Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1309

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
16-661932-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging woninginbraak, vrijspraak medeplegen. Vrijspraak diefstal breekijzer, geen bewijs oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661932-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1996] te [geboorteplaats] (Marokko),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij, te weten [A], wonende te Utrecht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in vereniging een breekijzer heeft gestolen uit een schuur, door middel van braak;

feit 2: in vereniging heeft geprobeerd goederen te stelen uit een woning, door middel van braak.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen,

-kort gezegd- een diefstal door middel van braak en een poging tot diefstal door middel van braak, beiden in vereniging gepleegd. De officier van justitie baseert zich hierbij met name op de getuigenverklaringen, de aangetroffen braaksporen op de schuur en de woning en de deels bekennende verklaring van verdachte.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat onvoldoende sprake is van overtuigend bewijs. Verdachte ontkent de braak -de schuurdeur was open- en had niet het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening. Ten aanzien van beide feiten stelt de raadsman dat geen sprake is geweest van medeplegen en verwijst hieromtrent naar de criteria gehanteerd door de Hoge Raad (zie: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474). De rol van de medeverdachte kan hoogstens gekwalificeerd worden als medeplichtigheid. Verdachte dient ten aanzien van beide feiten te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde

Met de verdediging, stelt de rechtbank vast dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte of de medeverdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zich het betreffende breekijzer toe te eigenen. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele vaststelling dat verdachte het breekijzer kortdurend heeft gebruikt onvoldoende om tot bewezenverklaring van het voor diefstal vereiste oogmerk van wederrechtelijke toeëigening te kunnen komen.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

4.3.2

Bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde

Partiële vrijspraak

Gelet op de handelingen van verdachte en de medeverdachte en de criteria gehanteerd door de Hoge Raad hieromtrent stelt de rechtbank, overeenkomstig de verdediging, vast dat ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde geen bewijs is van een nauwe en bewuste samenwerking en derhalve van medeplegen door verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook partieel vrijspreken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’.

Bewijsmiddelen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte heeft dit feit bekend en de verdediging heeft -voor het overige- geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:1

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 januari 2015;2

- de aangifte door [A] d.d. 15 oktober 2014;3

- de bevindingen met betrekking tot het sporenonderzoek d.d. 16 oktober 2014.4

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden worden slechts gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop deze blijkens de inhoud kennelijk betrekking hebben.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.2 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 2:

op 15 oktober 2014 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [adres 2], weg te nemen goederen van zijn gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [A], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, als volgt heeft gehandeld:

hebbende hij, verdachte, een breekijzer tussen de openslaande achterdeuren van die woning geplaatst en vervolgens met dat breekijzer gewrikt en getracht om die deuren van die woning open te breken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als:

feit 2: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de duur van het voorarrest, waarvan 53 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van de elektronische controle.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich aangesloten aan bij de eis zoals geformuleerd door de officier van justitie en heeft de rechtbank hierbij verzocht, bij het bepalen van de strafmaat, rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en het reclasseringsadvies.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Woninginbraken en pogingen daartoe zijn nare feiten, die naast schade, overlast en angst bij de slachtoffers, onrust in de samenleving teweeg brengen. Verdachte is aan deze gevolgen voorbij gegaan en dat neem de rechtbank hem kwalijk.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 16 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen eerder is veroordeeld, onder andere ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 21 januari 2015, opgemaakt door B. Frankes, waaruit blijkt dat de reclassering problemen op verschillende leefgebieden heeft geconstateerd. Gezien het hoge risico op recidive en het feit dat verdachte is gelabeld als kopstuk acht de reclassering toezicht met interventies geïndiceerd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek, waarvan 53 dagen voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank is van oordeel dat oplegging van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden -met uitzondering van het locatiegebod gecontroleerd door elektronische controle- noodzakelijk is ter voorkoming dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. De rechtbank zal de proeftijd bepalen op twee jaar. Hoewel de rechtbank komt een andere bewezenverklaring dan gevorderd door de officier van justitie, wordt de vordering ten aanzien van de straftoemeting wel passend geacht, met name gelet op de ernst van het feit.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [A] heeft met betrekking tot het ten laste gelegde een vordering ingediend tot vergoeding van de door hem geleden schade, te weten € 481,27.

De officier van justitie heeft gevorderd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering, te weten tot € 481,27, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu deze onvoldoende onderbouwd is, zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële schade. Subsidiair heeft de raadsman verzocht tot matiging van het toe te wijzen bedrag.

De rechtbank stelt vast dat de behandeling van een gedeelte van de vordering van [A] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder feit 2 bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel. De rechtbank acht de gevorderde posten ten dele voldoende onderbouwd en schat deze geleden schade, gelet op de inhoud van de vordering en het dossier, als volgt:

  • -

    Verlies arbeidsvermogen: voor de duur van 5 uur à € 6,81 per uur = € 34,05

  • -

    Reiskosten: woon-werkverkeer van de benadeelde à 97,8 km voor 28 cent per kilometer = € 27,38

  • -

    Smartengeld: € 100,-

De rechtbank waardeert derhalve de schade op € 161,43 (zegge: honderdeenenzestig euro en drieënveertig eurocent), bestaande uit € 61,43 materiële schade en € 100,- immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Het restant van de vordering acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en beoordeling hiervan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak
Verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 2: poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 53 dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaar navolgende (bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Stelt daarbij als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt daarbij als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen een werkdag volgend op de onherroepelijkheid van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen en zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. mee moet werken aan diagnostiek en behandeling bij Kade 17 of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

6. verplicht een zinvolle, controleerbare en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding heeft in de vorm van werk en/of studie, ook als dit inhoudt dat de veroordeelde wordt toe geleid naar een instantie die hem hierbij begeleidt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij t.a.v. feit 2

Wijst de vordering van [A] deels toe tot een bedrag van € 161,43 (zegge: honderdeenenzestig euro en drieënveertig eurocent), bestaande uit € 61,43 materiële schade en € 100,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [A] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [A], € 161,43 (zegge: honderdeenenzestig euro en drieënveertig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 3 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2014 tot aan de dag van algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander/anderen aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.A. Gerritse, voorzitter,

mrs. N.E.M. Kranenbroek en G.A. Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2015.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een schuur

(behorende bij de woning [adres 2]) heeft weggenomen een breekijzer,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen

goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 oktober 2014 te Utrecht, althans in het arrondissement

Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn

medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2], weg te nemen

goederen van hun/zijn gading en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan

[A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of

zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en

/ of die / dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn / hun bereik te

brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of valse

sleutel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of (één of

meer van) zijn mededader(s) een breekijzer tussen de (openslaande)

achterdeuren van die woning geplaatst en/of (vervolgens) met dat breekijzer

gewrikt en/of getracht om die deuren van die woning open te breken, zijnde de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier, nr. PL0900-2014293824 Z, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering (pagina 1 tot en met 144). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 januari 2015.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [A] d.d. 15 oktober 2014, opgenomen op pagina 44 tot en met 46.

4 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 16 oktober 2014 van verbalisant [B], opgenomen op pagina 47 en 48.