Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2014:962

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
16.653654-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden heeft. Verdachte heeft alcohol genuttigd alvorens een auto te besturen en heeft geen voorrang verleend aan het latere slachtoffer. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Lelystad

Parketnummer: 16.653654-13 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2014

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014, waarbij de verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P.A. Kint, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.A. Banga en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 02 augustus 2012 te Almere, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de Novemberstraat en/of de Kalenderweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- na het nuttigen van alcohol,

- (met onverminderde snelheid)

- een kruisend fietspad over te steken,

- zonder zich er (in voldoende mate) van te vergewissen dat dat fietspad vrij was van overige verkeersdeelnemers,

- terwijl van links een scooter (bestuurd door [slachtoffer]) kwam aanrijden, waaraan verdachte voorrang had moeten verlenen en/of

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd,

- waardoor die scooter ter voorkoming van een botsing met de personenauto een noodstop heeft moeten maken en daarbij onderuit is gegleden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een gebroken te(e)n(en) en/of middenvoetsbeentje(s)), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid, tweede lid of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

Subsidiair

hij, op of omstreeks 02 augustus 2012, te Almere, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, te weten de Novemberstraat en/of de Kalenderweg,

- na het nuttigen van alcohol,

- (met onverminderde snelheid)

- een kruisend fietspad over is gestoken,

- zonder zich er (in voldoende mate) van te vergewissen dat dat fietspad vrij was van overige verkeersdeelnemers,

- terwijl van links een scooter (bestuurd door [slachtoffer]) kwam aanrijden, waaraan verdachte voorrang had moeten verlenen en/of

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd,

- waardoor die scooter ter voorkoming van een botsing met de personenauto een noodstop heeft moeten maken en daarbij onderuit is gegleden,

door welke gedraging(en) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 02 augustus 2012 te Almere, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994, 195 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 2 augustus 2012 is op het kruispunt van de wegen Kalenderweg met de Novemberstraat te Almere een bestuurder van een bromfiets, [slachtoffer], ten val gekomen. Hij bereed de rijbaan van de Kalenderweg, een voorrangsweg, over het aldaar als zodanig aangeduide fietspad. Ter hoogte van het kruispunt met de Novemberstraat gedroeg de bestuurder van een personenauto, verdachte, zich zodanig dat [slachtoffer] dacht dat verdachte de Kalenderweg op zou rijden zonder voorrang aan hem te verlenen. In een poging een aanrijding te voorkomen heeft [slachtoffer] een noodremming gemaakt en is daarbij gevallen. De beide voertuigen hebben elkaar niet geraakt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde met uitzondering van het verkeren in de toestand als bedoeld in artikel 8 eerste en tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en het niet voldoen aan een bevel gegeven krachtens artikel 163 van genoemde wet, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ook het onder 2 ten laste gelegde kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen worden.

Zij heeft hierbij verwezen naar het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, het verhoor van de benadeelde, de geneeskundige verklaring, het proces-verbaal misdrijf, de ademanalyse en de verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair dient te worden vrijgesproken omdat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft daartoe aangegeven dat verdachte stapvoets aan is komen rijden, het zicht belemmerd was en verdachte goed heeft opgelet. Voorts is er volgens de raadsman geen sprake van zwaar lichamelijk letsel, omdat een operatie niet noodzakelijk was. Ook is de benadeelde niet gehinderd in zijn normale bezigheden omdat het dansen hier niet toe gerekend kan worden en hij zijn werk nog uit kan voeren.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft hierbij wel opgemerkt dat het om een lichte alcoholoverschrijding gaat.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Het bewijs

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op zijn snorscooter op het fietspad langs de Kalenderweg in Almere reed. Ter hoogte van de kruising met de Novemberstraat zag hij van rechts een auto aan komen rijden. Hij zag dat de auto plots het kruispunt opreed. [slachtoffer] kon er niet meer omheen sturen en besloot heel hard te remmen. Hierdoor is hij met zijn scooter ten val gekomen, waarbij zijn rechtervoet onder de scooter terecht is gekomen. Hij is een eindje doorgegleden over het fietspad waarbij hij voelde dat zijn schoen uitschoot. [slachtoffer] voelde hevige pijn in zijn rechtervoet. Hij heeft de auto uiteindelijk niet geraakt. In het ziekenhuis is geconstateerd dat hij twee tenen had gebroken en een middenvoetsbeentje.1

Uit de geneeskundige verklaring is gebleken dat [slachtoffer] fracturen van de middelste drie tenen en een fractuur van het tweede middenvoetsbeentje heeft in zijn rechtervoet. Volledige genezing valt te verwachten en de geschatte duur van de genezing betreft ten minste zes weken, gevolgd door enige weken revalidatie.2

Op 21 augustus 2013 is [slachtoffer] opnieuw (telefonisch) gehoord. Hij heeft hierbij verklaard dat de breuken in zijn voet zich ter hoogte van de aanhechting met de voet en het middenvoetsbeentje bevonden, waardoor er een kromming in de tenen ontstond, een zogenaamde klauwvorm. Door de doktoren is besloten om niet te opereren maar om steunzolen aan te laten meten. De zolen moeten een keer vervangen worden omdat de stand van de tenen verandert. [slachtoffer] heeft sinds het ongeval tot mei 2013 onafgebroken gerevalideerd. Ook heeft hij tijdens het revalidatieproces gebruik gemaakt van een rolstoel. Als gevolg van het letsel aan zijn voet kan hij zijn grootste hobby, dansen, niet meer uitoefenen, omdat de pijn in zijn voet nog steeds aanhoudt. Hij heeft verklaard dat hij in musicals speelde en op hoog niveau aan stijldansen deed.3

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens het eten bij een vriend een groot blik en drie kleine blikjes bier had leeggedronken. Rond 20.40 uur heeft verdachte de woning van de vriend verlaten. Hij reed in de richting van de Novemberweg en wist dat alle kruisende wegen voorrang hebben. Ter hoogte van de Kalenderweg wist hij dat er fietsers van links en rechts konden komen. Volgens verdachte is het slecht te zien of er fietsers aankomen, zodat hij het kruispunt rustig is opgereden en naar links en rechts heeft gekeken. Hij passeerde de haaientanden en reed het kruispunt op. Hij schrok van een naderende snorscooter van links die hem met snelheid naderde. Verdachte remde en zag de bestuurder van de snorscooter vallen en doorglijden op het fietspad. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de 48 uur voorafgaand aan het ongeval nog een wietje had gerookt.4 Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bekend is in die buurt, omdat hij er zelf dichtbij woont.5

De verbalisant die ter plaatse kwam bemerkte dat de adem van verdachte rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank en dat de ogen van verdachte bloeddoorlopen waren. Bij controle bleek dat het rijbewijs van verdachte op 11 mei 2009 aan hem was verstrekt en dat verdachte derhalve nog geen vijf jaar in het bezit was van zijn rijbewijs. Om 20.54 uur heeft de verbalisant gevorderd dat verdachte mee zou werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Uit dit onderzoek kwam een A indicatie. Om 21.58 uur heeft de ademanalyse plaatsgevonden.6 Uit de Dräger alcoholtest is een onderzoeksresultaat van 195 ug/l gebleken.7

In het proces-verbaal fotomap verkeersongevalsanalyse is middels een tiental foto’s de verkeers- en ongevalssituatie ter plaatse zichtbaar gemaakt.8

Bewijsoverweging

Om tot een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te komen, dient de rechtbank vast te stellen dat verdachte schuld heeft in de zin van die bepaling, derhalve dat hij zich ten minste in aanmerkelijke mate verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gedragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, NJ 2005, 252, LJN AO5822).

Vaststaat dat verdachte bij het kruispunt voorrang had moeten verlenen aan [slachtoffer] en dit niet heeft gedaan. Verdachte heeft derhalve een verkeersovertreding begaan ten gevolge waarvan het ongeval is veroorzaakt. Voorts staat vast dat verdachte onder invloed van alcohol zijn auto heeft bestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte zijn auto heeft bestuurd na het nuttigen van alcoholhoudende drank, terwijl hij wist dat dit nadelige gevolgen kan hebben op het rijgedrag.

De rechtbank is voorts van oordeel dat, anders dan door de raadsman is betoogd, er geen sprake is van een onoverzichtelijk kruispunt. Uit de foto’s die zich in het dossier bevinden in de fotomap blijkt dat verdachte voldoende zicht moet hebben gehad op het fietspad, zelfs als hij even daarvoor de bocht heeft moeten nemen richting het kruispunt. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierbij dat indien verdachte het kruispunt wel onoverzichtelijk vond, hij om een ongeval te voorkomen juist voor de haaientanden zijn auto tot stilstand had moeten brengen en niet (al dan niet stapvoets) door had moeten rijden. Bij een kruispunt moet immers de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen. Bovendien is verdachte bekend met de verkeerssituatie ter plaatse.

De rechtbank komt op grond van het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige hiervoor omschreven omstandigheden tot bewezenverklaring van de lichtste mate van schuld, te weten dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Zwaar lichamelijk letsel

Het lichamelijk letsel dat [slachtoffer] ten gevolge van de aanrijding heeft opgelopen, te weten fracturen van de middelste drie tenen en een fractuur van het tweede middenvoetsbeentje van de rechtervoet, merkt de rechtbank aan als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat [slachtoffer] gedurende een lange periode, van 2 augustus 2012 tot mei 2013, heeft moeten revalideren en op 21 augustus 2013 nog altijd pijn in zijn voet ondervindt, waardoor hij onder meer zijn grootste hobby stijldansen, wat hij op een hoog niveau deed, niet meer kan uitoefenen. Dat doktoren besloten hebben om geen operatie te verrichten op de voet van [slachtoffer] doet aan dit oordeel niet af.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feit, zoals hierna is weergegeven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

Primair

hij op 02 augustus 2012 te Almere als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, (de Novemberstraat), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend,

- na het nuttigen van alcohol,

- (met onverminderde snelheid)

- een kruisend fietspad over te steken,

- zonder zich er (in voldoende mate) van te vergewissen dat dat fietspad vrij was van overige verkeersdeelnemers,

- terwijl van links een scooter (bestuurd door [slachtoffer]) kwam aanrijden, waaraan verdachte voorrang had moeten verlenen en

- terwijl het zicht van verdachte niet werd belemmerd,

- waardoor die scooter ter voorkoming van een botsing met de personenauto een noodstop heeft moeten maken en daarbij onderuit is gegleden,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere, althans een gebroken tenen en middenvoetsbeentje, werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 02 augustus 2012 te Almere als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) voor het besturen waarvan een rijbewijs is vereist, terwijl sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder a Wegenverkeerswet 1994, 195 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Van het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Feit 2: overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 22 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Zij heeft daarbij rekening gehouden met het feit dat verdachte geen justitiële documentatie heeft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zwaar te lijden heeft onder deze zaak en de mogelijkheid bestaat dat hij werkloos raakt waardoor hij over zijn rijbewijs moet kunnen beschikken voor sollicitaties. Verdachte heeft geen justitiële documentatie.

De raadsman heeft verzocht geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen dan wel om deze geheel voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat ter zake de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en dat zij – gelet op het bepaalde in voornoemd artikel – bij de bepaling van de strafmaat zal uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol op aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende wijze zijn personenauto bestuurd en een verkeersongeval met een snorscooter veroorzaakt. De gevolgen van dit verkeersongeval zijn ernstig. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waar hij ruim een jaar na het ongeval nog pijn van ondervindt en waardoor hij zijn grootste hobby niet meer kan uitoefenen.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 januari 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft afspraken gemaakt over door de strafrechters te hanteren uitgangspunten van bij overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leggen straffen. Voor het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout, het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de verdachte onder invloed van alcohol (lager dan 570 ugl) verkeerde, wordt ingevolge deze oriëntatiepunten als uitgangspunt gehanteerd een werkstraf voor de duur van 160 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorvoertuigen te besturen voor de duur van 18 maanden. De rechtbank zal dit als uitgangspunt hanteren.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden dat deze oriëntatiepunten gelden tot een hoeveelheid van 570 ugl alcohol, terwijl bij verdachte een hoeveelheid van 195 ugl alcohol is geconstateerd. De rechtbank zal daarom een lagere straf opleggen dan door de oriëntatiepunten is weergegeven.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen of een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat een dergelijke straf naar het oordeel van de rechtbank geen recht doet aan de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en aan de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zodanig als hierboven onder 6 is omschreven;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 120 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 12 maanden;

- bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 voor het tijdstip waarop de ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ingaat ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van die ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de ontzegging tot het besturen van motorrijtuigen een gedeelte, groot 6 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. M. Iedema en mr. drs. H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 februari 2014.

1 Het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Flevoland op 3 augustus 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL2543 2012054726-14, houdende een proces-verbaal van verhoor benadeelde [slachtoffer], pagina’s 1 en 2.

2 Geneeskundige verklaring opgesteld door [A], arts bij GGD Flevoland op 13 augustus 2012.

3 Het door [verbalisant 1], brigadier van politie Flevoland op 21 augustus 2013 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL2543 2012054726-15, houdende een proces-verbaal verhoor benadeelde [slachtoffer], pagina 1.

4 Het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Flevoland op 2 augustus 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL2543 2012054726-4, houdende een proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 1 en 2.

5 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 4 februari 2014.

6 Het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie Flevoland op 3 augustus 2012 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL2543 2012054726-1, houdende een proces-verbaal misdrijf, pagina’s 1 en 2.

7 Uitdraai van de Dräger alcotest d.d. 2 augustus 2012.

8 Het door [verbalisant 2], brigadier en ongevallenanalist van politie Flevoland op 14 september 2012 opgemaakt proces-verbaal fotomap verkeersongevalsanalyse, pagina’s 4 tot en met 9.