtoffer 1]. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, stelt de raadsvrouw dat verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging, zodat hij op grond van noodweer(exces) dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 tenlastegelegde te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van noodweer(exces).

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is voor de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Zij heeft daarom verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht verdachte van feit 3 primair en feit 3 subsidiair te ontslaan van alle rechtsvervolging op grond van noodweer(exces).

De raadsvrouw heeft voornoemde standpunten verwoord in de ter zitting overgelegde pleitnota.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank overweegt omtrent de bewezenverklaring als volgt.

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3 en feit 4

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 9 augustus 2014 samen met[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in een café in Bussum was.2 Omstreeks 00.15 uur waren ze naar huis gegaan. Zij zijn via de Havenstraat de Kapelstraat opgelopen richting de kruising Nieuwe Brink. Toen ze de kruising op twee meter waren genaderd kwam er ineens een man de hoek om. Terwijl[slachtoffer 1] oog in oog met de man stond voelde hij dat de man hem met een steekvoorwerp in zijn borst stak. Het bloed gutste eruit. Toen hij op de grond lag sprong de man op hem. Ineens voelde[slachtoffer 1] een helse pijn aan zijn linkeroor. Hij voelde dat de man in zijn oor aan het bijten was. De man beet een deel van zijn oor af. Op het moment dat de man in zijn oor beet zag en voelde[slachtoffer 1] dat de man continu op zijn lichaam aan het insteken en snijden was.3 Het gezicht van de man was heel dichtbij en[slachtoffer 1] herkende hem als [verdachte].4

De rechtbank maakt uit de letselverklaring op dat bij [slachtoffer 1] als gevolg van het gebeuren op 9 augustus 2014 het volgende letsel werd geconstateerd:

een hap uit zijn linkeroorschelp, een insteekverwonding twee centimeter rechts van het borstbeen, welke messteek heeft geleid tot de verwonding van de rechter longslagader, een soortgelijke verwonding enkele millimeters links van de rechtertepel, welke heeft geleid tot de ingeklapte rechterlong, een soortgelijke steekverwonding rechts van de rechtertepel, een kras aan de middenzijde van de rechteroorschelp schuin naar beneden met aan het einde een insteekverwonding en krassen in de rechterlies en op de rechterbovenarm. Het mes was door zijn wang heen gegaan. Ook was sprake van een grote operatiewond op de voorzijde van de rechterborst. Een operatie was noodzakelijk geweest om de bloeding van de longslagader te stoppen en de verwonding aan het bloedvat te hechten.5

[slachtoffer 2]heeft verklaard dat ze in de Kapelstraat liepen en dat ze zag dat [verdachte] er aan kwam en meteen in de richting van [slachtoffer 1] liep. Toen zag ze dat [slachtoffer 1] werd gestoken. Ze was tussen [verdachte] en [slachtoffer 1] in gesprongen. [verdachte] hield het mes boven zijn hoofd en hij haalde het mes al slaand langs haar gezicht ter hoogte van haar oog.6

Bij [slachtoffer 2] is rechts van de rechterwenkbrauw een sneetje met een breedte van één centimeter geconstateerd.7

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat ter hoogte van de Nieuwe Brink en de Kapelstraat de dader de hoek om kwam en meteen op [slachtoffer 1] afrende en hem belaagde.8 Toen [slachtoffer 3] de man daarna vast had zag hij dat de punt van een mes uit zijn vuist stak. Het shirt van [slachtoffer 1] zat onder het bloed.9 De dader hield het mes stevig vast. [slachtoffer 3] zag dat[slachtoffer 2] dicht bij hen stond en dat de dader in een draai met het mes[slachtoffer 2] in haar gezicht raakte. Vervolgens voelde [slachtoffer 3] een pijnscheut aan zijn rechterbovenarm. De dader had hem ook met het mes geraakt.10

Bij [slachtoffer 3] was een gebied met een doorsnee van twee centimeter op de buitenzijde van de rechterbovenarm oppervlakkig bekrast.11 De rechtbank heeft kennis genomen van de foto van dit letsel in het dossier.12

Verdachte heeft verklaard dat hij op de Kapelstraat in gevecht was geraakt met aangevers en dat hij daarbij een opengeklapt mes uit zijn zak had gepakt. Hij had met het mes staan zwaaien. Het zou kunnen dat hij[slachtoffer 1] met dat mes had gestoken. Verdachte verklaarde dat hij een stuk uit het oor van[slachtoffer 1] had gebeten.13

De rechtbank stelt op grond van voornoemd bewijs vast dat verdachte op de Kapelstraat [slachtoffer 1] direct aanviel, dat hij [slachtoffer 1] daarbij meermalen heeft gestoken in zijn borst en hem heeft gestoken in zijn wang, dat hij [slachtoffer 1] met het mes in zijn lies en in zijn arm heeft gesneden, dat hij[slachtoffer 2] met het mes boven haar oog heeft gesneden en dat hij [slachtoffer 3] met het mes in zijn arm heeft gesneden.

Ten aanzien van feit 1 primair

De rechtbank overweegt dat blijkens de verklaringen van aangevers eerder die avond een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en daarna nog een confrontatie tussen verdachte en [slachtoffer 1],[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. Na deze tweede confrontatie bij de fontein volgt de derde confrontatie in de Kapelstraat met de hierboven genoemde gevolgen. De verklaringen van de aangevers en de verklaring van verdachte wijzen op een korte tijdspanne tussen de tweede en de derde confrontatie. De tijd die verdachte heeft gehad tussen de ruzie bij de fontein en het steken door verdachte op de Kapelstraat is te kort om vast te kunnen stellen dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg en dus met voorbedachte raad heeft gehandeld. De eerdere confrontaties zijn daarbij een contra-indicatie voor het handelen met voorbedachte raad door verdachte. Deze confrontaties lijken eerder een soort van escalatie bij verdachte te hebben doen ontstaan waarna verdachte heeft gehandeld op de wijze als door de rechtbank vastgesteld. De rechtbank is aldus van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad en zij zal verdachte daarom van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot moord vrijspreken.

De rechtbank is gelet op voornoemde verklaringen van oordeel dat verdachte het slachtoffer willens en wetens heeft gestoken en voorts dat dit steken gelet op het gehanteerde wapen, het aantal toegebrachte steken, de intensiteit van het steken en de plek van het steken, namelijk onder meer direct in de borst, was gericht op de dood van het slachtoffer. De rechtbank acht aldus de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangever[slachtoffer 1], de geneeskundige verklaring omtrent het letsel aan het oor van[slachtoffer 1] en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte met kracht in het oor van[slachtoffer 1] heeft gebeten en een stuk van zijn oor heeft afgebeten. Gelet op het feit dat[slachtoffer 1] hierdoor blijvend aangezichtsletsel heeft is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht daarmee het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3 primair

Op grond van de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2], de geneeskundige verklaring omtrent het letsel bij [slachtoffer 2] en de verklaring van [slachtoffer 3], acht de rechtbank bewezen dat verdachte met een mes in het gezicht van [slachtoffer 2] heeft gesneden. Door tijdens de vechtpartij met aangevers met het mes om zich heen te zwaaien, terwijl [slachtoffer 2] bij verdachte in de buurt stond, bestond de aanmerkelijke kans dat verdachte [slachtoffer 2] met het mes zou raken. Verdachte heeft [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk geraakt met het mes en wel vlak boven haar oog. Gelet op de plek waar [slachtoffer 2] geraakt is bestond de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 2] door het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Uit het genoemde gedrag van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte die aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar letsel ook bewust aanvaard heeft. De rechtbank acht aldus de onder feit 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht op grond van de verklaring van aangever [slachtoffer 3] en het letsel dat [slachtoffer 3] blijkens de geneeskundige verklaring en de foto op zijn arm heeft opgelopen bewezen dat verdachte [slachtoffer 3] met een mes in zijn arm heeft gesneden. De rechtbank acht daarmee de onder feit 4 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Primair

op 09 augustus 2014 te Bussum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen met kracht met een mes in de borst en de lies en de wang en de arm van die[slachtoffer 1] heeft gestoken/gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

2.

op 09 augustus 2014 te Bussum aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gedeeltelijk afgebeten oor), heeft toegebracht, door voornoemde[slachtoffer 1] opzettelijk met kracht in het oor te bijten.

3.

Primair

op 09 augustus 2014 te Bussum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in het gezicht van die [slachtoffer 2] heeft gesneden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 09 augustus 2014 te Bussum opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] met een mes in zijn arm heeft gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Van het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 3 primair:

Poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 4:

Mishandeling.

7 STRAFBAARHEID

Geen noodweer(exces)

De verdediging heeft gesteld dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe is aangevoerd dat er in de onderhavige zaak sprake is van noodweer(exces), aangezien verdachte werd aangevallen door de slachtoffers. Verdachte heeft derhalve gereageerd op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding jegens hemzelf, waartegen een noodzakelijke verdediging geboden was. Omdat hij werd vastgehouden, op de grond terecht kwam en tegen zijn hoofd werd geschopt is het voor verdachte niet mogelijk geweest om zich aan deze aanval te onttrekken. Dat verdachte mogelijk de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden was het gevolg van de door die aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank acht aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden dat de verdachte, alvorens hij[slachtoffer 1] met een mes begon te steken en met het mes om zich heen zwaaide, door de slachtoffers zodanig werd bejegend dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich noodzakelijkerwijs had te verdedigen. Integendeel, verdachte heeft blijkens de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen zelf de aanval gekozen. De rechtbank verwerpt daarom het beroep op noodweer en noodweerexces.

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft - indien de rechtbank tot een bewezenverklaring en een strafoplegging komt - aangevoerd dat het strafrechtelijk verleden van verdachte niet zwaar mag meewegen in de op te leggen straf nu verdachte recent slechts een werkstraf van 40 uur opgelegd heeft gekregen en de overige veroordelingen van langer dan vijf jaar geleden zijn. De raadsvrouw heeft verzocht de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Wat voor de slachtoffers een gezellig avondje uit had moeten zijn is door het handelen van verdachte geëindigd in een nachtmerrie. Verdachte is op slachtoffer[slachtoffer 1] afgegaan en heeft hem in zijn borst gestoken, waarbij het mes de longslagader van[slachtoffer 1] heeft geraakt. Vervolgens is verdachte op[slachtoffer 1] gaan liggen en heeft hij hem nogmaals meerdere keren gestoken en gesneden met het mes. Dat[slachtoffer 1] het heeft overleefd is niet aan het handelen van verdachte te danken geweest. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] schoten[slachtoffer 1] te hulp en probeerden verdachte tegen te houden om te voorkomen dat hij[slachtoffer 1] zou doodsteken. Verdachte heeft vervolgens door te zwaaien met het mes [slachtoffer 2] boven haar oog gesneden en [slachtoffer 3] in zijn arm gesneden. Daarbij heeft verdachte ook een stuk van het oor van[slachtoffer 1] afgebeten, met veel pijn en blijvend letsel voor[slachtoffer 1] tot gevolg.

Uit de door [slachtoffer 2] en[slachtoffer 1] opgestelde schriftelijke slachtofferverklaringen blijkt dat het handelen van verdachte een enorme impact op hen heeft gehad en nog altijd heeft. Zij hebben nog altijd last van gevoelens van angst en onveiligheid. Dat geldt ook voor [slachtoffer 3]. Verdachte heeft met zijn uitbarsting van geweld een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers.

Verdachte heeft ter zitting niet laten zien zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Evenmin heeft verdachte er blijk van gegeven in te zien hoe verkeerd hij heeft gehandeld. Verdachte heeft op geen enkele wijze berouw getoond richting de slachtoffers en legt de schuld ten onrechte geheel bij de slachtoffers.

De rechtbank maakt uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 december 2014 op dat verdachte in het verleden is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, met name de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde poging tot doodslag en zware mishandeling van [slachtoffer 1], en hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Dat de rechtbank verdachte, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot moord zal vrijspreken heeft geen matigende werking op de gevorderde straf, nu de kwalificatie waartoe de rechtbank komt niets afdoet aan de ernst van het feit en de context waarin verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank ziet gelet op de ernst van de feiten geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden door Reclassering Nederland in het rapport van 29 oktober 2014 geadviseerd.

Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

9a DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 11.724,96, waarvan een bedrag van € 574,96 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 11.150,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.604,96, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 605,07 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 10.000,00 ter zake van immateriële schade. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat het steken met het mes en het afbijten van een stuk van het oor niet als twee losstaande incidenten kunnen worden gezien en niet conform de bedragen in de twee bijgevoegde zaken bij elkaar opgeteld kunnen worden, omdat daar voor wat betreft de gevolgen sprake is van samenloop, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de materiële kosten toegewezen kunnen worden en dat de verzochte immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot een bedrag van € 6.000,00. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat er twee uitspraken ter onderbouwing van de steekwonden en het afbijten van een stuk van het oor zijn bijgevoegd, maar dat deze bedragen niet kunnen worden opgeteld, omdat de wijze van inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dan tweemaal in plaats van eenmaal berekend wordt. Daar komt bij dat de steekwonden in de bijgevoegde zaak ernstiger waren dan in de onderhavige zaak, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 11.724,96, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van de door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feiten, de door de benadeelde partij in de schriftelijke slachtofferverklaring voor hem beschreven gevolgen van deze feiten en het feit dat de benadeelde partij blijvend aangezichtsletsel heeft, geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9b DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.858,39, waarvan een bedrag van € 358,39 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1.500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.626,70, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 355,70 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 1.271,00 ter zake van immateriële schade. De officier van justitie heeft de verzochte vergoeding voor belkosten gematigd tot een bedrag van € 63,41, omdat naar de mening van de officier van justitie over een lager bedrag dan gevraagd BTW kan worden toegekend. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de bij de vordering gevoegde zaak grotendeels te vergelijken is met de onderhavige zaak en de benadeelde partij het in de onderhavige zaak meer gevorderde niet nader heeft onderbouwd, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair is de raadsvrouw van mening dat de materiële kosten toegewezen kunnen worden en dat de verzochte immateriële schadevergoeding dient te worden gematigd tot een bedrag van € 800,00. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de twee ter onderbouwing gevoegde uitspraken niet bij elkaar kunnen worden opgeteld, omdat de wijze van inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer dan tweemaal in plaats van eenmaal berekend wordt.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 3 primair bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.858,39, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit en de door de benadeelde partij in de schriftelijke slachtofferverklaring voor haar beschreven gevolgen, geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

9c DE BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 3]

Voor aanvang van de terechtzitting heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van € 1.028,42, waarvan een bedrag van € 178,42 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 850,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 913,43, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het toe te wijzen bedrag bestaat uit een bedrag van € 163,43 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 750,00 ter zake van immateriële schade. De officier van justitie heeft de verzochte vergoeding voor de trui en de schoenen gematigd, omdat deze een half jaar oud waren en een afschrijving van 10% moet worden toegepast. De gevorderde immateriële schade dient te worden gematigd, omdat de bij de vordering ter onderbouwing gevoegde zaak niet helemaal te vergelijken is met de onderhavige zaak, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te wijzen gelet op de door de verdediging bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair kan de vordering zoals verzocht toegewezen worden, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij

[slachtoffer 3] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 4 bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 1.028,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met de kosten die – tot op heden – worden begroot op nihil.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde bedragen voor de trui en de schoenen niet onevenredig hoog zijn. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom geheel toewijzen. De rechtbank ziet gelet op de ernst van het door verdachte jegens de benadeelde partij gepleegde strafbare feit eveneens geen aanleiding om de verzochte immateriële schadevergoeding te matigen. De rechtbank zal de vordering daarom tot voormeld bedrag toewijzen.

Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij zal de rechtbank overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom ten behoeve van de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair en feit 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze feiten zoals onder 6 nader omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te Bussum, van een bedrag van € 11.724,96 (zegge: elfduizend zevenhonderdvierentwintig euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 11.724,96 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 93 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te Bussum, van een bedrag van € 1.858,39 (zegge: achttienhonderdachtenvijftig euro en negenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.858,39 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te Bussum, van een bedrag van € 1.028,42 (zegge: duizendachtentwintig euro en tweeënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening;

- veroordeelt de verdachte voorts in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt op aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 1.028,42 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] voornoemd, vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 9 augustus 2014, tot die van de voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

- bepaalt dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 3] (in zoverre) komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 3], daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat (in zoverre) komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mrs. A. van Holten en H.J. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 februari 2015.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0900-2014218968, doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 155

2 Proces-verbaal van aangifte, blz. 139

3 Proces-verbaal van aangifte, blz. 141

4 Proces-verbaal van aangifte, blz. 142

5 Geneeskundige verklaring d.d. 21 augustus 2014, opgemaakt door A.R.J. Stumpel, forensisch arts GGD, blz. 153

6 Proces-verbaal van aangifte, blz. 43

7 Geneeskundige verklaring d.d. 13 augustus 2014, opgemaakt door A.R.J. Stumpel, forensisch arts GGD, blz. 99

8 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 49

9 Verklaring van [slachtoffer 3], als getuige afgelegd bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2015, blz. 2

10 Proces-verbaal van verhoor aangever, blz. 49

11 Geneeskundige verklaring d.d. 13 augustus 2014, opgemaakt door A.R.J. Stumpel, forensisch arts GGD, blz. 100

12 Foto letsel [slachtoffer 3], blz. 51

13 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 10 februari 2015