Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1160

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-02-2015
Datum publicatie
02-06-2015
Zaaknummer
16-660072-14
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het mishandelen en bedreigen van zijn vriendin. De rechtbank veroordeelt verdachte voor vuurwapenbezit tot een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/660072-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 26 februari 2015

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1986],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein,

Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2015. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd.

De tenlastelegging is, met wijziging, als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 1 september 2013 tot en met 3 november 2014 te Nieuwegein een wapen van de categorie III, te weten een pistool, en munitie van de categorie III, te weten 34 patronen 9 millimeter Luger, voorhanden heeft gehad;

Feit 2: op tijdstippen in de periode van 28 september 2012 tot en met 28 februari 2014 te Vleuten zijn vriendin [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 3: op tijdstippen in de periode van 28 september 2012 tot en met 2 mei 2014 te Vleuten en/of De Meern, telkens [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht;

Feit 4: op 3 november 2014 te Nieuwegein een wapen van de categorie I, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding partieel, namelijk wat het onder 3 ten laste gelegde feit betreft, nietig dient te worden verklaard. Aan verdachte is immers ten laste gelegd dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd, terwijl de tenlastelegging vervolgens melding maakt van bedreigingen die zijn gericht aan haar vader, [slachtoffer 2].

De rechtbank verwerpt dit verweer. Uit de bewoordingen van de tenlastelegging volgt duidelijk dat verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, zowel rechtstreeks (door haar woordelijk en met gebruik van een vuurwapen te bedreigen) als door tussenkomst van haar vader, door hem aan haar gerichte bedreigingen mee te delen. Ook overigens voldoet de tenlastelegging aan alle criteria die de wet daaraan stelt. De rechtbank acht de dagvaarding dan ook geldig.

Deze rechtbank is voorts bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zijn standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet tegen de bewezenverklaring van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten verzet.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 2 en 3 aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman verschillende argumenten naar voren gebracht. De rechtbank zal deze in het vonnis - op de plaats waar dat relevant is - bespreken, en daarbij enkel ingaan op die standpunten die deugdelijk zijn onderbouwd en zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feiten 1 en 4:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, voor zover ten laste is gelegd dat verdachte het vuurwapen, de munitie en de boksbeugel op 3 november 2014 voorhanden heeft gehad. Voor het voorhanden hebben van het wapen gedurende de gehele periode van 1 september 2013 tot en met 3 november 2014 bevindt zich onvoldoende overtuigend steunbewijs in het dossier. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken.

Nu verdachte de feiten overigens heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting;2

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende het aantreffen van het vuurwapen en de munitie;3

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende een onderzoek naar het in beslag genomen vuurwapen en de in beslag genomen munitie;4

Ten aanzien van feit 4:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting;5

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende het aantreffen van de boksbeugel;6

- het proces-verbaal van bevindingen, betreffende de categorisering van de boksbeugel.7

Feiten 2 en 3:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De feiten en omstandigheden zoals in de tenlastelegging van de feiten 2 en 3 omschreven, vinden hun grondslag in de aangifte van [slachtoffer 1]. Deze aangifte vindt weliswaar gedeeltelijk steun in de verklaringen van diverse getuigen en in de medische verklaring d.d. 26 december 2013, maar dit steunbewijs is onvoldoende overtuigend om een bewezenverklaring op te kunnen baseren. Daarbij is van belang dat de getuigenverklaringen steeds zijn gevoed door aangeefster zelf en niet een relevante eigen waarneming van mishandelingen, letsel, bedreigingen of andere van belang zijnde aspecten bevatten. De medische verklaring ziet slechts op één incident en geeft geen uitsluitsel over de oorzaak van het letsel.

De bedreigingen, zoals ten laste gelegd onder feit 3, vinden weliswaar steun in uitdraaien van ‘WhatsApp’-berichten, maar de inhoud van deze berichten is niet bruikbaar voor het bewijs. Op basis van de stukken zoals die zich in het dossier bevinden kan namelijk niet worden vastgesteld dat deze berichten van verdachte afkomstig zijn.

Het bericht dat verdachte naar de telefoon van de vader van aangeefster heeft gestuurd, kort gezegd inhoudende dat hij niet altijd zijn prinsesje kan blijven beschermen, hoeft naar zijn aard en strekking niet bedreigend te zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor de inhoud van dit bericht een aannemelijke verklaring heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de onder 2 en 3 aan hem ten laste gelegde feiten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 03 november 2014 te Nieuwegein een wapen van categorie III, te

weten een pistool, en munitie van categorie III, te weten 34 patronen

9 millimeter Luger, voorhanden heeft gehad;

4.

op 03 november 2014 in de gemeente Nieuwegein een wapen van categorie I,

onder 3, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als

Feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een onmiddellijk contactverbod met aangeefster en reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling voor agressieregulatie en voor alcohol- en drugsverslaving.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie ziet op een te ruime bewezenverklaring. Volgens de verdediging moet de op te leggen straf niet hoger zijn dan een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden wapen- en munitiebezit. Het (ongecontroleerde) bezit hiervan is in strijd met de wet en leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tevens levert het voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie een onaanvaardbaar risico op voor de veiligheid van personen en goederen.

Het vuurwapen dat bij verdachte is aangetroffen, een pistool van het merk Sphinx, bevond zich in een plastic tas in een laag kastje in de woonkamer van verdachte. Het wapen lag daarmee binnen handbereik voor een ieder. Ook de kinderen van verdachte hadden dit dus kunnen grijpen. Daarbij komt dat de aangetroffen munitie gedeeltelijk op diezelfde plek lag. De combinatie van het vuurwapen en de munitie maakt dat de gevaarzetting extra groot was. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Ook rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij geen verklaring heeft gegeven voor het bezit van het wapen en de bijbehorende munitie. Hij geeft hiermee geen inzicht in zijn handelen en lijkt geen verantwoordelijkheid te willen nemen voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS8 geven voor het voorhanden hebben van een pistool van de categorie III een gevangenisstraf aan van drie maanden onvoorwaardelijk. Dat de verdachte ook munitie en een boksbeugel voorhanden had, werkt strafverzwarend.De justitiële documentatie van verdachte d.d. 9 januari 2015 laat zien dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Wel heeft verdachte diverse veroordelingen voor vermogens- en geweldsdelicten op zijn naam staan.

Van de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte is weinig bekend. Hij heeft geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een reclasseringsadvies.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde ertoe leidt dat een gevangenisstraf opgelegd dient te worden. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Deze straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere, beperktere bewezenverklaring is gekomen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

Feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.J. Veenstra, voorzitter,

mrs. Z.L. Oosting en J.P.H. van Driel van Wageningen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2015.

BIJLAGE: de tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 3 november 2014

te Nieuwegein, althans in het arrondissement Midden-Nederland, een of meer wapens

van categorie III, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten 34, patro(o)n(en) 9 millimeter Luger, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2012

tot en met 28 februari 2014 te Vleuten, gemeente Utrecht, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 1],

meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het lichaam heeft

geslagen en/of gestompt en/of geschopt/getrapt, waardoor [slachtoffer 1]

(telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 september 2012

tot en met 2 mei 2014 te Vleuten en/of De Meern, (beiden) gemeente Utrecht, althans

in het arrondissement Midden-Nederland, (telkens) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans (telkens) met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gedrukt en/of gedrukt gehouden

en / of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (in persoon en/of via de

telefoon en/of middels whatsapp berichten) (telkens) dreigend de woorden

toegevoegd: "Je hebt mazzel dat je zwanger bent, anders trapte ik je dood"

en/of "kom nu naar huis want anders weet je het wel en krijg je klappen" en/of

"er gaat je wat overkomen" en/of "je hebt mazzel dat [A] er nu bij is,

anders had ik je vermoord" en/of "wacht maar tot ze in de nacht naar huis

rijdt, dan ga je pas echt huilen want je kan je prinsesje niet blijven

beschermen" en/of "hoe gek je mij nu maakt, krijg je klappen door" en/of "ik

sta van de week gewoon aan je deur en dan gaan we wel zien wat er gaat

gebeuren", althans (telkens) woorden van soortgelijke dreigende aard of

strekking;

4.

hij op of omstreeks 03 november 2014 in de gemeente Nieuwegein althans in het

arrondissement Midden-Nederland, een wapen van categorie I, onder 3 te weten

een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende proces-verbaal met nummer PL0900-2014315164Z bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2015.

3 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 4 november 2014, pag. 66 en 67.

4 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] d.d. 3 december 2014, pag. 4 van het einddossier met het nummer PL0900-2014314017-9.

5 Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 februari 2015.

6 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 4 november 2014, pag. 67 bovenaan.

7 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] d.d. 4 november 2014, pag. 69.

8 Landelijk Overleg van Voorzitters van Strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken.