Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1301

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
3299378 MC EXPL 14-9413
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit ongerechtvaardigde verrijking verhuurder na einde huurovereenkomst art 6:212 en 7:216 lid 3 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling civiel recht

kantonrechter

zitting houdend te Almere

Zaak- en rolnummer: 3299378 MC EXPL 14-9413

Datum vonnis: 18 februari 2015

Toevoeging geopposeerde: 4JX0979

Vonnis in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE HILVERSUM,
zetelend te Hilversum,
opposant in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde mr. A. van der Hilst,

tegen

[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
geopposeerde in conventie,
gedaagde in reconventie,
gemachtigde mr. C.A. Fokker.

Partijen zullen hierna De Gemeente Hilversum en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    inleidende dagvaarding;

  • -

    het verstekvonnis van 9 juli 2014 (zaaknummer/rolnummer 3159759 MC EXPL 14-7182);

  • -

    de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie tevens conclusie van eis in het incident);

  • -

    conclusie van antwoord in het incident;

  • -

    het incidenteel vonnis van 17 september 2014;

  • -

    de conclusie van antwoord in oppositie, tevens van antwoord in reconventie (aan te merken als de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie);

  • -

    de conclusie van repliek in oppositie tevens van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis (aan te merken als de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens houdende vermeerdering van eis);

  • -

    het tussenvonnis van 10 december 2014;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie tevens antwoordakte vermeerdering van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] huurde sinds 1 september 1986 het pand gelegen aan [adres] te [woonplaats] van de Gemeente Hilversum. In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(..)

Van het gebruik Artikel 2

1.De huurder dient het gehuurde uitsluitend te gebruiken als atelier-ruimte.

BIJLAGE behorende bij de huurovereenkomst d.d. 29-7-1986, omvattende de algemene voorwaarden inzake de verhuur van de [naam] [adres] te [woonplaats].

Artikel 4

1.De huurder zal het gehuurde als een goed huisvader en overeenkomstig de daaraan bij deze overeenkomst gegeven bestemming gebruiken.

Artikel 5

Het is de huurder zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurder niet toegestaan:

1.Aan het gehuurde een andere bestemming te geven

11.Enigerlei veranderingen aan of in het gehuurde aan te brengen

(..)”

2.2.

[gedaagde] heeft het gehuurde (steeds) tevens als woonruimte gebruikt. Het gebruik van het gehuurde als woonruimte was niet toegestaan op grond van het vigerende bestemmingsplan Riebeeck.

2.3.

Bij brieven van 28 april en 23 april 1997 heeft De Gemeente Hilversum de huurovereenkomst opgezegd respectievelijk wegens onbehoorlijk gebruik van het pand en ernstige overlast voor de omwonenden (het zonder toestemming plaatsen van bouwwerken aan het gehuurde) en het in strijd met de bestemming van het pand en daarmee in strijd met de huurovereenkomst gebruik van het gehuurde als (tevens) woonruimte. Naar aanleiding van deze brieven hebben partijen op 12 juni 1997 overleg gevoerd, waarbij is afgesproken dat de huur beëindiging zou worden geschorst onder voorwaarde dat [gedaagde] de geplaatste bouwwerken zou verwijderen en zich zou uitschrijven van het adres van het gehuurde in het bevolkingsregister.

2.4.

[gedaagde] heeft zich uitgeschreven en op 3 december 1997 zijn nieuwe adres aan [adres] te [woonplaats] met ingang van 1 januari 1998 doorgegeven. In 2004 heeft [gedaagde] zich zonder voorafgaande toestemming van De Gemeente Hilversum opnieuw ingeschreven op het adres van het gehuurde.

2.5.

Vanaf 2005 heeft De Gemeente Hilversum het beheer van het gehuurde uit handen gegeven aan De Alliantie Gooi en Vechtstreek.

2.6.

Tussen 12 mei 2011 en 2 juni 2011 heeft er brand gewoed in het gehuurde. [gedaagde] heeft van de brand aangifte bij de politie gedaan op 7 juni 201 . De Alliantie heeft namens de Gemeente Hilversum opdracht gegeven aan Aannemersbedrijf [bedrijf]. om de brandschade aan het gehuurde te herstellen. De schade van [gedaagde] is door zijn verzekeraar Nationale Nederlanden vastgesteld op € 34.490,87 waarmee [gedaagde] zich akkoord heeft verklaard.

2.7.

Bij brief van 1 juli 2011 van de Gemeente Hilversum wordt aan [gedaagde] het volgende medegedeeld en bevestigd:

“Vanochtend heeft u een gesprek gevoerd met [A] en [B] betreffende de problematiek rond [adres].

U huurt dit pand voor gebruik als atelier van de gemeente. Zowel contractueel (huurovereenkomst) als op basis van het vigerende bestemmingsplan Riebeeck, is wonen niet toegestaan.

Met u is afgesproken dat u drie maanden de tijd krijgt om de woonsituatie te beëindigen en dat u zich op dit adres zult uitschrijven uit de Gemeentelijke Basis Administratie.

Na deze drie maanden zal de gemeente er op gaan toezien dat het bovenstaande adres alleen nog als atelier wordt gebruikt. Mocht het pand drie maanden na verzending van deze brief nog steeds ten behoeve van woonruimte worden aangewend, zult in de nakoming van uw verplichtingen voortvloeiend uit de huurovereenkomst in gebreke zijn. In dat geval zal de gemeente gerechtelijke stappen ondernemen om aan deze situatie een einde te maken, dan wel zich beraden over een mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst.”

2.8.

Bij brief van 22 juli 2011 aan de gemachtigde van [gedaagde] deelt de Gemeente Hilversum mede:

“Indien de heer [gedaagde] het wonen aan de Jacob van Heemskerckstraat niet binnen de eerder gestelde 3 maanden beëindigd heeft, zullen wij overgaan tot ontbinding van het huurcontract gebruik makend van artikel 3.2 van het huurcontract.

Artikel 3.2:

In afwijking van het gestelde onder sub 1 van dit artikel hebben zowel de huurder als de verhuurder te allen tijde het recht deze overeenkomst met een opzegtermijn van 3 maanden tussentijds te beëindigen.”

2.9.

Op of omstreeks 18 juli 2011 is door de tussenpersoon van de verzekeringsmaatschappij de werklijsten van de aannemer aan [gedaagde] ter hand gesteld onder mededeling dat de aannemer van De Alliantie ook het huurdersbelang kan opknappen. Voorgesteld wordt dit middels een akte van cessie te doen, zodat de rekening direct naar de verzekeraar van [gedaagde] gaat. [gedaagde] heeft daaraan uitvoering gegeven. Een bedrag van € 15.532,13 is gecedeerd.

2.10.

Op 8 september 2011 heeft er een opname van het atelier plaatsgevonden, waarbij een medewerker van de Alliantie (de heer [C] en een aannemer (de heer [D]) aanwezig waren.

2.11.

[gedaagde] heeft op 17 oktober 2011 een rechtsgeding jegens De Gemeente Hilversum aanhangig gemaakt en een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomst tussen partijen een gebruik van woonruimte betreft. De Gemeente Hilversum heeft in die procedure in reconventie gevorderd de huurovereenkomst te ontbinden per 15 juli 2012, althans per 15 augustus 2012, onder de verplichting tot ontruiming van het gehuurde.

2.12.

Bij aangetekende brief van 15 december 2011 heeft De Gemeente Hilversum de huurovereenkomst opgezegd tegen 15 juli 2012 wegens het in strijd met de huurovereenkomst en bestemmingsplan gebruik van het gehuurde als woning. De inhoud van bedoelde brief is bij deurwaardersexploot van 17 januari 2012 betekend.

2.13.

Bij vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 31 oktober 2012 is de vordering van [gedaagde] in conventie afgewezen en is de vordering in reconventie tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde per 30 april 2013 toegewezen. [gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis van de kantonrechter, maar dit beroep is doorgehaald nadat partijen overeenstemming hadden bereikt over de voorwaarden van intrekking van het hoger beroep.

2.14.

[gedaagde] heeft het gehuurde met ingang van 30 april 2013 ontruimd.

2.15.

Het gehuurde is door de Gemeente Hilversum gesloopt.

3 Het geschil

in conventie

Verstek

3.1.

[gedaagde] vordert – samengevat – veroordeling van de Gemeente Hilversum tot betaling van € 69.291,06 subsidiair tot betaling van € 15.532,13 en meer subsidiair betaling van een bedrag in goede justitie te bepalen vermeerderd met kosten.

3.2.

[gedaagde] stelt daartoe dat hij na de brand in overleg met De Alliantie, die namens De Gemeente Hilversum optrad, hertelwerkzaamheden heeft laten verrichten aan het gehuurde deels uit eigen middelen en door aanwending van de aan hem uitgekeerde verzekeringspenningen. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij niet wist, noch behoorde te weten dat De Gemeente Hilversum de bewoning van het gehuurde niet langer zou toestaan c.q. gedogen. Hij behoefde er geen rekening mee te houden dat, na het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden, De Gemeente Hilversum algehele beëindiging van de huurovereenkomst zou nastreven. Indien [gedaagde] ook maar enig vermoeden van het aansturen door De Gemeente Hilversum op een beëindiging van de huurovereenkomst had dan had [gedaagde] die investeringen niet gepleegd. [gedaagde] kon er hooguit rekening mee houden dat het gebruik als woonruimte zou moeten worden beëindigd. Als gevolg van de ontruiming van het gehuurde kan [gedaagde] op geen enkele wijze de gemaakte kosten en investeringen in het gehuurde terug verdienen. [gedaagde] stelt dat De Gemeente Hilversum ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [gedaagde] dan wel onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens alle van de verzekering ontvangen penningen te laten aanwenden voor herstelwerkzaamheden aan het gehuurde, welke werkzaamheden door [gedaagde] niet ongedaan konden worden gemaakt en waarvan De Gemeente Hilversum profijt heeft gehad doch in elk geval had kunnen hebben.

3.3.

Bij verstekvonnis van 9 juli 2014 van de kantonrechter te Almere is De Gemeente Hilversum veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 69.291,06 vermeerderd met kosten. Bij dagvaarding van 29 juli 2014 is De Gemeente Hilversum in verzet gegaan van voormeld vonnis.

Verzet

3.4.

De Gemeente Hilversum vordert samengevat – vernietiging van het tussen partijen door de kantonrechter te Almere gewezen verstekvonnis van 9 juli 2014 en alsnog afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] met veroordeling in de kosten.

3.5.

De Gemeente Hilversum bestrijdt dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Niet is voldaan aan de eisen die aan een vordering tot ongerechtvaardigde verrijking worden gesteld. De Gemeente Hilversum is niet verrijkt en [gedaagde] is niet verarmd. Onder verwijzing naar jurisprudentie en de parlementaire geschiedenis ten aanzien van artikel 7:216 BW stelt De Gemeente Hilversum dat de verhuurder daadwerkelijk profijt moet hebben gehad van de door de huurder aangebrachte veranderingen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. De Gemeente Hilversum heeft geen (hogere) huurpenningen of een hogere koopprijs ontvangen (noch anderszins profijt gehad) als gevolg van de investeringen van [gedaagde]. Het pand is gesloopt, zodat van profijt geen sprake kan zijn. Bovendien was [gedaagde] ook nog eens verplicht het gehuurde na ontbinding op te leveren in de staat waarin hij het gehuurde had aanvaard. Van verarming is ook geen sprake nu [gedaagde] de aan hem uitgekeerde verzekeringsgelden heeft aangewend tot herstel van het gehuurde. Als al sprake zou zijn van verrijking dan geldt dat een vergoeding slechts op zijn plaats is voor zover dit redelijk is te achten. [gedaagde] wist op 1 juli 2011 dat bewoning van het gehuurde niet zou worden toegestaan. Door toch het gehuurde als woonruimte te gaan gebruiken en daartoe investeringen te doen, heeft [gedaagde] de ontbinding en ontruiming over zichzelf afgeroepen. Dat valt dan ook in zijn risicosfeer. Tot slot bestrijdt De Gemeente Hilversum de hoogte en de juistheid van de vordering als onvoldoende onderbouwd.

3.6.

[gedaagde] voert verweer onder handhaving van zijn stellingen.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.8.

De Gemeente Hilversum vordert – samengevat na wijziging van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 29.841,54 en voor het overige nader op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

3.9.

De Gemeente Hilversum stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] misbruik maakt van zijn recht en daarmee onrechtmatig handelt door zijn vordering te baseren op stellingen waarvan hij op voorhand moet begrijpen dat deze geen kans van slagen zullen hebben. De gemeente Hlversum heeft als gevolg van deze procedure onnodig kosten moeten maken bestaande uit interne kosten, advocatenkosten en beslagkosten. Deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking.

3.10.

[gedaagde] voert verweer. Er is geen sprake van onrechtmatig procederen. De gevorderde schade wordt betwist. De opgevoerde kosten zijn onevenredig hoog. Advocatenkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking en worden geacht te zijn begrepen in een proceskosten veroordeling. Doordat De Gemeente Hilversum verstek heeft laten gaan, dienen de extra kosten als gevolg daarvan sowieso voor rekening van De Gemeente Hilversum te blijven.

3.11.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.2.

De Gemeente Hilversum is tijdig in verzet gekomen van het vonnis van de kantonrechter te Almere van 9 juli 2014, zodat De Gemeente Hilversum in haar vordering kan worden ontvangen.

4.3.

De kantonrechter staat voor de vraag of De Gemeente Hilversum na beëindiging van de huurovereenkomst met [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt door de door [gedaagde] na de brand in het gehuurde gepleegde en achtergebleven investeringen.

Toetsingkader

4.4.

Als de huurder afziet van ongedaanmaking van de door hem aangebrachte veranderingen en toevoegingen – omdat hij het resultaat van zijn werkzaamheden niet ongedaan kan maken zonder de gehuurde zaak zodanig te beschadigen dat oplevering in de juiste staat (ook na herstelwerkzaamheden) niet meer mogelijk is, of omdat ongedaanmaking, mede in verband met de daaruit voortvloeiende noodzakelijke herstelwerkzaamheden, een al te kostbare aangelegenheid wordt, of om welke reden dan ook – kan dat voor de verhuurder van de zaak een waardevermeerdering van zijn eigendom opleveren en hem de mogelijkheid bieden om van een volgende huurder een hogere huurprijs te vragen. Lid 3 van art. 7:216 BW kent de huurder in een dergelijke situatie een aanspraak op vergoeding toe, voor zover die past binnen het stramien van art. 6:212 BW (verplichting tot schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking): als geoorloofde veranderingen en toevoegingen aan het gehuurde bij het einde van de huur niet ongedaan worden gemaakt (terwijl ook geen verplichting tot ongedaanmaking bestond op grond van een afspraak met de verhuurder) kan de huurder een vergoeding vorderen voor zover art. 6:212 BW dat toestaat. De huurder heeft een jegens de verhuurder geldend te maken aanspraak op schadevergoeding ter zake van (geoorloofde) veranderingen die hij bij het einde van de huur niet heeft weggenomen. Art. 7:216 lid 3 BW bepaalt dat de huurder vergoeding van de verhuurder kan vorderen voor zover art. 6:212 BW dat toestaat. Artikel 6:212 lid 1 BW bepaalt:

“Hij die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander, is verplicht, voor zover dit redelijk is, diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking”.

4.5

Nadrukkelijk wordt in de memorie van toelichting bij art. 7:216 BW gesteld dat de verwijzing naar de regels van de ongerechtvaardigde verrijking niet wil zeggen dat er steeds wanneer de veranderingen en toevoegingen niet worden weggenomen, sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Van wezenlijk belang is de in art. 6:212 BW opgenomen maatstaf ‘voor zover dit redelijk is’. Voor een geslaagde vordering tot schadevergoeding uit ongerechtvaardigde verrijking is in ieder geval nodig:

a. dat sprake is van door de huurder aangebrachte geoorloofde veranderingen en toevoegingen (art. 7:216 lid 3 BW jo. art. 7:215),

b. die bij het einde van de huurovereenkomst niet ongedaan worden gemaakt (art. 7:216 lid 3 BW),

c. dat de huurder kosten heeft moeten maken die hij noch heeft kunnen terugverdienen (bijvoorbeeld door afschrijving), noch ook vergoed heeft gekregen als gevolg van overname door de nieuwe huurder (er moet schade zijn aan de zijde van de huurder),

d. dat het resultaat redelijkerwijs voor de verhuurder een voordeel oplevert waarvan hij daadwerkelijk profijt heeft, bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het bedingen van een hogere huur van de nieuwe huurder of kostenbesparing op onderhoud (er moet sprake zijn van verrijking aan de zijde van de verhuurder),

e. dat het voordeel aan de zijde van de verhuurder ‘ongerechtvaardigd’ is.

De Hoge Raad stelt voorop dat een huurder slechts aanspraak kan maken op een vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking voor veranderingen die hij bij het einde van de huur niet heeft weggenomen, indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Daarbij kan volgens de Hoge Raad onder meer van belang zijn:

• Wat uit de huurovereenkomst of uit nadere afspraken van partijen voortvloeit ten aanzien van het aanbrengen van veranderingen aan het gehuurde; ter zake van ongeoorloofde veranderingen zal de huurder geen aanspraak op enige vergoeding kunnen maken;

• In hoeverre de huurder de kosten die hij voor de aangebrachte veranderingen heeft gemaakt, heeft kunnen terugverdienen (of aan een opvolgend huurder in rekening heeft kunnen brengen);

• In hoeverre deze kosten veranderingen betreffen die inmiddels als afgeschreven kunnen worden beschouwd;

• In hoeverre de verhuurder daadwerkelijk profijt van de aangebrachte veranderingen heeft (bijvoorbeeld doordat hij het gehuurde voor een hogere prijs kan verkopen of van een opvolgend huurder een hogere huur kan bedingen). (Zie HR 25 juni 2004, NJ 2005, 338, WR 2004, 278 ([naam]/[naam])

Geoorloofde investeringen/veranderingen

4.6.

De kantonrechter stelt vast dat niet in geschil is dat [gedaagde] een bedrag van € 69.291,06 heeft geïnvesteerd in het gehuurde. [gedaagde] heeft van zijn verzekeraar een bedrag van € 34.490,87 vergoed gekregen, zodat [gedaagde] uit eigen middelen nog een bedrag van € 34.800,19 heeft geïnvesteerd. [gedaagde] heeft met De Gemeente Hilversum overleg gevoerd over de wijze waarop de brandschade moet worden hersteld. Dit vloeit onder meer voort uit het feit dat een deel van het verzekeringsgeld aan De Gemeente Hilversum dan wel de aannemer is gecedeerd. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] met toestemming van de verhuurder veranderingen in het gehuurde heeft aangebracht. Of dit ook geldt voor alle werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van of door [gedaagde] blijft in deze procedure onduidelijk en kan door de kantonrechter onvoldoende worden vastgesteld nu partijen zich daarover onvoldoende hebben uitgelaten.

Achtergebleven investeringen

4.7.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] na het einde van de huurovereenkomst

de (op zijn kosten) aangebrachte veranderingen bij het einde van de huur (grotendeels) niet heeft weggenomen of kunnen wegnemen.

Verarming

4.8.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] de kosten van deze veranderingen niet (volledig) heeft kunnen terugverdienen, waardoor dus sprake is van een ‘verarming’ aan zijn zijde. Die verarming is naar het oordeel van de kantonrechter overigens niet gelijk aan het door [gedaagde] gevorderde bedrag. De kantonrechter is met De Gemeente Hilversum van oordeel dat het door de verzekering uitgekeerde geld aan [gedaagde] bestemd was als vergoeding van de door de brand veroorzaakte schade met de bedoeling dat bedrag ook daadwerkelijk in het pand te investeren om zo in een situatie te komen te verkeren als voor de brand. Dit betekent dat het bedrag van het uitgekeerde verzekeringsgeld in ieder geval niet kan worden meegenomen ter bepaling van de mate waarin sprake is van verarming aan de zijde van [gedaagde]. Daar doet niet aan af dat [gedaagde] het verzekeringsgeld ook niet had hoeven investeren in het gehuurde. De overige achtergebleven investeringen die uit eigen middelen zijn voldaan vormen naar het oordeel van de kantonrechter voor een groot deel wel een verarming van [gedaagde], hoewel partijen over de hoogte daarvan van mening verschillen. Als een huurder zijn verarming ten gevolge van de gedane investeringen had kunnen voorkomen dan geldt geen vergoedingsplicht. In dit licht is het debat tussen partijen over de woonbestemming van het gehuurde van belang. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij indien hij ook maar enigszins kon vermoeden dat De Gemeente Hilversum zou aansturen op een beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming hij bedoelde investeringen niet had gedaan. [gedaagde] wist dat hij het atelier niet als woonruimte mocht gebruiken. Daarover is hij reeds in 1997 door De Gemeente Hilversum aangeschreven. [gedaagde] heeft zich als gevolg van de toen gemaakte afspraken laten uitschrijven. Feitelijk is [gedaagde] het atelier steeds als woonruimte blijven gebruiken, hetgeen blijkt uit de overgelegde aantekeningen van de griffier bij de comparitie van partijen van 19 april 2012 in de ontbindingsprocedure. Nadat brand was ontstaan in het gehuurde heeft De Gemeente Hilversum bij brief van 1 juli 2011 nog eens uitdrukkelijk gewezen op de bestemmingsbepaling in de huurovereenkomst onder de mededeling dat bij gebruik als woonruimte de gemeente zich zou beraden over een mogelijke ontbinding. Bij brief van 22 juli 2011 aan de gemachtigde van [gedaagde] is expliciet ontbinding van de huurovereenkomst in het vooruitzicht gesteld indien het atelier tevens als woonruimte zou worden gebruikt. [gedaagde] wist derhalve dat de gemeente Hilversum niet instemde met bewoning van het gehuurde. Bij voormelde brief van 1 juli 2011 is [gedaagde] nota bene in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na dagtekening de woonsituatie te beëindigen. Door dat niet te doen heeft [gedaagde] de ontbinding, welke bij vonnis van de kantonrechter te Almere van 31 oktober 2012 is uitgesproken, over zich zelf afgeroepen. Het komt voor rekening en risico van [gedaagde] dat hij na de brand naast de verzekeringspenningen meer heeft besteed aan het gehuurde, waaronder de aanleg van een badkamer en keuken. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat, wat er ook zij van de hoogte van de verarming van [gedaagde], die verarming op grond van het bovenstaande redelijkerwijze niet kan worden toegerekend aan de Gemeente Hilversum.

(Ongerechtvaardigde)Verrijking

4.9.

De kantonrechter stelt vast dat De Gemeente Hilversum na einde van de huurovereenkomst als gevolg van de aangebrachte veranderingen is verrijkt, doordat een deel van de gedane investeringen (bijvoorbeeld badkamer, keuken etc) door natrekking eigendom is geworden. Dit betekent overigens nog niet dat aangenomen moet worden dat De Gemeente Hilversum ongerechtvaardigd is verrijkt. Daarvoor is van belang dat De Gemeente Hilversum ook daadwerkelijk profijt heeft (gehad) c.q. zal hebben van de aangebrachte veranderingen. Daarvan is in het onderhavige geval naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. De Gemeente Hilversum heeft nadat de huurovereenkomst is beëindigd het gehuurde om haar moverende redenen gesloopt. Aldus heeft De Gemeente Hilversum geen hogere prijs bij verkoop kunnen realiseren noch bij een opvolgend huurder een hogere huur kunnen bedingen. De stelling van [gedaagde] dat van ongerechtvaardigde verrijking ook sprake kan zijn indien De Gemeente Hilversum profijt had kunnen hebben vindt geen bevestiging in de jurisprudentie. De bepalingen omtrent ongerechtvaardigde verrijking dienen restrictief te worden toegepast. De Gemeente Hilversum had bovendien niet de plicht het gehuurde weder te verhuren of te verkopen om zo een mogelijk profijt te realiseren. Het stond De Gemeente Hilversum vrij een andere bestemming te geven aan het gehuurde en over te gaan tot sloop. Aldus is van een verrijking die tevens ongerechtvaardigd zou zijn geen sprake.

Onrechtmatig handelen

4.10.

De kantonrechter is verder van oordeel dat het handelen van De Gemeente Hilversum ook niet als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Zoals hierboven reeds overwogen is het [gedaagde] geweest die in strijd met de bestemming het gehuurde ondanks nadrukkelijke waarschuwingen van de kant van de gemeente is blijven gebruiken als woonruimte. Onjuist is de stelling van [gedaagde] dat hij mocht verwachten dat alleen aan de woonbestemming door de gemeente een einde zou worden gemaakt met instandlating van de huurovereenkomst ten aanzien van het atelier. Een en ander vindt zijn voldoende weerlegging in de correspondentie van 1 juli 2011 en 22 juli 2011 als hierboven aangehaald.

Conclusie

4.11.

De kantonrechter is van oordeel dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking dient te worden afgewezen op grond van het feit dat de verarming van [gedaagde] voor zijn rekening en risico dient te blijven, terwijl ook niet is gebleken dat de gemeente Hilversum daadwerkelijk profijt heeft verkregen van de door [gedaagde] gedane investeringen. Het verstekvonnis zal worden vernietigd. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld.

in reconventie

4.12.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

4.13.

De Gemeente Hilversum vordert betaling van de door haar gemaakte interne kosten en advocatenkosten. Zij stelt daartoe dat in het onderhavig geval sprake is van onrechtmatig procederen nu de vordering van [gedaagde] in conventie gebaseerd is op stellingen waarvan [gedaagde] op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hebben. De Gemeente Hilversum verwijst onder meer naar het vonnis van de kantonrechter te Almere waarin al in de kern zou zijn beslist op de vraag of het redelijk is dat [gedaagde] niet in de gelegenheid is gesteld om zijn investeringen terug te verdienen. De kantonrechter is van oordeel dat dat vonnis ziet op de beëindiging van de huurovereenkomst en niet ziet op een vordering tot (terug)betaling van gedane investeringen. Over de vraag of sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad van de kant van de gemeente Hilversum heeft de kantonrechter zich in dat vonnis niet (expliciet) uitgelaten. Aldus kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] door het entameren van onderhavige procedure een oordeel tracht te verkrijgen over een rechtsvraag die al zou zijn beslecht in een eerdere procedure.

4.14.

Ten aanzien van het presenteren van een onverdedigbaar standpunt is het volgende van belang. Het dient zich als enigszins vanzelfsprekend aan dat partijen in de burgerrechtelijke procedure niet meteen ontoelaatbaar handelen als zij standpunten betrekken of verdedigen die als niet of nauwelijks verdedigbaar moeten worden beoordeeld. De dagelijkse ervaring in de procespraktijk laat zien dat dat in menig burgerrechtelijk geschil gebeurt: er worden standpunten betrokken die al op de voorhand als weinig plausibel voorkomen, en die tenslotte ook niet aanvaardbaar blijken te zijn. Een opstelling volgens het zojuist beschreven patroon, levert geen ontoelaatbaar handelen op. Over de merites van zijn zaak, en over de beste manier om die zaak in een procedure naar voren te brengen kan men nu eenmaal gemakkelijk verschillend denken. Al daarom moet aanvaard worden dat partijen en hun raadslieden in dit opzicht een ruime beoordelingsmarge (moeten) hebben. Ware dat anders dan zou, op principieel niveau, de verdediging van zaken in rechte te zeer worden belemmerd of bemoeilijkt. Partijen zijn wel gehouden de voor de van de rechter gevraagde beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (vastgelegd in art. 21 Rv.).

4.15.

Weliswaar moet worden aangenomen dat [gedaagde] ten aanzien van het begrip “profijt” een onjuist in strijd met de geldende jurisprudentie standpunt heeft gehanteerd door te verdedigen dat van profijt ook sprake is indien uitgegaan wordt van “profijt kunnen hebben”, maar dat maakt de procedure nog niet onrechtmatig. De rechter wordt de vraag nog eens voorgelegd onder welke criteria sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking. Een dergelijk debat kan van belang zijn voor de rechtsvorming. Ook de stelling dat De Gemeente Hilversum is verrijkt, is in het licht van deze procedure niet onjuist. De kantonrechter heeft immers in conventie geoordeeld dat van een verrijking door natrekking sprake was, maar dat deze verrijking niet ongerechtvaardigd is nu de gemeente daarvan geen daadwerkelijk profijt heeft ondervonden. De kantonrechter is voorst van oordeel dat de standpunten van [gedaagde] ten aanzien van de bestemming van het atelier mede gebruikt als woonruimte moet worden bezien in de tussen partijen bestaande onderlinge rechtsverhouding. Dat die stellingen niet door de kantonrechter zijn aanvaard, maakt de procedure niet onrechtmatig.

4.16.

De gemaakte advocatenkosten maken onderdeel uit van een proceskostenveroordeling. Onvoldoende is gesteld op grond waarvan alsdan de advocatenkosten toch zouden moeten worden vergoed.

4.17.

De vordering zal dan ook worden afgewezen. De Gemeente Hilversum zal in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

In conventie

vernietigt het verstekvonnis van 9 juli 2014 en, opnieuw rechtdoende, wijst de vordering van [gedaagde] af;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure (in conventie) met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding aan de zijde van De Gemeente Hilversum, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.800,00 aan salaris gemachtigde;

in reconventie

wijst de vordering van De Gemeente Hilversum af;

veroordeelt de Gemeente Hilversum in de kosten van het geding (in reconventie), tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 900,00 voor salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2015.