Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1184

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
27-02-2015
Zaaknummer
16/661851-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeeld een tot 7 maanden gevangenisstraf voor het smokkelen van tien personen door Nederland. De man vervoerde de personen in de laadruimte van zijn vrachtauto. De rechtbank verwijt verdachte dat hij niet heeft stilgestaan bij het ontwrichtende karakter van mensensmokkel en de omstandigheid dat hij personen zou kunnen vervoeren die niet vrijwillig de reis ondernamen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661851-14

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats](Polen) op [1981],

wonende te [adres] (Polen).

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte tien vreemdelingen behulpzaam is geweest bij een wederrechtelijke doorreis door Nederland door hen in de laadruimte van zijn vrachtauto te vervoeren (mensensmokkel).

3 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het behulpzaam zijn bij de wederrechtelijke doorreis van tien vreemdelingen door Nederland.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken op de volgende gronden.

  1. De verklaringen van de vreemdelingen kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt omdat zij niet ondervraagd konden worden door de verdediging.

  2. Uit het dossier blijkt niet dat de vreemdelingen op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen.

  3. Uit het dossier blijkt evenmin dat de toegang tot of doorreis door Nederland wederrechtelijk was.

  4. Niet gebleken is dat verdachte ernstige redenen had om te vermoeden dat de toegang tot of doorreis door Nederland wederrechtelijk was.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het behulpzaam zijn bij het verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is. In het dossier bevindt zich namelijk geen bewijs dat verdachte een rol heeft gehad bij het voor de vreemdelingen verschaffen van de toegang tot Nederland.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit vonnis zullen worden opgenomen. Verder wordt het volgende overwogen.

Gebruik van de verklaringen van de vreemdelingen

De rechtbank verwerpt het verweer dat de verklaringen van de vreemdelingen, voor zover neergelegd in processen-verbaal van politie, niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs omdat – kort gezegd - het ondervragingsrecht van de verdediging is geschonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, die daarmee de relevante rechtspraak van het EHRM heeft toegepast, is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde, de verdachte belastende verklaring niet onverenigbaar met art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Het gebruik van die verklaring is ook niet ongeoorloofd indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).

De rechtbank constateert dat de verklaringen van de vreemdelingen in belangrijke mate steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de verklaring van [A] en het proces-verbaal van bevindingen waarin de ontdekking van tien vreemdelingen in de laadruimte van de vrachtauto die verdachte bestuurde en de omstandigheden waaronder dat gebeurde, is opgetekend.

Illegale binnenkomst

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat niet is gebleken dat de vreemdelingen op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen. De verdediging stelt daarmee een eis aan een bewezenverklaring ex artikel 197a Sr die de wet niet kent.

Behulpzaam zijn bij wederrechtelijke doorreis

Vaststaat dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam is geweest bij de doorreis door Nederland. Op basis van de verklaring van [A] en op basis van de eigen verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte de laadruimte van de door hem bestuurde vrachtauto heeft geopend, de personen heeft gewenkt en hen in de laadruimte heeft laten instappen. Vervolgens is hij, met deze personen in de laadruimte, gaan rijden richting Rotterdam.

Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat de doorreis door Nederland van deze tien personen wederrechtelijk was. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang van belang.

De vraag onder welke omstandigheden de doorreis door Nederland als wederrechtelijk heeft te gelden, komt in de wetsgeschiedenis niet aan de orde. Het begrip 'wederrechtelijk [verblijf]' in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr is gelet op de wetsgeschiedenis uit te leggen als zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid. De in art. 197a Sr bedoelde hulp moet verleend zijn aan iemand die tot het verblijf in Nederland aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. (Zie HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8499 en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3230)

In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet (Vw). Onder verblijf wordt verstaan elk ophouden, ook zonder min of meer duurzaam karakter (zie HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3537). Voor zover in dit geval van belang bepaalt artikel 8 Vw – kort gezegd - dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft indien hij een verblijfstitel heeft dan wel in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, ofwel van de uitkomst van een rechtsmiddel daartegen. Voorts heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf gedurende de zogenaamde vrije termijn als bedoeld in artikel 12 Vw en gedurende de tijd dat de vreemdeling in de gelegenheid is om aangifte ex artikel 273f Sr te doen.

In deze zaak zijn tien vreemdelingen aangetroffen in de laadruimte van de vrachtauto die verdachte bestuurde. Verdachte had hen kort daarvoor laten instappen in laadruimte. De vreemdelingen zijn gehoord en hebben verklaard de Vietnamese (vier personen) dan wel Sri Lankaanse nationaliteit (6 personen) te hebben. Geen van hen had identiteitspapieren bij zich. Een aantal van de personen had een luier onder hun kleding aan. Geen van de personen had asiel aangevraagd in Nederland of was – op het moment dat men in de vrachtwagen stapte - van plan om asiel aan te vragen in Nederland, aldus hun eigen verklaringen. Na het verhoor op het politiebureau zijn de tien vreemdelingen naar verschillende opvanglocaties voor asielzoekers in Nederland gebracht. Van die opvanglocaties zijn alle tien personen binnen enkele dagen dan wel enkele weken vertrokken met onbekende bestemming.

Een aantal van de vreemdelingen heeft verklaard dat hun paspoorten zijn ingenomen op enig moment tijdens hun reis. Een ander heeft verklaard helemaal geen papieren te hebben gehad en één persoon heeft verklaard met vervalste papieren te hebben gereisd. Sommige vreemdelingen hebben verklaard niet te weten waar naar toe ze op weg zijn. Andere vreemdelingen verklaarden dat ze op weg naar Engeland waren om daar asiel aan te vragen. De politie heeft opgetekend dat uit de gesprekken met vier vreemdelingen signalen van mensenhandel naar voren kwamen.

Gelet op de aard van de reis, de omstandigheden waaronder deze plaatsvond en de verklaringen die de vreemdelingen hebben afgelegd staat in voldoende mate vast dat de doorreis van deze personen door Nederland wederrechtelijk was. De verdediging heeft gesteld dat de exacte status van deze personen niet bekend is en heeft geopperd dat deze personen mogelijk een rechtmatig verblijf in c.q. een rechtmatige doorreis door Nederland hadden gezien de korte duur die zij in Nederland waren. Gelet op de hiervoor opgesomde omstandigheden acht de rechtbank genoegzaam gebleken dat de vreemdelingen die verdachte vervoerde niet voldeden aan de vereisten voor een kort verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8 onder i jo. Art 12 Vw (vrije termijn).

Wetenschap verdachte

De rechtbank acht bewezen dat verdachte ernstige redenen heeft gehad om te vermoeden dat de doorreis van deze personen wederrechtelijk was. Ten eerste in verband met de wijze waarop hij is ingeschakeld om de personen te vervoeren. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij telefonisch is benaderd door een hem onbekende persoon die hem 500 euro heeft geboden om ‘pakketjes’ af te leveren in Rotterdam. Hij heeft telefonisch een adres in De Meern gekregen en zou onderweg een telefoontje krijgen waar hij zijn ‘pakketjes’ moest afleveren. Ten tweede in verband met de wijze waarop de personen werden vervoerd. Bij het laden van de vracht in Polen heeft verdachte gezien dat er folie was geplakt tegen de rechterbinnenzijde van de vrachtwagen. De lading van de vrachtauto (dozen met ovens) werd geplaatst tegen de linkerzijde van de vrachtwagen zodat er aan de rechterzijde een opening van ongeveer een halve meter over de hele lengte van de vrachtwagen was. Vlak voor het instappen in de vrachtauto in De Meern bevonden de tien personen zich volgens een getuige tussen de bosjes. Verdachte heeft verklaard dat hij deze tien personen, die gelet op de foto’s in het dossier duidelijk kenbaar van buitenlandse origine zijn, niet kende en dat zij de taal die hij sprak, niet begrepen. Hij heeft de personen vervolgens gewenkt en laten instappen in de laadruimte aan de kant van de folie, waarna hij de laadruimte weer heeft afgesloten.

Gelet op deze voor verdachte kenbare omstandigheden heeft verdachte ernstige redenen gehad om te vermoeden dat de doorreis van deze personen wederrechtelijk was.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

hij op 13 september 2014 te De Meern, gemeente Utrecht tezamen in vereniging met een ander of anderen, een ander, te weten [B] en [C] en [D] en [E] en [F]en [G] en [H]en [I] en [J] en[K], behulpzaam is geweest bij doorreis door Nederland, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) die [B] en [C] en[D]

en [E] en [F][G] en [H]en [I] en [J] en[K] in zijn, verdachtes, vrachtwagen in laten stappen en is hij verdachte vervolgens weggereden, terwijl verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat die doorreis wederrechtelijk was, terwijl dit feit werd begaan in de uitoefening van zijn ambt of beroep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

In de uitoefening van zijn ambt/beroep en tezamen en in vereniging met één of meer anderen het een ander behulpzaam zijn bij doorreis door Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat doorreis wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door de officier van justitie bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, wordt verzocht om te volstaan met een straf gelijk aan voorarrest, eventueel aan te vullen met een werkstraf.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft tien personen door Nederland gesmokkeld door hen te vervoeren in de laadruimte van zijn vrachtauto. Door een oplettende getuige heeft de reis (die volgens verdachte van De Meern naar Rotterdam zou gaan) slechts een tiental minuten geduurd. Door mensensmokkel wordt het overheidsbeleid inzake de bestrijding van illegaal verblijf en illegale toegang tot Nederland en andere landen van de Europese Unie doorkruist. En hoewel niet is gebleken dat verdachte initiator is van de mensensmokkel, is zijn handelen wel te beschouwen als een onmisbare schakel daarin. Van algemene bekendheid is dat voor in elk geval de achterliggende organisatie winstbejag de belangrijkste drijfveer is. Ook voor verdachte was het financiële voordeel de motivatie om hieraan zijn medewerking te verlenen. De rechtbank verwijt verdachte dat hij niet heeft stilgestaan bij het ontwrichtende karakter van mensensmokkel en de omstandigheid dat hij personen zou kunnen vervoeren die niet vrijwillig de reis ondernamen. In dit geval heeft de politie bij vier van de tien personen signalen van mensenhandel geconstateerd.

De rechtbank is van oordeel dat bij een ernstig feit als mensensmokkel in beginsel alleen een gevangenisstraf als passende straf geldt. In de omstandigheid dat de reis slechts korte tijd heeft geduurd, ziet de rechtbank geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken of de straf te matigen. Verdachte is niet eerder veroordeeld en niet gebleken is dat verdachte structureel deelneemt aan mensensmokkel, zodat er in dat opzicht geen sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Verdachte heeft verzocht om met zijn persoonlijke omstandigheden in matigende zin rekening te houden: de chronische ziekte van zijn twee zoontjes, zijn kostwinnerschap en dat hij inmiddels zijn werk heeft hervat. De verdediging heeft in overweging gegeven het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf te beperken tot het al ondergane voorarrest. Naar het oordeel van de rechtbank doet de duur van het ondergane voorarrest echter geen recht aan de ernst van het feit, ook niet voor een firstoffender. Passend en geboden wordt geacht aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden op te leggen..

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

In de uitoefening van zijn ambt/beroep en tezamen en in vereniging met één of meer anderen het een ander behulpzaam zijn bij doorreis door Nederland, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat doorreis wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven (7) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, voorzitter, mrs. A.J.P. Schotman en H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2015.

BIJLAGE : De tenlastelegging

Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 13 september 2014 te De Meern, gemeente Utrecht, in elk

geval in Nederland tezamen in vereniging met een ander of anderen, in elk

geval alleen, een ander, te weten [B] en/of [C] en/of

[D] en/of [E] en/of [F][G]

en/of [H]en/of [I] en/of [J] en/of

[K], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van

toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese

Unie, IJsland, Noorwegen of Engeland, in elk geval een staat die is

toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol

tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot

aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag

tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid,

middelen of inlichtingen heeft verschaft, immers heeft/hebben hij verdachte

en/of zijn mededader(s) die [B] en/of [C] en/of[D]

en/of [E] en/of [F][G]

en/of [H]en/of [I] en/of [J] en/of

[K] in zijn vrachtwagen in laten stappen en is hij verdachte

vervolgens weggereden, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te

vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk was, terwijl dit feit

werd begaan in de uitoefening van zijn ambt of beroep.