Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1350

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
16.702539-13 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling (medeplegen) van een hennepkwekerij, diefstal van stroom, valsheid in geschrift en bijstandsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.702539-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1966] [geboorteplaats],

wonende [adres] ([postcode]) te [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting dat laatstelijk heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 23 januari 2015, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging d.d. 23 januari 2015, ten laste gelegd dat:

1.

zij, meermalen, in elk geval eenmaal, in of omstreeks de periode van 10 mei 2013 tot en met 23 augustus 2013 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen (telkens) (in uitoefening van een beroep of bedrijf) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1848 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

zij in of omstreeks de periode van 26 februari 2010 tot en met 26 augustus 2013 te Almere, in elk geval in Nederland, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit/deze feit(en) kon(den) strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of gezwegen over

- de door haar, verdachte, verrichte werkzaamheden, te weten het exploiteren van een hennepkwekerij en/of

- de door haar, verdachte, (uit dien hoofde) genoten inkomsten en/of tegoeden, te weten uit de exploitatie van een hennepkwekerij en/of

- de door haar, verdachte, gehuurde woning, te weten [adres] te [woonplaats] en/of

- de op haar, verdachtes, naam gestelde bankrekening(en), te weten met (de) nummer(s) [rekeningnummer] en/of [rekeningnummer] en/of de daarop gestorte en/of overgeschreven en/of aanwezige geldbedragen;

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 23 augustus 2013 te Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen althans alleen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een elektriciteitskabel heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder haar bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse sleutel(s), te weten door verbreking van de zegels van de hoofdaansluitkast en/of een (illegale) elektriciteitsaansluiting op de toevoerleiding;

4.

zij in of omstreeks in de periode 18 februari 2010 tot en met 09 maart 2010 te Almere, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

- werkgeversverklaring en/of

- salarisspecificatie en/of

- jaaropgave en/of

- woningaanvraagformulier,

(elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die / dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die (ver)vals(t)e werkgeversverklaring en/of salarisspecificatie en/of jaaropgave heeft getoond en/of (af)gegeven aan [makelaarskantoor] makelaars (ter verkrijging van

het huurcontract van het pand aan het [adres] te [woonplaats])

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat valselijk en/of in strijd

met de waarheid (onder meer)

- in die werkgeversverklaring staat vermeld dat verdachte (sinds 1 februari 2007) in dienst is bij Westcord hotel Citycentre te Amsterdam (als reserveringsmanager) en/of

- in die salarisspecificatie staat vermeld dat verdachte salaris (ten bedrage van 2.568,34 euro) heeft ontvangen van Westcord citycentre (in/voor de periode januari 2010) en/of

- in die jaaropgaaf staat vermeld dat verdachte (in 2009) salaris (ten bedrage van 46.200,00 euro) heeft ontvangen van Amsterdam City Centre en/of

- in dat aanvraagformulier staat vermeld dat verdachte als beroep had ‘manager reserveringen’,

zulks met het oogmerk om die / dat geschrift(en) (telkens) als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op het aantreffen van de hennepkwekerij in het appartement aan het [adres] te [woonplaats]. Uit het dossier blijkt dat verdachte het appartement huurde. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig, gelet op het late tijdstip van haar verklaring - wat maakt dat er geen verificatie mogelijk is - en op de inconsistenties in verdachtes verklaringen.

Feit 2.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte bankrekeningen op haar naam had en dat zij inkomsten op één van die bankrekeningen niet aan de betrokken instanties heeft gemeld, terwijl zij daartoe wel wettelijk verplicht was.

Feit 3.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie verwijst daartoe naar het onder 1 ten laste gelegde en dat het een feit van algemene bekendheid is dat een hennepkwekerij illegaal wordt voorzien van elektriciteit.

Feit 4.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De bedoelde valse stukken zijn telkens ondertekend door verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat er voor een dergelijk appartement aan het [adres] te [woonplaats] een goede baan nodig is. Verdachte heeft bij het aangaan van de huurovereenkomst opzettelijk gebruik gemaakt van valse, voor de huur van het appartement benodigde documenten.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien er onvoldoende bewijs is dat verdachte wist dat er in het appartement een hennepkwekerij was en voorts omdat bij verdachte het opzet op de hennepkwekerij ontbrak. De verklaring van verdachte, dat zij niets wist van de hennepkwekerij, wordt ondersteund door de verklaringen van

[A], de buurtbewoners [getuige] en [B] en de makelaar [C] en door de wijze waarop de huurovereenkomst tot stand is gekomen.

Feit 2.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, hetgeen primair volgt uit de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1. Voorts stelt de raadsman dat niet blijkt van de juistheid van de overige ten laste gelegde met gedachtenstreepjes opgesomde, feiten en dat evenmin is gebleken van enige invloed van die feiten op de uitkering van verdachte.

Feit 3.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien de overeenkomst voor levering van elektriciteit is aangegaan door een ander dan verdachte. Voorts blijkt niet dat verdachte wetenschap had van de diefstal van elektriciteit. Het is geen feit van algemene bekendheid dat er veelvuldig elektriciteit wordt gestolen voor het inwerking houden van een hennepkwekerij.

Feit 4.

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit, aangezien verdachte geen geschriften heeft vervalst en zij niet wist dat zij valse geschriften ondertekende.

Het oordeel van de rechtbank1

Feit 1.

Algemeen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 23 januari verklaard dat zij in opdracht van haar toenmalige vriend – genaamd [D ] – een appartement aan het [adres] te [woonplaats] huurde. Verdachte heeft verklaard dat zij het huurcontract voor voornoemd appartement heeft ondertekend. Ook de handtekening op het aanvraagformulier om de woning te verkrijgen is, blijkens haar eigen verklaring, waarschijnlijk van verdachte, alhoewel zij zegt dat zij zich daar niets van kan herinneren.

Verdachte stelt dat [D ] het appartement is gaan bewonen en dat zij daar gedurende het begin van de relatie tweemaal per week aanwezig was en dat er toen geen hennepkwekerij in het appartement aanwezig was. De relatie duurde ongeveer een half jaar. Nadien bleef deze situatie in stand en kwam verdachte af en toe langs om de post voor [D ] op te halen en in het appartement te leggen. Verdachte had een sleutel van het appartement. Verdachte zegt dat zij twee maanden vóór 23 augustus 2013 voor het laatst in het appartement is geweest.

De huur van het appartement werd afgeschreven van Rabobank rekeningnummer [rekeningnummer], die op naam staat van verdachte en die zij al had geopend voordat de huurovereenkomst werd gesloten. De (enige) pinpas van de rekening was volgens verdachte in beheer bij [D ]. Het adres op de rekeningafschriften van de betreffende Rabo-rekening is het adres van verdachte, maar zij stelt geen rekeningafschriften te hebben ontvangen. Ook heeft verdachte verklaard dat zij geen gebruik maakte van voornoemde rekening. Later heeft de verdachte verklaard dat zij wel eens iets heeft besteld bij een postorderbedrijf, met gebruikmaking van die rekening en dat daar geen pinpas voor nodig was.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte als volgt.

Uit het dossier volgt dat de Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer] gedurende de gehele periode van 19 maart 2010 tot en met 31 juli 2013 op naam stond van verdachte en dat de afschriften werden verzonden naar het adres [adres] ([postcode]) te [woonplaats].

Uit de rekeningafschriften blijkt dat de contributie van Shim Kung maandelijks werd betaald van deze Rabobank rekening en verdachte heeft verklaard dat dit zag op de sportcontributie ten behoeve van haar zoon.

Opvallend zijn ook de volgende bankgiro opdrachten:

  • -

    Betaling aan [E] op respectievelijk 17 maart 2010 en 12 april 2010 met de omschrijvingen respectievelijk “basis cursus intuitive ontw. 11 april [verdachte]” en “restant cursus + kaarten gr [verdachte]”. De rechtbank merkt op dat de voornaam van verdachte “[verdachte]” is.

  • -

    Betaling op 9 april 2010 aan [naam] taarten atelier met de omschrijving “23 april [verdachte] ugg logo taart”.

  • -

    Betaling op 16 april 2010 aan [naam] client management met de omschrijving “order [nummer] [verdachte] [adres] [postcode] [woonplaats]”.

  • -

    In 2010 zijn er een aantal bankgiro opdrachten aan derden met in de omschrijving de naam “[verdachte]” of “[zoon van verdachte]” of “[verdachte] [adres] [postcode] [woonplaats]”.

  • -

    Op 7 juni 2010 is een bankgiro opdracht gedaan aan Netpoint factoring b.v. met in de omschrijving onder meer “[zoon van verdachte] [1999]”. Uit een op verdachtes naam gesteld woningaanvraagformulier2 is vermeld als geboortedatum van meekomende kinderen “[1999]”. De rechtbank leidt hieruit af dat [zoon van verdachte] geboren [1999] de thuiswonende zoon is van verdachte.

  • -

    Verder zijn er bankgiro opdrachten aan st. prisma tso mr [naam] op respectievelijk 9 juni 2010 en 31 augustus 2010 met de omschrijvingen respectievelijk “[zoon van verdachte] groep 7a” en “[zoon van verdachte] groep 8B”.

  • -

    In 2010 en 2011 volgen een aantal bankgiro opdrachten aan Otto B.V. met als omschrijving “[verdachte] [adres] [postcode] [woonplaats]” en ook in 2011 een bankgiro opdracht aan de Wehkamp B.V. met in de omschrijving het adres van verdachte.

  • -

    Op 26 april 2011 is via bankgiro een betaalopdracht gedaan aan [F] met de omschrijving “[verdachte] termijn 2”.

  • -

    Op 12 juli 2011 en 3 april 2012 zijn betaalopdrachten gegeven aan netpoint factoring b.v. met omschrijving “[zoon van verdachte] [adres] [woonplaats]”.

  • -

    Op 14 juli 2011 en 12 juli 2012 bankgiro opdrachten aan [J] met de omschrijving “[zoon van verdachte]”.

  • -

    Op 30 januari 2012 bankgiro opdrachten aan Bol.com en Otto b.v. met in de omschrijving telkens naam en adres van verdachte.

  • -

    Op 8 augustus 2012 een bankgiro opdracht aan [incasso-onderneming] met in de omschrijving de naam en het adres van verdachte.

  • -

    Op 17 juli 2013 een bankgiro opdracht aan [bedrijf] met in de omschrijving de naam van verdachte.3

Gelet op de hoeveelheid bankgiro-opdrachten en de omschrijvingen die overduidelijk betrekking hebben op verdachte en haar zoon (inclusief persoonlijke kosten) gedurende de periode vanaf 2010 tot en met 2013, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte niet of nauwelijks gebruik maakte van voornoemde Rabobank rekening.

Hieruit volgt tevens dat de verdachte kennelijk wist dat zij geldbedragen tot haar beschikking had buiten haar eigen uitkering.

Verdachte heeft bekend dat zij de huurovereenkomst4 voor het appartement aan het [adres] te [woonplaats] heeft ondertekend. Uit de ondertekening blijkt ook dat verdachte op 26 februari 2010 te Amersfoort de huurovereenkomst heeft ondertekend.5 Ook de huurovereenkomst met betrekking tot het Green Package energiesysteem (in verband met stadsverwarming) voor voornoemd appartement is op 26 februari 2010 te Amersfoort door verdachte ondertekend.6 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij de huurovereenkomst thuis, te weten aan de Fijistraat te Almere, heeft ondertekend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt onbetrouwbaar.

Op het woningaanvraagformulier7, opgesteld op 18 februari 2010 te Almere, en ondertekend door verdachte8, blijkt dat op de door verdachte ondertekende pagina is aangegeven dat er een jaaropgave en een recente salarisstrook diende te worden gevoegd bij de woningaanvraag. De verklaring van verdachte, dat zij niet wist dat een deugdelijk inkomen vereist was voor het huren van een particuliere woning, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op de voorwaarden zoals die blijken uit de pagina die verdachte heeft ondertekend.

Uit het dossier blijkt dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat zij niet in het bezit is van een mobiele telefoon.9 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij wel degelijk in het bezit is van een mobiele telefoon met telefoonnummer [telefoonnummer].10 Uit het rekeningafschrift d.d. 24 december 2010 blijkt tevens dat er bankgiro opdracht is gedaan aan Vodafone met de omschrijving “[telefoonnummer] [verdachte] [adres] [postcode]”.11 De rechtbank stelt vast dat ook omtrent het bezit van een mobiele telefoon de verdachte wisselend heeft verklaard, hetgeen haar verklaring onbetrouwbaar maakt.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat zij na een korte relatie nog bijna drie jaar de huurovereenkomst met betrekking tot een appartement en, in samenhang daarmee, een bankrekening in stand heeft gehouden waar zij geen of geen volledige beschikking over had met alle risico’s van dien. Dit bevreemdt temeer, nu [D ] voor verdachte klaarblijkelijk een nagenoeg anoniem persoon zou zijn gebleken, aangezien zij geen verdere gegevens van hem kan geven en zij door het in stand houden van de huur van het appartement en een bankrekening op haar naam door zijn eventuele toedoen grote (financiële) risico’s zou lopen.

Gelet op het voorgaande, alles in samenhang en onderling verband gezien, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte, die er zakelijk weergegeven op neer komt dat zij namens een man genaamd [D ] het appartement zou hebben gehuurd en dat haar betrokkenheid is beperkt tot het ondertekenen van de huurovereenkomst, volstrekt ongeloofwaardig is.

Ten aanzien van het ten laste gelegde.

Op 23 augustus 2010 is in het appartement aan het [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 924 hennepplanten.12 Al deze hennepplanten zijn in beslag genomen en vernietigd.13 Het gehele appartement werd gebruikt voor het kweken van hennepplanten onder kunstlicht. Elke ruimte werd benut ten behoeve van de hennepkwekerij, waardoor wonen in het appartement niet meer mogelijk bleek.14 De badkamer was in gebruik voor de opslag van verpakkingsmateriaal en de toiletpot bleek in het geheel te zijn verwijderd. Bij het kweken van de hennepplanten werd gebruik gemaakt van hydrocultuur.15 De hennepkwekerij was op dergelijke manier ingericht dat eens per vier dagen de hennepkwekerij bezocht diende te worden.16

Uit het proces-verbaal blijkt dat van de aangetroffen planten een monster is genomen dat is getest, hetgeen resulteerde in een positieve reactie, indicatief voor de aanwezigheid van THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.17

Uit onderzoek naar de ter plaatse aangetroffen goederen, te weten verdroogde resten van hennepplanten, forse op kalk en algen gelijkende afzetting, stof op koolstoffilters, stof op overige voorwerken, verkleuring van houten latten, het aantreffen van fors met hennepresten vervuilde knipscharen en het voor de derde keer gebruiken van aangetroffen steenwol slabs, blijkt dat er eerdere oogsten zijn geweest.18

Uit de huurovereenkomst blijkt dat de verdachte voornoemd appartement heeft gehuurd vanaf 26 februari 2010 voor een bedrag van € 874,00 per maand.19 De huur, alsmede de kosten ten behoeve van de energie20, werden afgeschreven van een op verdachtes naam gestelde Rabo-rekening met nummer [rekeningnummer].21

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat zich gedurende de gehele ten laste gelegde periode een hennepkwekerij in voornoemd appartement bevond.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er bij verdachte sprake is van het opzettelijk telen, bereiden, bewerken of verwerken van hennepplanten. De rechtbank acht de volle opzet op het telen, bereiden, bewerken of verwerken niet aanwezig.

Van voorwaardelijk opzet op het telen, bereiden, bewerken of verwerken van hennepplanten is sprake, indien de verdachte zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er in de door haar verhuurde ruimte hennep werd geteeld, bereid, bewerkt of verwerkt. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat genoemde omstandigheden zich voordeden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Uit hetgeen hiervoor onder “algemeen” is overwogen acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig. De verdachte had de beschikking over beduidend meer geld dan haar uitkering.

Uit de verklaring van een buurtbewoner blijkt dat er steeds wisselende mensen in het appartement aan het [adres] kwamen.22

Een andere buurtbewoner heeft verklaard dat zij de bewoonster, een vrouw die het pand huurde, bij het appartement heeft gezien.23 Deze getuige, te weten [getuige], heeft nadien verklaard dat zij verdachte een keer heeft gesproken kort nadat de getuige in het appartementencomplex kwam wonen halverwege mei 2012.24

Door op een dergelijke wijze een ruimte te huren voor een door verdachte verondersteld, verder onbekend gebleven, persoon voor dergelijke bedragen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in het appartement hennep zou worden geteeld, bereid, bewerkt of verwerkt. Door het aanvaarden van de anonimiteit van [D ], het in stand houden van de huurovereenkomst en de levering van energie, ook nadat de relatie zou zijn verbroken, het aannemen van geldbedragen en het dragen van de volledige verantwoordelijkheid voor het appartement (verdachte stond immers geregistreerd als huurder, betaalde de huur, stond geregistreerd als huurder van het energiepakket en betaalde tevens het energieverbruik) heeft de verdachte de aanmerkelijke kans dan ook bewust aanvaard.

De rechtbank acht het ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de inhoud van het dossier, meer in het bijzonder de bevindingen ten aanzien van de professionele opzet en inrichting van de hennepkwekerij, gaat de rechtbank er niet van uit dat verdachte geheel alleen en zelfstandig heeft geopereerd. In het dossier bevindt zich geen, althans onvoldoende bewijs van het bestaan of de identiteit van concrete mededaders, anders dan de door verdachte opgevoerde [D ]. De verklaringen van verdachte hieromtrent acht de rechtbank als gezegd ongeloofwaardig. Niettemin duiden voormelde bevindingen ten aanzien van de professionaliteit van de kwekerij op een samenwerkingsverband van verdachte met tenminste een andere persoon. Voor de opzet van een kwekerij zoals aangetroffen, is niet alleen gedegen kennis van zaken vereist, maar ook een zekere mate van expertise en vaardigheid op het gebied van bouw en installatie. Ten aanzien van al die aspecten acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte daarover in voldoende mate beschikte om daarin alleen, zonder bewuste nauwe samenwerking met een ander of anderen, te kunnen opereren. Gelet daarop acht de rechtbank medeplegen, zoals na wijziging van de tenlastelegging aan verdachte verweten, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2.

De verdachte ontvangt vanaf 24 juni 2003 een uitkering in het kader van de Algemene Bijstandswet (verder: Abw) van de gemeente Almere. Op 1 januari 2005 is de Abw uitkering omgezet naar een uitkering in het kader van de Wet Werk en Bijstand (verder: WWB).

Door de burgemeester en wethouders van de gemeente Almere is de WWB uitkering van verdachte per 26 augustus 2013 beëindigd.25

Aan de toekenning van een uitkering is de voorwaarde verbonden dat de ontvanger op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering. Tot 1 januari 2006 kon dit door maandelijkse rechtmatigheidsformulieren en/of mutatieformulieren. Vanaf 1 januari 2006 is het rechtmatigheidsformulier komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is gekomen:

  • -

    een maandelijks inkomstenformulier als er sprake is van regulier loon uit werk;

  • -

    twee maal per jaar een inkomstenformulier als er sprake is van regulier loon uit WAO, pensioen, WW uitkering of alimentatie;

  • -

    een mutatieformulier waarop wijzigingen kunnen worden vermeld betreffende persoonsgegeven, vakantie, leefsituatie, wijzigingen en/of inkomen.26

De betaling van de uitkering aan de verdachte vond plaats door middel van overboeking op rekeningnummer van de ING met nummer [rekeningnummer].27

Uit onderzoek op 27 augustus 2013 blijkt dat verdachte:

  • -

    geen melding had gemaakt van inkomsten uit een hennepkwekerij;

  • -

    geen melding had gemaakt van een op haar naam gestelde Rabobank rekeningen met de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer]28;

- geen melding had gemaakt van de huur van een appartement zijnde [adres] te [woonplaats].29

Uit de opgevraagde bankafschriften van de Rabobank (met rekeningnummer [rekeningnummer]) blijkt dat de rekening op naam staat van verdachte op het adres [adres] te [woonplaats].

Uit de rekeningafschriften blijkt het volgende:

  • -

    in de periode van februari 2010 tot en met augustus 2013 worden de vaste lasten en de huur van het appartement aan het [adres] te [woonplaats] voldaan, te weten telkens een bedrag van ten minste € 874,00 per maand;

  • -

    in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 is een bedrag van

€ 4.774,75 aan bijschrijvingen van derden en een bedrag van € 12.135,53 aan contante stortingen ontvangen;

- in de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 is een bedrag van

€ 5.164,378 aan bijschrijvingen van derden en een bedrag van € 13.612,08 aan contante stortingen ontvangen;

- in de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 is een bedrag van

€ 2.309,89 aan bijschrijvingen van derden en een bedrag van € 15.973,68 aan contante stortingen ontvangen;

- in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 is een bedrag van

€ 47,50 aan bijschrijvingen van derden en een bedrag van € 10.547, 05 aan contante stortingen ontvangen.30

Uit voornoemde bewijsmiddelen, alsmede het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, blijkt genoegzaam dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

Feit 3.

Uit de aangifte van [I] namens Liander N.V. blijkt dat op 23 augustus 2013 in het appartement van verdachte aan het [adres] te [woonplaats] is geconstateerd dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Op de toevoerleiding/flatkast voor de hoofdaansluitkast was een illegale aansluiting gemaakt. Deze aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om naar de hennepplantage en voorzag deze van elektriciteit. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd, waardoor elektriciteit werd weggenomen.31

Gelet op hetgeen hiervoor onder feit 1 door de rechtbank is overwegen blijkt uit de mate van professionaliteit van de hennepkwekerij en het gegeven dat er wisselende mensen in de hennepkwekerij aanwezig waren dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander.

Gelet op het lage bedrag aan elektriciteitskosten, te weten ongeveer € 77,00 per maand, wist verdachte, dan wel had zij kunnen weten, dat er illegaal elektriciteit werd weggenomen ten behoeve van de hennepkwekerij.32

De rechtbank zal de verdachte (partieel) vrijspreken van de ten laste gelegde periode vóór 10 mei 2013.

Feit 4.

Achter het woningaanvraagformulier33 bevinden zich een werkgeversverklaring34, een salarisspecificatie35 en een jaaropgave36. Blijkens hetgeen hiervoor onder feit 1 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit woningaanvraagformulier heeft ondertekend. Op de pagina van de ondertekening van het woningaanvraagformulier is tevens gemeld dat een werkgeversverklaring, een salarisspecificatie en jaaropgave bijgevoegd dienden te worden.37 Deze formulieren zijn getoond en/of (af)gegeven aan [makelaarskantoor] makelaars ter verkrijging van het huurcontract van het pand aan het [adres] te [woonplaats].38

De valsheid bestaat hieruit:

- in die werkgeversverklaring staat vermeld dat verdachte (sinds 1 februari 2007) in dienst is bij Westcord hotel Citycentre te Amsterdam (als reserveringsmanager);

- in die salarisspecificatie staat vermeld dat verdachte salaris (ten bedrage van 2.568,34 euro) heeft ontvangen van Westcord citycentre (in/voor de periode januari 2010);

- in die jaaropgaaf staat vermeld dat verdachte (in 2009) salaris (ten bedrage van 46.200,00 euro) heeft ontvangen van Amsterdam City Centre;

- in dat aanvraagformulier staat vermeld dat verdachte als beroep had ‘manager reserveringen’.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij nimmer in dienst is geweest bij Westcord citycentre39, hetgeen eveneens blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen40.

Door de ondertekening van het woningaanvraagformulier wist verdachte dat er, ten behoeve van de verkrijging van een woning, een valse werkgeversverklaring, jaaropgaaf en salarisspecificatie bijgevoegd zou worden. Dit maakt het woningaanvraagformulier tevens vals.

De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij in de periode van 10 mei 2013 tot en met 23 augustus 2013 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

zij in de periode van 26 februari 2010 tot en met 26 augustus 2013 te Almere, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand, (telkens) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl deze feiten konden strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking krachtens de Wet Werk en Bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk geen opgave gedaan van en/of gezwegen over

- de door haar, verdachte, verrichte werkzaamheden, te weten het exploiteren van een hennepkwekerij en

- de door haar, verdachte, genoten inkomsten en/of tegoeden, te weten uit de exploitatie van een hennepkwekerij en

- de door haar, verdachte, gehuurde woning, te weten [adres] te [woonplaats] en

- de op haar, verdachtes, naam gestelde bankrekeningen, te weten met de nummers [rekeningnummer] en [rekeningnummer] en de daarop gestorte en/of overgeschreven en/of aanwezige geldbedragen.

3.

zij in de periode van 10 mei 2013 tot en met 23 augustus 2013 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Liander N.V., waarbij verdachte het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van verbreking, te weten door verbreking van de zegels van de hoofdaansluitkast en/of een (illegale) elektriciteitsaansluiting op de toevoerleiding

4.

zij in de periode 18 februari 2010 tot en met 09 maart 2010 te Almere, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse

- werkgeversverklaring en

- salarisspecificatie en

- jaaropgave en

- woningaanvraagformulier,

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte die valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie en jaaropgave heeft getoond en/of (af)gegeven aan [makelaarskantoor] makelaars ter verkrijging van het huurcontract van het pand aan het [adres] te [woonplaats]

en bestaande die valsheid hierin dat valselijk en/of in strijd met de waarheid (onder meer)

- in die werkgeversverklaring staat vermeld dat verdachte (sinds 1 februari 2007) in dienst is bij Westcord hotel Citycentre te Amsterdam (als reserveringsmanager) en

- in die salarisspecificatie staat vermeld dat verdachte salaris (ten bedrage van 2.568,34 euro) heeft ontvangen van Westcord citycentre (in/voor de periode januari 2010) en

- in die jaaropgaaf staat vermeld dat verdachte (in 2009) salaris (ten bedrage van 46.200,00 euro) heeft ontvangen van Amsterdam City Centre en

- in dat aanvraagformulier staat vermeld dat verdachte als beroep had ‘manager reserveringen’.

Van het onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring een aantal kennelijke schrijffouten verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1.

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en

Medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Feit 2.

In strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl zij wist dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van haar recht op een verstrekking, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking, meermalen gepleegd.

Feit 3.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Feit 4.

Opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden van een standpunt met betrekking tot een eventueel op te leggen straf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen van hennep, waardoor zij de maatschappij schade heeft berokkend. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat drugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en bovendien veel criminaliteit en overlast met zich brengen. Ten behoeve van de hennepteelt is illegaal stroom verkregen, hetgeen in het algemeen gevaar voor brand met zich brengt.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitkeringsfraude over een lange periode, te weten van 26 februari 2010 tot en met 26 augustus 2013. De verdachte heeft in deze periode opzettelijk nagelaten de gemeente op de hoogte te stellen van het feit dat met enige regelmaat geldbedragen op haar rekening werd gestort, dat zij inkomsten had uit een hennepkwekerij en zij een appartement huurde. Als gevolg daarvan heeft verdachte jarenlang ten onrechte een te hoog bedrag aan uitkering ontvangen. De verdachte heeft door aldus te handelen misbruik gemaakt van het sociale zekerheidsstelsel, ten gevolge waarvan nadeel is geleden door de gemeenschap.

Hierbij komt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik maken van valse geschriften als ware deze echt en onvervalst.

Al deze ten laste gelegde feiten hadden (mede) als doel het kunnen opzetten en in strand houden van de hennepkwekerij. De rechtbank heeft rekening gehouden met de hoeveelheid hennepplanten, de professionaliteit van de hennepkwekerij en de langlopende termijn van de (kort gezegd) bijstandsfraude.

De rechtbank is van oordeel dat dergelijke feiten, in onderlinge samenhang, zodanig ernstig zijn dat deze de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om zo verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een werkstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden.

Ten voordele van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens enig strafbaar feit zoals blijkt uit een op haar naam gesteld uittreksel justitiële documentatie d.d. 26 november 2014.

9 DE BENADEELDE PARTIJ

Voor aanvang van de terechtzitting heeft Liander N.V. – daartoe vertegenwoordigd door [G] – zich als benadeelde partij in dit geding gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde feit. De hoogte van die schade wordt door de benadeelde partij begroot op een bedrag van

€ 53.350,75.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met de wettelijke rente en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, gelet op de bepleite vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien deze te omvangrijk is om in het strafproces te beoordelen nu de periode die door Liander N.V. is gesteld nader onderzoek vereist. Meer subsidiair heeft de raadsman eveneens bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien objectief niet vastgesteld kan worden in welke periode elektriciteit is weggenomen. Meest subsidiair heeft de raadsman bepleit de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht achterwege te laten, aangezien Liander N.V. een zeer professionele organisatie is die in staat moet worden geacht tot het innen van vorderingen, mede gelet op de achtergrond van deze wettelijke bepaling.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de door de benadeelde partij bijgevoegde stukken maakt de rechtbank op dat [G] een volmacht heeft van de directeur [stichting] die alleen en zelfstandig bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen. Blijkens de volmacht is [G] bevoegd een vordering in te dienen mits in totaal niet hoger dan € 25.000,00. De rechtbank zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien het gevorderde bedrag de volmacht ruimschoots te boven gaat. Ook overigens levert de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet-ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 22c, 22d, 57, 91, 225, 227b, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikel 3 en 11 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij Liander N.V. in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.D. van Heffen, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr. F.C. Burgers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2015.

Mr. H.A. Gerritse is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2013061869, doorgenummerd 1 tot en met 224.

2 Pagina’s 90 en 91.

3 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, bijlage 7.

4 Pagina’s 72 e.v.

5 Pagina 79.

6 Pagina’s 81 e.v.

7 Pagina 90 e.v.

8 Pagina 93.

9 Pagina 199.

10 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 januari 2015.

11 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, bijlage 7.

12 Pagina 143.

13 Pagina 176.

14 Pagina 5.

15 Pagina 6.

16 Pagina 9.

17 Pagina 14.

18 Pagina’s 207 tot en met 212.

19 Pagina 72 e.v.

20 Pagina 85.

21 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, bijlage 7.

22 Pagina 49.

23 Pagina 62.

24 Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], op 3 december 2014 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

25 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina 1.

26 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina’s 1 en 2.

27 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina 4.

28 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina 6.

29 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina 4.

30 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, pagina’s 9 en 10, zoals dit eveneens blijkt uit bijlage 7 achter voornoemd proces-verbaal.

31 Pagina’s 145 en 146.

32 Het proces-verbaal met nummer 130037-6014595/2, opgesteld d.d. 10 december 2013, door [H], sociaal rechercheur, bijlage 7.

33 Pagina 90.

34 Pagina 92.

35 Pagina 94.

36 Pagina 95.

37 Pagina 93.

38 Pagina 72 e.v.

39 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 23 januari 2015.

40 Pagina 100 e.v.