Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2015:1091

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-02-2015
Datum publicatie
29-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4275
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ; medisch advies; proceskosten in bezwaar; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 14/4275

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2015 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: V. Sarkisian),

en

Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg, verweerster,

(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerster de aanvraag van eiser voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens eiser is tevens verschenen zijn dochter, [A] . Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 8 december 2013 heeft eiser een aanvraag voor AWBZ-zorg ingediend voor de functie Persoonlijke Verzorging, Behandeling Individueel en Begeleiding Individueel. In bezwaar heeft eiser gevraagd om geïndiceerd te worden voor de functie Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Individueel.

2. Verweerster heeft zich onder verwijzing naar het medisch advies van 28 mei 2014 op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een indicatie voor zorg vanuit de AWBZ. Eiser heeft volgens verweerster geen aanspraak op de functie Persoonlijke Verzorging, omdat niet kan worden geobjectiveerd dat eiser bij de Persoonlijke Verzorging hulp nodig heeft. Wanneer eiser als gevolg van vermoeidheid en/of bewegingsbeperkingen (vanwege overgewicht of pijnlijke rug) moeite heeft met de zelfzorg kan er volgens verweerster gebruik worden gemaakt van hulpmiddelen zoals een douchestoel en beugels. Dit kan worden aangevraagd uit de Zorgverzekeringswet of via de gemeente vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit zijn wettelijke voorzieningen, die voorliggend zijn op AWBZ-zorg, aldus verweerster. Eiser heeft volgens verweerster ook geen aanspraak op de functie Begeleiding Individueel. De reden daarvoor is dat de vraag naar AWBZ Begeleiding samenhangt met de psychische gesteldheid van eiser en de behandeling van eisers psychische klachten volledig voorliggend is op AWBZ-zorg. Ten slotte stelt verweerster zich op het standpunt dat het niet beheersen van de Nederlandse taal niet leidt tot aanspraak op AWBZ-zorg, omdat het beheersen van de Nederlandse taal niet voortkomt uit een aandoening. Eiser zou daarvoor een taalcursus kunnen volgen, aldus verweerster.

3. Eiser heeft aangevoerd dat de zorg die hij nodig heeft niet onder gebruikelijke zorg valt. Er is sprake van zwaardere problematiek dan door verweerster aangenomen en de familie kan dat niet aan. Eiser stelt begeleiding nodig te hebben om hem in staat te stellen aan het maatschappelijk leven deel te nemen. Daarnaast dient ondersteuning geboden te worden bij het aanbrengen van structuur, het voeren van regie en het ondersteunen bij vaardigheden en handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid. Dit kan volgens eiser niet worden aangemerkt als gebruikelijke zorg. Wat betreft de wettelijk voorliggende voorzieningen voert eiser aan dat hij in behandeling is geweest bij een psychiater van i-psy, maar dat die behandeling is afgebroken en dat hij die niet kan voortzetten, vanwege de verslechtering van zijn situatie als gevolg van de niertransplantatie. Voorts voert eiser aan dat hij begeleiding nodig heeft omdat hij minder goed in staat is om besluiten te nemen en regie te voeren over zijn eigen leven. Behandeling bij i-psy zal geen adequate oplossing bieden om de zelfredzaamheid van eiser te bevorderen of te handhaven. Ter onderbouwing van eisers standpunt dat hij begeleiding nodig heeft, verwijst hij naar het rapport van 7 oktober 2013 van psycholoog L.H.F. Stokhof. Eiser voert verder aan dat hij Persoonlijke Verzorging nodig heeft bij het aankleden, bewegen, eten, drinken en douchen, wanneer er heftige pijn optreedt. Eiser heeft vanwege zijn suïcidale neigingen ook hulp nodig bij het toedienen van medicijnen. Voorts is de situatie van eiser sinds de niertransplantatie eind mei 2014 verslechterd. Zijn suikerwaarden zijn omhoog gegaan, hij kan slechter zien, heeft trillende handen en is erg vermoeid. Hierdoor heeft eiser meer hulp nodig bij de persoonlijke verzorging. Het gaat hierbij om hulp bij het injecteren van insuline en novorapid en het meten van de suikerwaarde.

4. De rechtbank overweegt dat verweerster zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op het medisch advies van 28 mei 2014. Daarin concludeert de medisch adviseur dat eiser een

49 jarige man is met een nierinsufficientie, depressie en een posttraumatische – stresstroonis (PTSS). Er is sprake van een dominante grondslag Psychiatrie, omdat eiser de meeste beperkingen nu ervaart naar aanleiding van de depressie en de PTSS. Daarnaast is er sprake van een grondslag Somatiek. Behandeling ten aanzien van de depressie en PTSS is kortgeleden van start gegaan. Behandeling is voorliggend. Daarnaast concludeert de medisch adviseur dat de beperkingen gescoord op het gebied van het psychisch functioneren passend zijn bij de depressie en de PTSS. De beperkingen gescoord op het gebied van de sociale redzaamheid zijn passend bij de taalbarrière, de depressie en PTSS. De beperkingen gescoord op het gebied van het bewegen en verplaatsen zijn passend bij de beperkte conditie naar aanleiding van de nierinsufficientie. De medisch adviseur concludeert voorts dat ten aanzien van de persoonlijke verzorging het aannemelijk is dat dit meer moeite kost door de vermoeidheid naar aanleiding van de nierinsufficientie, maar eiser moet in staat worden geacht om op een rustig tempo de persoonlijke verzorging zelf te kunnen doen. De medisch adviseur concludeert dat hij op basis van de medische informatie niet kan stellen dat er een noodzaak is voor 24 uurs toezicht.

5. De rechtbank stelt voorop dat het advies van een medisch adviseur moet worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Als zo’n advies voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid en inzichtelijkheid, mag verweerster zich bij de besluitvorming daarop in beginsel baseren, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies. Het is aan eiser om dergelijke concrete aanknopingspunten aan te voeren, bijvoorbeeld door middel van het inbrengen van een contra-expertise.

6. De rechtbank overweegt dat het medische advies volledig is en voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit het medische advies is kenbaar welk onderzoek heeft plaatsgevonden en op basis van welke gegevens de medisch adviseur tot zijn bevindingen is gekomen. Het advies is gebaseerd op de medische informatie die op dat moment beschikbaar was. De rechtbank stelt vast dat tegen het medisch advies geen gronden zijn gericht en dat eiser ook geen medisch objectiveerbare gegevens heeft overgelegd op grond waarvan aan de juistheid of volledigheid van het advies moet worden getwijfeld. Dit betekent dat verweerster zich bij haar besluitvorming op het medisch advies mocht baseren. Verweerster heeft eisers aanvraag dan ook mogen afwijzen op de hiervoor in overweging 2 genoemde gronden. Ten aanzien van de psychiatrische klachten geldt dat de Zorgverzekeringswet en de Wmo voorliggend zijn. Ten aanzien van de voorzieningen die worden gevraagd in verband met eisers somatische klachten mocht verweerster afgaan op het medisch advies, waarin deze voorzieningen niet noodzakelijk worden geacht. Wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, zoals hiervoor onder overweging 3 is weergegeven, treft derhalve geen doel. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de door eiser eerst in beroep overgelegde medische informatie, die betrekking heeft op de situatie van na het bestreden besluit van 5 juni 2014, geen aanleiding kan vormen voor een ander oordeel, omdat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit moet beoordelen naar het moment dat dit besluit werd genomen.

7. Ter zitting is nog een nieuw medisch advies van 9 januari 2015 aan de orde gekomen. Aanleiding voor dit nieuwe medische advies is dat de gezondheidstoestand van eiser is gewijzigd ten opzichte van de situatie in bezwaar wegens een niertransplantatie die eiser rondom het moment van het bestreden besluit, mei 2014, heeft ondergaan. Bij de beoordeling van het bestreden besluit kan de nieuwe medische toestand echter geen rol spelen. Voorts is ter zitting besproken dat de psychiatrische behandeling door i-psy inmiddels weer is opgestart. Voor zover eiser daarnaast psychiatrische of somatische zorg nodig zou hebben komt dat ten laste van de zorgverzekering. Dat geldt tevens voor bijstand in verband met eisers gestelde agressieve aanvallen. Voor zover eiser behoefte heeft aan ondersteuning in verband met zijn gestelde eenzaamheid, overweegt de rechtbank dat daarvoor Wmo-zorg is aangewezen. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte stand kan houden.

8. Eiser heeft tenslotte aangevoerd dat hij aanspraak maakt op vergoeding van zijn proceskosten in bezwaar, omdat op de eerste pagina van het primaire besluit van

16 januari 2014 een gedeelte is weggevallen, waardoor de motivering van het primaire besluit niet duidelijk was. Pas tijdens de hoorzitting in bezwaar op 7 mei 2014 is de volledige inhoud van het primaire besluit aan eiser kenbaar gemaakt. Nu sprake was van een motiveringsgebrek van het primaire besluit had verweerster de proceskosten in bezwaar moeten vergoeden, aldus eiser. De rechtbank volgt eiser hierin niet en legt aan dat oordeel het volgende ten grondslag.

8.1.

Artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover van belang, dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing.

8.2.

Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

8.3.

De rechtbank stelt vast dat verweerster het primaire besluit niet heeft herroepen en dat eisers bezwaar door verweerster ongegrond is verklaard. Eiser is ook niet in zijn belang geschaad door het gestelde motiveringsgebrek in het primaire besluit, nu dit primaire besluit in bezwaar volledig is heroverwogen. Nu eisers beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is, bestaat evenmin aanleiding om het primaire besluit te herroepen. Er is daarom geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in bezwaar.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Jak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2015.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.