Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1209

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2015
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
16/800217-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van acht maanden (omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 5 april 2012, te Amersfoort) schuldig gemaakt aan (het treffen van voorbereidingshandelingen voor) de productie van en de handel in cocaïne. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie. De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden (90 dagen) met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 77 dagen, alsmede een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/800217-12 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 februari 2015. De rechtbank heeft daarbij kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en diens raadsman, mr. J.W.H. Peters, advocaat te Amersfoort, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op 5 april 2012 al dan niet in vereniging 16 gram cocaïne voorhanden heeft gehad in Amersfoort.

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 september 2011 tot en met 5 april 2012 al dan niet in vereniging cocaïne heeft geproduceerd en in cocaïne heeft gehandeld te Amersfoort.

ten aanzien van feit 3:

op 5 april 2012 munitie van categorie II en III voorhanden heeft gehad in Amersfoort.

ten aanzien van feit 4:

op 5 april 2012 in Amersfoort al dan niet in vereniging, ten behoeve van de voorbereiding van de productie en handel in cocaïne en/of synthetische drugs, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of kon vermoeden dat deze bedoeld waren voor het voorbereiden van de productie en de handel in cocaïne en/of synthetische drugs.

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3 en 4 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder de feiten 1, 2 en 4 ten laste gelegde medeplegen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte voor eigen gebruik cocaïne aanwezig heeft gehad. Er dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen van het ten laste gelegde medeplegen.

Wat betreft feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde medeplegen van de handel in cocaïne. De bij verdachte aangetroffen hoeveelheid cocaïne was voor eigen gebruik en hij beschikte niet over een handelsvoorraad. De bij verdachte aangetroffen apparatuur en chemicaliën waren bedoeld om zijn eigen cocaïne te bewerken/purificeren, hetgeen wel kan worden bewezen.

De in de woning van verdachte aangetroffen patronen heeft hij niet voorhanden gehad, omdat ze van de vorige vriend van verdachtes ex-vriendin zijn. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van munitie.

Wat betreft feit 4 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte drugs heeft bewerkt voor de handel naar het buitenland.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank1

Bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4:
Verdachte woont in de periode van 1 september 2011 tot en met 5 april 2012 aan de [adres] te [woonplaats].2

In de woning van verdachte zijn op 5 april 2012 de volgende goederen aangetroffen:
- een kluis (IBN: [nummer]), met daarin een contant geldbedrag van in totaal € 370,-

(IBN: [nummer]) en in totaal 16 gram cocaïne (IBN: [nummer] en

SIN: AADH8748NL);

- zeven flessen en twee potten chemicaliën, die (deels) zijn bestemd of geschikt voor het wassen van cocaïne (IBN: [nummer]);

- een hydraulische potkrik (IBN: [nummer]);

- twee drukpersen (IBN: [nummer]);

- een stalen mal, waarmee pakketten van verdovende middelen kunnen worden gemaakt (IBN: [nummer]);

- goederen ten behoeve van de versnijding van verdovende middelen

(IBN: [nummer]);

- een zakweegschaal (IBN: [nummer]) en een weegschaal (IBN: [nummer]).3

Verdachte verklaart dat deze goederen van hem zijn. Hij gebruikte de aangetroffen chemicaliën en apparatuur voor het wassen, persen, versnijden en wegen van cocaïne.4

Verdachte verklaart verder dat hij ook met zijn vrienden cocaïne gebruikt. Zij betalen hem daar wel eens voor.5

In de woning van verdachte zijn op 5 april 2012 tevens de volgende goederen aangetroffen:

- een schrijfblok met daarin notities betreffende rekeningen van diverse personen en een kasboek (IBN: [nummer])6;

- documenten en notities waarin wordt gesproken over het produceren, wassen, bewerken en internationaal verhandelen en transporteren van cocaïne, waaronder een document genaamd “how to make cocaine HCI”7, een document genaamd: “de waarheid achter het maken van cocaïne”8, alsmede notities die verband houden met het project ‘cocaleaf’

(IBN: [nummer])9;

- een BlackBerry telefoon (IBN:[nummer]) en een iPhone ([nummer]) met daarop foto’s van opeengeperste drugspakketten, welke foto’s zijn gemaakt in de periode van juni 2011 tot en met maart 2012.10

Verdachte verklaart dat deze in zijn woning aangetroffen notities en documenten, alsmede het schrijfblok en de iPhone van hem zijn.11

Op 23 november 2011 om 18.23 uur is een telefoongesprek afgetapt dat [A] met telefoonnummer [telefoonummer]12 en een NNman met telefoonnummer [telefoonummer] hebben gevoerd.13

Het gesprek verloopt als volgt:

NNman: He [naam] (fon)

[A]: Hey

NNman: hoe is het

[A]: Goed, ik was even in de buurt. Ik stuur [B] even naar je toe voor iets voor iemand

NNman: uh ok ja dat is goed.

[A]: dat wordt uh gelijk even betaald natuurlijk

NNman: jajaja nee prima is goed

[A]: later juh.14

Verdachte verklaart dat het telefoonnummer [telefoonummer] zijn telefoonnummer is en dat hij dit telefoongesprek met zijn vriend [A] heeft gevoerd. De [B] waar in het gesprek over wordt gesproken is [B], een vriend van [A].15

Op 11 december 2011 om 17.09 uur is een telefoongesprek afgetapt dat [B] met telefoonnummer [telefoonummer] en een NNman met telefoonnummer [telefoonummer] hebben gevoerd.16

Het gesprek verloopt als volgt:

R: [A] zei dat je me nodig had.

NN: Had ik jou nodig? Oh voor dat. Euh ik heb nog niks van die jongen gehoord. Ik bel jou gewoon. Maar ik had je nodig voor dat, dus. Maar als die jongen mij belt straks bel ik jou. Ja.
R: Oke moet ik mee of zo. Ik moet wel om half zes op, niet dat het laat wordt.

NN: Misschien dat is het voor morgen ook. Die jongen heeft niet zo veel haast. Maar die jongen heeft er wel. Hij heeft veel veel euh zin zeg maar.

R: oke.

NN: Snap je. Dan hoor je het. Oke maatje.17

Verdachte verklaart dat hij dit telefoongesprek met [B] heeft gevoerd.18

Op 25 januari 2012 om 18.13 uur is een telefoongesprek afgetapt dat [A] met telefoonnummer [telefoonummer] en een NNman met telefoonnummer [telefoonummer] hebben gevoerd.19

Het gesprek verloopt als volgt:

[A] wordt gebeld door [naam] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) die vraagt of [A] vanavond nog langs wilde komen, of [A] nog nodig had. [A] zegt eigenlijk wel en vraagt of [naam] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) thuis is. [naam] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) zegt dat ie niet thuis is, maar hij kan voor [A] wel even naar huis rijden. [A] vraagt of hij straks terug mag bellen om af te spreken. [naam] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) vindt het goed.20

Verdachte verklaart dat hij dit telefoongesprek met zijn vriend [A] heeft gevoerd.21

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1:

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 april 2012 te Amersfoort 16 gram cocaïne aanwezig heeft gehad.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2:
Met betrekking tot het door de raadsman gevoerde verweer dat geen sprake is van de handel in cocaïne overweegt de rechtbank dat de hoeveelheid aangetroffen cocaïne in een kluis in de woning van verdachte duidt op een handelsvoorraad.

Uit de getapte telefoongesprekken, verklaringen van verdachte, alsmede uit de in de woning van verdachte aangetroffen cocaïne in een kluis met geldcoupures, apparatuur, chemicaliën, notities met openstaande rekeningen en een kasboek blijkt bovendien dat verdachte - tegen betaling - cocaïne aan anderen heeft verkocht en cocaïne heeft gewassen, geperst, versneden en gewogen.

Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 september 2011 tot en met 5 april 2012 te Amersfoort opzettelijk cocaïne heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd en verstrekt.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 4:

Dat verdachte zich op 5 april 2012 tevens schuldig heeft gemaakt aan voorbereidings-handelingen met betrekking tot de handel en productie van cocaïne acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaringen die verdachte heeft afgelegd, alsmede op grond van de in de woning van verdachte aangetroffen:

- handelshoeveelheid cocaïne in een kluis met contante geldcoupures;

- apparatuur en chemicaliën om cocaïne mee te wassen, persen, versnijden en wegen;

- notities met openstaande rekeningen en een kasboek;

- documenten en notities waarin wordt gesproken over het produceren, wassen, bewerken en internationaal verhandelen en transporteren van cocaïne;

- foto’s op de BlackBerry en iPhone van opeengeperste drugspakketten.

De rechtbank acht slechts wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze voorbereidingshandelingen heeft gepleegd met betrekking tot de handel en productie van cocaïne. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen met betrekking tot synthetische drugs.

De rechtbank spreekt verdachte tevens vrij van het ten laste gelegde medeplegen.

Bewijs ten aanzien van feit 3:

Verdachte woont op 5 april 2012 aan de [adres] te [woonplaats].22

In de woning van verdachte zijn op 5 april 2012 de volgende goederen aangetroffen:
- 2 pepergaspatronen, kaliber 9mm, vallend onder categorie II van de Wet Wapens en Munitie (IBN: [nummer], SIN: AADF0722NL en SIN: AADF0723NL)23;

- 52 knalpatronen/losse flodders, kaliber .223, en vallend onder categorie III van de Wet Wapens en Munitie ((IBN: [nummer], SIN: AADF2337NL)24.

Verdachte verklaart dat hij wist dat deze patronen in zijn woning aanwezig waren op 5 april 2012.25

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3:
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 april 2012 wist dat de ten laste gelegde patronen in zijn woning aanwezig waren. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat de munitie voor de sier op een plateau lag. Niet gebleken is dat verdachte niet over deze patronen kon beschikken.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging dat verdachte deze patronen niet voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 5 april 2012 twee pepergaspatronen (categorie II van de Wet Wapens en Munitie) en 52 knalpatronen/losse flodders (categorie III van de Wet Wapens en Munitie) voorhanden heeft gehad.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1:

op 5 april 2012, te Amersfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van

16 gram cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

ten aanzien van feit 2:

op meer tijdstippen, in de periode van 1 september 2011 tot en met 5 april 2012, te Amersfoort, meermalen, telkens opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

ten aanzien van feit 3:

op 5 april 2012 te Amersfoort, munitie van categorie III, te weten 52 knalpatronen/losse flodders kaliber .223, en munitie van categorie II, te weten 2 pepergaspatronen kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

ten aanzien van feit 4:

op 5 april 2012 te Amersfoort, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en te bevorderen, voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten, te weten:

- 2 drukpersen, en

- een hydraulische potkrik, en

- een stalen mal, en

- 7 flessen chemicaliën, die (deels) bestemd of geschikt zijn voor het wassen van cocaïne, en

- 2 potten chemicaliën, die (deels) bestemd of geschikt zijn voor het wassen van cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd/

Ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

voorbereiden en bevorderen van een feit als bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de LOVS-richtlijnen en de lange periode waarin de behandeling van de zaak tegen verdachte heeft stilgelegen.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht aan verdachte in ieder geval geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de dagen die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Eventueel kan daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf of een geldboete worden opgelegd. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de geringe draagkracht van verdachte.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn en de lange periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tevens dient rekening te worden gehouden met het feit dat verdachte geen drugs meer gebruikt en hij nu positief bezig is met zijn toekomst.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van acht maanden schuldig gemaakt aan (het treffen van voorbereidingshandelingen voor) de productie van en de handel in cocaïne. Daarbij is een handelshoeveelheid cocaïne in zijn woning aangetroffen. Door te handelen in deze harddrugs, deze harddrugs te bewerken en bovendien voorbereidingshandelingen te treffen voor de verdere handel en productie daarvan heeft verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand blijven van drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar is gebracht.
De rechtbank houdt er eveneens rekening mee dat niet vastgesteld kan worden dat de handel in de bewezenverklaarde periode op grote schaal heeft plaatsgevonden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie. Deze goederen vormen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit van munitie dient dan ook streng te worden opgetreden.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 januari 2015, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor de handel in harddrugs, te weten op 29 oktober 2004 door de meervoudige kamer in Utrecht.

De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak moest zijn behandeld is overschreden. Als beginpunt van de redelijke termijn heeft te gelden het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank heeft als aanvangsdatum van de redelijke termijn de datum van de inverzekeringstelling van verdachte genomen, te weten

5 april 2012. Op 21 juni 2012 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst.

Het uitgangspunt is dat de behandeling ter terechtzitting van een verdachte, die zich niet in voorlopige hechtenis bevindt, dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren.

De zaak is voor het eerst op 16 februari 2015 inhoudelijk ter zitting behandeld en eerst vandaag, op 2 maart 2015, is onderhavig eindvonnis gewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een dermate omvangrijk of ingewikkeld dossier dat dit de termijn waarbinnen de zaak in eerste aanleg is afgedaan rechtvaardigt. De redelijke termijn is dan ook overschreden met 10 maanden.


Gelet op die overschrijding van de redelijke termijn en gelet op de relatief beperkt omvang van de handel in cocaïne ziet de rechtbank reden om - in plaats van een voor voornoemde feiten en omstandigheden op zijn plaats zijnde langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en een forse taakstraf op te leggen.

Daarnaast wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd die zal dienen als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank acht dit noodzakelijk omdat niet aannemelijk is geworden dat verdachte de strafwaardigheid van zijn handelen daadwerkelijk inziet. Weliswaar is hij bezig met een duikopleiding waarmee hij zijn brood wil gaan verdienen en zegt hij zijn medicatie trouw te nemen, maar deze ontwikkeling is nog zo pril dat daarmee op zichzelf een gevaar voor herhaling nog onvoldoende is weggenomen.


De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden (90 dagen) met een proeftijd van twee jaren en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 77 dagen, alsmede een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis passend en geboden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

9 Het beslag

9.1.

Beslaglijst
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen die op de beslaglijst staan vermeld. Deze beslaglijst zal als bijlage aan dit vonnis worden gehecht.

9.2.

Het standpunt van de officier van justitie
Van de goederen met nummers 41 tot en met 45 heeft de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevorderd, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de goederen met nummers 34, 36 en 40 aangezien deze goederen direct te linken zijn aan de handel in cocaïne door verdachte.

Ten aanzien van de goederen met nummers 1, 13, 14, 18, 19, 21, 38 en 39 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de teruggave aan verdachte kan worden gelast.

9.3.

Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het onder nummer 40 inbeslaggenomen geldbedrag terug te geven aan verdachte, omdat dit geld uit zijn Wajong-uitkering betreft.

Daarnaast heeft de verdediging verzocht de teruggave aan verdachte te gelasten van de onder nummer 34 inbeslaggenomen iPhone.

Voor wat betreft de overige inbeslaggenomen goederen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.4.

Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de goederen met nummers 41 tot en met 45 onttrokken aan het verkeer, nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank verklaart de goederen met nummers 1, 13, 14, 18, 19, 21, 34, 36, 38, 39 en 40 verbeurd. Het betreft voorwerpen met behulp waarvan of met betrekking waarvan de strafbare feiten zijn begaan of voorbereid dan wel voorwerpen die tot het begaan van misdrijven zijn bestemd.

Met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag (goed nummer 40) en de inbeslaggenomen iPhone (goed nummer 34) overweegt de rechtbank meer specifiek als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de onder 4.3. genoemde feiten en omstandigheden, niet aannemelijk is geworden dat het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag (goed nummer 40) anders dan van de handel in cocaïne afkomstig is.
Dit geldbedrag is aangetroffen in een kluis in de woning van verdachte waarin tevens cocaïne is aangetroffen, terwijl zijn uitkering via de bank wordt betaald.

Ten aanzien van de onder verdachte inbeslaggenomen iPhone (goed nummer 34) geldt dat op deze iPhone afbeeldingen aangetroffen die te linken zijn aan de productie van en de handel in cocaïne.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2, 10 en10a van de Opiumwet en artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring:

- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid:
- het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van feit 4: voorbereiden en bevorderen van een feit als bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten;

- verklaart het bewezene strafbaar;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging:
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 167 dagen;

- bepaalt dat 90 dagen van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren en bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Beslag:
- onttrekt aan het verkeer de goederen met nummers 41 tot en 45 van de beslaglijst;

- verklaart verbeurd de goederen met nummers 1, 13, 14, 18, 19, 21, 34, 36, 38, 39 en 40 van de beslaglijst.

Voorlopige hechtenis

- heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mr. P.J.M. Mol en

mr. M.P. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Borg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 maart 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

1.

Hij op omstreeks de 5 april 2012, te Amersfoort, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 16 gram cocaïne , in

elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel

aangewezen krachtens het tweede of derde lid van artikel 2 van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet

2.

Hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september

2011 tot en met 5 april 2012, te Amersfoort, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt

en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of

vervoerd, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij

de Opiumwet behorende lijst I, danwel aangewezen krachtens het tweede of derde

lid van artikel 2 van die Wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 5 april 2012 te Amersfoort, in elk geval in Nederland,

munitie van categorie III, te weten:

-52, althans een of meer, (knal) patro(o)n(en)/losse flodder(s) kaliber .223,

en/of munitie van categorie II, te weten

-2, althans een of meer, (pepergas)patro(o)n(en) kaliber 9mm voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks de 5 april 2012 te Amersfoort, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of buiten het grondgebied

van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en/of synthetische drugs,in

elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te

bereiden en/of te bevorderen:

-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen

voorhanden gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te

vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

te weten:

- 2, althans een of meer, drukpers(en), en/of

- een hydraulische potkrik, en/of

- een stalen mal, en/of

- 7 flessen chemicaliën ((deels) bestemd of geschikt voor het wassen van

cocaïne en/of fabricage van synthetische drugs), en/of

- 2 potten chemicaliën ((deels) bestemd of geschikt voor het wassen van

cocaïne en/of fabricage van synthetische drugs)

art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om het proces-verbaal van het Korps Landelijke Politiediensten, Dienst Nationale Recherche, Unit Midden-Nederland, met nummer 30003564 (onderzoek: Inventor), in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Schriftelijk bescheid, zijnde een ID-staat uit de StrafrechtsKetenDataBank, doorgenummerde pagina C11-0001; Proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 april 2012, doorgenummerde pagina C11-0011.

3 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0443, B01-0444 en B01-0449;Proces-verbaal van bevindingen verbalisanten UMN017-099 en UMN017-129, doorgenummerde pagina A01-09. Proces-verbaal forensische opsporing, doorgenummerde pagina E05-0029; Schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van het NFI betreffende de identificatie van drugs en precursoren, doorgenummerde pagina B01-0832.

4 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

6 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0454 en B01-0717 tot en met B01-0718.

7 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0453 en B01-0454, alsmede B01-0626 tot en met B01-0685.

8 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0453 en B01-0454, alsmede B01-0686 tot en met B01-0710

9 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0453 en B01-0719 tot en met B01-0726;Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina B01-022.

10 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s B01-0441 en B01-0442 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina’s B01-0454;Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099 met bijlagen, doorgenummerde pagina’s B01-022, B01-023 en B01-0467 tot en met B01-0469.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

12 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-018 en B01-0148.

13 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-018 en B01-0148.

14 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-018 en B01-0148.

15 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

16 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-019 en B01-0158.

17 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-019 en B01-0158.

18 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

19 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-020 en B01-0173.

20 Proces-verbaal van bevindingen verbalisant UMN017-099, doorgenummerde pagina’s B01-020 en B01-0173.

21 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.

22 Schriftelijk bescheid, zijnde een ID-staat uit de StrafrechtsKetenDataBank, doorgenummerde pagina C11-0001; Proces-verbaal van verhoor verdachte op 5 april 2012, doorgenummerde pagina C11-0011.

23 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s E05-0005 en E05-0006 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina E05-013;Proces-verbaal van wapentechnische bevindingen, doorgenummerde pagina’s B01-0456 en B01-0458.

24 Proces-verbaal van doorzoeking, doorgenummerde pagina’s E05-0005 en E05-0006 met als bijlagen een kennisgeving van inbeslagneming, doorgenummerde pagina E05-013;Proces-verbaal van wapentechnische bevindingen, doorgenummerde pagina’s B01-0456 en B01-0459.

25 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2015.