Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1310

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
16-661933-14 en 99-000205-24 (herroeping VI)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal sleutel en diefstal in woning dmv valse sleutel. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Herroepping resterende deel VI, 260 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661933-14 (P)

VI-zaaknummer: 99/000205-24

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1986] te Somalië,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1], [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Dordrecht.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, waaronder een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte, en van hetgeen verdachte en de raadsvrouwe naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een sleutelbos heeft gestolen;

feit 2: primair goederen heeft gestolen in een woning, waarbij hij zich de toegang tot de woning heeft verschaft door middel van een gestolen sleutel en subsidiair de poging daartoe.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide feiten (onder primair) wettig en overtuigend bewezen en baseert zich hierbij op de aangifte, de herkenning van de goederen door aangeefster, de bevindingen met betrekking tot het aantreffen van verdachte in de woning en de deels bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe benadrukt dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde ontkent. Dat verdachte samen met iemand anders was die de sleutelbos zou hebben weggenomen, past bij de getuigenverklaring afgelegd door [getuige 1]. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde heeft de verdediging geen bewijsverweer gevoerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde

Op 16 oktober 2014 wordt aangebeld bij de woning van aangeefster [aangeefster], geboren op

[1936], aan de [adres 2]. Aangeefster verklaart dat zij een man voor haar deur zag staan die zei dat hij maaltijden kwam brengen van de Albert Heijn. Aangeefster deed haar sleutelbos in haar zak en ging naar buiten. Toen de man wegging, voelde aangeefster dat haar sleutelbos niet meer in haar zak zat. Hierop heeft zij de politie gebeld. Toen de politie ongeveer 20 minuten later arriveerde, zag aangeefster in de hal van haar woning bij de voordeur een donker jack en een muts liggen. Zij zag dat het dezelfde jack en muts waren als die de man aan had, die haar had aangesproken.2 De ter plaatse gekomen verbalisanten hebben hierop de woning van aangeefster doorzocht. Op de tweede verdieping werd verdachte aangetroffen. In deze kamer werd op het bed onder andere een sleutelbos aangetroffen, waarvan later bleek dat het de sleutelbos van aangeefster was. Verbalisanten hoorden verdachte zeggen dat de jas en de muts van hem waren.3

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 16 oktober 2014 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan -kort gezegd- de diefstal van een sleutelbos.

Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft dit feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte d.d. 28 januari 2015;4

- de aangifte van mevrouw [aangeefster] d.d. 16 oktober 2014;5

- de bevindingen met betrekking tot het aantreffen van goederen bij verdachte en de herkenning hiervan door aangeefster d.d. 17 oktober 2014.6

De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte in de woning is aangehouden met goederen toebehorende aan aangeefster in zijn zakken. Door een deel van de goederen die verdachte in de woning heeft gepakt in zijn zakken te stoppen en deze aan het zicht van de rechthebbende te onttrekken, heeft verdachte als heer en meester de beschikking gehad over deze goederen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder feit 2 primair ten laste gelegde voltooide diefstal.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1:
op 16 oktober 2014 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening door middel van zakkenrollen en terwijl hij, verdachte, aangeefster [aangeefster] afleidde met een verhaal over bezorgmaaltijden, heeft weggenomen een sleutelbos met daaraan onder andere een huissleutel, toebehorende aan [aangeefster], geboortejaar 1936.

feit 2 primair:

op 16 oktober 2014 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning, gelegen aan de [adres 2], heeft weggenomen een mapje met daarin auto-papieren en een Ov-chipkaart en een autosleutel en meerdere fietssleutels en een samsung-oplader, toebehorende aan [aangeefster], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van een valse, immers kort daarvoor gestolen, sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:

feit 1: diefstal

feit 2 primair: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel valse sleutels.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportages betreffende verdachte, d.d. 22 december 2014, opgemaakt door M.H. Diawara, psychiater, en d.d. 29 december 2014, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog. Verdachte heeft niet dan wel onvoldoende mee willen werken aan het onderzoek, derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over een mogelijke ziekelijk stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij verdachte. De rechtbank acht verdachte, gelet op bovenstaande, volledig toerekeningsvatbaar.

De officier van justitie en de verdediging hebben de inhoud van de rapportages niet weersproken.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht tot aanhouding van de behandeling van de zaak ter zitting en schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis onder voorwaarden. De raadsvrouwe verzoekt in dit verband tot oplegging van onder andere verplicht reclasseringstoezicht en de verplichting alsnog mee te werken aan diagnostisch onderzoek. De rechtbank wordt verzocht met de uitkomst hiervan, na aanhouding, rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat. De rechtbank heeft in het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien de zaak voor nader onderzoek, zoals voorgesteld door de verdediging, aan te houden en het verzoek op de zitting afgewezen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het zakkenrollen van huissleutels en vervolgens aan een woninginbraak. Woninginbraken zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. Met name nu aangeefster en haar zieke man, beiden op leeftijd, op het moment van de inbraak aanwezig waren in de woning. Verdachte is aan deze gevolgen voorbij gegaan en dat neem de rechtbank hem zeer kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 16 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder is veroordeeld, onder andere recent ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van voornoemde Pro Justitia rapportages, waaruit volgt dat verdachte, ondanks eerdere toezegging, niet heeft willen meewerken aan het onderzoek. Over het recidiverisico merkt de psycholoog op dat verdachte eerder gediagnosticeerd is met verslavingsproblematiek en persoonlijkheidsproblematiek en dat er aanwijzingen zijn dat beide nog steeds actueel zijn. Tevens zijn er aanwijzingen dat verdachte geen enkel ankerpunt in zijn leven heeft en dat geen sprake is van probleemvrije gebieden. Zorgelijk wordt geacht dat behandeling niet van de grond komt mede door de ontwijkende opstelling van verdachte.

Voorts heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van het Leger des Heils d.d.

23 december 2014, opgemaakt door A.F.C. de Kok, waaruit blijkt dat buitengewoon negatieve jeugdervaringen van verdachte hebben geleid tot zijn verstoorde geestelijke gesteldheid en daarmee tot delictgedrag. Hij ontving in het verleden behandeling op psychisch vlak. In 2011 en 2013 werden klinische opnames voortijdig beëindigd. Dit jaar meldde verdachte zich niet bij de behandelinstelling. Alle trajecten zijn tot op heden mislukt en alle opgelegde reclasseringstoezichten zijn voortijdig negatief beëindigd. Ondanks de inschatting van een hoog recidiverisico, acht de reclassering oplegging van bijzondere voorwaarden dan ook niet geïndiceerd.

Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheid dat sprake is van recidive en de LOVS-oriëntatiepunten, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank komt hierbij niet tot oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en bijzondere voorwaarden. Gelet op genoemde deskundigenrapportages en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij niet gemotiveerd is voor (klinische) behandeling, acht de rechtbank dit voor de reclassering en/of behandelaars niet uitvoerbaar.

9 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

9.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte toe te wijzen ten aanzien van het nog niet herroepen gedeelte, te weten 260 dagen. Verdachte heeft de algemene voorwaarde overschreden, tevens heeft hij (telkens) niet mee willen werken aan opgelegde bijzondere voorwaarden.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte aangevoerd en de rechtbank verzocht tot aanhouding van de behandeling van de vordering ter zitting en schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis in de strafzaak onder voorwaarden. De raadsvrouwe verzoekt in dit verband tot oplegging van onder andere verplicht reclasseringstoezicht en de verplichting alsnog mee te werken aan diagnostisch onderzoek. De rechtbank wordt verzocht met de uitkomst hiervan, na aanhouding, rekening te houden bij de beoordeling van de vordering. De rechtbank heeft in het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien de vordering voor nader onderzoek, zoals voorgesteld door de verdediging, aan te houden en het verzoek op de zitting afgewezen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij besluit voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 28 mei 2013 verdachte, met toepassing van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht, op 13 november 2013 voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Het Openbaar Ministerie heeft daarbij als algemene voorwaarde gesteld dat verdachte zich gedurende de proeftijd van 365 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2014 (bekend onder parketnummer 10/682124-14) is deze voorwaardelijke invrijheidstelling reeds deels herroepen, te weten voor de duur van 60 dagen. Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte ten aanzien van het resterende gedeelte, te weten 260 dagen, te herroepen en wijst de vordering van de officier van justitie hieromtrent dan ook toe.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verdachte keer op keer opgelegde (bijzondere) voorwaarden zowel in het kader van voorwaardelijke invrijheidstellingen als in het kader van voorwaardelijke schorsingen en strafopleggingen heeft overtreden. Alle reeds ingezette hulpverlenging heeft niet beklijfd en verdachte heeft aangegeven niet gemotiveerd te zijn voor (klinische) behandeling. De rechtbank ziet dan ook geen ruimte voor een andere beslissing.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 15g, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1: diefstal

feit 2 primair: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel valse sleutel.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Vordering herroeping VI

Gelast de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor het resterende gedeelte, te weten voor de periode van 260 dagen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.A. Bos, voorzitter,

mrs. N.E.M. Kranenbroek en H.A. Gerritse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2015.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (door middel van zakkenrollen en/of terwijl hij, verdachte, aangeefster [aangeefster] afleidde met een verhaal over bezorgmaaltijden) heeft weggenomen een sleutelbos (met daaraan [onder andere] een huissleutel), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster] (geboortejaar 1936), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

2.

Primair

hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, gelegen aan de [adres 2] heeft weggenomen een mapje met daarin [onder andere] auto-papieren en/of een Ov-chipkaart en/of een autosleutel en/of een of meerdere fietssleutels en/of een samsung-oplader, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse (immers kort daarvoor gestolen, althans zonder toestemming van de rechthebbende, gebruikte) sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair

hij op of omstreeks 16 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning gelegen aan de [adres 2] weg te nemen goederen van zijn gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en / of die / dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van een valse (immers kort daarvoor gestolen, althans zonder toestemming van de rechthebbende, gebruikte) sleutel,

- de (voor)deur van die woning met gebruikmaking van die sleutel heeft geopend en/of

- ( vervolgens) die woning is binnengegaan en/of heeft doorzocht op goederen van zijn gading en/of daarbij diverse lades en/of kastjes heeft geopend en/of goederen in die woning heeft verplaatst,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, nr. PL0900-2014294154 Z, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 63). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] d.d. 16 oktober 2014, met bijlagen, opgenomen op pagina 28 tot en met 33.

3 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2014 van verbalisanten [A]en [B], opgenomen op pagina 36 tot en met 38.

4 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 januari 2015.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] d.d. 16 oktober 2014, met bijlagen, opgenomen op pagina 28 tot en met 33.

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2014 van verbalisant [C], opgenomen op pagina 50.